Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3340

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
17-06-2014
Zaaknummer
C/13/563130 / KG RK 14-709
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Verzoek tot herziening beschikking houdende bevelschrift advocatendeclaratie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/563130 / KG RK 14-709

Beschikking van 11 juni 2014

in de zaak van

de maatschap

[Advocatenkantoor X] ,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

verzoekster,

advocaat mr. A.A.M. Knol te ‘s-Gravenhage,

tegen

[Mevrouw Y] ,

wonende te Amsterdam,

verweerster,

verschenen in persoon.

1 De procedure

Verzoekster, verder te noemen:[Advocatenkantoor X], heeft op 11 april 2014 (voorblad gecorrigeerd op 16 mei 2014), een verzoek ingediend tot herziening van de beschikking van 17 maart 2014 houdende een bevelschrift ex artikel 33 jo 37 WTBZ (Wet Tarieven in Burgerlijke Zaken). Het verzoekschrift is in kopie gehecht aan deze beschikking.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 21 mei 2014, waar zijn verschenen:

aan de zijde van[Advocatenkantoor X]: mr. Knol;

aan de zijde van verweerster (hierna:[Mevrouw Y]):[Mevrouw Y].

Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij mr. Knol pleitaantekeningen en nadere producties heeft overgelegd.

Met instemming van partijen heeft de rechtbank na afloop van de behandeling ter terechtzitting het aan de behandeling van het verzoek tot afgifte van het bevelschrift ten grondslag liggende dossier geraadpleegd.

2 De feiten

2.1.

[Advocatenkantoor X] in de personen van mrs. [Mr.A] en [Mr. B](hierna: [Mr.A] en [Mr. B], hebben aan[Mevrouw Y] rechtsbijstand verleend, ter zake van een geschil met haar ex-echtgenoot over kinderalimentatie en achterstallige rente over een geldlening.[Mevrouw Y] heeft een bedrag van € 8.039,32 aan declaraties van[Advocatenkantoor X] ter zake van deze rechtsbijstand betaald. Daarnaast heeft[Advocatenkantoor X] nog drie declaraties bij[Mevrouw Y] ingediend, te weten van 27 september 2012 voor een bedrag van

€ 4.265,25, van 5 december 2012 voor een bedrag van € 8.311,31 en van 3 april 2013 van € 204,34 (alle inclusief BTW en kantoorkosten). Daarnaast heeft[Advocatenkantoor X] aangekondigd nog te declareren uren in rekening te zullen brengen.[Mevrouw Y] heeft de verschuldigdheid van de door[Advocatenkantoor X] opgevoerde bedragen – behoudens het bedrag van € 8.039,32 – betwist.

2.2.

Bij e-mail van 3 mei 2013 heeft [Mr. B]onder meer het volgende aan[Mevrouw Y] bericht:

Zoals bekend staan op dit moment de navolgende drie declaraties open:

27 september 2012 (…) € 4.265,25

5 december 2012 (…) € 8.311,31

3 april 2013 (…) € 204,34 (…)

TOTAAL € 12.780,90

(…)

Daarnaast is een aanzienlijk aantal uren ter waarde van € 22.643,75 (…) vooralsnog niet in rekening gebracht. Daarvoor verwijs ik naar het bijgaande uren overzicht. Wij zijn bereid dat bedrag te modereren tot een bedrag van € 5.000,00 (…) mits het voorgestelde betalingsschema wordt aanvaard.”

2.3.

Bij e-mail van 5 juni 2013 heeft [Mr. B]aan[Mevrouw Y] geschreven:

(…) Het eerdere voorstel wordt gehandhaafd. Bij gebreke van schriftelijke acceptatie daarvan vóór aanstaande vrijdag (…) zullen wij onze opdracht tot verlening van rechtsbijstand beëindigen en onze declaraties onder handhaving van het voorstel tot matiging ter begroting indienen bij de Raad van Toezicht.(…)

2.4.

Op 12 juni 2013 heeft[Advocatenkantoor X] een begrotingsverzoek ingediend bij de Raad van Toezicht voor de Orde van Advocaten (hierna: de Raad) bij de Hoge Raad der Nederlanden. In dit verzoek is onder meer het volgende vermeld:
Bijgaand zend ik U een (…) overzicht (…) van de gedeclareerde en nog te declareren uren (..) Door deze verzoek ik U (…) tot begroting van het verschuldigde honorarium over te gaan (…). (…)
Totaal nog te declareren uren 100:35 € 24.887,25

Totaal gedeclareerd honorarium € 13.931,25
Kantoorkosten € 1.114,50
Declaratievoorstel na matiging € 5.000,00
BTW € 4.065,71
TOTAAL HONORARIUM € 24.111,46
TOTAAL VERSCHOTTEN € 2.755,07 (…)

2.5.

Bij ongedateerde beslissing (hierna: de beslissing) heeft de Raad de declaratie van 27 september 2012 begroot op een bedrag van € 4.265,25, die van

5 december 2012 op een bedrag van € 6.408,28, die van 3 april 2013 op nihil en de nog te declareren uren op een bedrag van € 16.772,25. In de beslissing van de Raad is onder meer het volgende vermeld:
6. De Raad heeft kennis genomen van het begrotingsverzoek en het daarbij overgelegde dossier. De bezwaren van mevrouw[Mevrouw Y] hebben betrekking op de redelijkheid van het in rekening gebrachte honorarium en de uren die nog niet in rekening zijn gebracht.

7. De Raad stelt voorop dat hem op grond van artikel 32 Wet Tarieven Burgerlijke Zaken alleen bevoegdheid toekomt de hoogte en omvang van de in rekening gebrachte werkzaamheden te begroten. Meningsverschillen over de wijze waarop een advocaat zijn werkzaamheden heeft verricht dienen beoordeeld te worden door de civiele rechter.

8. In een begrotingsprocedure hanteert de Raad als uitgangspunt dat de advocaat die declaraties laat begroten de in rekening gebrachte tijd aannemelijk dient te maken.

(…)

9. Gedragsregel 25 schrijft een advocaat voor om bij het vaststellen van zijn declaratie een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk salaris in rekening te brengen. (…) Bij nog niet gedeclareerde uren zal getoetst worden welke in redelijkheid in rekening gebracht kunnen worden.

10. Hierna zal de Raad (…) de declaraties (…) begroten. Ook zal de Raad de nog te declareren uren begroten. (…)

conclusie

52. Het vorenstaande leidt ertoe dat de Raad de nog te declareren uren als volgt matigt:

(…)

De matiging bedraagt in totaal aan honorarium een bedrag van € 6.271,50. Dit betekent dat van de nog te declareren uren naar het oordeel van de Raad in redelijkheid en billijkheid in totaal € 16.772,25 in rekening gebracht kan worden.

2.6.

In een e-mail van 26 augustus 2013 van [Mr.A] aan[Mevrouw Y] staat onder meer:

“Afgelopen vrijdag heb je mij telefonisch meegedeeld dat je het door mij gevraagde voorschot niet zult voldoen. Je hebt bevestigd dat je het door de Raad van Toezicht te begroten bedrag wel zult voldoen (dat had je overigens al bevestigd).”

2.7.

In een e-mail van 15 januari 2014 heeft[Mevrouw Y] aan [Mr.A] meegedeeld:

Ik heb inmiddels de uitspraak van de Raad van Toezicht inzake de declaratie kwestie ontvangen. (…) Ik moet mij gaan beraden hoe ik dit bedrag kan gaan betalen aangezien ik het geld daarvoor niet heb. (…).

2.8.

Bij beschikking van 17 maart 2014 heeft de voorzieningenrechter een bevelschrift afgegeven voor een bedrag van € 17.207,53. De voorzieningenrechter heeft daarin het bedrag voor nog te declareren uren gesteld op € 6.534,-, op grond van de volgende overwegingen:

2.4[Mevrouw Y] heeft de begroting van de RvT afgewezen, in die zin dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen het begrote bedrag voor de nog te declareren uren. In dit verband heeft[Mevrouw Y] naar voren gebracht dat[Advocatenkantoor X] in haar begrotingsverzoek aan de RvT van 12 juni 2013 melding maakt van een ‘declaratievoorstel na matiging’ waarbij zij het bedrag van € 24.887,25 aan nog te declareren uren heeft gematigd tot € 5.000,=. Volgens[Mevrouw Y] had de RvT dan ook niet ongemotiveerd tot een bedrag van € 16.772,25 aan nog te declareren uren mogen komen.[Mevrouw Y] kan zich dan ook niet vinden in de naar aanleiding van die beslissing door[Advocatenkantoor X] verstuurde declaratie van 15 januari 2014.

2.5

Bij de behandeling van het verzoek wordt voorop gesteld dat uit de beslissing van de RvT blijkt dat de RvT het volledige overgelegde dossier heeft bestudeerd en tevens dat de regeling van artikel 32-40 WTBZ stoelt op de gedachte dat de Raden van Toezicht bij uitstek deskundig zijn in het begroten van declaraties. In het kader van de onderhavige procedure is niet gebleken dat de RvT de declaraties onjuist heeft begroot. In hetgeen[Mevrouw Y] tegen de declaratie van 15 januari 2014 (voor de nog te declareren uren) heeft aangevoerd wordt echter wel aanleiding gezien om die declaratie te matigen.[Advocatenkantoor X] heeft in dit verband gesteld dat het bedrag van € 5.000,= in het kader van een schikkingsvoorstel is genoemd, ervan uitgaande dat de overige declaraties in stand zouden blijven, maar daaraan gaat de voorzieningenrechter voorbij. Het bedrag van € 5.000,= is immers genoemd in het aan de RvT gericht begrotingsverzoek en niet in een aan[Mevrouw Y] gericht stuk, zodat van een schikkingsvoorstel niet kan worden gesproken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had de RvT voor nog te declareren uren niet meer mogen begroten dan het door[Advocatenkantoor X] zelf in haar verzoek genoemde bedrag van € 5.000,=. Dat de RvT tot matiging van twee van de andere drie ter begroting voorgelegde declaraties is overgegaan doet daar niet aan af. Dat betekent dat de declaratie van 15 januari 2014 zal worden begroot op € 6.534,= (5.000,= plus 400,= aan kantoorkosten en 1.134,= aan BTW).”

2.9.

[Mevrouw Y] heeft inmiddels, naast het reeds betaalde bedrag van

€ 8.039,32, het in het bevelschrift bepaalde bedrag van (in totaal) € 17.207,53 aan[Advocatenkantoor X] voldaan.

3 Het verzoek

[Advocatenkantoor X] verzoekt om de beschikking van 17 maart 2014 te herzien in die zin dat alsnog een bevelschrift wordt afgegeven voor een bedrag van € 32.591,51

(met vaststelling van de begroting voor niet gedeclareerde uren op € 16.772,25 (exclusief kantoorkosten en BTW)).

4 De beoordeling

4.1.

In geschil is uitsluitend het onderdeel van het bevelschrift waarbij de voorzieningenrechter het bedrag ter zake de nog te declareren uren heeft beperkt tot een bedrag van € 5.000,- (exclusief kantoorkosten en BTW), op grond van de overweging dat de Raad niet méér had mogen begroten dan dat (gematigde) bedrag, nu dat in het begrotingsverzoek zelf is vermeld. De overige (door de Raad begrote) declaraties zijn immers door[Mevrouw Y] erkend en betaald.[Advocatenkantoor X]

4.2.

[Advocatenkantoor X] heeft aan het herzieningsverzoek ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat de voorzieningenrechter ten onrechte rechtsgevolg heeft toegekend aan een door[Mevrouw Y] niet aanvaard schikkingsvoorstel, en dat de overweging dat het matigingsvoorstel is genoemd in het aan de Raad gerichte begrotingsverzoek, feitelijk onjuist zou zijn. Voor het overige vindt de door de voorzieningenrechter toegepaste matiging, aldus[Advocatenkantoor X], geen steun in het recht. De rechtbank volgt[Advocatenkantoor X] daarin niet, op grond van de navolgende overwegingen.

4.3.

In zijn bevelschrift heeft de voorzieningenrechter terecht als uitgangspunt genomen dat de regeling van artikel 32-40 WTBZ stoelt op de gedachte dat de Raden van Toezicht bij uitstek deskundig zijn in het begroten van declaraties. De toets van de voorzieningenrechter in het kader van de afgifte van een bevelschrift is in die zin een marginale. Meningsverschillen over de wijze waarop de advocaat zijn werkzaamheden heeft verricht, alsook geschillen over betalingsregelingen en schikkingen, dienen beoordeeld te worden in een reguliere procedure bij de civiele rechter. Ook dit herzieningsverzoek zal worden beoordeeld binnen genoemde kaders, waarbij evenals in de beschikking van de voorzieningenrechter mede in aanmerking wordt genomen dat de Raad het gehele dossier tot zich heeft genomen.

4.4.

De vraag waar de voorzieningenrechter zich in de beschikking van 17 maart 2014 voor zag gesteld was of de Raad op basis van het begrotingsverzoek, de toepasselijke regels en het onderliggende dossier, op goede gronden tot zijn beslissing heeft kunnen komen dat voor wat betreft de nog niet gedeclareerde uren “in redelijkheid en billijkheid” in totaal € 16.772,25 in rekening gebracht kon worden, met voorbijgaan aan het door[Advocatenkantoor X] gedane matigingsvoorstel van € 5.000,-.

4.5.

Anders dan[Advocatenkantoor X] heeft bepleit, is de constatering in het bevelschrift, dat[Advocatenkantoor X] zelf het voorstel tot matiging van de niet gedeclareerde uren tot € 5.000,- in het begrotingsverzoek aan de Raad heeft voorgelegd, feitelijk juist. Dat blijkt immers uit het onder 2.4 aangehaalde document. Dat dit uitsluitend in het kader van een – inmiddels vervallen, want door[Mevrouw Y] niet geaccepteerd – schikkingsvoorstel zou zijn gebeurd, valt niet te rijmen met de eveneens door[Advocatenkantoor X] zelf verzonden e-mail van 5 juni 2013 aan[Mevrouw Y]. Daarin staat immers dat de declaraties ter begroting bij de Raad zullen worden ingediend onder handhaving van het voorstel tot matiging. Weliswaar is in het verzoek een bedrag van € 24.887,25 vermeld voor 100:35 nog te declareren uren, maar in de optelsom van het honorarium dat de grondslag vormt van het begrotingsverzoek (uitkomend op € 24.111,46) is eveneens het gematigde bedrag van € 5.000,- vermeld. Het begrotingsverzoek is aldus op zijn minst dubbelzinnig. Uit het door[Advocatenkantoor X] bij productie 3d overgelegde (maar blijkens de stukken niet daadwerkelijk door haar gehanteerde) model voor een dergelijk verzoek blijkt dat door verzoeker een keuze kan worden gemaakt tussen indiening van een declaratie sec en indiening van een gemodereerde (gematigde) declaratie. Het had op de weg van[Advocatenkantoor X] gelegen om bij de indiening van haar verzoek bij de Raad hierin een duidelijke keuze te maken. Dit heeft zij nagelaten.

Dat de e-mail van 5 juni 2013 zo moet worden uitgelegd dat dit voorstel alleen nog gold hangende de procedure bij de Raad, zoals[Advocatenkantoor X] stelt, blijkt nergens uit. De tekst van de e-mail kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet worden opgevat als een voorstel, maar veeleer als een toezegging dat het bedrag voor nog te declareren uren, ook in de begrotingsprocedure, zou worden beperkt tot € 5.000,-.

Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter dat de Raad bij zijn begroting niet aan de matiging van het bedrag aan nog te declareren uren voorbij had mogen gaan, niet onjuist. Als de Raad meende dat aan de vermelding van het ‘declaratievoorstel na matiging’ geen enkele betekenis toekwam, had het op zijn weg gelegen om dat tenminste te motiveren.

4.6.

Ook de stelling dat de voorzieningenrechter ten onrechte rechtsgevolg heeft verbonden aan een niet geaccepteerd schikkingsvoorstel, gaat niet op. De voorzieningenrechter heeft de matiging van de nog te declareren uren immers niet als schikking(svoorstel) aangemerkt, maar aangenomen dat het ‘declaratievoorstel na matiging’ onderdeel vormde van het bij de Raad ingediende begrotingsverzoek.

4.7.

Aldus heeft de voorzieningenrechter het bevelschrift terecht beperkt tot de niet (langer) betwiste bedragen, te weten de nader begrote bedragen van de declaraties van 27 september 2012 en 5 december 2012 (respectievelijk € 4.265,25 en € 6.408,28) alsmede het bedrag van € 5.000,- voor de nog te declareren uren.

4.8.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig voor een herziening van de bestreden beschikking.

4.9.

De stelling van[Advocatenkantoor X] dat los van het voorgaande uit de

e-mails van[Mevrouw Y] een toezegging tot betaling van het door de Raad begrote bedrag is gedaan, inclusief het bedrag van € 16.772,25, valt buiten het bestek van deze procedure.[Advocatenkantoor X] zou de invordering van het volgens haar (boven het bevelschrift uitgaande) nog openstaande bedrag kunnen voorleggen aan de civiele rechter in een reguliere (dagvaardings-)procedure. Ten overvloede en om proceseconomische redenen merkt de rechtbank te dien aanzien nog wel op dat de

e-mails van 26 augustus 2013 en van 15 januari 2014 (geciteerd onder 2.6 en 2.7) een dergelijke (ondubbelzinnige) betalingstoezegging van[Mevrouw Y] niet lijken te bevatten. De e-mail van 26 augustus 2013 dateert nog van vóór de uitspraak van de Raad, waarbij[Mevrouw Y] mede op basis van de e-mail van 5 juni 2013 erop mocht vertrouwen dat het nog te declareren bedrag tot € 5.000,- zou worden beperkt en bevat slechts een weergave door [Mr.A] van een gestelde toezegging van[Mevrouw Y], en in de e-mail van 15 januari 2014 heeft[Mevrouw Y] weliswaar vermeld dat zij zich beraadt hoe zij ‘dit bedrag’ zal gaan betalen, maar dat is onvoldoende om als een toezegging in vorenbedoelde zin te worden aangemerkt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het door[Advocatenkantoor X] ingediende herzieningsverzoek af;

5.2.

voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze beschikking is gegeven door de rechters mr. M.Y.C. Poelmann (voorzitter), bij haar afwezigheid namens haar ondertekend door mr. M. van Walraven,

mr. M. van Walraven, en mr. A.E. de Vos, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier,

op 11 juni 2014.1

1 type: MB coll: