Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3568

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
23-06-2014
Zaaknummer
C/13/479877 / HA ZA 11-143
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijswaardering. De rechtbank oordeelt dat eiser het bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat het paard van gedaagde van vijf paarden van eiser de staart heeft aangevreten. Gedaagde is derhalve op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk voor de daardoor door zijn paard aangerichte schade. Over de hoogte van de schade dient te worden voortgeprocedeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/479877 / HA ZA 11-143

Vonnis van 23 april 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.P.K. Grootenboer te Barendrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.M. Bakx-van den Anker te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 oktober 2012,

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 17 januari 2013,

  • -

    het proces-verbaal van contra-enquête van 14 mei 2013,

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting contra-enquête van 6 augustus 2013,

  • -

    de conclusie na enquête en contra-enquête alsmede akte houdende uitlaten van [eiser],

  • -

    de conclusie na enquête van [gedaagde] met producties,

  • -

    de akte uitlaten producties van [eiser].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

Dit vonnis is gewezen door de rechter die de getuigen in contra-enquête heeft gehoord. De rechters ten overstaan van wie de comparitie en de getuigenverhoren in enquête hebben plaatsgevonden, hebben dit vonnis om organisatorische redenen niet kunnen wijzen.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 3 augustus 2011 (hierna: het tussenvonnis) is [eiser] opgedragen te bewijzen dat het paard van [gedaagde] van vijf paarden van [eiser] de staart heeft aangevreten. Voor het geval [eiser] dit bewijs mocht leveren (en [gedaagde] derhalve op grond van artikel 6:179 Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk is voor de door zijn paard aangerichte schade), is [eiser] in het tussenvonnis voorshands opgedragen te bewijzen dat de schade als gevolg van het aanvreten van de staarten € 29.620,00 bedraagt.

2.2.

Nadat de rechtbank partijen daartoe bij tussenvonnis in de gelegenheid had gesteld, hebben partijen medegedeeld dat zij eerst een oordeel van de rechtbank willen over het bewijs met betrekking tot de vraag of het paard van [gedaagde] de staart van de vijf paarden van [eiser] heeft aangevreten (bewijsopdracht 1), alvorens eventueel wordt overgegaan tot de bewijslevering met betrekking tot de schade (bewijsopdracht 2). In dit vonnis staat derhalve enkel de bewijslevering van bewijsopdracht 1 centraal.

2.3.

[eiser] heeft in het kader van de door hem te bewijzen stelling dat het paard van [gedaagde] van vijf van zijn paarden de staart heeft aangevreten, in enquête als getuigen doen horen: [getuige 1], [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), [getuige 3] en zichzelf. Eveneens is [getuige 4] (hierna: [getuige 4]) als getuige opgeroepen. Ondanks diverse pogingen daartoe, waaronder twee maal een bevel medebrenging, is [getuige 4] niet als getuige verschenen en derhalve niet onder ede gehoord.

2.4.

In contra-enquête heeft [gedaagde] als getuigen doen horen: zichzelf, [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7],[getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10]. Voorts heeft [gedaagde] bij conclusie na enquête een aantal (nadere) schriftelijke bewijsstukken overlegd.

2.5.

[getuige 2] (de geregistreerd partner van [eiser]) heeft, voor zover van belang, het volgende onder ede verklaard:

“(…) Een paar dagen voordat ik had gezien dat de staarten van de paarden van [eiser] waren aangevreten heb ik de paarden van [eiser] voor het laatst gezien. Ik ging niet elke dag naar de paarden kijken, [eiser] wel. We kwamen met [eiser] en [getuige 4] aanrijden om de paarden op te halen. Ik zag dat een paar staarten waren aangevreten en dat twee staarten tot aan de staartwortel waren aangevreten. De paarden waren onrustig in de wei. Het paard van [gedaagde] zat de paarden van [eiser] achter na te jagen. Hij galoppeerde achter de paarden van [eiser] aan en maakte bewegingen naar de staarten van de paarden toe en de paarden van [eiser] sloegen met de achterbenen naar het paard van [gedaagde]. Ik heb gezien dat het paard van [gedaagde] bij drie paarden van [eiser] aan de staart heeft gebeten en een stuk van de staart heeft afgebeten. Ik zag dat het paard van [gedaagde] met de haren in de bek stond. Ook toen de paarden van [eiser] uit de wei waren, stond het paard van [gedaagde] nog te reiken naar de paarden van [eiser] om de staarten te pakken. Ik had van [eiser] gehoord dat het zesde paard van [gedaagde] was. (…) [getuige 4] heeft die dag geholpen om de paarden uit de wei te halen. We hadden allemaal een paard vast om uit de wei te halen. Hij heeft gezien dat het paard van [gedaagde] aan de staarten heeft gebeten. We hebben hier op de terugweg in de vrachtwagen uitvoerig met elkaar over gesproken. (…)

Op vragen van mr. Van Voorthuizen antwoord ik

De vijf paarden in de wei waren van [eiser] en één paard van [gedaagde]. Er waren op dat moment geen andere paarden in de wei. De staart van het paard van [gedaagde] was lang en niet aangevreten.”

2.6.

[eiser] heeft, voor zover van belang, het volgende onder ede verklaard:

“(…) Die maandag om half elf of elf uur zijn [getuige 4], mijn vrouw en ik naar mijn land gereden. Vier of vijf stukken land daarvoor zeiden we tegen elkaar het lijkt wel of een staart is aangebeten en daarna zagen we er nog een. Toen alle paarden naar voren waren gekomen zagen we dat het goed raak was. De ruin van [gedaagde] zat achter mijn paarden aan. Hij pakte de staarten en trok er pittig aan. Bij twee van mijn paarden zat er alleen nog maar een stompje op de plaats van de staart. We hebben geprobeerd mijn paarden zo spoedig mogelijk te pakken. Toen er twee paarden aan de andere kant van het hek vastzaten, heeft het paard van [gedaagde] nog over het hek geprobeerd de staarten te pakken. Ik herkende het zesde paard als het paard van [gedaagde]. Mijn vijf paarden hebben de hele zomer in één wei gelopen. Er hebben geen andere paarden bijgelopen. Alleen het paard van [gedaagde] liep al een paar weken bij de mijne voor het staartbijten. In die weken is er niets gebeurd en het paard van [gedaagde] is opeens gaan staartbijten. (…) Op de zondag voordat ik het staartbijten ontdekte ben ik rond vier uur bij de paarden gaan kijken. Ik heb toen niet gezien dat er aan de staarten gebeten was. De paarden waren toen halverwege het land denk ik, maar dat weet ik niet zeker. Er stonden op dat moment wel zes paarden in de wei. (…)

(…) Die maandagochtend heb ik gezien dat het paard van [gedaagde] beet aan de drie staarten van mijn paarden. Het was onrustig in het land. Het was elke keer aan staarten trekken. Dit gebeurde in de periode van vijf minuten. In die vijf minuten zagen wij dat het paard van [gedaagde] achter onze paarden aanging en in de staarten beet. Mijn paarden sloegen naar het paard van [gedaagde]. Het paard van [gedaagde] had grote plukken haar in zijn bek. (…) De vijf paarden hebben ook na het staartbijten bij elkaar gestaan en daarna is er nooit meer staart gebeten. (…)

(…)

Op vragen van mr. Van Voorthuizen antwoord ik

Toen wij het staartbijten ontdekten was de staart van het paard van [gedaagde] correct. Ik bedoel daarmee dat hij een totale, mooie en dikke staart had.

Op vragen van mr. Meijroos antwoord ik

(…) Nadat het paard van [gedaagde] weg was is er niet meer staart gebeten. Na het staartbijten hebben mijn vijf paarden nog buiten gestaan. Als een paard eenmaal staartbijt hoeft hij in andere omstandigheden niet te blijven staartbijten. Staartbijten gebeurt vaak in het najaar wanneer het regenachtig is en de kwaliteit van het gras minder is. Dan kunnen ze uit verveling gaan staartbijten. Als een paard eenmaal een staart in de bek heeft dan zet het bijten vaak door. Als het paard van [gedaagde] de volgende dag naar andere paarden is gegaan dan hoeft het niet zo te zijn dat hij daar ook gaat staartbijten. In dit geval is het paard van [gedaagde] naar een nieuw weiland gegaan bij twee andere paarden, waar ook hooi werd bijgevoerd. Het paard van [gedaagde] heeft daar twee dagen gelopen. Dit betekent vier andere aspecten en dan is het niet zeker of een paard wel of niet weer gaat staartbijten.

(…)”

2.7.

Het bewijs wordt als volgt gewaardeerd. In deze zaak zijn diverse getuigen gehoord, van wie [eiser] als partijgetuige moet worden aangemerkt, nu hij het bewijsrisico draagt. Gevolg hiervan is dat op grond van artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn verklaring omtrent door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Dit betekent dat aanvullend bewijs voorhanden moet zijn dat zodanig sterk is en zodanige essentiële punten betreft, dat het de partijgetuigenverklaring van [eiser] voldoende geloofwaardig maakt.

2.8.

De verklaring van [eiser], die innerlijk consistent is en overeenstemt met zijn eerder ingenomen stellingen, komt er in de kern op neer dat [eiser] op de bewuste maandagochtend (9 november 2009) met [getuige 2] en [getuige 4] naar de wei reed en aldaar zag dat het paard van [gedaagde] achter zijn paarden aanzat. Volgens [eiser] pakte het paard van [gedaagde] de staarten van zijn paarden, trok hij er pittig aan en beet het paard van [gedaagde] aan de staart van drie van zijn paarden. [eiser] heeft voorts verklaard dat het paard van [gedaagde] grote plukken haar in zijn mond had. Tot slot heeft [eiser] verklaard dat het paard van [gedaagde] op die maandagochtend een totale, mooie en dikke staart had.

2.9.

De rechtbank is van oordeel dat aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanige essentiële punten betreffen dat zij de hiervoor zakelijk weergegeven verklaring van [eiser] voldoende geloofwaardig maken.

2.10.

Dit aanvullende bewijs wordt gevonden in de verklaring van [getuige 2]. Haar verklaring is innerlijk consistent en in lijn met de verklaring van [eiser]. Ook zij heeft verklaard dat [getuige 4], [eiser] en zijzelf op de betreffende ochtend naar de wei reden en aldaar zagen dat het paard van [gedaagde] achter de paarden van [eiser] aan galoppeerde en bewegingen maakte naar de staarten van de paarden van [eiser]. Volgens [getuige 2] zag zij eveneens dat het paard van [gedaagde] bij drie van de vijf paarden van [eiser] aan de staart beet en een stuk van de staart afbeet. Het paard van [gedaagde] had volgens [getuige 2] haren in zijn mond. Tot slot heeft [getuige 2], in lijn met de verklaring van [eiser], verklaard dat de staart van het paard van [gedaagde] die maandagochtend lang en niet aangevreten was.

2.11.

De rechtbank onderkent dat [getuige 2] de levenspartner is van [eiser]. Dit op zichzelf maakt echter nog niet dat aan de juistheid van haar verklaring getwijfeld dient te worden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn onvoldoende overtuigende bijkomende feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2] in twijfel moet worden getrokken.

2.12.

Dat [getuige 4] niet als getuige onder ede is gehoord, brengt in het voorgaande geen verandering, alleen al omdat - mede gezien de uiteenlopende verklaringen die partijen en enkele (andere) getuigen daarvoor hebben gegeven - niet is vast te stellen wat de reden is van de weigerachtige houding van [getuige 4] om onder ede te getuigen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat ieder van partijen bij dagvaarding respectievelijk conclusie van antwoord een schriftelijke verklaring heeft overgelegd waarvan zij (al dan niet betwist) stellen dat die van [getuige 4] afkomstig is. In de door [eiser] overgelegde verklaring staat dat [getuige 4] op 9 november 2009 heeft gezien dat het paard van [gedaagde] de staarten stond aan te vreten. In de door [gedaagde] overgelegde kopie van die verklaring staat onder die verklaring evenwel met pen door [getuige 4] bijgeschreven dat hij met die verklaring niet bekend is en die verklaring niet heeft ondertekend. Aangezien [getuige 4] niet onder ede is gehoord en derhalve niet kan worden vastgesteld in hoeverre [getuige 4] zich (thans nog) achter de juistheid van (één van) die schriftelijke verklaringen schaart, zal de rechtbank die verklaringen verder buiten beschouwing laten.

2.13.

Bij de bewijswaardering neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat op basis van de getuigenverklaringen als vaststaand moet worden aangenomen dat op 9 november 2009 en de dagen ervoor zes paarden in de wei stonden: de vijf paarden van [eiser] en het paard van [gedaagde]. Eveneens staat vast dat alleen de staarten van de vijf paarden van [eiser] zijn aangevreten en niet (ook) de staart van het paard van [gedaagde]. Dit draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van [eiser] en [getuige 2] die erop neerkomen dat zij gezien hebben dat het het paard van [gedaagde] was die aan de staarten van de paarden van [eiser] beet. [gedaagde] heeft in dit verband in zijn conclusie na enquête aangevoerd dat paarden ook in hun eigen staart kunnen bijten of deze kapot kunnen schuren als zij last hebben van eczeem en jeuk. [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat de paarden van [eiser] slecht verzorgd waren en dat het daarom zeer wel mogelijk is dat de paarden van [eiser] hun eigen staarten hebben aangebeten danwel deze kapot hebben geschuurd. Dit - door [eiser] weersproken - scenario van [gedaagde] wordt door de rechtbank gepasseerd. Dit alleen al omdat de stelling van [gedaagde] dat de paarden van [eiser] last zouden hebben gehad van eczeem en jeuk enkel is gebaseerd op veronderstellingen en eigen aannames van [gedaagde] zonder dat daarvoor concrete aanwijzingen voorhanden zijn. Daarbij komt dat voornoemd scenario van [gedaagde] erop neerkomt dat de vijf paarden van [eiser] in een kort tijdsbestek allemaal ineens, zonder voorheen te hebben staart gebeten, hun eigen staart zouden zijn gaan aanbijten, hetgeen de rechtbank niet waarschijnlijk voorkomt. Een ander alternatief zou kunnen zijn dat een van de paarden van [eiser] de staartbijter is geweest. Echter, ook dat scenario is weinig waarschijnlijk, nu dat zou betekenen dat het betreffende paard de eigen staart én de staarten van de andere vier paarden van [eiser] zou hebben aangevreten en enkel - zonder dat daarvoor een aanwijsbare reden is gegeven of gebleken - de staart van het paard van [gedaagde] niet. Ook dit scenario wordt derhalve terzijde geschoven.

2.14.

Aan [gedaagde] moet overigens wel worden toegegeven dat de verklaringen van [eiser] en [getuige 2] dat zij het staartbijten op 9 november 2009 hebben waargenomen, niet goed te verenigen vallen met de door [eiser] bij dagvaarding overgelegde brief van [naam] (hierna: [naam]), de - volgens de stellingen van [eiser] - aanvankelijke koper van één van de paarden van [eiser]. In die brief schrijft [naam] immers dat hij (reeds) op 8 november 2009 door [eiser] is geïnformeerd over het staartbijten. Dit verschil in data (9 november 2009 versus 8 november 2009) kan evenwel berusten op een vergissing van [naam] in de door hem opgeschreven datum. Deze omstandigheid legt naar het oordeel van de rechtbank dan ook onvoldoende gewicht in de schaal om de geloofwaardigheid van de verklaringen van [eiser] en [getuige 2] in zijn geheel in twijfel te trekken.

2.15.

De rechtbank is van oordeel dat het geleverde bewijs niet wordt ontzenuwd door de verklaringen van de overige getuigen en de overgelegde (nadere) schriftelijke bewijsstukken. Blijkens de verklaringen van de andere getuigen heeft geen van hen iets gezien dat erop wijst dat het niet het paard van [gedaagde] is geweest die van de paarden van [eiser] de staart heeft aangebeten. Evenmin hebben zij (voldoende overtuigend) over eigen waarnemingen verklaard die maken dat hetgeen [eiser] en [getuige 2] onder ede hebben verklaard, niet waar kan zijn. Weliswaar hebben meerdere getuigen verklaard dat het paard van [gedaagde] voor of na het bijtincident bij hun paarden (en/of andere dieren) in de wei heeft gestaan en dat het paard van [gedaagde] toen niet heeft staart gebeten, maar dat doet aan de waarnemingen van [eiser] en [getuige 2] op zichzelf nog niet af. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat gezien de diverse afgelegde verklaringen en overgelegde stukken niet kan worden uitgesloten dat een paard van de ene op de andere dag begint met staartbijten. Evenmin kan (met voldoende zekerheid) worden aangenomen dat als een paard eenmaal aan een of meer staarten heeft gebeten, hij - ook bij gewijzigde omstandigheden, zoals hier het geval was - altijd een zogenaamde staartbijter blijft.

2.16.

De conclusie van het voorgaande is dat [eiser] geslaagd is in het leveren van het bewijs van zijn stelling dat het paard van [gedaagde] van zijn vijf paarden de staart heeft aangevreten. [gedaagde] is derhalve, zoals overwogen in het tussenvonnis, op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk voor de daardoor door zijn paard aangerichte schade.

2.17.

Zoals in het tussenvonnis (en in navolging daarvan hiervoor onder 2.1. en 2.2.) reeds op voorhand is overwogen, zal [eiser] de hoogte van de schade tengevolge van het aanvreten van de staarten moeten bewijzen. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen. [eiser] zal zich op de betreffende roldatum bij akte kunnen uitlaten over de vraag of en, zo ja, hoe hij dit bewijs wilt leveren. De rechtbank geeft partijen hierbij in overweging dat het hen vanzelfsprekend ook vrijstaat in onderling overleg tot een minnelijke regeling te komen ten aanzien van de hoogte van de door [gedaagde] aan [eiser] te vergoeden schade.

2.18.

Voor zover [eiser] het aan hem opgedragen bewijs wenst te leveren door het horen van getuigen moet bij het oproepen van de getuigen er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

2.19.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

draagt [eiser] op te bewijzen dat de schade als gevolg van het aanvreten van de staarten € 29.620,00 bedraagt,

3.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 mei 2014 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

3.3.

bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

3.4.

bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden mei tot en met augustus 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

3.5.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. L.R. Wisse in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220,

3.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

3.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.R. Wisse en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2014.