Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3286

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-05-2014
Datum publicatie
23-06-2014
Zaaknummer
13-737807-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Officier van justitie is ontvankelijk. Met de toelichting door de officier van justitie is duidelijk waarom de feitelijke overlevering na de eerdere overleveringsprocedure, waarbij de overlevering op 22 februari 2008 werd toegestaan, niet heeft plaatsgevonden. Het staat de Franse autoriteiten vrij om het eerste EAB in te trekken en een nieuw EAB uit te vaardigen, indien dat op grond van het functioneren van hun rechtsstelsel noodzakelijk is. De opgeëiste persoon is hierdoor ook niet in zijn belangen geschaad. Ook kon de opgeëiste persoon aan de omstandigheid dat hij na de uitspraak van de rechtbank niet feitelijk is overgeleverd niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij in het geheel niet meer overgeleverd zou worden. Niet gebleken is immers dat door een autoriteit of instantie aan de opgeëiste persoon is meegedeeld dat geen prijs meer werd gesteld op de overlevering voor de verzochte feiten. Frankrijk heeft indertijd slechts te kennen gegeven dat zij geen prijs stelden op een tijdelijke terbeschikkingstelling. Doordat de Franse autoriteiten thans dit nieuwe EAB hebben uitgevaardigd hebben zij bovendien reeds te kennen gegeven dat zij nog steeds prijs stellen op de overlevering van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon is voorts steeds op de hoogte geweest van het feit dat zijn Nederlandse strafzaak een beletsel vormde voor zijn feitelijke overlevering. Deze strafzaak loopt nog steeds en vormt derhalve nog steeds een feitelijk beletsel voor de overlevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/737807-13

RK nummer: 14/1729

Datum uitspraak: 30 mei 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 maart 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 mei 2008 door de Procureur van de Republiek bij de Rechtbank van eerste aanleg van Bordeaux (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [plaats] (Turkije) op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [gba-adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 mei 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. M.M. Kuyp, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij ook de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering omdat de rechtbank eerder, op 22 februari 2008, op basis van een ander EAB heeft beslist dat de overlevering kon worden toegestaan ( parketnummer 13/497687-07). Het huidige EAB is uitgevaardigd door dezelfde justitiële autoriteit en omvat dezelfde feiten. Verder heeft de rechtbank in haar uitspraak van 22 februari 2008 bepaald dat sprake was van een verstekvonnis van 18 september 2007. Sinds 2008 zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aan het licht gekomen die een behandeling van het onderhavige EAB rechtvaardigen.

Voorts is er bij de opgeëiste persoon het vertrouwen ontstaan dat Frankrijk geen behoefte meer heeft aan zijn komst en is hij in zijn belangen geschaad doordat destijds de feitelijke overlevering is uitgebleven. Op verzoek van Frankrijk heeft de opgeëiste persoon zeven maanden in overleveringsdetentie gezeten. Door de overleveringszaak heeft de opgeëiste persoon geen gebruik kunnen maken van detentiefasering in de Nederlandse strafzaak tegen hem. Op geen enkele wijze is inzichtelijk gemaakt om welke reden de opgeëiste persoon niet na zijn Nederlandse detentie is overgeleverd aan Frankrijk, anders dan dat Frankrijk geen prijs stelde op de tijdelijke komst van de opgeëiste persoon. Ook toen was immers geen zicht op de datum van behandeling in het hoger beroep van de Nederlandse zaak. Deze situatie is niet veranderd omdat de datum van het hoger beroep nog steeds niet bekend is. Zolang de strafzaak in Nederland loopt, kan de opgeëiste persoon alleen tijdelijk ter beschikking worden gesteld, iets waarop kennelijk door Frankrijk kennelijk geen prijs wordt gesteld.

Indien de rechtbank de officier van justitie wel ontvankelijk acht, dient Frankrijk, gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak, aan te geven of zij de opgeëiste persoon nu wel wil ontvangen, wanneer de zaak tegen de opgeëiste persoon in Frankrijk zal dienen, voor welke periode hij daarvoor in Frankrijk zou moeten zijn en wanneer hij weer terug naar Nederland zou kunnen komen. De beginselen van een goede procesorde, waaronder het vertrouwensbeginsel, brengen mee dat voorafgaand aan de beoordeling van het overleveringsverzoek op deze vragen een antwoord wordt gegeven. De opgeëiste persoon wordt anders wederom blootgesteld aan een mogelijk onnodige overleveringsdetentie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij wel ontvankelijk is. De rechtbank heeft de overlevering op basis van het eerste EAB bij uitspraak van 22 februari 2008 toegestaan. Vanwege een lopende Nederlandse strafzaak is de feitelijke overlevering uitgesteld. Deze strafzaak loopt nog steeds bij het gerechtshof. Het openbaar ministerie heeft daar geen invloed op, maar zij doet wel regelmatig navraag over het verloop van de strafrechtelijke procedure. De opgeëiste persoon is op 17 juli 2008 op grond van de OLW in vrijheid gesteld en in strafrechtelijke detentie genomen tot 25 februari 2010. Vervolgens is de opgeëiste persoon weer op grond van de OLW aangehouden en is er met Frankrijk gecorrespondeerd over een voorlopige terbeschikkingstelling. Hierover kon met Frankrijk geen overeenstemming worden bereikt. Momenteel zijn de voorwaarden waaronder een voorlopige terbeschikkingstelling kan worden bereikt, wat verruimd. De officier van justitie kan op dit moment onmogelijk vooruitlopen op de onderhandelingen na een toegestane overlevering. Voorts kan van de Franse autoriteiten niet worden verwacht dat zij thans zicht hebben op de door de raadsman gestelde vragen. Het vorige EAB is door Frankrijk ingetrokken en zij hebben vervolgens dit huidige EAB uitgevaardigd.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Met de toelichting door de officier van justitie is duidelijk waarom de feitelijke overlevering na de eerdere overleveringsprocedure, waarbij de overlevering op 22 februari 2008 werd toegestaan, niet heeft plaatsgevonden. Hoewel de feitelijke overlevering weer ter hand genomen zou kunnen worden op basis van de eerder gegeven toestemming, hebben de Franse justitiële autoriteiten onderhavig (nieuw) EAB uitgevaardigd omdat hun wettelijke regelingen onmogelijk maken dat de opgeëiste persoon wordt vervolgd in Frankrijk op basis van de beslissing op het eerste EAB. In dat eerste EAB staat namelijk een andere grondslag vermeld. Thans is immers sprake van een vonnis, terwijl de grondslag van het eerste EAB een bevel tot aanhouding van 28 juni 2007 was.

De rechtbank is van oordeel dat het de Franse autoriteiten vrij staat om het eerste EAB in te trekken en een nieuw EAB uit te vaardigen, indien dat op grond van het functioneren van hun rechtsstelsel noodzakelijk is. De opgeëiste persoon is hierdoor ook niet in zijn belangen geschaad. Indien de officier van justitie niet-ontvankelijk zou worden verklaard, zou de eerdere uitspraak van de rechtbank waarbij de overlevering was toegestaan, namelijk nog steeds rechtsgeldig zijn.

Ook kon de opgeëiste persoon aan de omstandigheid dat hij na de uitspraak van de rechtbank niet feitelijk is overgeleverd niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij in het geheel niet meer overgeleverd zou worden. Niet gebleken is immers dat door een autoriteit of instantie aan de opgeëiste persoon is meegedeeld dat geen prijs meer werd gesteld op de overlevering voor de verzochte feiten. Frankrijk heeft indertijd slechts te kennen gegeven dat zij geen prijs stelden op een tijdelijke terbeschikkingstelling.

Doordat de Franse autoriteiten thans dit nieuwe EAB hebben uitgevaardigd hebben zij bovendien reeds te kennen gegeven dat zij nog steeds prijs stellen op de overlevering van de opgeëiste persoon.

De opgeëiste persoon is voorts steeds op de hoogte geweest van het feit dat zijn Nederlandse strafzaak een beletsel vormde voor zijn feitelijke overlevering. Deze strafzaak loopt nog steeds en vormt derhalve nog steeds een feitelijk beletsel voor de overlevering.

Noch de officier van justitie, noch de rechtbank of de Franse justitiële autoriteiten kunnen op dit moment vooruit lopen op en uitsluitsel geven over de eventueel te voeren onderhandelingen over een voorlopige terbeschikkingstelling in het kader van deze overleveringsprocedure. Evenmin kan van de Franse autoriteiten worden verwacht dat zij exact kunnen aangeven op welke data de procedures in Frankrijk gevolgd zullen worden en zullen zijn afgerond.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vordering. De rechtbank ziet evenmin aanleiding het onderzoek aan te houden om antwoord te krijgen op de door de raadsman opgeworpen vragen.

4 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot inhechtenisneming van de Strafrechtbank te Bordeaux van 18 september 2007 (parketnummer 05/21323, instructienummer E05/00033) in verband met een vonnis bij verstek van de Strafrechtbank te Bordeaux van 18 september 2007.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 7 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd bevel.

Dit bevel betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Artikel 6, tweede lid, van de OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.

De overlevering kan dan ook alleen worden toegestaan indien het vonnis bij verstek is gewezen en de opgeëiste persoon de mogelijkheid geboden wordt enig rechtsmiddel tegen het vonnis in te stellen teneinde in persoon ter terechtzitting te verschijnen.

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van een verstekvonnis en dat geen van de in artikel 12 van de OLW aangewezen uitzonderingen aan de orde is. Evenmin is sprake van een duidelijke garantie op grond waarvan de opgeëiste persoon een geheel nieuwe behandeling van zijn zaak krijgt. Op grond van het vertrouwensbeginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van de informatie in het EAB en daarin is vermeld dat verzet kan worden aangetekend zolang de straf nog niet is verjaard, te weten tot 1 juli 2011. De e-mail van 12 mei 2014 van de substituut-officier van justitie [persoon] is van onvoldoende gewicht tegenover de informatie uit het EAB omdat niet duidelijk is of deze mail afkomstig is van een bevoegde justitiële autoriteit Verder is ook onduidelijk of in haar mededeling wel de informatie is betrokken dat de opgeëiste persoon door de eerdere overleveringsprocedure reeds op de hoogte is van het vonnis en wellicht de termijn voor het instellen van verzet reeds is verstreken.

Primair dient de overlevering op deze grond te worden geweigerd en subsidiair dient de behandeling te worden aangehouden om hier duidelijkheid over te verkrijgen.

De officier van justitie heeft gemotiveerd betoogd dat de opgeëiste persoon in Frankrijk verzet kan instellen.

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis, dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot en met c genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, van de OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan onder het beding dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld (i) dat het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en (ii) hij wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

In het EAB is inderdaad aangegeven dat de verzetstermijn eindigt op 1 juli 2011. Het Internationaal Rechtshulp Centrum heeft – in een in de Franse taal gestelde brief – op 18 maart 2014 hierover nadere vragen gesteld. Ter zitting heeft de officier van justitie de voorlaatste alinea van pagina 1 van deze brief mondeling in het Nederlands vertaald (Pourriez-vous préciser les garanties juridiques dans le paragraphe sous d)? Vous m’avez dit qe’ il y a une erreur dans ce paragraphe; la peine n’ est pas prescrit le 01.07.2011.) en meegedeeld dat daar staat dat is medegedeeld dat de datum 1 juli 2011 een fout betreft. Deze vertaling van de officier van justitie acht de rechtbank genoegzaam, zodat een officiële vertaling niet noodzakelijk is.

Uit de reactie op deze brief bij e-mail van 12 mei 2014 van de substituut-officier van justitie [persoon] leidt de rechtbank af dat het EAB op dit punt inderdaad een fout bevat, nu zij daarin schrijft dat de verjaring van een straf inzake delicten betreffende handel in verdovende middelen 20 jaar is en voor de opgeëiste persoon deze periode inging op 21 februari 2008. In haar mail geeft zij verder aan dat de opgeëiste persoon een rechtsmiddel heeft om het vonnis van 18 september 2007 te betwisten, namelijk het rechtsmiddel van verzet. Als hij wordt gehoord door een Franse rechter, zal hij op de hoogte worden gesteld van zijn recht verzet te doen. Zijn verzet vernietigt het vonnis van 18 september 2007 en hij ontvangt een oproeping voor een nieuw proces.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze garantie, in samenhang met het ingevulde en geretourneerde “kruisjesformulier” aan de eisen van artikel 12, sub d, van de OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing. Ook is de rechtbank van oordeel dat de garantie door een bevoegde justitiële autoriteit is afgegeven, namelijk door een de substituut-officier van justitie. Dat deze functie in 2014 door een andere persoon dan in 2008 wordt bekleed, acht de rechtbank niet van belang omdat de functie en niet de naam redengevend is.

Gelet op voornoemde omstandigheden is het vonnis waarvan de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, nog niet onherroepelijk en wordt het EAB door de rechtbank gelezen als strekkende tot vervolging van de opgeëiste persoon, in verband met het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.

5 Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

Het hoofd Bureau Internationale Samenwerking strafrecht heeft namens de Minister van Justitie op 20 maart 2014 de volgende garantie gegeven:

De Officier van Justitie bij de arrondissementsrechtbank te BORDEAUX heeft op

30 mei 2008 een Europees bevel tot aanhouding uitgevaardigd tegen [opgeëiste persoon],

van Nederlandse nationaliteit, in aansluiting op een veroordeling bij

verstek uitgesproken door de arrondissementsrechtbank van Bordeaux op 18

september 2007 en betekend aan het parket op 21 januari 2008, waarbij hij

veroordeeld werd tot 7 jaar gevangenisstraf uit hoofde van medeplichtigheid

aan invoer, vervoer en in bezit hebben van verdovende middelen (heroïne).

Bij schrijven van 18 maart 2014 dat op 20 maart 2014 op het Ministerie van

Justitie ontvangen werd, verzoekt u de toekenning van garantie voor de

overdracht, waarbij u vermeldt dat — overeenkomstig de Nederlandse wetgeving

die het kaderbesluit 2008/909/JHA omzet, - een onvoorwaardelijke

vrijheidsstraf die door Frankrijk vastgesteld is, na de overdracht van de

belanghebbende, aan de Nederlandse normen aangepast kan worden.(…)

In antwoord op uw verzoek heb ik de eer u mede te delen dat het Franse

Ministerie van Justitie de garantie verleent volgens welke, als de heer [opgeëiste persoon]

veroordeeld zou worden tot een definitieve vrijheidsstraf voor de feiten

waarvoor zijn uitlevering verzocht is, hij zijn straf in Nederland kan

uitzitten en wel in het kader van de aanpassing daarvan door de gerechtelijke

autoriteiten van Nederland overeenkomstig de nationale bepalingen die het

kaderbesluit 2008/909/JHA omzetten.

De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a van de OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    Slechts een deel van de feiten werd op Nederlands grondgebied gepleegd;

  • -

    De verdovende middelen waren bestemd voor de Franse afzetmarkt; hierdoor is de Franse rechtsorde in Frankrijk geschonden;

  • -

    De opsporing en vervolging van de opgeëiste persoon is in Frankrijk reeds aangevangen: aldaar bevinden zich de stukken en het bewijs;

  • -

    De medeverdachten van de opgeëiste persoon worden kennelijk eveneens in Frankrijk vervolgd en zijn daar veroordeeld;

  • -

    In Frankrijk is de bestuurder van de auto aangehouden;

  • -

    De verdovende middelen zijn Frankrijk ingevoerd;

  • -

    Er is reeds een (verstek)vonnis gewezen tegen de opgeëiste persoon.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot zijn vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, sub d, van de OLW en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en 2, 5, 6, 7, 12 en 13 van de Overleveringswet.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur van de Republiek bij de Rechtbank van eerste aanleg van Bordeaux (Frankrijk) ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek in verband met het nog niet onherroepelijke vonnis wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,

mrs. S.A. Krenning en H.J. van Harten rechters,

in tegenwoordigheid van D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 30 mei 2014.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.