Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3979

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
13.737.657-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Uitlevering Brazilië toegestaan. Gelet op de door de verdediging overgelegde stukken kan worden gesproken van een verontrustende situatie in Braziliaanse gevangenissen. Er zijn echter geen concrete, de opgeëiste persoon betreffende omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat reeds thans een inbreuk op de artikelen 2 en/of 3 van het EVRM heeft plaatsgevonden. Het verweer betreft een dreigende schending van de artikelen 2 en/of 3 EVRM betreft. Om die reden staat het verweer niet ter beoordeling van de rechtbank, maar van de Minister van Veiligheid en Justitie. Het vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank in haar adviesbrief aan de Minister aandacht zal vragen voor de zorgen van de verdediging over de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon in een Braziliaanse penitentiaire inrichting komt te verkeren indien hij wordt uitgeleverd. De rechtbank acht het van belang dat de Minister aandacht besteedt aan die zorgen met het oog op een mogelijke dreigende schending van de artikelen 2 en 3 van EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.737.657-13

RK nummer: 13/4526

Datum uitspraak: 17 juni 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 11 juli 2013 en gecorrigeerd op 2 juni 2014, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie ontvangen verzoek van de Braziliaanse autoriteiten tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Brazilië) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het [detentieadres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang.

De rechtbank heeft op 4 oktober 2013 de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw, mr. S. Bijl, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, ter openbare zitting gehoord en vervolgens het onderzoek gesloten.

Bij tussenuitspraak van 18 oktober 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropent en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie bij de Braziliaanse autoriteiten op te vragen.

Bij schrijven van 26 februari 2014 hebben de Braziliaanse autoriteiten de verzochte informatie verstrekt.

De rechtbank heeft op 3 juni 2014 de opgeëiste persoon, zijn raadsvrouw, mr. S. Bijl, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, wederom ter openbare zitting gehoord en vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Beoordeling.

2.1.

Identiteit

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Braziliaanse nationaliteit heeft.

2.2.

Strafbare feiten

De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van het aanhoudingsbevel van het Federaal Openbaar Ministerie te Florianopolis (Brazilië). Het in die bijlage tussen haken geplaatste gedeelte dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn naar Braziliaans recht strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf met een maximum van tenminste één jaar worden opgelegd.

Verder stelt de rechtbank vast dat de feiten naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar zijn en daarvoor telkens een vrijheidsstraf van tenminste één jaar kan worden opgelegd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de brief van 26 februari 2014 van de Federale Rechtbank te Florianopolis, Brazilië (berichtnummer 5820510) en het bijgevoegde rapport (nummer 3913/2011) volgt dat de inbeslaggenomen ecstasypillen de verboden stof MDMA bevatten.

2.3.

Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht ontkend. Hij heeft echter medegedeeld niet onverwijld te kunnen aantonen dat hij onschuldig is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht. Evenmin is gebleken dat er ten aanzien van hem geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan die feiten.

2.4.

Artikel 9 van de ULW: ne bis in idem

De raadsvrouw heeft verzocht de uitlevering ontoelaatbaar te achten nu er in Nederland een strafvervolging gaande is voor dezelfde strafbare feiten. De raadsvrouw heeft van het Openbaar Ministerie een strafdossier ontvangen en geen schriftelijke mededeling dat de vervolging is geseponeerd. De Nederlandse strafzaak staat derhalve nog open. De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht om de Minister van Veiligheid en Justitie te verzoeken hierover nadere informatie te geven.

De officier van justitie heeft verklaard dat er voor de feiten die ten grondslag liggen aan het uitleveringsverzoek geen Nederlandse strafzaak tegen de opgeëiste persoon aanhangig is. Voor de zitting is nogmaals navraag gedaan bij de zaaksofficier. Ook uit het meest recente uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkt dat er geen strafzaak aanhangig is. Hierop is namelijk geen (openstaand) parketnummer te vinden. Als een zaak geen parketnummer heeft gekregen, is er geen zaak aangemaakt en kan er eenvoudigweg ook niet worden geseponeerd.

Onder verwijzing naar de gemotiveerde mededeling van de officier van justitie ter zitting dat er ter zake de feiten die ten grondslag liggen aan het verzoek in Nederland geen strafzaak aanhangig is, dient het ne bis in idem-verweer te worden verworpen. De rechtbank ziet op grond van dit antwoord van de officier evenmin aanleiding de Minister van Veiligheid en Justitie te verzoeken om nogmaals na te gaan of in Nederland een strafvervolging tegen de opgeëiste persoon gaande is.

2.5.

Schending mensenrechten (beroep op de artikelen 2 en 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden

De verdediging stelt zich op grond van de door haar ter zitting van 4 oktober 2013 overgelegde pleitaantekeningen (met bijlagen) op het standpunt dat schending van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in de onderhavige zaak aan uitlevering in de weg staat. Uit rapporten van onder meer Human Rights Watch, Amnesty International en het International Bar Association Human Rights Institute Report zou blijken dat in Braziliaanse gevangenissen sprake is van onmenselijke toestanden, overbevolking en geweld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank in haar advies de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) kan adviseren om aan de Braziliaanse autoriteiten garanties met betrekking tot de detentieomstandigheden te vragen.

De rechtbank stelt het volgende voorop. In uitleveringszaken is de bevoegdheid tot beoordeling van dergelijke verweren verdeeld tussen de uitleveringsrechter en de minister van Veiligheid en Justitie. Kort gezegd komt die verdeling op het volgende neer. Een dreigende schending van artikel 3 van het EVRM dient door de minister beoordeeld te worden. Een reeds voltooide schending van artikel 3 van het EVRM terzake de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, dient door de uitleveringsrechter te worden beoordeeld.

De rechtbank overweegt dat gelet op de door de verdediging overgelegde stukken gesproken kan worden van een verontrustende situatie in Braziliaanse gevangenissen. Er zijn echter geen concrete, de opgeëiste persoon betreffende omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat reeds thans een inbreuk op de artikelen 2 en/of 3 van het EVRM heeft plaatsgevonden. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het verweer een dreigende schending van de artikelen 2 en/of 3 EVRM betreft. Om die reden staat het verweer niet ter beoordeling van de rechtbank, maar van de Minister van Veiligheid en Justitie. De rechtbank zal dan ook niet, zoals de raadsvrouw heeft verzocht, de uitlevering ontoelaatbaar achten.

Het vorenstaande laat onverlet dat de rechtbank in haar adviesbrief aan de Minister aandacht zal vragen voor de zorgen van de verdediging over de detentieomstandigheden waarin de opgeëiste persoon in een Braziliaanse penitentiaire inrichting komt te verkeren indien hij wordt uitgeleverd. De rechtbank acht het van belang dat de Minister aandacht besteedt aan die zorgen met het oog op een mogelijke dreigende schending van de artikelen 2 en 3 van EVRM.

2.6.

Conclusie

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd is bevonden dat aan alle daarvoor in de Wet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

3 Toepasselijke wetsartikelen.

de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;

de artikelen 2 en 5 van de Uitleveringswet;

de artikelen 3 en 6 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

4 Beslissing.

Verklaart TOELAATBAAR de door Brazilië verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] voornoemd ter strafvervolging met betrekking tot de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld op het tussen haken geplaatste deel van de bijlage.

Aldus gedaan door

mr. C.A.E. Wijnker voorzitter,

mrs. A.M. van der Linden-Kaajan en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17 juni 2014.

Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.