Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3762

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
15-07-2014
Zaaknummer
13-751245-14 14-2079
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Om te onderzoeken of het EAB voldoet aan de vereisten van artikel 2, tweede lid onder d Overleveringswet is het onderzoek in een eerder stadium geschorst. Onduidelijk was of een nationaal aanhoudingsbevel als grondslag voor het EAB was uitgevaardigd. De aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit in Portugal is voldoende gebleken en de overlevering is toegestaan..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751245-14

RK nummer: 14/2079

Datum uitspraak: 24 juni 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 27 maart 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 5 februari 2014 door the Public Prosecution Service in Maia (Portugal) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Portugal) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [detentieadres],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 20 mei 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. S.Ph.Chr. Wester, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Portugese taal.

De rechtbank heeft op die zitting de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

Op 27 mei 2014 heeft de rechtbank bij tussenuitspraak het onderzoek heropend en voor onbepaalde termijn geschorst opdat de officier van justitie de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit zou voorleggen:

  1. Wat is de inhoud van de beslissing van 4 februari 2014 uitgevaardigd door the Assistant Prosecutor of the Public Prosecution Service in Maia, zoals vermeld in het EAB in onderdeel b?

  2. Geldt een EAB in Portugal ook als een nationaal aanhoudingsbevel?

Op 13 juni 2014 is de behandeling ter zitting voortgezet, in aanwezigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft, de opgeëiste persoon en diens raadsman.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon opnieuw onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Portugese nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een beslissing van 4 februari 2014, ordering the arrest of the accused, uitgevaardigd door the Assistant Prosecutor.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Portugal strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

Zoals reeds in de tussenuitspraak van 27 mei 2014 is vastgesteld is de rechtbank van oordeel dat op basis van het originele Portugese EAB – waarin vermeld is dat het gaat om 22,600 KG – in combinatie met de omstandigheden van het geval zoals omschreven in het EAB, duidelijk is dat het feit ziet op een hoeveelheid cocaïne van 22 kilogram en 600 gram.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Portugal een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Artikel 2, tweede lid, onder c OLW

Standpunt raadsman

De raadsman heeft gesteld dat het EAB nog altijd niet voldoet aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, onder c OLW en dat om die reden de overlevering geweigerd dient te worden.

Het antwoord dat de uitvaardigende justitiële autoriteit, in de persoon van de officier van justitie dr. Elisabete Néri, heeft gegeven op de door de rechtbank bij tussenuitspraak gestelde vragen is verwarrend, terwijl de tweede vraag in feite onbeantwoord is gelaten.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft dit standpunt bestreden. Uit de verstrekte antwoorden blijkt dat er een nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, waarmee het EAB voldoet aan de in artikel 2, tweede lid, onder c OLW genoemde vereisten. Bovendien biedt artikel 20, derde lid OLW de uitvaardigende justitiële autoriteit de mogelijkheid een EAB, dat niet aan de eisen omschreven in artikel 2 OLW voldoet, de gelegenheid tot completering of verbetering. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt.

Oordeel rechtbank

In een ongedateerde toelichting (referentienr. 215280) naar aanleiding van de vraagstelling in de tussenuitspraak van 27 mei 2014 heeft de officier van justitie dr. Elisabete Néri aangegeven dat de uitvaardigende justitiële autoriteit op 3 juni 2013 een nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd jegens de opgeëiste persoon, die op dat moment als voortvluchtig werd beschouwd. Toen bleek dat de opgeëiste persoon zich buiten Portugal bevond is op 4 februari 2014 een EAB uitgevaardigd.

De rechtbank acht, gelet op de context waarin het een en ander heeft plaatsgevonden, daarmee voldoende duidelijk dat de justitiële autoriteiten van Portugal op 3 juni 2013 een nationaal aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd. De datum 3 juni 2014, die op het als bijlage bij de toelichting gevoegde nationaal bevel wordt genoemd, berust naar het oordeel van de rechtbank, kennelijk op een (vertaal)fout. Immers, de datum 3 juni 2014 is gelegen na de datum waarop het EAB is uitgevaardigd en na de datum waarop het EAB door de rechtbank in behandeling is genomen. Van verwarring kan op dit punt geen sprake zijn. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de melding van de Portugese autoriteiten van 22 april 2014 dat er geen nationaal aanhoudingsbevel was uitgevaardigd, kennelijk op een vergissing berust.

De rechtbank overweegt voorts dat, nu de justitiële autoriteiten van Portugal op 3 juni 2013 een nationaal aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd, de tweede vraag van de rechtbank in de tussenuitspraak niet langer relevant is en dus ook niet meer beantwoord hoefde te worden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het EAB van 4 februari 2014, ondertekend op

5 februari 2014, met deze toelichting, ondanks het ontbreken van een antwoord op de tweede vraag uit de tussenuitspraak, voldoet aan de eisen die artikel 2, tweede lid onder c OLW daaraan stelt en dat de weigeringsgrond niet langer aan overlevering in de weg staat.

6 Slotsom

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Public Prosecution Service in Maia (Portugal) ten behoeve van het in Portugal tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. S.A. Krenning, voorzitter,

mrs. A.C. Enkelaar en S.J. Riem, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 24 juni 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.