Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3283

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-05-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
13-751229-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verweren artikel 2 en 9 van de OLW verworpen.

Rechtbank wijst op artikel 2, derde lid, van de OLW, waar staat vermeld dat het EAB in de officiële taal van de uitvoerende lidstaat, dan wel in de taal die deze lidstaat in een bij het secretariaat-generaal van de raad van de Europese Unie neergelegde verklaring heeft aangegeven, mag worden opgesteld. Naast het Nederlands heeft Nederland de Engelse taal als officiële taal opgegeven waarin het EAB kan worden vertaald. De feiten zijn eveneens voldoende genoegzaam omschreven.

De omstandigheid dat de officier van justitie tevens heeft verzocht om overdracht van de strafvervolging aan het Verenigd Koninkrijk en de opgeëiste persoon daartegen nog een beklagschrift ex artikel 552t, vijfde lid, Sv kan instellen bij het Hof, leidt er niet toe dat zich een van de in de Overleveringswet genoemde weigeringsgrond voordoet. Procedure van de overdracht van strafvervolging en de overleveringsprocedure zijn elkaars alternatieven. Verwijzing naar uitspraak van het Hof Den Haag in kort geding van 26 mei 1988 (NJ 1990, 549), gedaan onder het uitleveringsrecht. In navolging van deze uitspraak, ziet de rechtbank geen aanleiding de behandeling van het EAB aan te houden. Dit oordeel zou mogelijk anders zijn indien voorshands buiten redelijke twijfel is dat een eventueel in te dienen beklag van de opgeëiste persoon tegen de overdracht van de strafvervolging gegrond zal worden verklaard. In het onderhavige geval is echter niet buiten redelijke twijfel dat een in te dienen beklag gegrond zal worden verklaard. De rechtbank acht namelijk in het belang van een goede rechtsbedeling dat de vervolging geheel in het Verenigd Koninkrijk zal plaatsvinden en verwijst in dit verband naar hetgeen hierna met betrekking tot de weigeringsgrond van artikel 13 van de OLW wordt overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751229-14

RK nummer: 14/1946

Datum uitspraak: 30 mei 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 maart 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 17 maart 2014 door de District Judge zetelend bij het Birmingham Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvend op het adres [adres A, te plaats],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 mei 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Al Mansouri.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. P.A. van der Waal, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van 17 maart 2014 uitgevaardigd door het Birmingham Magistrates’ Court.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

De raadsman heeft aangevoerd dat het EAB niet aan het vereiste van artikel 2 van de OLW voldoet nu deze niet is opgesteld in een voor de opgeëiste persoon begrijpelijke taal, aangezien het EAB en de overige stukken in het Engels zijn opgesteld. De opgeëiste persoon is de Engelse taal niet voldoende machtig om de stukken en dan met name de feiten waarvan hij wordt beschuldigd te begrijpen. Bij de inverzekeringstelling heeft de opgeëiste persoon om een vertaling van de stukken naar het Nederlands gevraagd. Door de officier van justitie is hem dit ook toegezegd. De omstandigheid dat stukken in het Engels mogen zijn opgesteld, is onvoldoende om van vertaling af te zien omdat de opgeëiste persoon de Engelse taal onvoldoende machtig is.

De rechtbank verwerpt dit verweer en wijst daarbij, net als de officier van justitie, op artikel 2, derde lid, van de OLW, waar staat vermeld dat het EAB in de officiële taal van de uitvoerende lidstaat, dan wel in de taal die deze lidstaat in een bij het secretariaat-generaal van de raad van de Europese Unie neergelegde verklaring heeft aangegeven, mag worden opgesteld. Naast het Nederlands heeft Nederland de Engelse taal als officiële taal opgegeven waarin het EAB kan worden vertaald. Voorts heeft de officier van justitie ter zitting meegedeeld dat zij, hoewel daartoe niet verplicht, essentiële onderdelen van het EAB heeft laten vertalen en aan de raadsman heeft doen toekomen. De omstandigheid dat deze vertaling, wellicht vanwege de wijziging van de raadsman, niet bij de raadsman of de opgeëiste persoon is terechtkomen, vormt geen reden om de overlevering te weigeren of de beslissing op het overleveringsverzoek aan te houden. Het had in de rede gelegen voor de raadsman om aan de officier van justitie om een vervangende kopie van de vertaling te verzoeken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk moet worden geacht voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht en is hij niet in zijn belangen geschaad door de Engelse versie van het EAB.

Verder heeft de raadsman betoogd dat de feiten onvoldoende genoegzaam zijn omschreven. Het EAB en de aanvullende informatie maakt onvoldoende duidelijk voor hoeveel en welke specifieke strafbare feiten de overlevering wordt gevraagd. Er ontbreekt een voldoende nauwkeurige opgave van tijd, plaats en betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten. Er is sprake van een veel te ruime omschrijving van de pleegperiode en de feiten. Controle op de naleving van de specialiteit is hierdoor niet mogelijk en het risico bestaat dat de opgeëiste persoon voor meer feiten zal worden berecht dan waarvoor hij wordt overgeleverd. De vordering dient te worden afgewezen, dan wel, subsidiair, te worden aangehouden om de Engelse autoriteiten te verzoeken nadere informatie te geven. De raadsman heeft tenslotte, meer subsidiair, betoogd dat als de overlevering zou worden toegestaan, deze alleen mag worden toegestaan voor de expliciet in het EAB genoemde transporten.

De rechtbank is van oordeel dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Zo dient het EAB een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd te bevatten, met vermelding van, onder meer, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het EAB een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht. Die omschrijving van de feiten is voorts zodanig, dat het voor de rechtbank mogelijk is te onderzoeken of aan alle voorwaarden voor de overlevering is voldaan.

De opgeëiste persoon wordt er van verdacht dat hij in de periode tussen november 2012 en februari 2014 heeft deelgenomen aan een organisatie die zich bezig hield met illegale drugshandel tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Hierbij zijn in ieder geval vijf transporten met drugs onderschept en mogelijk zijn er meerdere transporten geweest. Naar het zich laat aanzien bestond de rol van de opgeëiste persoon eruit dat hij in de Nederland de contactpersoon van deze organisatie was. Met deze omschrijving van de feiten is de specialiteit voldoende gewaarborgd. Bovendien is sprake van een strafrechtelijk onderzoek waarbij nog niet al het bewijs is gepresenteerd

Gelet hierop wordt het verweer verworpen, bestaat geen aanleiding om nadere informatie op te vragen en bestaat evenmin aanleiding om de overlevering alleen toe te staan voor thans in het EAB expliciet genoemde transporten.

Naar het oordeel van de rechtbank is ook overigens voldaan aan de vereisten die artikel 2 van de OLW aan een EAB stelt.

4 Strafbaarheid, feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van het Verenigd Koninkrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij met betrekking tot de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De heer [persoon 1] van de Extradition Section van het Home Office heeft op 11 april 2014 de volgende garantie gegeven:

You have asked for an assurance that, should [opgeëiste persoon] receive a

custodial sentence in a UK court following his extradition here, he will be transferred back to the Netherlands to serve this sentence there.

You have requested that this transfer takes places under Council Framework Decision 2008/909/JHA, and have advised that Dutch law allows you to amend any sentence imposed by a UK court.

The UK authorities, therefore, give the following undertaking under the Council Framework Decision:- in the event that [opgeëiste persoon] is extradited to the United Kingdom and a prison sentence is imposed on him in the United Kingdom, following that transfer, the United Kingdom will allow the sentence to be adapted by the Netherlands only according to the procedure laid down in the Article 8 of the Council Framework Decision.

Nothing in this undertaking will allow the Netherlands’ authorities to alter any sentence

imposed by the UK beyond the terms allowed by Article 8 of the Council Framework

Decision. This undertaking is subject to those terms being agreed in writing.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.

De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

en

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de OLW

Het EAB heeft betrekking op de verdenking dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, drugshandel vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk in de periode tussen november 2012 en februari 2014. De verdenking ziet volgens het EAB mede op twee drugstransporten waarbij de desbetreffende drugs in beslag zijn genomen op
27 november 2013 en 7 februari 2014.

In Nederland is door het landelijk parket Den Bosch een vervolging tegen de opgeëiste persoon gestart terzake van de handel en invoer van verdovende middelen vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk in de periode 27 november 2013 tot en met 7 februari 2014, parketnummer 01-993207-14 (het [onderzoek A]).

Op 16 april 2014 heeft de officier van justitie, onder verwijzing naar het op 17 maart 2014 uitgevaardigde Europese aanhoudingsbevel, een verzoek tot overname strafvervolging gedaan aan de Britse autoriteiten, in die zin dat hij heeft verzocht om de resultaten van het [onderzoek A] te betrekken in de strafvervolging in Engeland.

Bij brief van 30 april 2014 hebben de Britse autoriteiten in antwoord op de brief van 16 april 2014 laten weten: “I can confirm it is the intention of this authority to extradite [opgeëiste persoon] to the UK and to prosecute him for the offences relating to the importation of drugs. That prosecution will include the events that were disclosed as part of the Dutch Police investigation into [opgeëiste persoon] ([onderzoek A] Investigation) namely the incidents of 27th November and 4th February 2014

Bij brief van 13 mei 2014 heeft de officier van justitie aan de opgeëiste persoon ingevolge artikel 552t, vijfde lid, een kennisgeving overdracht strafvervolging betekend. De beklagtermijn loopt nog tot 27 mei 2014 en de opgeëiste persoon heeft aangekondigd van deze mogelijkheid gebruik te gaan maken.

Bij beslissing van 13 mei 2014 heeft de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) gelet op artikel 9, tweede lid, van de Overleveringswet, opdracht gegeven aan de officier van justitie de strafrechtelijke vervolging met betrekking tot de opgeëiste persoon onder parketnummer 01/993207-14 te staken. Daaraan is de voorwaarde verbonden dat de overlevering ten aanzien van voormeld feit wordt toegestaan en de daarop betrekking hebbende vervolging in het Verenigd Koninkrijk zal plaatsvinden.

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering niet kan worden toegestaan zolang het Hof nog niet heeft beslist op het door de opgeëiste persoon in te dienen beklag ex artikel 552t, vijfde lid, Sv. De uitkomst van die procedure is mogelijk dat de vervolging niet mag worden overgedragen en hij hier in Nederland moet worden vervolgd. Als de overlevering dan al is toegestaan, is de opgeëiste persoon al in het Verenigd Koninkrijk. Het beklagrecht van de opgeëiste persoon, wier belang bij voortzetting van de gestarte vervolging in Nederland groot is, wordt daarmee illusoir.

De officier van justitie heeft betoogd dat de in Nederland gestarte vervolging door de minister is gestaakt zodat de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, van de Overleveringswet zich hier niet voordoet. Een eventueel in te dienen beklag ex artikel 552t, vijfde lid, Sv zou mogelijk alleen aan de feitelijke overlevering in de weg kunnen staan.

De rechtbank stelt vast dat de overlevering wordt gevraagd voor een deel van de feiten waarvoor in Nederland een vervolging is aangevangen, te weten de handel en invoer van verdovende middelen vanuit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk in de periode 27 november 2013 tot en met 7 februari 2014. Op grond van artikel 9, eerste lid, OLW kan de overlevering voor dat deel van de feiten niet kan worden toegestaan. Echter, nu de minister van Veiligheid en Justitie overeenkomstig artikel 9, tweede lid, OLW, opdracht heeft gegeven deze vervolging te staken, is de weigeringsgrond van het eerste lid van artikel 9 OLW niet van toepassing, zodat de aangevangen vervolging in Nederland niet langer aan overlevering in de weg staat.

De omstandigheid dat de officier van justitie tevens heeft verzocht om overdracht van de strafvervolging aan het Verenigd Koninkrijk en de opgeëiste persoon daartegen nog een beklagschrift ex artikel 552t, vijfde lid, Sv kan instellen bij het Hof, leidt er niet toe dat zich een van de in de Overleveringswet genoemde weigeringsgrond voordoet.

De rechtbank begrijpt dat de raadsman heeft betoogd dat de behandeling van het EAB moet worden aangehouden totdat op het in te dienen beklagschrift is beslist. De rechtbank ziet daartoe geen aanleiding.

Allereerst zijn de procedure van de overdracht van strafvervolging en de overleveringsprocedure elkaars alternatieven. De officier van justitie had een verzoek om de overdracht van strafvervolging in dit geval niet hoeven doen, aangezien het EAB reeds was uitgevaardigd en enkel daaruit al volgt dat het Verenigd Koninkrijk de opgeëiste persoon mede wil vervolgen voor de feiten uit het [onderzoek A]. Naar oordeel van de rechtbank had de officier van justitie dan ook kunnen volstaan met het geven van een advies aan de minister tot staking van de in Nederland aangevangen vervolging, welk advies door de minister is gevolgd.

Voor haar oordeel dat de behandeling van het EAB niet hoeft te worden aangehouden, vindt de rechtbank verder steun in de uitspraak van het Hof Den Haag in kort geding van 26 mei 1988 (NJ 1990, 549), gedaan onder het uitleveringsrecht. Het Hof overwoog daarin onder meer dat voor zover de instituten ‘overdracht van strafvervolging’ enerzijds en ‘uitlevering’ anderzijds elkaar overlappen, in die zin dat zij op dezelfde feiten betrekking kunnen hebben, dat beide procedures in beginsel zelfstandig voor toepassing in aanmerking komen. De Staat die van plan is een zijnerzijds begonnen strafvervolging aan een andere Staat over te dragen en die vervolgens, juist terzake van het feit waarop zijn strafvervolging betrekking heeft, van deze andere Staat een verzoek ontvangt, strekkende tot uitlevering van de persoon tegen wie bedoelde strafvervolging is gericht, mag dat verzoek in beginsel geheel volgens de regels van het uitleveringsrecht afwikkelen en is niet verplicht om nog de regels betreffende overdracht van strafvervolging toe te passen. Een dergelijke cumulatieve toepassing zou immers de internationale rechtshulp, waartoe beide procedures in het leven zijn geroepen, eerder belemmeren dan bevorderden. De omstandigheid dat het ging om een door de aangezochte Staat uitgelokt verzoek tot uitlevering, maakt dit volgens het Hof niet anders waarbij het Hof van belang acht dat de rechtspositie van de verdachte bij een uitlevering zeker niet zwakker is dan bij een voorgenomen overdracht van strafvervolging.

In navolging van deze uitspraak, ziet de rechtbank in het onderhavige geval geen aanleiding de behandeling van het EAB aan te houden. Dit oordeel zou mogelijk anders zijn indien voorshands buiten redelijke twijfel is dat een eventueel in te dienen beklag van de opgeëiste persoon tegen de overdracht van de strafvervolging gegrond zal worden verklaard.

De rechtbank heeft zich in dit verband rekenschap gegeven van de in de literatuur (zie Wetboek van Strafvordering, IISS, A.L. Melai/A.H. Klip e.a., IV. 1.1.3.4 Overdracht impliceert een verzoek tot overname; de verkapte overdracht, auteur mr. dr. M.J.J.P. Luchtman) verdedigde stelling dat de positie van de verdachte bij een samenloop van het uitleveringsrecht en de overdracht van strafvervolging in het gedrang kan komen, onder andere omdat de rechter in het kader van artikel 552t, vijfde lid, Sv zal moeten beoordelen of een overdracht geïndiceerd is in het licht van een goede rechtsbedeling en daarbij uitdrukkelijk is gerechtigd de opportuniteit van de overdracht te toetsen.

In het onderhavige geval is echter niet buiten redelijke twijfel dat een in te dienen beklag gegrond zal worden verklaard. De rechtbank acht namelijk in het belang van een goede rechtsbedeling dat de vervolging geheel in het Verenigd Koninkrijk zal plaatsvinden en verwijst in dit verband naar hetgeen hierna met betrekking tot de weigeringsgrond van artikel 13 van de OLW wordt overwogen. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de verdenking jegens de opgeëiste persoon in het Verenigd Koninkrijk ziet op een omvangrijker periode en aanzienlijk meer drugstransporten dan het Nederlandse onderzoek en het niet opportuun wordt geacht dat alleen een deel van die feiten in Nederland (verder) wordt vervolgd waar een ander deel in het Verenigd Koninkrijk wordt vervolgd.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.

De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, van de OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

  • -

    het onderzoek in het Verenigd Koninkrijk is aangevangen;

  • -

    de transporten verdovende middelen in het Verenigd Koninkrijk zijn aangetroffen: het bewijs bevindt zich dus daar;

  • -

    de medeverdachten bevinden zich ook in het Verenigd Koninkrijk nu zij daar zijn aangehouden;

  • -

    de verdovende middelen waren bestemd voor het Verenigd Koninkrijk: de rechtsorde is daar het meest geschaad.

Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Britse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren. Niet zou zijn gebleken dat de verzochte overlevering aan de Britse autoriteiten en de verdere vervolging in het Verenigd Koninkrijk de voorkeur verdient, boven de mogelijke afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten. Daartoe is aangevoerd dat het uitgangspunt dient te zijn dat de vervolging plaats vindt in het land waar de verdachte zijn domicilie heeft. De opgeëiste persoon is voor een deel van de feiten in Nederland aangehouden, als verdachte gehoord en in voorlopige hechtenis genomen. Het zwaartepunt van de locatie met betrekking tot de opgeëiste persoon ligt duidelijk in Nederland. Het bewijsmateriaal is voor een groot deel in Nederland verzameld en het in het Verenigd Koninkrijk voorhanden bewijsmateriaal is eenvoudig naar Nederland over te brengen. Verder heeft een overlevering naar het Verenigd Koninkrijk ingrijpende persoonlijke gevolgen voor de opgeëiste persoon omdat hij hier zijn zakelijke belangen, familie en vrienden heeft. Ook uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling verdient vervolging in Nederland de voorkeur.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, van de OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Zijn verdedigingsrechten zullen op grond van artikel 6 van het EVRM en artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie ook in het Verenigd Koninkrijk gerespecteerd dienen te worden. Verder is onder 6 van deze uitspraak geoordeeld dat de opgeëiste persoon zijn straf in Nederland zal mogen ondergaan. Hiermee is in het overleveringsrecht voldoende tegemoet gekomen aan de persoonlijke belangen van de opgeëiste persoon.

Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, van de OLW bedoelde weigeringsgrond.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 3, 10, 11 van de Opiumwet en 2, 5, 6, 7, 9 en 13 van de OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Judge zetelend bij het Birmingham Magistrates’ Court (Verenigd Koninkrijk) ten behoeve van het in het Verenigd Koninkrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,

mrs. S.A. Krenning en H.J. van Harten rechters,

in tegenwoordigheid van D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 30 mei 2014.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

[A/B/C]