Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3490

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
03-07-2014
Zaaknummer
2121011 \ HA EXPL 13-718
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VVE-geschil, jaarbijdragen, vaststelling exploitatierekening artikel 1:124 BW, uitleg vaststellingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 2121011 \ HA EXPL 13-718

Uitspraak: 20 mei 2014

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

de vereniging

Vereniging van Eigenaars [adres],

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde mr. A. Govers-Schotten,

t e g e n

1.

[gedaagde 1]

wonende te [woonplaats]

2.

[gedaagde 2],

wonende te [woonplaats]

gedaagden,

gemachtigde mr. E.L. van de Water.

Partijen zullen hierna VVE en [gedaagden gezamenlijk] (beide gedaagden samen in enkelvoud) worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 29 mei 2013, met producties 1 tot en met 4 (overgelegd zijdens de VVE bij brief van 21 oktober 2013),

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties.

Ingevolge tussenvonnis van 9 oktober 2013 heeft op 27 januari 2014 een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan en de daarin genoemde andere stukken, waaronder de conclusie van antwoord in reconventie, bevinden zich bij de stukken.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden in conventie en in reconventie

1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1

[gedaagden gezamenlijk] is appartementseigenaar van een appartement aan de [adres]. Van rechtswege is zij in deze hoedanigheid lid van de VVE. In totaal omvat de VVE vier appartementsrechten.

1.2

Op de VVE is het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1983 van toepassing (hierna: het modelreglement). Het modelreglement luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 6

1.

Indien een eigenaar het ingevolge artikel 4 en/of artikel 5 door hem aan de vereniging verschuldigde bedrag niet binnen een maand, nadat het bedrag opeisbaar is geworden, aan de vereniging heeft voldaan, is hij hierover van de datum van opeisbaarheid af een rente verschuldigd, berekend op basis van de wettelijke rente ten tijde van de dag van opeisbaarheid verhoogd met twee punten, met een minimum van honderd gulden (ƒ 100,–) of zoveel meer als de vergadering telken jare mocht vaststellen.

Het bestuur is bevoegd dit bedrag te matigen.

Artikel 29 is niet van toepassing.

[…]

Artikel 29

1.

Bij overtreding van één der bepalingen van de wet, van het reglement of van het huishoudelijk reglement, hetzij door een eigenaar, hetzij door een gebruiker, zal het bestuur de betrokkene een schriftelijke waarschuwing doen toekomen per aangetekende brief en hem wijzen op de overtreding.

2.

Indien de betrokkene geen gevolg geeft aan de waarschuwing kan de vergadering hem een boete opleggen van ten hoogste een bedrag dat nader in de akte zal worden bepaald voor elke overtreding, onverminderd de gehoudenheid van de overtreder tot schadevergoeding, zo daartoe termen aanwezig zijn, en onverminderd de andere maatregelen, welke de vergadering kan nemen krachtens de wet of het reglement.

3.

De te verbeuren boeten komen ten bate van de vereniging.

4.

Indien het bedrag van de boete niet vrijwillig wordt voldaan is artikel 6 eerste lid van toepassing.

[…]

1.3

De VVE heeft besluiten genomen over de jaarbijdragen van de leden over (onder meer) de jaren 2011, 2012 en 2013. De bijdragen voor [gedaagden gezamenlijk] zijn daarbij vastgesteld op € 5.712,33 voor 2011, € 5.400,00 voor 2012 en € 2.800,00 (voorschot) voor 2013. Over de jaarbijdragen 2011 en 2012 heeft de VVE [gedaagden gezamenlijk] schriftelijk tot betaling gesommeerd. [gedaagden gezamenlijk] heeft slechts een deel van de bijdragen 2011 en 2012 betaald.

1.4

Op 11 juni 2010 hebben de VVE en [gedaagden gezamenlijk] een vaststellingsovereenkomst gesloten naar aanleiding van een geschil over schilderwerk aan de achtergevel van het pand aan de [adres] en de daartoe benodigde toegang van schilders tot de woning van [gedaagden gezamenlijk]. De vaststellingsovereenkomst is aangegaan in het kader van een kortgeding dat de VVE tegen [gedaagden gezamenlijk] had aangespannen. De vaststellingsovereenkomst is vastgelegd in een gerechtelijk proces-verbaal. De vaststellingsovereenkomst houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

[…]

In aanmerking nemende:

[…]

Voor wat betreft de juridische kosten stelt partij 1 [de VVE, toevoeging kantonrechter] zich op het standpunt dat partij 2 [[gedaagden gezamenlijk], toevoeging kantonrechter] deze conform het Modelreglement, volledig zal moeten voldoen aan partij 1. In dit conflict hebben partijen echter afgesproken dat partij 2 ter vermijding van verdere kosten een bedrag van € 3.500,00 zal betalen aan partij 1. Hier kunnen in de toekomst door partijen uitdrukkelijk geen rechten aan worden ontleend. […]

Zijn overeengekomen als volgt:

[…]

9.

De juridische kosten zullen niet uit het tegoed van de VVE worden betaald. Voor zover dat wel al is geschied zal dit alsnog worden verrekend tussen [naam 1]/[naam 2] in privé en den VVE. (De VVE heeft in deze uitsluitende gefungeerd als tussenstation)

Vordering en verweer in conventie

2.

De VVE vordert, na vermindering van eis, dat [gedaagden gezamenlijk], bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, hoofdelijk zal worden veroordeeld tot betaling van:
a. € 13. 332,39 aan hoofdsom (oorspronkelijke hoofdsom minus € 401,33);
b. € 1.487,00 aan contractuele incassokosten;
c. de wettelijke rente over de hoofdsom;

d. € 5.482,71aan buitengerechtelijke incassokosten (€ 4.682,71 advocaatkosten en 800,00 vertaalkosten);

e. de proceskosten van de VVE met inbegrip van de nakosten;

f. de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten en de nakosten;

g. een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan indien [gedaagden gezamenlijk] na betekening van het vonnis niet voldoet aan de vordering onder a., b. en c.

3.

De VVE stelt daartoe dat [gedaagden gezamenlijk] de jaarbijdragen van de VVE over de jaren 2011, 2012 en 2013, ondanks sommaties wat de jaren 2011 en 2012 betref, niet (volledig) heeft voldaan.

4.

[gedaagden gezamenlijk] voert verweer tegen de vordering.

5.

De stellingen van partijen zullen hierna, voor zover van belang, worden besproken.

Vordering en verweer in (voorwaardelijke) reconventie

6.

[gedaagden gezamenlijk] vordert, voor het geval haar verweer op opschorting en verrekening in conventie niet slaagt, zakelijk weergegeven dat

a. de VVE zal worden veroordeeld tot aanpassing van de balansen van de VVE over de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013 aldus dat, met inachtneming van de vaststellingsovereenkomst, uit de balansen blijkt dat door [gedaagden gezamenlijk] verrichte betalingen aan de VVE toekomen en niet aan de individuele leden van de VVE alsmede dat op behoorlijke wijze blijkt dat juridische kosten niet ten laste van de VVE zijn gebracht, zulks op straffe van een dwangsom;

b. de proceskosten van [gedaagden gezamenlijk].

7.

[gedaagden gezamenlijk] stelt kort gezegd dat de VVE de vaststellingsovereenkomst niet juist is nagekomen en het door [gedaagden gezamenlijk] betaalde bedrag van € 3.500,00 ten onrechte van de juridische kosten heeft afgetrokken in plaats van aan de algemene reserve van de VVE toe te voegen. Daardoor zijn de jaarbalansen vanaf 2010 onjuist en moeten deze worden aangepast.

8.

De VVE voert verweer tegen de vordering.

9.

De stellingen van partijen zullen hierna, voor zover van belang, worden besproken.

Beoordeling in conventie

10.

Partijen zijn woonachtig/gevestigd in verschillende landen, zodat het geschil een internationaal karakter heeft. Nu de VVE zich beroept op een recht dat verband houdt met de zakelijke rechten van partijen op onroerende zaken (de appartementsrechten) die in Nederland zijn gelegen, is in het verlengde van artikel 22 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening) de Nederlandse rechter bevoegd van de onderhavige vordering kennis te nemen en is in het verlengde van artikel 10:127 BW Nederlands recht van toepassing.

11.

[gedaagden gezamenlijk] heeft de hoogte van de gevorderde jaarbijdragen niet betwist. Tegen de jaarbijdrage 2013 heeft zij ingebracht dat de VVE daarover nog geen besluit heeft genomen en de bijdrage daarom nog niet is verschuldigd. De VVE heeft in reactie daarop gesteld dat de VVE op 20 juni 2013 alsnog een besluit over de begroting 2012 heeft genomen - en daartoe verwezen naar de notulen van de VVE-vergadering van dezelfde dag - zodat de bijdrage over dat jaar inmiddels ook is verschuldigd. [gedaagden gezamenlijk] heeft daar niet meer op gereageerd, zodat is komen vast te staan dat ook over de jaarbijdrage 2012 door de VVE een besluit is genomen. De jaarbijdragen zijn dan ook in beginsel verschuldigd.

12.

[gedaagden gezamenlijk] heeft aangevoerd dat de VVE een aantal door [gedaagden gezamenlijk] betaalde bedragen niet heeft verwerkt. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende. De VVE heeft erkend dat [gedaagden gezamenlijk] een bedrag van € 1.019,33 heeft betaald en zij heeft, onder verwijzing naar een overzicht van haar vordering inclusief ontvangen betalingen door [gedaagden gezamenlijk] (productie 3 bij dagvaarding), gesteld dat die betaling al in haar gevorderde hoofdsom is verwerkt. De VVE wordt daarin niet gevolgd. In het overzicht is die betaling weliswaar verwerkt, maar niet in de in de dagvaarding vermelde berekening van de gevorderde hoofdsom. De VVE heeft ook erkend dat [gedaagden gezamenlijk] € 769,68 en € 401,33 heeft betaald. Volgens de VVE is het eerste bedrag afgetrokken van haar vordering. Ten aanzien van het tweede bedrag heeft de VVE haar eis verminderd. Geoordeeld wordt dat blijkens het lichaam van de dagvaarding het bedrag van € 769,68 wel is meegenomen bij de berekening van de vordering van de VVE, maar dat dit niet het geval is wat betreft het uiteindelijk in het petitum gevorderde bedrag. Het voorgaande heeft tot gevolg dat alle drie de genoemde bedragen op de verschuldigde jaarbijdragen in mindering moeten worden gebracht. De rekensom ziet er dan uit als volgt (deels overgenomen uit het genoemde overzicht van de VVE):

saldo bijdrage 2011 € 5.533,72

saldo bijdrage 2012 € 4.380,67 (€ 5.400,00 minus betaling van € 1.019,33)

bijdrage 2013 € 2.800,00

subtotaal € 12.714,39

af € 769,68

af € 401,33

resterende hoofdsom € 11.543,38.

[gedaagden gezamenlijk] is dit bedrag in beginsel aan de VVE verschuldigd.

13.

[gedaagden gezamenlijk] heeft zich op opschorting en/of verrekening beroepen.

In de eerste plaats heeft [gedaagden gezamenlijk] daartoe aangevoerd dat de VVE de vaststellingsovereenkomst niet juist is nagekomen en het door [gedaagden gezamenlijk] betaalde bedrag van € 3.500,00 ten onrechte van de juridische kosten heeft afgetrokken in plaats van aan de algemene reserve van de VVE toe te voegen. Bovendien mogen advocaatkosten na 11 juni 2010 ook niet voor rekening komen van de VVE. Daardoor zijn de exploitatierekeningen vanaf 2010 onjuist en dienen deze te worden aangepast.

Voorts heeft [gedaagden gezamenlijk] aangevoerd dat ook een aantal andere onderwerpen door de VVE niet goed in de exploitatierekeningen is verwerkt althans dat de VVE anderszins haar verplichtingen jegens [gedaagden gezamenlijk] niet is nagekomen. Het gaat daarbij om het weigeren van inzage in documenten ten behoeve van de opstalverzekering, om door [gedaagden gezamenlijk] voorgeschoten kosten voor elektra en watergebruik in de jaren 1990 tot 2010, om kosten voor schilderswerkzaamheden aan de ramen van [gedaagden gezamenlijk] en de voorzitter van de VVE in 2010 en om mismanagement van de VVE.

Pas als helderheid over al deze punten bestaat kan tot een behoorlijke afrekening en opstelling van de begrotingen worden gekomen waarbij mogelijkerwijs aan [gedaagden gezamenlijk] nog bedragen toekomen. In afwachting daarvan kan [gedaagden gezamenlijk] haar betalingen – al dan niet ter verrekening van een mogelijke vordering op de VVE –opschorten, aldus [gedaagden gezamenlijk].

14.

Ten aanzien van de hiervoor genoemde “andere onderwerpen” wordt als volgt overwogen. Met de VVE is de kantonrechter van oordeel dat de genoemde onderwerpen betrekking hebben op de juistheid van de door de VVE opgestelde begrotingen en exploitatierekeningen. Die rekeningen zijn door de VVE vastgesteld zodat de door [gedaagden gezamenlijk] aangevoerde kwesties onderdeel uitmaken van de besluitvorming door de VVE. Als [gedaagden gezamenlijk] het niet eens is met die besluitvorming dan dient zij op grond van de bepalingen in de artikelen 5:124 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (BW) binnen een maand na kennisneming van het besluit daartegen bij de kantonrechter op te komen. [gedaagden gezamenlijk] heeft erkend dat zij dat niet heeft gedaan. Nog los van het feit dat de VVE de stellingen van [gedaagden gezamenlijk] en de daarmee verband houdende voorgestane aanpassingen aan de begrotingen gemotiveerd heeft betwist, heeft het voorgaande reeds tot gevolg dat het beroep van [gedaagden gezamenlijk] op opschorting niet is gerechtvaardigd. De verweren van [gedaagden gezamenlijk] ten aanzien van de “andere onderwerpen” worden dan ook gepasseerd.

15.

Ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst geldt het volgende. Partijen twisten over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. [gedaagden gezamenlijk] stelt zich op het standpunt dat uit de tekst van de overeenkomst, en dan met name uit artikel 9, juist blijkt dat het niet de bedoeling was om de juridische kosten voor het geschil in 2010 - en geschil tussen de leden onderling - ten laste van de VVE te laten komen. Daarom mag ook haar toenmalige bijdrage van € 3.500,00 niet van de advocaatkosten van de VVE worden afgetrokken voordat de bijdrage van de overige twee leden wordt berekend, zoals de VVE blijkens de jaarrekening van 2010 wel heeft gedaan, maar moet deze bijdrage als een storting op de algemene reserve van de VVE worden geboekt. Ook advocaatkosten na juni 2011 mogen niet ten laste van de VVE worden geboekt. Voor de uitleg van de vaststellingsovereenkomst mag, anders dan de VVE voorstaat, juist niet worden gekeken naar conceptversies van de vaststellingsovereenkomst, omdat die versies juist meerdere keren zijn aangepast omdat [gedaagden gezamenlijk] het met de tekst ervan niet eens was, aldus steeds [gedaagden gezamenlijk].

De VVE betwist de door [gedaagden gezamenlijk] voorgestane uitleg en verwijst daartoe naar de considerans van de vaststellingsovereenkomst alsmede naar de eerder uitgewisselde conceptversies.

16.

Bij de uitleg van de vaststellingsovereenkomst gaat het naar vaste rechtspraak niet alleen om de letterlijke bewoordingen van de contractsbepalingen, maar ook om de bedoeling van partijen en hetgeen zij van elkaar mochten verwachten. De kantonrechter stelt vast dat de considerans van de vaststellingsovereenkomst in alle conceptversies niet is veranderd. Daar staat “Voor wat betreft de juridische kosten stelt partij 1 zich op het standpunt dat partij 2 deze, conform het van toepassing zijnde Modelreglement, volledig zal moeten voldoen aan partij 1. In dit conflict hebben partijen echter afgesproken dat partij 2 ter vermijding van verdere kosten een bedrag van € 3.500,00 zal betalen aan partij 1.“ Deze tekst lijkt erop te wijzen dat het door [gedaagden gezamenlijk] betaalde bedrag van € 3.500,00 direct verband houdt met de juridische kosten van de VVE. Verderop, in artikel 9, staat dat de juridische kosten niet uit het tegoed van de VVE zullen worden betaald en dat, voor zover dit al is geschied, die kosten alsnog tussen de overige leden en de VVE zullen worden verrekend. Deze bepalingen moeten in onderling verband en samenhang zo worden uitgelegd dat het door [gedaagden gezamenlijk] betaalde bedrag van € 3.500,00 een tegemoetkoming was van [gedaagden gezamenlijk] in de juridische kosten die destijds door de VVE zijn gemaakt en dat de overige juridische kosten door de overige leden zullen worden gedragen. Bij deze uitleg past dat de VVE van de totale juridische kosten tot 11 juni 2010 eerst de bijdrage van [gedaagden gezamenlijk] heeft afgetrokken en vervolgens het restant voor rekening van de leden [naam 1] en [naam 2] heeft geboekt. De door [gedaagden gezamenlijk] voorgestane uitleg dat haar bijdrage van € 3.500,00 niet was bedoeld voor juridische kosten maar als bijdrage aan de algemene reserve van de VVE wordt niet gesteund door de tekst van de vaststellingsovereenkomst noch door andere aangedragen feiten.

17.

Ten aanzien van de juridische kosten van de VVE na 11 juni 2010 heeft de VVE betwist dat het kosten betreft die in verband met het geschil uit 2010 zijn gemaakt en die op grond van de vaststellingsovereenkomst niet voor rekening van de VVE zouden mogen komen. Volgens de VVE betrof het andere met naam genoemde kwesties waarover verschil van mening met [gedaagden gezamenlijk] bestond. [gedaagden gezamenlijk] heeft haar stelling tegenover de gemotiveerde betwisting niet nader onderbouwd, zodat deze als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen. De algemene stelling van [gedaagden gezamenlijk] dat de advocaatkosten niet uit de tegoeden van de VVE kunnen worden voldaan omdat het kosten betreft in verband met een geschil van VVE leden onderling vindt geen steun in de wet.

18.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat de het opschortings- en verrekeningsverweer van [gedaagden gezamenlijk] zal worden afgewezen. De vordering in conventie zal daarom worden toegewezen voor een bedrag van € 11.543,38. De VVE heeft in haar petitum hoofdelijke veroordeling van beide gedaagden gevorderd. Bij gebreke van toelichting op welke grondslag er aanleiding zou bestaan tot een hoofdelijke veroordeling, zal dit onderdeel worden afgewezen.

19.

Over het bedrag van € 11.543,38 zal de wettelijke rente overeenkomstig artikel 6:119 BW worden toegewezen. Nu de VVE geen concrete ingangsdatum voor de rente heeft gevorderd en uit de stukken ook niet zonder meer kan worden afgeleid per wanneer de verschuldigde bedragen opeisbaar zijn – terwijl de bijdrage over 2013 op de dag van dagvaarding nog niet opeisbaar was – zal de rente met ingang van datum van dit vonnis worden toegewezen.

20.

De VVE heeft overeenkomstig artikel 29 van het modelreglement vergoeding van een contractuele boete gevorderd. Overwogen wordt dat artikel 29 van het modelreglement geen grondslag biedt voor de gevorderde boete omdat artikel 6 van het modelreglement, dat over betaling van definitieve en voorschotbijdragen door leden gaat, de toepassing van artikel 29 van het modelreglement uitsluit. De gevorderde boete zal worden afgewezen.

21.

De VVE heeft ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd ter hoogte van de daadwerkelijke advocaatkosten. Ook deze vordering zal worden afgewezen. Uit de door de VVE gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden en de overgelegde declaraties blijkt niet dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan de VVE vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

De gevorderde vertaalkosten zullen worden afgewezen omdat zij niet zijn onderbouwd.

22.

De gevorderde dwangsom op de betaling door [gedaagden gezamenlijk] zal gelet op het bepaalde in artikel 611a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) eveneens worden afgewezen, omdat op grond van dat artikel een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom.

23.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt [gedaagden gezamenlijk] als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de VVE, tot op heden begroot op
griffierecht € 896,00
explootkosten € 76,71
salaris gemachtigde € 600,00 (2 punten x tarief € 300,00)
totaal € 1.572,71
alles voor zover verschuldigd inclusief btw;

24.

[gedaagden gezamenlijk] zal ook worden veroordeeld tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door de VVE worden gemaakt.

Beoordeling in reconventie

25.

Nu in conventie is geoordeeld dat de vordering van de VVE (grotendeels) zal worden toegewezen en het beroep van [gedaagden gezamenlijk] op opschorting en verrekening niet slaagt, is de voorwaarde voor behandeling van de reconventie vervuld.

26.

De vordering van [gedaagden gezamenlijk] in reconventie zal worden afgewezen. Hiervoor is in conventie immers al geoordeeld dat er geen sprake van is dat de VVE de vaststellingsovereenkomst niet juist is nagekomen en het door [gedaagden gezamenlijk] betaalde bedrag van € 3.500,00 ten onrechte van de juridische kosten heeft afgetrokken, zoals [gedaagden gezamenlijk] heeft gesteld.

27.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt [gedaagden gezamenlijk] als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de VVE, tot op heden begroot op € 150,00 (1 punt x 0,5 x tarief 300,00).

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] tot betaling aan de VVE van € 11.543,38, te vermeerderen met de wettelijke rente uit hoofde van artikel 6:119 BW vanaf datum vonnis tot aan de voldoening;

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] in de proceskosten, aan de zijde van de VVE tot op heden begroot op € 1.572,71 inclusief eventueel verschuldigde btw;

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door de VVE worden gemaakt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst de vorderingen van [gedaagden gezamenlijk] af;

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] in de proceskosten, aan de zijde van de VVE tot op heden begroot op € 150,00 inclusief eventueel verschuldigde btw;

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. L. Biller, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 mei 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter