Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3532

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
C/13/566139 / KG ZA 14-693
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBAMS:2014:3952
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering gemeente Amsterdam tot ontruiming van het voormalige Huis van Bewaring aan de Havenstraat. Beslissing aangehouden om partijen de gelegenheid te geven schriftelijke opmerkingen in te brengen over de uitspraak van de Centrale Rad van Beroep d.d. 4 juni 2014 (ECLI:NL:CRvB:2014:1995)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/566139 / KG ZA 14-693 MvW/BB

Tussenvonnis in kort geding van 20 juni 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

eiseres in conventie bij dagvaarding van 5 juni 2014,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.L. Bervoets te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1];

2. [gedaagde 2];

3. [gedaagde 3];

4. [gedaagde 4];

5. [gedaagde 5];

6. [gedaagde 6];

7. [gedaagde 7];

8. [gedaagde 8];

9. [gedaagde 9];

10. [gedaagde 10];

11. [gedaagde 11];

12. [gedaagde 12];

13. [gedaagde 13];

14. [gedaagde 14];

15. [gedaagde 15];

16. [gedaagde 16];

17. [gedaagde 17];

18. [gedaagde 18];

19. [gedaagde 19];

20. [gedaagde 20];

21. [gedaagde 21];

22. [gedaagde 22];

23. [gedaagde 23];

24. [gedaagde 24];

25. [gedaagde 25];

26. [gedaagde 26];

27. [gedaagde 27];

28. [gedaagde 28];

29. [gedaagde 29];

30. [gedaagde 30];

31. [gedaagde 31];

32. [gedaagde 32];

33. [gedaagde 33];

34. [gedaagde 34];

35. [gedaagde 35];

36. [gedaagde 36];

37. [gedaagde 37];

38. [gedaagde 38];

39. [gedaagde 39];

40. [gedaagde 40];

41. [gedaagde 41];

42. [gedaagde 42];

43. [gedaagde 43];

44. [gedaagde 44];

45. [gedaagde 45];

46. [gedaagde 46];

47. [gedaagde 47];

48. [gedaagde 48];

49. [gedaagde 49];

50. [gedaagde 50];

51. [gedaagde 51];

52. [gedaagde 52];

53. [gedaagde 53];

54. [gedaagde 54];

55. [gedaagde 55];

56. [gedaagde 56];

57. [gedaagde 57];

58. [gedaagde 58];

59. [gedaagde 59];

60. [gedaagde 60];

61. [gedaagde 61];

62. [gedaagde 62];

63. [gedaagde 63];

64. [gedaagde 64];

65. [gedaagde 65];

66. [gedaagde 66];

67. [gedaagde 67];

68. [gedaagde 68];

69. [gedaagde 69];

70. [gedaagde 70];

71. [gedaagde 71];

72. [gedaagde 72];

73. [gedaagde 73];

74. [gedaagde 74];

75. [gedaagde 75];

76. [gedaagde 76];

77. [gedaagde 77];

78. [gedaagde 78];

79. [gedaagde 79]

80. [gedaagde 80];

81. [gedaagde 81];

82. [gedaagde 82];

83. [gedaagde 83];

84. [gedaagde 84];

85. [gedaagde 85];

86. [gedaagde 86];

87. [gedaagde 87];

88. [gedaagde 88];

89. [gedaagde 89];

90. [gedaagde 90];

91. [gedaagde 91];

92. [gedaagde 92];

93. [gedaagde 93];

94. [gedaagde 94];

95. [gedaagde 95];

96. [gedaagde 96];

97. [gedaagde 97];

98. [gedaagde 98];

99. [gedaagde 99];

100. [gedaagde 100];

101. [gedaagde 101];

102. [gedaagde 102];

103. [gedaagde 103];

104. [gedaagde 104];

105. [gedaagde 105];

106. [gedaagde 106];

107. [gedaagde 107];

108. [gedaagde 108];

109. [gedaagde 109];

110. [gedaagde 110];

111. [gedaagde 111];

112. [gedaagde 112];

113. [gedaagde 113];

114. [gedaagde 114];

allen wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. W.G. Fischer te Haarlem.

115. Hen die verblijven in de onroerende zaak aan de [adres] te [woonplaats];

niet verschenen.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 13 juni 2014 heeft eiseres, hierna de Gemeente, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Gedaagden (sub 1 tot en met 114) hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening, en hebben ter zitting een eis in reconventie ingesteld, zoals hierna onder 4.1 is weergegeven. De Gemeente heeft de vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht; de Gemeente ook een pleitnota. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.
Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van de Gemeente: [naam 1] en [naam 2] met

mr. Bervoets en mr. B. Fluit;

aan de zijde van gedaagden: (een groot aantal) gedaagden en mr. Fischer met twee kantoorgenoten. Welke gedaagden wel en welke niet zijn verschenen is vanwege het grote aantal personen niet exact vastgesteld. Gedaagden werden bijgestaan door enkele tolken die hen, voor zover nodig, na de zitting op de hoogte zouden brengen van het verloop van de behandeling.

Tegen de niet verschenen gedaagden sub 115 is verstek verleend.

2 De feiten

2.1.

Gedaagden zijn vreemdelingen zonder verblijfsvergunning, zogenoemde ongedocumenteerden. Het merendeel van gedaagden maakte deel uit van de zogenaamde ‘groep van 159’, welke groep vanaf het najaar van 2012 op verschillende vluchtlocaties in Amsterdam heeft verbleven.

2.2.

In november 2013 heeft de burgemeester van de gemeente Amsterdam bij wijze van pilot het initiatief genomen om voornoemde groep vreemdelingen een periode van een half jaar onderdak, leefgeld en begeleiding te bieden om in relatieve rust aan een oplossing voor iedere individuele situatie te werken. In het plan ‘New directions’ dat in dit verband is opgesteld staat over het doel van de pilot het volgende vermeld:

‘Het doel van het individuele hulpaanbod is dat de personen in de periode tot 1 juni 2014 optimaal kunnen werken aan hun eigen toekomst. Dit kan gaan om het alsnog verkrijgen van een verblijfsvergunning en het afronden van procedures. Het zal ook gaan om de oriëntatie op en ondersteuning bij de hervestiging en terugkeer naar het land van herkomst omdat iemand geen uitzicht meer heeft op een verblijfsvergunning in Nederland. In gevallen waar iemand wél terug wil keren, maar als dit niet lukt buiten schuld van de persoon moet eveneens actie worden ondernomen.’

2.3.

Ter uitvoering van de pilot heeft het Rijk een gedeelte van het pand (een voormalig huis van bewaring) gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de Havenstraat), voor de periode van 1 december 2013 tot en met 30 juni 2014 in gebruik gegeven aan de Gemeente. In de tussen de Gemeente en het Rijk gesloten gebruiksovereenkomst is onder meer bepaald dat de Gemeente aan het Rijk een boete is verschuldigd van € 5.000,00 voor iedere dag dat de Gemeente nalaat om de Havenstraat na 30 juni 2014 ontruimd op te leveren. Verder heeft de Gemeente met elk van de gedaagden een gebruiksovereenkomst gesloten voor de periode van 1 december 2013 tot en met 31 mei 2014. In die gebruiksovereenkomsten is onder meer opgenomen dat gedaagden de Havenstraat uiterlijk op 31 mei 2014 vrijwillig zouden verlaten.

2.4.

Gedaagden zijn niet overgegaan tot ontruiming van de Havenstraat.

3 Het geschil in conventie

3.1.

De Gemeente vordert samengevat - gedaagden te veroordelen de Havenstraat binnen een dag na betekening van dit vonnis te ontruimen en gedurende een jaar ontruimd te houden, met machtiging van de Gemeente om bij gebreke daarvan, op kosten van gedaagden die deze kosten op vertoon van een exploot of proces-verbaal van de gerechtsdeurwaarder dienen te voldoen, de ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm. Ten slotte vordert de Gemeente om gedaagden in de proceskosten, waaronder de nakosten, te veroordelen.

3.2.

De Gemeente heeft daartoe gesteld, kort gezegd, dat de gevorderde ontruiming gerechtvaardigd is omdat gedaagden na het verstrijken van de ontruimingstermijn zonder recht of titel in de Havenstraat verblijven en zij in strijd handelen met de met de Gemeente gemaakte afspraak uiterlijk 31 mei 2014 tot ontruiming te zullen overgaan. De Gemeente stelt een (spoedeisend) belang bij de ontruiming te hebben omdat zij, gelet op de met het Rijk gesloten gebruiksovereenkomst, de Havenstraat op straffe van een boete op 30 juni 2014 leeg moet hebben opgeleverd omdat het Rijk tot verkoop van het pand wenst over te gaan. Verder is er volgens de Gemeente na 1 juli 2014 geen personeel meer beschikbaar om de Havenstraat open te houden omdat het personeel wegens het sluiten van het huis van bewaring per 1 juli 2014 een andere functie heeft. Ten slotte zou de Gemeente met het toestaan van een langer verblijf van gedaagden in de Havenstraat in strijd handelen met de met het Rijk gemaakte afspraken aangaande de vreemdelingenopvang.

De Gemeente heeft verder naar voren gebracht dat zij een alternatief onderdak zal aanbieden aan gedaagden die door de GGD als kwetsbaar in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn aangemerkt (tot nu toe 6 personen), aan gedaagden die te kennen hebben gegeven terug te willen keren naar hun land van herkomst (tot nu toe 8 personen) en aan gedaagden die recentelijk een Herhaald Asielverzoek (Hasa) hebben ingediend (14 personen). Voor de overige gedaagden is de Gemeente niet gehouden om een alternatief te zoeken, aldus de Gemeente.

3.3.

Gedaagden hebben bij monde van hun advocaat aangevoerd, kort gezegd, dat zij allen als ‘kwetsbaar’ in de zin van artikel 8 EVRM zijn aan te merken en de Gemeente daarom, als zij niet in de Havenstraat kunnen blijven, aan allen alternatief onderdak moet aanbieden. Gedaagden hebben in dit verband onder meer verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 21 september 2012 (ECLI:NL:HR2012:BW5328) en naar beslissingen van 25 oktober 2013 van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) (Decisions on Immediate Measures). Volgens gedaagden geven deze Decisions on Immediate Measures een nadere invulling aan het criterium van kwetsbaarheid zoals de Centrale Raad van Beroep dat thans hanteert bij toetsing van artikel 8 EVRM en het bieden van opvang. Volgens gedaagden is ook een ontwikkeling gaande dat van een ruimere norm wordt uitgegaan. In dit verband hebben gedaagden nog verwezen naar een Tweede Kamerdebat dat op 2 juli 2014 zal plaatsvinden over de vraag of de opvang van gedaagden verlengd dient te worden. Het collectief ontruimen van gedaagden past in ieder geval niet in de verplichting van de overheid om humaan te handelen, aldus gedaagden.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Gedaagden vorderen samengevat - de tussen de Gemeente en gedaagden gesloten gebruiksovereenkomsten te vernietigen.

4.2.

De Gemeente voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

In een kort geding is een vordering tot ontruiming slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens zou toewijzen en indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat deze de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

5.2.

Vooropgesteld wordt dat de Gemeente een spoedeisend belang bij haar ontruimingsvordering heeft omdat zij met het Rijk een gebruiksovereenkomst gesloten heeft, waarin zij zich op straffe van een boete heeft verplicht de Havenstraat uiterlijk op 30 juni 2014 aan het Rijk op te leveren. De gebruiksovereenkomst met het Rijk loopt een maand langer dan de gebruiksovereenkomst met gedaagden zodat de Gemeente voldoende tijd zou hebben om de Havenstraat schoon te maken en in de staat waarin de Gemeente het in gebruik kreeg op te kunnen leveren. Deze tijd is inmiddels door het niet tijdig verlaten van de Havenstraat door gedaagden enkele weken korter geworden, waarmee de spoedeisendheid alleen maar is toegenomen. Het is begrijpelijk dat gedaagden erop hopen dat het Rijk, als eigenaar van de Havenstraat, de opvang aldaar langer kan faciliteren, hetgeen ook onderwerp is van het Tweede Kamerdebat dat op 2 juli 2014 zal plaatsvinden. Maar dat doet aan het spoedeisend belang van de Gemeente niet af.

5.3.

Wat betreft de tussen de Gemeente en gedaagden gesloten gebruiksovereenkomsten hebben gedaagden aangevoerd dat deze onder misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen omdat gedaagden op het moment van het sluiten van de overeenkomsten volledig ontredderd waren en genoodzaakt waren de tijdelijke opvang te accepteren zodat zij de winter niet op straat behoefden door te brengen. In dit verband hebben gedaagden in reconventie gevorderd de gebruiksovereenkomsten te vernietigen. Daargelaten dat deze vordering, gelet op het definitieve karakter ervan, in kort geding niet kan worden toegewezen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter tegenover de gemotiveerde betwisting van de Gemeente niet aannemelijk geworden dat de gebruiksovereenkomsten onder misbruik van omstandigheden tot stand zijn gekomen. Het kan goed zijn dat gedaagden het accepteren van het tijdelijke gebruik van de Havenstraat als enige oplossing hebben gezien in de situatie waarin zij zich toen bevonden, maar dat neemt niet weg dat gedaagden, die op dat moment geen aantoonbaar recht op opvang in de zin van de Wet Maatschappelijke ondersteuning (Wmo) hadden, daarmee geen enkel recht opgaven en de tijdelijk opvang van gedaagden op dat moment een onverplichte handreiking van de Gemeente was. Voorshands wordt er dan ook vanuit gegaan dat de gebruiksovereenkomsten geldig zijn. Dit betekent dat gedaagden op grond van de gebruiksovereenkomsten de Havenstraat uiterlijk op 31 mei 2014 hadden moeten verlaten en dat zij daar thans zonder recht of titel verblijven. Bovendien zou het verblijf ook zonder recht of titel zijn indien de gebruiksovereenkomsten niet geldig zouden zijn. In die zin is de gevorderde ontruiming in beginsel toewijsbaar.

5.4.

De vraag die thans moet worden beantwoord is of de Gemeente gehouden is om aan gedaagden een alternatief onderdak aan te bieden. Het gaat daarbij om de gedaagden die op dit moment niet vallen binnen één van de categorieën waarvan de Gemeente reeds heeft toegezegd voor alternatieve opvang te zorgen, te weten degenen die inmiddels door de GGD als kwetsbaar in de zin van artikel 8 EVRM zijn aangemerkt, degenen die te kennen hebben gegeven terug te willen keren naar hun land van herkomst dan wel degenen die recentelijk een Herhaald Asielverzoek (Hasa) hebben ingediend.

5.5.

Vooropgesteld wordt dat ongedocumenteerden zoals gedaagden op grond van artikel 10 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in beginsel geen aanspraak kunnen maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo.

De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft al vele malen geoordeeld (bijvoorbeeld nog in ECLI:NL:CRVB:2014:416) dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend die aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften die zijn vervat in diverse bepalingen in internationale verdragen en dat artikel 8 EVRM dit uitgangspunt alleen onder bepaalde omstandigheden kan doorkruisen, in het bijzonder in het geval van kinderen en andere kwetsbare personen. Daarbij is in feite steeds het zogenoemde ziekenboeg- crisisopvangcriterium gehanteerd.

Het debat tussen partijen heeft zich in dit verband dan ook toegespitst op dit criterium.

Uit een recente uitspraak van de Raad d.d. 4 juni 2014 (ECLI:NL:CRvB:2014:1995) is echter gebleken dat onder bijzondere omstandigheden ook een uitzichtloze situatie wegens bijvoorbeeld staatloosheid kan maken dat op grond van artikel 8 EVRM maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo aan een ongedocumenteerde vreemdeling moet worden verleend. Deze uitspraak is gepubliceerd op 17 juni 2014. Dit betekent dat partijen ter zitting (mogelijk) nog niet met de uitspraak bekend waren.

De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om alvorens tot een eindbeslissing te komen partijen in de gelegenheid te stellen zich alsnog over deze uitspraak uit te laten. Partijen kunnen tot 27 juni 2014 om 12.00 uur schriftelijk te kennen geven of de uitspraak voor dit kort geding van belang is en zo ja waarom. Zij moeten hun reactie aan de voorzieningenrechter en de wederpartij doen toekomen. Daarna zal eindvonnis worden gewezen op 4 juli 2014. Dit betekent dat de eindbeslissing niet voor 1 juli 2014 kan worden gegeven. Hoewel dit het belang van de Gemeente bij een voorziening voor die datum kan schaden, acht de voorzieningenrechter de uitspraak van de Raad zo belangrijk dat dit belang van de Gemeente hier moet wijken.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie en reconventie

6.1.

houdt de beslissing met bovenvermeld doel aan tot 4 juli 2014.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2014.1

1 type: BPWB coll: