Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:402

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
1419522 \ HA EXPL 13-335
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser, een werving- en selectiebureau, introduceert uit eigen beweging een kandidaat bij gedaagde 1. Gedaagde 1 slaat het aanbod af, maar enkele weken later solliciteert de kandidaat alsnog met succes bij gedaagde 2 (een dochter van gedaagde 1). Is alsnog een overeenkomst tussen eiser en gedaagden tot stand gekomen? Bewijsopdracht. Het betoog van eiser dat gedaagde 1 en 2 moeten worden vereenzelvigd, wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/75

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 1419522 \ HA EXPL 13-335

Uitspraak: 4 februari 2014

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Baker & Bond B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

gemachtigde mr. I. Janssen,

tegen

1.

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PricewaterhouseCoopers B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

en

2.

de naamloze vennootschap

PricewaterhouseCoopers Advisory N.V,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

gemachtigde: mr. J.W. van Rijswijk.

Eiseres zal hierna Baker&Bond worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk PWC en PWCA en gezamenlijk PWC c.s. worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 15 maart 2013 inhoudende de vordering van Baker&Bond, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van PWC c.s., met producties.

Ingevolge het tussenvonnis van 5 juni 2013 heeft op 13 november 2013 een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan bevindt zich bij de stukken. Bij brieven van respectievelijk 22 november 2013 en 4 december 2013 hebben de raadslieden nog enkele opmerkingen gemaakt ten aanzien van de inhoud van het proces-verbaal.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1

Baker&Bond is een werving- en selectiebureau, dat zich voornamelijk richt op de consultancymarkt. PWC is een internationaal accountants- en belastingadvieskantoor. PWC heeft haar diensten ingedeeld in drie hoofdwerkvelden: ‘Assurance’, ‘Tax & HRS’ en ‘Advisory’. De ‘Advisory’ activiteiten worden ontplooid vanuit PWCA, een volle dochter van PWC.

1.2

Op 19 juni 2012 heeft [naam] van Baker&Bond (hierna: [naam]) uit eigen beweging per e-mail contact opgenomen [naam 2] van PWC, [naam 2] (hierna: [naam 2]). Bij de e-mail had [naam] het curriculum vitae van [naam 3] (hierna: [naam 3]) gevoegd. In het betreffende e-mailbericht staat, voor zover relevant:

‘(…)

De tijd gaat snel en dat blijkt helemaal als ik nakijk wanneer wij elkaar voor het laatst spraken. Nu moest ik aan PWC denken door een kandidaat die ik in bemiddeling heb en graag aan jou zou laten zien: [naam 3]. Wellicht dat we iets voor elkaar kunnen betekenen. (…)

[naam 3] zijn kwaliteiten vielen op en [naam 4] heeft hem de mogelijkheid geboden om een ‘Corporate Debt Advisory desk’ op te zetten. Vooral door deze activiteiten is bij [naam 3] het besef gegroeid dat hij hierin verder wil. (…)

Ik verwacht dat [naam 3] het als consultant binnen PWC het goed zou kunnen doen en dat PWC het juiste platform zou kunnen zijn voor de volgende stap in zijn nog jonge carrière. We hebben eerder zaken gedaan, maar omdat dit toch weer enige tijd geleden is, heb ik in de bijlagen onze Algemene Voorwaarden bijgevoegd waaronder ik [naam 3] voorstel.

(…)’

De meegezonden algemene voorwaarden van Baker&Bond houden in, voor zover relevant:

(…)

1.

In de Algemene Voorwaarden hebben de volgende woorden en begrippen, die met een hoofdletter worden geschreven, de betekenis die daarachter is vermeld.

(…)

Introductie de voordracht van een Kandidaat op initiatief van Baker&Bond, ook zonder dat een Overeenkomst tot stand is gekomen, door toezending van gegevens die de Kandidaat identificeert.

(…)

Plaatsing het moment waarop Opdrachtgever en de Kandidaat mondeling of schriftelijk op hoofdlijnen overeenstemming hebben bereikt over de inhoud van de tussen hen overeen te komen arbeidsvoorwaarden. Plaatsing geschiedt op grond van een Overeenkomst of een Introductie door Baker&Bond.

(…)

13.

De Baker&Bond toekomende fee bij plaatsing bedraagt 25% over de loonsom van de Kandidaat. (…)

(…)

16.

Opdrachtgever is aansprakelijk voor zowel de volledige buitengerechtelijke als de gerechtelijke kosten die Baker&Bond maakt om haar factu(u)r(en) te incasseren indien een factuur niet wordt betaald of indien een factuur wordt betaald na het verstrijken van de betalingstermijn van 14 dagen.

1.3

[naam 2] heeft bij e-mail van 20 juni 2012 in reactie op het e-mailbericht van [naam] geantwoord, voor zover relevant:

‘(…) Inderdaad al weer een tijd geleden.

Intussen is er ook weer veel gebeurd. Ik moet je daarom ook aangeven dat wij momenteel geen passende vacature voor deze kandidaat hebben.

Een andere zaak wat meespeelt is dat wij bijzonder terughoudend zijn met het inzetten van W&S bureaus.

Helaas, voor nu. Wellicht weer over een bepaalde periode.

(…)’

[naam] heeft hierop nog diezelfde dag geantwoord, voor zover relevant:

‘(…) Helaas, maar dankjewel voor je snelle antwoord. Veel succes en wellicht dat we een andere keer wel iets voor elkaar kunnen doen. (…)’

1.4

Kort daarna heeft [naam 3] zelf contact opgenomen met [naam 5] (hierna: [naam 5]), die destijds als consultant werkzaam was bij de afdeling Debt Advisory van PWCA. In dit contact heeft [naam 5] [naam 3] geattendeerd op een openstaande junior functie bij de afdeling Debt Advisory. Vervolgens heeft [naam 3] op 28 juni 2012 per e-mail zijn eigen C.V. - en dus niet het door Baker&Bond opgestelde C.V. - aan [naam 5] opgestuurd. [naam 5] heeft het C.V. doorgestuurd naar de directeur van de afdeling Debt Advisory, [naam 6] (hierna: [naam 6]).

1.5

Op 11 juli 2012 heeft [naam 3] een eerste gesprek gehad voor de betreffende functie bij Debt Advisory. Op 12 juli 2012 heeft [naam 3] per e-mail aan [naam] bericht, voor zover relevant:

‘Heb in eerste instantie gesproken met [naam 5] (zij zat in het Debt Advisory team, maar is verhuis naar Duitsland). Gisteren gesproken met [naam 7] en [naam 8]. Bij hen ook aangegeven dat ik via Baker&Bond ben geïntroduceerd en dat het cv van mij niet is doorgekomen en dat uiteindelijk via [naam 5] cv toch op goede plek is gekomen.’

1.6

Op 18 juli 2012 heeft [naam 3] een tweede gesprek gehad met onder meer [naam 6] als gesprekspartner, waarna [naam 3] [naam 6] per e-mail zijn arbeidsvoorwaarden heeft toegezonden. In het begeleidende e-mailbericht staat:

‘(…) Bijgaand kun je het overzicht vinden van mijn arbeidsvoorwaarden zoals deze door het bureau Baker & Bond zijn doorgestuurd tijdens de initiële aanmelding bij PWC.’

1.7

Diezelfde avond heeft [naam] een e-mailbericht gestuurd naar [naam 2], waarin staat, voor zover relevant:

‘(....) Zoals jij ook wel zal hebben meegekregen, zijn de zaken inmiddels gewijzigd met [naam 3] ([naam 3], kantonrechter). Na de afwijzing vanuit recruitment heeft [naam 3] dit gecommuniceerd aan [naam 5]. Zij gaf aan dat dit een misverstand moest zijn en heeft zijn cv alsnog bij [naam 6] onder de aandacht gebracht. Zo is de procedure alsnog gestart. [naam 6] en de overige gesprekspartners zijn allen overigens ingelicht en op de hoogte dat [naam 3] via Baker&Bond is geïntroduceerd.(…)

Ik hoop dat [naam 3] zijn laatste rondes goed aflegt en we dit succesje kunnen gaan vieren. (…)’

1.8

[naam 2] heeft niet schriftelijk op dit e-mailbericht gereageerd. Wel heeft [naam 2] bij [naam 5] navraag gedaan over de gang van zaken rondom de sollicitatie van [naam 3]. [naam 5] heeft bij e-mail van 19 juli 2012 daarover onder meer het volgende aan [naam 2] bericht:

‘(…) Hij ([naam 3], kantonrechter) heeft mij direct benaderd. Ik ken hem via [naam 9] (oud-PwC-er en werkt nu ook voor [naam 4]). Doordat ik haar heb verteld dat wij een vacature hebben, heeft [naam 3] mij direct opgebeld. Hij heeft me ook verteld dat hij normaal via een tussenpersoon werkte en dat hij was afgewezen idd. (…) Je kan dus prima discussie aangaan met B&B want hij heeft mij op zn eigen houtje benaderd (…)’

1.9

Op 31 juli 2012 zijn PWCA en [naam 3] overeengekomen dat [naam 3] met ingang van 1 oktober 2012 in dienst zal treden op de afdeling Debt Advisory. Nog diezelfde dag heeft Baker&Bond voor de plaatsing van [naam 3] een fee van € 15.158,22 aan PWC gefactureerd. PWC heeft betaling daarvan geweigerd, omdat zij stelt niets aan Baker&Bond verschuldigd te zijn nu - kort gezegd - [naam 3] de betreffende sollicitatieprocedure op persoonlijke titel, zonder tussenkomst of bemoeienis van Baker&Bond heeft ingezet.

Vordering en verweer

2.

Baker&Bond vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

voor recht verklaart dat PWC c.s., althans één van hen, aan Baker&Bond het overeengekomen loon, althans een (marktconforme) fee, verschuldigd zijn of is op grond van het feit dat zij, althans één van hen, [naam 3], die door Baker&Bond bij hen, althans bij PWC, werd geïntroduceerd, in dienst hebben of heeft genomen;

PWC c.s., althans één van hen, veroordeelt tot betaling aan Baker&Bond van (a) een bedrag van € 15.158,22 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 14 augustus 2012, die tot aan 1 april 2013 € 853,30 bedraagt, (b) alle buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten waaronder de volledige kosten van rechtsbijstand, die tot aan de dag der dagvaarding € 5.489,53 bedragen en (c) de proceskosten, waaronder de volledige kosten van rechtsbijstand;

althans ten aanzien van de onder I en II (a, b en c) genoemde punten een in goede justitie te nemen beslissing te nemen welke de kantonrechter vermene te behoren.

3.

Baker&Bond legt aan de vordering ten grondslag dat PWC c.s. tekort is geschoten in de nakoming van een tussen partijen bestaande doorlopende overeenkomst van opdracht, althans dat PWC c.s. tekort is geschoten in de nakoming van een eenmalige overeenkomst met betrekking tot de introductie en plaatsing van [naam 3], althans dat PWC c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens Baker&Bond door misbruik te maken van identiteitsverwisseling tussen PWC en PWCA en zo de betaling van een aan Baker&Bond verschuldigde vergoeding te ontlopen.

4.

PWC voert verweer tegen de vordering, strekkende tot afwijzing daarvan.

5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Beoordeling

6.

Baker&Bond heeft als primaire grondslag voor de vordering aangevoerd dat tussen haar en PWC c.s. een overeenkomst tot stand is gekomen die Baker&Bond aanspraak geeft op een vergoeding voor de introductie van [naam 3].

7.

Baker&Bond heeft zich in dit verband in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat tussen haar en PWC c.s. sinds 2009 een doorlopende mondelinge overeenkomst van opdracht bestaat die Baker&Bond enerzijds het recht geeft om uit eigen beweging tegen marktconforme vergoeding kandidaten bij PWC c.s. te introduceren en die PWC c.s. anderzijds verplicht om ingeval van plaatsing van de betreffende kandidaat daarvoor een marktconforme vergoeding aan Baker&Bond te betalen.

8.

Van het bestaan van de gestelde lopende overeenkomst is echter niet gebleken. PWC c.s. heeft betwist dat zo een overeenkomst op enig moment tussen partijen is gesloten en aangevoerd dat weliswaar in het verleden, als te doen gebruikelijk in de branche, incidenteel kandidaten door Baker&Bond zijn geïntroduceerd, maar dat slechts eenmaal - zonder succes - een opdracht is verstrekt aan Baker& Bond. Daarvoor was toen ook uitdrukkelijk een schriftelijke opdrachtbevestiging opgesteld, aldus PWC c.s. Baker&Bond heeft tegenover deze gemotiveerde betwisting geen concrete feiten of omstandigheden aangedragen waaruit het bestaan van de door haar omschreven lopende overeenkomst blijkt. Baker&Bond stelt weliswaar dat [naam 2] het bestaan en de inhoud van de overeenkomst van opdracht in haar e-mail van 20 juni 2012 bevestigt (zie 1.3), maar dat wordt niet gevolgd: uit die e-mail valt naar het oordeel van de kantonrechter slechts af te leiden dat [naam 2] erkent dat er in het verleden tussen haar en [naam] contacten zijn geweest. Aldus moet de vordering van Baker&Bond worden afgewezen, voor zover zij die op het bestaan van een doorlopende overeenkomst van opdracht heeft gegrond.

9.

Baker&Bond heeft subsidiair betoogd dat met betrekking tot [naam 3] een eenmalige overeenkomst tot stand is gekomen doordat, zo begrijpt de kantonrechter, Baker&Bond op 19 juni 2012 een introductieaanbod heeft gedaan dat door PWC c.s. is aanvaard toen op 31 juli 2012 met [naam 3] een dienstverband werd aangegaan.

10.

PWC c.s. heeft betwist dat een overeenkomst tot stand is gekomen. Het aanbod van Baker&Bond en de daarbij behorende voorwaarden zijn op 20 juni 2012 door [naam 2] ondubbelzinnig afgewezen, waarmee een overeenkomst van de baan was. Dat [naam 3] vervolgens via een andere weg een functie op de afdeling Debt Advisory heeft verkregen, betekent niet dat het initiële aanbod van Baker&Bond alsnog is aanvaard. [naam 3] is namelijk op eigen initiatief en zonder verdere betrokkenheid of bemoeienis van Baker&Bond via een privéafspraak met [naam 5] in de sollicitatieprocedure voor deze functie beland. Bovendien is in dat sollicitatietraject op de door [naam 3] toegestuurde arbeidsvoorwaarden na geen enkel gebruik gemaakt van de documentatie van Baker&Bond. Dit sollicitatietraject stond dus geheel los van het initiële aanmeldingstraject via Baker&Bond. Dit klemt te meer nu de (junior)functie waarvoor [naam 3] met succes heeft gesolliciteerd een geheel andere positie betrof dan de (senior)functie waarop de initiële introductie van Baker&Bond betrekking had: voor een dergelijke juniorfunctie wordt nooit met werving- en selectiebureaus gewerkt, aldus steeds PWC c.s.

11.

De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 6:217 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan. In dit kader wordt allereerst vastgesteld dat Baker&Bond op 19 juni 2012 aan PWC een aanbod tot het aangaan van een overeenkomst heeft gedaan door uit eigen beweging [naam 3] bij het recruitmentbureau van PWC te introduceren als mogelijk geschikte kandidaat voor een functie bij PWC. Niet tegengesproken is dat dit aanbod mede werd gedaan ten behoeve van (een functie bij) PCWA, aangezien het werkveld waarin [naam 3] actief was (debt advisory) bij dochtermaatschappij PWCA was ondergebracht en uit de stellingen van partijen blijkt dat vacatures bij PWCA normaal gesproken ook via het centrale recruitmentbureau van PWC werden opengesteld.

12.

In de tweede plaats geldt, zoals Baker&Bond heeft gesteld en PWC c.s. niet heeft weersproken, dat aanvaarding van een aanbod als het vorenstaande normaal gesproken plaatsvindt wanneer de introductie tot een arbeidsovereenkomst met de kandidaat leidt. Op dat moment komt een overeenkomst tot stand tussen PWC en Baker &Bond, hetgeen Baker &Bond in beginsel aanspraak geeft op een introductievergoeding.

13.

In geschil is of tegen deze achtergrond het ondertekenen van een arbeidsovereenkomst tussen PWCA en [naam 3] op 31 juli 2102, ondanks de eerdere afwijzende reactie door [naam 2], (alsnog) een aanvaarding van het initiële introductieaanbod van Baker&Bond aan PWC inhoudt of dat dit volledig los van dat aanbod staat, zoals PWC c.s. stelt. Het antwoord op die vraag hangt volgens vaste rechtspraak - overeenkomstig de artikelen 3:33 tot en met 3:35 BW - af van wat partijen hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid.

14.

Tot vertrekpunt bij de verdere beoordeling dient dat Baker&Bond aanvankelijk een duidelijke, afwijzende reactie op haar aanbod heeft gekregen toen [naam 2] op 20 juni 2012 aan [naam] in reactie op diens e-mail mededeelde dat er geen passende functie voor [naam 3] was en PWC daarnaast bijzonder terughoudend was met het inzetten van werving- en selectiebureaus. Uit het daarop volgende antwoord van [naam] blijkt dat ook hij/Baker&Bond ervan uitging dat daarmee in principe de kous af was. Naar het oordeel van de kantonrechter mocht Baker&Bond gelet op dit heldere antwoord van [naam 2] niet zonder meer ervan uitgaan dat haar initiële aanbod alsnog herleefde toen zij enkele weken later van [naam 3] vernam dat hij in een sollicitatieprocedure voor een functie bij PWCA was beland. Daarbij is belang dat Baker&Bond een professionele marktspeler is en aldus had moeten begrijpen dat het enkele feit dat [naam 3] enkele weken later via een andere route alsnog op een functie binnen een grote organisatie als PWC c.s. heeft kunnen solliciteren, nog niet betekent dat PWC c.s. dus alsnog gebruik wenste te maken van de door Baker&Bond (ongevraagd) aangeboden diensten, zeker niet in het licht van de eerdere mededeling van [naam 2] dat PWC - naar moet worden aangenomen in verband met de daarmee samenhangende kosten - bijzonder terughoudend is met het inzetten van werving- en selectiebureaus. In dit verband is tevens van belang dat ook niet is gebleken dat Baker&Bond enige vorm van bemoeienis heeft gehad bij het sollicitatietraject bij PWCA, anders dan dat [naam 3] zelf de door Baker&Bond opgestelde arbeidsvoorwaarden aan [naam 6] heeft opgestuurd. Weliswaar is het zo dat PWC c.s. naar aanleiding van de e-mail van [naam] aan [naam 2] van 18 juli 2012, waarin [naam] duidelijk te kennen gaf ervan uit te gaan dat Baker&Bond en PWC gelet op de sollicitatie van [naam 3] bij PWCA alsnog tot een overeenkomst konden komen, niet meer richting Baker&Bond heeft gecommuniceerd dat zij dit anders zag en dat de sollicitatie van [naam 3] niets van doen had met het aanbod van Baker&Bond, maar gelet op hetgeen hiervoor is overwogen mocht Baker&Bond aan dit enkele stilzwijgen van PCW c.s. nog niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat PWC dit aanbod alsnog in overweging had genomen.

15.

Baker&Bond heeft op de comparitiezitting echter gesteld dat PWC niet slechts heeft stilgezwegen. [naam] heeft namelijk ter zitting verklaard dat hij op 19 juli 2012 telefonisch contact heeft gehad met [naam 2] en dat [naam 2] daarbij tegen hem heeft gezegd dat er - inclusief [naam 3] - twee kandidaten voor de functie bij Debt Advisory waren en dat [naam 6] wist dat hij bij een keuze voor [naam 3] rekening moesten houden met een extra kostenpost – naar de kantonrechter begrijpt: de vergoeding aan Baker&Bond. Daaraan zou [naam 2] nog toegevoegd hebben dat dit mogelijk in het nadeel van Baker&Bond/[naam] zou kunnen zijn. Iets eerder had [naam 2] volgens [naam] daarover ook al met [naam 3] gebeld.

16.

Als de voorgaande stellingen van Baker&Bond juist zouden blijken te zijn, dan heeft dat naar het oordeel van de kantonrechter tot gevolg dat Baker&Bond op basis van deze telefonische mededelingen van de zijde van PWC, mede bij gebreke aan een andersluidend signaal en in combinatie met het feit dat [naam 3] de door Baker&Bond opgestelde arbeidsvoorwaarden aan [naam 6] heeft opgestuurd, wél gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat de eerdere afwijzing op een misverstand berustte en dat op basis van haar initiële aanbod alsnog een overeenkomst tussen partijen tot stand zou komen wanneer [naam 3] bij Debt Advisory zou worden aangenomen. Daaraan doet alsdan niet af dat het hier om een junior-functie ging waarvoor normaal gesproken geen werving- en selectiebureau werd ingeschakeld, nu uit de e-mail van [naam] van 19 juni 2012 niet blijkt dat [naam 3] op een bepaald functieniveau werd aangeboden en daarnaast de gestelde mededeling van [naam 2] zich niet anders laat verstaan dan dat PWC in dit geval bij een keuze voor [naam 3] wel met Baker&Bond in zee zou gaan.

17.

PWC c.s. heeft gemotiveerd betwist dat [naam 2] de betreffende mededelingen zou hebben gedaan. Aangezien Baker&Bond op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv in dit kader bij voldoende betwisting de bewijslast van de door haar gestelde feiten en omstandigheden draagt en Baker&Bond ook uitdrukkelijk heeft aangeboden daarvan (getuigen)bewijs te leveren, zal Baker&Bond op dit punt worden toegelaten tot het bewijs.

18.

Voorshands wordt overwogen dat indien Baker&Bond in dit bewijs slaagt, dit tot gevolg heeft dat ten gevolge van het aangaan van een arbeidsovereenkomst tussen [naam 3] en PWCA een overeenkomst tussen PWC en Baker&Bond tot stand is gekomen. Op deze overeenkomst zijn voorts de algemene voorwaarden van Baker&Bond van toepassing: die voorwaarden maken immers deel uit van het aanbod dat alsdan geacht moet worden door PWC te zijn aanvaard. PWC heeft verder ook niet betwist deze algemene voorwaarden te hebben ontvangen. PWC c.s. heeft nog het verweer gevoerd dat Baker&Bond niet heeft voldaan aan haar informatieplicht en dat de in de algemene voorwaarden vermelde bemiddelingsfee naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In het licht van het feit dat het een bemiddelingsvergoeding op basis van no cure no pay betreft – waar niet zozeer de omvang en aard van de verrichte inspanning telt maar het resultaat – en de verder niet door PWC betwiste toelichting van Baker&Bond dat het om een gebruikelijk tarief gaat, zullen deze verweren bij gebreke van nadere toelichting zijdens PWC c.s. worden verworpen. Als Baker&Bond in het opgedragen bewijs slaagt, komt de gevorderde introductievergoeding jegens PWC dan ook voor toewijzing in aanmerking.

19.

Baker&Bond heeft verder gesteld dat ook PWCA in dat geval hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de nakoming van de overeenkomst. PWC en PWCA moeten in deze namelijk worden vereenzelvigd, aangezien zij in het onderhavige geval misbruik hebben gemaakt van het identiteitsverschil tussen hen door – samengevat weergegeven - [naam 3] in dienst te nemen bij PWCA en te stellen dat hij zich uit eigen beweging bij PCWA had gemeld, terwijl bekend was, althans had moeten zijn, dat hij door Baker&Bond bij PWC was geïntroduceerd en dat dus een introductievergoeding aan Baker&Bond verschuldigd was. Op deze manier hebben PWC c.s. het betalen van die vergoeding willen ontlopen, aldus Baker&Bond.

20.

Vooropgesteld wordt dat door degene die (volledige of overheersende) zeggenschap heeft over twee of meer rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identiteitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad die verplicht tot het vergoeden van de schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht. De omstandigheden van het geval kunnen evenwel ook zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen – het volledig wegdenken van het identiteitsverschil – de meest aangewezen vorm van redres is (HR 13 oktober 2000, NJ 2000, 698 j.o. HR 9 juni 1995, NJ 1996, 213).

21.

Uit het vorenstaande volgt dat voor zowel de vraag of PWC of PWCA onrechtmatig jegens Baker&Bond hebben gehandeld alsook voor de vraag of er sprake is van vereenzelviging van PCW en PWCA, ten minste dient te komen vast te staan dat misbruik is gemaakt van het identiteitsverschil van deze rechtspersonen met het doel Baker&Bond te benadelen. Daarvoor heeft Baker&Bond echter onvoldoende gesteld. Daarvan zou mogelijk sprake kunnen zijn indien PWC na Baker&Bond een nee te hebben verkocht de door Baker&Bond toegestuurde gegevens welbewust naar PWCA had doorgeschoven met het doel [naam 3] alsnog achter de rug van Baker&Bond in dienst te nemen, maar dat is hier niet aan de orde. De onderhavige casus kenmerkt zich erdoor dat [naam 3] na een vruchteloos gebleken poging om via Baker&Bond bij PWC binnen te komen zijn eigen privé netwerk heeft aangewend en aldus op het spoor is gekomen van een vacature bij PCWA. In de daarop volgende sollicitatieprocedure is, op de door [naam 3] zelf toegezonden arbeidsvoorwaarden na, waaraan in dit verband geen noemenswaardig belang moet worden toegekend, geen enkel gebruik gemaakt van de diensten of documentatie van Baker&Bond. Verder is gesteld noch gebleken dat de desbetreffende vacature bij PWCA ook via het centrale recruitmentbureau van PWC was opengesteld, laat staan dat aan het recruitmentbureau opdracht was gegeven om voor de invulling daarvan gebruik te maken van de diensten van een werving- en selectiebureau, zodat ook niet kan worden vastgesteld dat de mededeling van [naam 2] dat geen passende vacature voor [naam 3] voorhanden was, (achteraf) onjuist was. Aldus heeft noch PWC noch PWCA misbruik gemaakt van enig identiteitsverschil door zich bij deze gang van zaken tegenover Baker&Bond op het standpunt te stellen dat sprake was van een zelfstandige sollicitatieprocedure die los stond van het eerdere aanbod van Baker&Bond. Er is daarom ook geen sprake van onrechtmatige daad van PWC of PWCA, zodat ook niet via mogelijke vereenzelviging aan een hoofdelijke aansprakelijkheid van PWCA wordt toegekomen. Dit laatste neemt uiteraard niet weg dat, zoals hiervoor onder 16 is overwogen, PWC mogelijk nog wel contractueel aansprakelijk is tegenover Baker&Bond vanwege het gerechtvaardigd vertrouwen dat zij met haar uitlatingen bij Baker&Bond heeft gewekt.

22.

Aldus dient de vordering tegen PWCA, alsook de vordering jegens PWC voor zover die op een onrechtmatige daad is gegrond, te worden afgewezen.

23.

Iedere verdere beslissing wordt in afwachting van de uitkomst van de bewijslevering aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

laat Baker&Bond toe bewijs te leveren van het door haar gestelde telefoongesprek tussen [naam] en [naam 2] van 19 juli 2012 en het telefoongesprek tussen [naam 3] en [naam 2] omstreeks dezelfde datum, als onder 15 weergegeven;

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 februari 2014 voor uitlating door Baker&Bond of zij bewijs wenst te leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

bepaalt dat Baker&Bond, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

bepaalt dat Baker&Bond, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden maart tot en met mei 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. L. Biller, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter