Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3595

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_3727
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering. Terugwerkende kracht. Herziening.

Zoals de CRvB op 2 april 2014 heeft overwogen is onverkorte toepassing van de terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 niet langer in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet indien komt vast te staan dat de studerende in een deel van de periode voorafgaand aan de geconstateerde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 feitelijk wel woonde op het GBA-adres. In dit geval gaat de rechtbank ervan uit dat eiser tot aan mei 2012 op het GBA-adres woonde. Naar oordeel van de rechtbank voert het in een dergelijk geval te ver om het wettelijk vermoeden te laten prevaleren boven de feitelijke woonsituatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/3727

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], eiser

(gemachtigde mr. M. Baadoudi),

en

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs,

verweerder

(gemachtigde mr. G.J.M. Naber).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de hoogte van de studiefinanciering van eiser herzien naar de norm van thuiswonende studerende en de teveel uitgekeerde studiefinanciering - € 2457,36 - als schuld opgevoerd.

Bij besluit van 28 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M. Baadoudi. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.


Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.

Eiser is vanaf 2010 ingeschreven bij zijn broer op het adres [adres]. Eiser ontving studiefinanciering als uitwonende student.

2.

In mei 2012 is de broer van eiser getrouwd.

3.

Op 12 februari 2013 heeft er een huisbezoek plaatsgevonden door twee rapporteurs. De bevindingen van dit huisbezoek zijn neergelegd in een rapportage Misbruik uitwonenden-beurs van 26 februari 2013 (de rapportage). Uit deze rapportage blijkt dat eiser niet is aangetroffen. De broer van eiser heeft toestemming gegeven voor het huisbezoek. Voorts heeft de broer van eiser in eerste instantie verklaard dat hij in de woning woont met zijn vrouw en eiser. Na doorvragen van de rapporteurs heeft hij deze verklaring gewijzigd en verklaard dat zijn broertje wel op het adres heeft gewoond, maar sinds zijn vrouw bij hem is komen wonen op 5 mei 2012 uit huis is gegaan. Eiser slaapt volgens de hoofdbewoner nu bij zijn ouders of bij vrienden. Voordat de hoofdbewoner trouwde woonde eiser wel gewoon op het GBA-adres. De hoofdbewoner heeft deze verklaring ondertekend, de ondertekende verklaring maakt deel uit van de rapportage. De rapporteurs geven voorts aan dat zij met toestemming van de hoofdbewoner de woning hebben bekeken. De woning bevat een slaapkamer en woonkamer. Er is volgens de rapporteurs geen plek voor eiser om te slapen en er liggen ook geen spullen van eiser in de woning.

4.

Verweerder heeft vervolgens het recht van eiser op een uitwonendenbeurs met ingang van 1 januari 2012 herzien en omgezet naar een woonsituatie als thuiswonend. De te veel ontvangen studiefinanciering is aangemerkt als een schuld. Voorts heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd ter hoogte van 50% van de teveel ontvangen studiefinanciering. De beslissing op bezwaar tegen deze boete is aangehouden in afwachting van de onderhavige procedure of zal daaraan worden aangepast.


Juridisch kader

5.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), zoals deze bepaling luidt met ingang van 10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5. Voorts geeft dit artikel aan dat onder studiefinancieringstijdvak wordt verstaan een kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste één kalendermaand is.

6. Ingevolge artikel 1.2 van de Wsf 2000 is voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens deze wet bepalend de toestand op de eerste dag van de maand, tenzij anders is bepaald.

7.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.


8. Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

9.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de GBA.

10.

In artikel 11.5 van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is door de wetgever aan verweerder de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

11.

Ingevolge artikel 1 van de (ten tijde in geding van toepassing zijnde) Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) wordt onder woonadres verstaan:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten.

12.

Zoals ter zitting met partijen besproken heeft de rechtbank voorts acht geslagen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB: 2014:1146, waarin onder meer is overwogen dat een onverkorte toepassing van artikel 7.1 in verbinding met artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 niet langer in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet indien vast komt te staan dat de studerende in - een deel van - de periode (één of meer studiefinancieringstijdvakken) voorafgaande aan de door verweerder geconstateerde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 feitelijk wél woonde op het betreffende GBA-adres. Gelet op de keuze van de wetgever in artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 ligt het volgens de CRvB op de weg van de studerende om daarvoor het bewijs te leveren en dit bewijs zal zodanig moeten zijn dat op grond daarvan onomstotelijk blijkt dat het wettelijk vermoeden onjuist is. Indien de studerende het onomstotelijke bewijs levert dat hij gedurende (een deel van) de periode voorafgaand aan de vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 feitelijk wél woonde op het betreffende GBA-adres, dan levert onverkorte toepassing van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 een onbillijkheid van overwegende aard op en ligt het op de weg van verweerder om onder toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 en daarmee over die periode van herziening af te zien.

Beoordeling

13.

De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de eerder toegekende studiefinanciering een voor eiser belastend besluit is. Het is daarom aan verweerder om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiser niet woont op het GBA-adres waarop hij staat ingeschreven rust dan ook in eerste instantie op verweerder. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser niet woont op het adres waarop hij in de GBA staat ingeschreven, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

14.

Het bestreden besluit berust op de rapportage over het huisbezoek. Eiser heeft aangevoerd dat deze rapportage onvoldoende informatie bevat om te kunnen concluderen dat hij niet op het GBA-adres woonde. De verklaring van zijn broer was onjuist, zijn broer heeft die verklaring ook niet bewust ondertekend en zijn broer heeft zijn verklaring inmiddels herzien. De controleurs hebben de woning niet daadwerkelijk doorzocht, als zij dat wel hadden gedaan hadden zij het luchtbed en slaapspullen van eiser aangetroffen. Tevens was kleding en studiemateriaal van eiser in de woning aanwezig. Voorts heeft eiser verklaringen van vrienden in het geding gebracht die ondersteunen dat eiser ten tijde van de controle nog woonde op het GBA-adres.

15.

Volgens vaste jurisprudentie mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis, zie daarvoor bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512. De rechtbank ziet niet in waarom dat anders zou zijn indien een verklaring is afgelegd tegenover een controleur van verweerder, ongeacht de vraag of deze controleurs hun rapportage wel of niet op ambtseed opmaken. Hoofdzaak is dat de broer van eiser zijn verklaring heeft ondertekend. Hij heeft zelfs drie handtekeningen gezet, één onder de verklaring toestemming huisbezoek, één onder de handgeschreven tekst van zijn verklaring en één bij de voorgedrukte ondertekening van het formulier, waardoor hij tevens verklaart: ‘Ik ben akkoord met de verklaring die ik eerst heb kunnen lezen, dan wel aan mij is voorgelezen.’ Dat de broer ten behoeve van het beroep van eiser heeft verklaard dat hij deze handtekeningen heeft gezet op basis van onjuiste informatie die hem door de controleurs zou zijn verstrekt is niet geloofwaardig, de broer kon immers zelfs zien waarvoor hij tekende op het moment dat hij deze handtekeningen zette. Dat zijn beheersing van het Nederlands mogelijk minder goed was maakt dat niet anders. Verweerder mocht daarom van de oorspronkelijke verklaring uitgaan en de rechtbank ziet evenmin aanleiding daarvan af te wijken. Gelet op de inhoud van die verklaring was er geen aanleiding voor de controleurs om zelf in de woning te gaan zoeken naar spullen die mogelijk van eiser afkomstig waren of door hem werden gebruikt. Ook indien spullen van eiser in de woning zouden zijn achtergebleven of hij daar nog zo nu en dan zou slapen maakt dat immers niet dat eiser - anders dan zijn broer verklaart - nog in de woning zou wonen. Het is daarom aannemelijk dat eiser ten tijde van de controle niet feitelijk woonde op het GBA-adres.

16.

Eiser heeft een aantal verklaringen van vrienden (en van zijn broer) in het geding gebracht over zijn woonsituatie. De rechtbank houdt er rekening mee dat het gaat om vrienden van eiser en niet om onafhankelijke derden die uit eigen wetenschap iets over de woonsituatie van eiser kunnen verklaren. Van tegenbewijs dat bestaat uit objectieve en verifieerbare gegevens is daarom geen sprake. Bovendien noemen de verklaringen weliswaar de zomer van 2013 als verhuisdatum, maar komt uit diezelfde verklaringen ook het beeld naar voren dat de problemen zijn ontstaan met het huwelijk van de broer van eiser. De rechtbank leidt daaruit af dat na dat huwelijk feitelijk geen sprake meer was van een woonadres als bedoeld in artikel 1 Wet GBA.

17.

Nu bij de controle op 12 februari 2013 was gebleken dat eiser niet feitelijk woonde op het GBA-adres was verweerder bevoegd om tot herziening over te gaan. Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 heeft verweerder deze herziening in laten gaan met ingang van 1 januari 2012, de ingangsdatum van deze bepaling, nu eiser op die datum reeds was ingeschreven op het adres van zijn broer. De ratio van deze bepaling en het daarin neergelegde wettelijk vermoeden is dat het voor verweerder moeilijk is om exact te kunnen vaststellen over welke periode een studerende feitelijk niet op zijn GBA-adres heeft gewoond. Zoals de CRvB in zijn in rechtsoverweging 12 genoemde uitspraak heeft overwogen is onverkorte toepassing echter niet langer in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet indien komt vast te staan dat de studerende in een deel van de periode voorafgaand aan de geconstateerde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 feitelijk wel woonde op het GBA-adres. Hoewel het op de weg van de studerende ligt om hiervan het bewijs te leveren acht de rechtbank het opvallend dat het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat eiser voorafgaand aan het huwelijk van zijn broer niet feitelijk op het GBA-adres woonde. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de ingangsdatum van 1 januari 2012 alleen is ingegeven door het wettelijk vermoeden en niet door de feitelijke woonsituatie van eiser. Verweerder sluit niet uit dat eiser tot aan het huwelijk van zijn broer in mei 2012 feitelijk op het GBA-adres woonde, zoals de broer zelf ook heeft verklaard in de rapportage waarop de herziening is gebaseerd. Nu ook uit de door eiser in het geding gebrachte verklaringen naar voren komt dat de problemen rond de woonsituatie zijn begonnen met het huwelijk van zijn broer gaat de rechtbank ervan uit dat eiser tot aan het huwelijk van zijn broer op het GBA-adres woonde. Naar het oordeel van de rechtbank voert het in een dergelijk geval te ver om het wettelijk vermoeden te laten prevaleren boven de feitelijke woonsituatie. Dat brengt met zich mee dat verweerder weliswaar bevoegd was de studiefinanciering van eiser te herzien, maar dat het een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren om deze herziening – in strijd met de feitelijke woonsituatie – in te laten gaan op 1 januari 2012. Het had op de weg van verweerder gelegen om onder toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 en de herziening te beperken als ware de woonsituatie van eiser in mei 2012 gewijzigd.

18.

Het bovenstaande brengt met zich mee dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bestreden besluit te vernietigen voor zover de studiefinanciering van eiser daarbij wordt herzien over de periode januari 2012 tot en met mei 2012 en voor het overige in stand te laten. De rechtbank gaat ervan uit dat het boetebesluit op overeenkomstige wijze zal worden aangepast.

19.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 44,- te vergoeden. Voorts ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, die worden vastgesteld op € 974 (1 punt voor het indienen van het aanvullend beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de studiefinanciering van eiser over de periode januari 2012 tot en met mei 2012 wordt herzien;

  • -

    bepaalt dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.T. Hoogendijk, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2014.

de griffier

de rechter

is buiten staat deze uitspraak te tekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB