Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:362

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2014
Datum publicatie
03-02-2014
Zaaknummer
13/680008-12, 13/8231
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

WOTS, Frankrijk

De beslissing van de rechtbank d.d. 20.11.2012 is door de Hoge Raad gecasseerd en teruggewezen.

Op 13 januari 2014 heeft de rechtbank opnieuw uitspraak gedaan.

Nu de rechtbank nader onderzoek heeft verricht naar de vraag of aan de door de veroordeelde in Nederland doorgebrachte voorlopige hechtenis en aan zijn veroordeling in Frankrijk hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt en zij deze vraag bevestigend heeft beantwoord, is zij van oordeel dat de uitspraak d.d. 20 november 2012 in zoverre herzien dient te worden dat de in Nederland ondergane voorlopige hechtenis in mindering moet worden gebracht op de gevangenisstraf die aan veroordeelde in het kader van de WOTS bij uitspraak van 20.11.2012 is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/680008-12

RK nummer 13/8231

Datum uitspraak: 13 januari 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna WOTS), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van23 oktober 2012 en strekt onder meer tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een rechterlijke beslissing van de arrondissementsrechtbank van Lille (Frankrijk) van 4 januari 2012. Deze rechterlijke beslissing houdt onder meer in de veroordeling tot de vrijheidsbenemende straf van 8 (acht) jaren van:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1962],

wonende op het adres [adres A], [postcode, plaats],

verder te noemen: veroordeelde.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 november 2012. Daarbij zijn de veroordeelde, zijn raadsman, mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede, en de officier van justitie mr. M. al Mansouri, gehoord.

Bij uitspraak van 20 november 2012 heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging toelaatbaar verklaard en een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opgelegd aan veroordeelde. Daarbij heeft zij bevolen dat de tijd die veroordeelde in Nederland in overleveringsdetentie en in Frankrijk in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de hem opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht en de tijd gedurende welke hij met het oog op overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest, bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.

Tegen deze uitspraak is het rechtsmiddel van cassatie ingesteld.

Op 15 oktober 2013 heeft de Hoge Raad arrest gewezen en de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de strafoplegging vernietigd. De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen naar de Rechtbank Amsterdam opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan. Voor het overige is het beroep verworpen.

Op 30 december 2013 is de vordering opnieuw op de openbare zitting behandeld, waarbij de rechtbank het onderzoek heeft beperkt tot en toegespitst op de strafoplegging. Daarbij zijn de veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie gehoord.

2 Identiteit veroordeelde

Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Beoordeling

3.1

Klacht in cassatie

In cassatie is er over geklaagd dat de Rechtbank ten onrechte de tijd die de veroordeelde van

9 september 2009 tot 27 november 2009 in Nederland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, niet in mindering heeft gebracht op de in artikel 31, eerste lid WOTS bedoelde straf.

3.2

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad heeft in zijn eerdergenoemde arrest geoordeeld dat de rechtbank had moeten doen blijken van een nader onderzoek naar de vraag of aan de door de veroordeelde in Nederland doorgebrachte voorlopige hechtenis en aan zijn veroordeling in Frankrijk hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt.

3.3

Tekst tenlastelegging 13/600195-09

De officier van justitie heeft aan de rechtbank een afschrift van de tenlastelegging met parketnummer 13/600195-09 overgelegd. Deze tenlastelegging wordt als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.4

Wat niet in geschil is

Niet in geschil is dat de voorlopige hechtenis (9 september 2009 tot 27 november 2009) ziet op de in die tenlastegelegde omschreven feiten, te weten 1) het in vereniging voorhanden hebben van een revolver op of omstreeks 9 september 2009 en 2) en 3) de in de tenlastelegging nader omschreven overtredingen van de Opiumwet. Met betrekking tot deze twee laatste feiten heeft de rechtbank bij haar uitspraak van 1 juni 2011 de overlevering aan de Franse justitie toelaatbaar verklaard, ten behoeve van het in Frankrijk tegen veroordeelde gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering werd verzocht. Ter zake van deze feiten heeft de arrondissementsrechtbank van Lille (Frankrijk) op 4 januari 2012 een veroordelend vonnis gewezen.

De officier van justitie heeft verklaard dat ten aanzien van de vervolging voor het eerste feit (de overtreding van de Wet wapens en munitie) voorafgaand aan de beslissing tot overlevering door de Minister van Veiligheid en Justitie opdracht is gegeven de vervolging te staken, na advies van het openbaar ministerie te hebben ingewonnen, een en ander ingevolge artikel 9, tweede lid OLW. De vervolging voor dit feit is geseponeerd wegens onvoldoende nationaal belang.

3.5.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat er verschillen zijn tussen de Nederlandse vervolging en de Franse veroordeling en dat deze verschillen rechtvaardigen dat de in Nederland ondergane voorlopige hechtenis (niet zijnde de overleveringsdetentie) niet van de bij uitspraak in het kader van de WOTS van 20 november 2012 opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie jaren wordt afgetrokken.

Zij heeft de volgende drie verschillen genoemd:

  • -

    voor wat betreft de deelname aan de criminele organisatie geldt dat in het Franse vonnis de periode waarvoor veroordeeld is korter dan de periode waarop de vervolging in Nederland betrekking had;

  • -

    dit geldt ook voor de invoer van de verdovende middelen (1780 kilogram hasj);

  • -

    in Nederland is veroordeelde vervolgd voor het voorhanden hebben van een revolver, een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank ongewijzigd verlof zal verlenen voor de tenuitvoerlegging van het Franse vonnis, zonder aftrek van de voorlopige hechtenis die veroordeelde heeft ondergaan op grond van de Nederlandse vervolging, hetgeen er op neer komt dat er door hem nog een vrijheidsstraf voor de duur van 196 dagen moet worden uitgezeten.

Indien de periode die veroordeelde in Nederland in voorlopige hechtenis heeft gezeten (89 dagen) op de uit te zitten straf in mindering wordt gebracht, komt het neer op een vrijheidsstraf voor de duur van 107 dagen, hetgeen de officier van justitie als onwenselijk heeft geoordeeld.

3.6

Standpunt raadsman

De raadsman heeft bepleit dat de tijd die in Nederland in voorlopige hechtenis is doorgebracht van de bij uitspraak van 20 november 2012 vastgestelde gevangenisstraf dient te worden afgetrokken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het feitencomplex waarvoor in Nederland is vervolgd en waarvoor in Frankrijk is veroordeeld hetzelfde is. Hij heeft bestreden dat met betrekking tot het vuurwapen veroordeelde in Nederland zou zijn vervolgd. Het seponeren van het laatste feit is nadelig geweest voor veroordeelde, want het maakte de weg vrij voor de overlevering, waarna veroordeelde te maken kreeg met de hoge strafmaat die in Frankrijk wordt gehanteerd voor dergelijke feiten.

3.7

Oordeel rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende. Het zwaartepunt van de vervolging in Nederland betrof de verdenking dat de veroordeelde zich aan de feiten 2 en 3 op de tenlastelegging had schuldig gemaakt, te weten de feiten die te maken hebben met de internationale handel in verdovende middelen, in het verband van een criminele organisatie. Ook indien de Nederlandse vervolging geen betrekking zou hebben gehad op overtreding van de Wet wapens en munitie rechtvaardigen de feiten 2 en 3 op zich al de duur van de voorlopige hechtenis die veroordeelde in Nederland heeft ondergaan, voordat zijn detentie werd omgezet in overleveringsdetentie. Veroordeelde is in Frankrijk veroordeeld voor hetzelfde feitencomplex als waarvoor hij aanvankelijk in Nederland werd vervolgd, zo blijkt uit een vergelijking van het Franse vonnis en de thans aan de rechtbank overgelegde Nederlandse tenlastelegging. Dat veroordeelde verdacht werd van het voorhanden hebben van een revolver mag dan een feit zijn waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is, de rechtbank zal deze verdenking niet in haar oordeel betrekken nu indertijd op advies van het openbaar ministerie door de Minister van Veiligheid en Justitie de opdracht is gegeven de vervolging van dit feit te staken ten behoeve van een groter belang, te weten de overlevering aan de Franse justitiële autoriteiten, waarna de vervolging door de officier van justitie is geseponeerd. Dit kan veroordeelde nu niet meer worden tegengeworpen in de onderhavige procedure.

Nu de rechtbank nader onderzoek heeft verricht naar de vraag of aan de door de veroordeelde in Nederland doorgebrachte voorlopige hechtenis en aan zijn veroordeling in Frankrijk hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt en zij deze vraag bevestigend heeft beantwoord, is zij van oordeel dat de uitspraak d.d. 20 november 2012 in zoverre herzien dient te worden dat de beslissing op de vordering ex artikel 18 WOTS zal luiden als opgenomen onder 4.

4 Beslissing .

VERKLAART TOELAATBAAR de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Lille van 4 januari 2012 opgelegde gevangenisstraf en verleent daartoe verlof.

LEGT OP een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren.

BEVEELT dat de tijd welke [verdachte] voornoemd in Nederland aanvankelijk in voorlopige hechtenis en vervolgens in overleveringsdetentie en in Frankrijk in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de hem opgelegde vrijheidsstraf heeft doorgebracht en de tijd gedurende welke hij met het oog op overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest, bij de tenuitvoerlegging van de straf in zijn geheel in mindering zal worden gebracht.

HANDHAAFT de overige bij uitspraak van 20 november 2012 genomen beslissingen.

Aldus gewezen door:

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. P. Rodenburg en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 januari 2014.

Tegen deze uitspraak kan binnen 14 dagen beroep in cassatie worden ingesteld.