Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3733

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-06-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_6501
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1447, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursdwang, sluiting woning in verband met hennepkwekerij. Gelet op aantal planten en toestand woning was verweerder bevoegd te sluiten. Eiser niet onevenredig benadeeld door de duur van de sluiting nu eiser het mede in eigen hand heeft gehad deze duur te verkorten door een bona fide nieuwe huurder voor te dragen. Geen schending proportionaliteitsbeginsel of subsidiariteitsbeginsel. Eiser als eigenaar woning en niet-professionele verhuurder niet als overtreder aangemerkt, nu hij de juiste actie heeft ondernomen op het moment dat hij wist, dan wel redelijkerwijs had kunnen weten, dat zijn pand werd gebruikt voor de kweek van hennep. Naar het oordeel van de rechtbank kon van eiser in redelijkheid niet meer worden verwacht dan hij heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/6501

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], eiser,

(gemachtigde mr. A. Barada),

en

de burgemeester van de gemeente Amstelveen, verweerder

(gemachtigden T. Kok en mr. M.L.M. Lohman).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende de sluiting gedurende een periode van drie maanden van het pand aan [adres], .

Bij besluit van 26 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiser is eigenaar van een woning aan [adres] (hierna: de woning). Eiser verhuurt deze woning aan derden via een bemiddelingsbureau, [naam].

1.2.

Op 18 mei 2013 heeft eiser bij de politie gemeld dat er waarschijnlijk een hennepplantage in werking is in de woning. De volgende dag wordt door de politie vastgesteld dat de woning inderdaad als hennepplantage heeft gefungeerd. In de woning zijn ongeveer 341 jonge hennepplanten en 35 lampen aangetroffen en de stroom blijkt illegaal te worden afgetapt. Uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA)blijkt dat er geen personen staan ingeschreven op het adres van de woning.

1.3.

Op 21 mei 2013 is een brief aan eiser verzonden met de mededeling dat een overtreding van de Opiumwet is geconstateerd. Per e-mail van 23 mei 2013 is vervolgens een concept van het primaire besluit aan eiser toegezonden en is eiser in de gelegenheid gesteld om voor 27 mei 2013 zijn zienswijze kenbaar te maken. Op 24 mei 2013 heeft eiser zijn zienswijze ingediend.

1.4.

Vervolgens heeft verweerder het primaire besluit genomen. Hiertegen heeft eiser op 31 mei 2013 bezwaar gemaakt.

1.5.

Naar aanleiding hiervan heeft de afdeling Veiligheid, Kabinet & Handhaving van verweerder op 1 augustus 2013 verzocht om de burgemeester te adviseren om alle ingediende bezwaren ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te houden.

1.6.

De bezwaarschriftencommissie heeft op 10 september 2013 geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te vernietigen.

1.7.

Naar aanleiding hiervan heeft de afdeling Veiligheid, Kabinet & Handhaving op 26 september 2013 een contrair advies uitgebracht.

1.8.

Verweerder heeft uiteindelijk de bezwaren – overeenkomstig het contraire advies van de afdeling Veiligheid, Kabinet & Handhaving – ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld.

2.

juridisch kader

2.1.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.2.

Bij de uitvoering van zijn bevoegdheid krachtens artikel 13b, eerste lid, past de burgemeester de Beleidsregels Handhaven bij overtredingen van de Opiumwet (hierna: de Beleidsregels) toe.

3.

beoordeling

Sluiting van de woning


3.1. In geschil is de vraag of verweerder in redelijkheid over heeft kunnen gaan tot directe sluiting van de woning voor de duur van drie maanden.

3.2.

De rechtbank stelt voorop dat zij sluitingsbevelen die zijn genomen krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op terughoudende wijze dient te toetsen. Ook bij de vaststelling van de sluitingstermijn beschikt de burgemeester over beslissingsruimte (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6187).

3.3.

Uit de Beleidsregels volgt dat tot een directe sluiting (al dan niet) zonder voorafgaande waarschuwing wordt overgegaan indien bijvoorbeeld grote hoeveelheden drugs/planten worden aangetroffen en/of een woning niet als zodanig wordt gebruikt maar geheel of hoofdzakelijk voor de hennepteelt. Aan grote hoeveelheden kleven immers grote risico’s met betrekking tot de openbare orde (verkeerd aanbellen, ripdeals e.d. vanuit het criminele circuit) (…) Bij ernstiger overtredingen, waartoe bepaalde harddrugsgerelateerde, maar ook het (grootschalig) telen van hennep worden gerekend, is veelal direct fysiek ingrijpen in de zin van sluiting/afgrendeling van het bij de overtreding betrokken pand/perceel het geëigende middel om de nadelige gevolgen van de overtreding voor de openbare orde onmiddellijk te beperken en daadwerkelijk (en in sommige gevallen definitief) een einde aan de overtreding te maken.

3.4.

Niet in geschil is dat in de woning ongeveer 341 jonge hennepplanten zijn aangetroffen. Daarmee werd de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik ruim overschreden en is sprake van grootschalig telen van hennep als bedoeld in de Beleidsregels. Eiser heeft aangevoerd dat de huurders naast het gebruik als hennepkwekerij de woning feitelijk wel als woning gebruikten. Gelet op de toestand van de woning zoals die is beschreven in het proces-verbaal van de politie van 22 mei 2013 - een zeer vochtige warmte bij het binnentreden van de woning, meerdere transformatoren en stroomdraden, afgeplakte ramen, electra aangesloten achter de meter om etc. - heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat het ging om een woning die hoofdzakelijk werd gebruikt voor een bedrijfsmatig georganiseerde hennepkwekerij. De omstandigheid dat die mogelijk beperkt was tot het souterrain en de garage en dat boven in de woning wel geslapen werd maakt dat niet anders. Bovendien staat vast dat ten tijde van het primaire besluit de woning in ieder geval niet als woning in gebruik was, zodat eventuele bescherming van een woonrecht niet aan de orde is. Verweerder was daarom bevoegd om krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet sluiting van de woning te gelasten

3.5.

Voorts heeft verweerder de woning overeenkomstig zijn beleid voor de duur van drie maanden kunnen sluiten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser – hoewel daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld door verweerder – tijdens de sluiting van de woning geen andere huurder heeft aangedragen en heeft volhard bij het verhuren van de woning via bemiddelingsbureau [naam]. De omstandigheid dat eiser goede ervaringen had met dit bureau acht de rechtbank niet relevant, nu het juist dit bureau is dat had gezorgd voor huurders die de hennepkwekerij in de woning mogelijk hebben gemaakt. Verweerder mocht van eiser verwachten dat deze een nieuwe huurder/bewoner van de woning zou voordragen, alvorens de duur van de sluiting te heroverwegen. Voor zover eiser meent dat hij onevenredig benadeeld is door de duur van de sluiting geldt daarom dat eiser het mede in eigen hand heeft gehad deze duur te verkorten door een bona fide huurder bij verweerder voor te dragen. Van schending van het proportionaliteitsbeginsel of subsidiariteitsbeginsel is daarom geen sprake.

3.6.

Nu verweerder naar het oordeel van de rechtbank bevoegd was om de sluiting van de woning te gelasten voor de duur van drie maanden, is verweerder niet gehouden de schadeposten die eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de sluiting van de woning voor de duur van drie maanden, te vergoeden.

Overtrederschap


3.7. De rechtbank dient voorts te beoordelen of verweerder eiser als eigenaar van de woning terecht als overtreder heeft aangemerkt en of de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang om die reden voor zijn rekening komen.

3.8.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD5358) volgt dat een eigenaar als overtreder kan worden aangemerkt in het geval hij een niet-professionele verhuurder is, die wist dan wel redelijkerwijs had kunnen weten dat de door hem verhuurde woning als hennepkwekerij werd gebruikt. Vaststaat dat eiser geen professionele verhuurder is.

3.9.

Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet wist dan wel redelijkerwijs had kunnen weten dat de door hem verhuurde woning als hennepkwekerij werd gebruikt. De rechtbank heeft daarbij de volgende – door verweerder niet betwiste – omstandigheden van doorslaggevende betekenis geacht. Eiser maakte voor de verhuur van de woning gebruik van een bemiddelingsbureau. Eiser kende dit bureau als langer en had daarmee alleen positieve ervaringen. Het bemiddelingsbureau heeft de woning verhuurd aan [bedrijf] Zonder medeweten van eiser heeft deze huurder de woning onderverhuurd. Gesteld noch gebleken is dat eiser had moeten vermoeden dat er iets aan de hand was rond de verhuur aan [bedrijf] Meer in het bijzonder is niet duidelijk hoe eiser had moeten weten dat deze huurder recent (mogelijk pas na de periode in geding, dat wordt uit het bestreden besluit niet duidelijk) betrokken zou zijn geweest bij een hennepkwekerij in Amsterdam. Ook de omstandigheid dat niet duidelijk was of in het huurcontract dat [naam] met [bedrijf] had afgesloten onderverhuur wel of niet was toegestaan maakt niet dat eiser in redelijkheid had kunnen weten dat een (onder-)huurder een hennepkwekerij zou beginnen. Voorts speelt een rol dat bij de eerste vermoedens van de aanwezigheid van een hennepkwekerij eiser direct de politie gewaarschuwd heeft, in de veronderstelling dat het niet verantwoord zou zijn om op eigen houtje het pand te betreden. Dat betekent dat eiser de juiste actie heeft ondernomen op het moment dat hij wist, dan wel redelijkerwijs had kunnen weten, dat zijn pand werd gebruikt voor de kweek van hennep. Naar het oordeel van de rechtbank kon van eiser in redelijkheid niet meer worden verwacht dan hij heeft gedaan.

3.10.

Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser onder de hiervoor genoemde omstandigheden niet als overtreder in de zin van de Awb worden beschouwd.

Conclusie


3.11. Nu verweerder eiser ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt zal het beroep van eiser gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd voor zover daarin – door het advies van de afdeling Veiligheid, Kabinet & Handhaving d.d. 26 september 2013 over te nemen en ten grondslag te leggen aan het bestreden besluit - wordt overwogen dat eiser als overtreder wordt aangemerkt. Voor het overige handhaaft de rechtbank het bestreden besluit.

3.12.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).


Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin wordt overwogen dat eiser als overtreder wordt aangemerkt;

  • -

    handhaaft het bestreden besluit voor het overige;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, rechter,
in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2014.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D:C

SB