Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3253

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-05-2014
Datum publicatie
10-06-2014
Zaaknummer
13-751065-14 14-687
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Uitspraak Internationale Rechtshulpkamer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751065-14 (EAB III)

RK nummer: 14/687

Datum uitspraak: 30 mei 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 januari 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 18 december 2012 (ontvangen op 24 januari 2014) door the District Court te Lublin (Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum],

wonende op het adres [adres, te plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 april 2014. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Al Mansouri en de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. G.L. Gijsbrechts, advocaat te ’s Gravenhage.

De opgeëiste persoon is zelf niet verschenen, naar zeggen van zijn raadsman uit angst.

De raadsman heeft verweer tegen de vordering gevoerd en een beroep gedaan op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat onvoldoende vast staat hoe de betekeningen hebben plaatsgevonden. Bovendien ontbreekt informatie over de maximumstraffen.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

De rechtbank heeft de behandeling van de vordering aangehouden tot 30 mei 2014 te 09.00 uur om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie omtrent de betekening van de vonnissen en de maximumstraffen op te vragen.

Op 30 mei 2014 is de behandeling van de vordering voortgezet.

Het verhoor heeft dit keer plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn bovengenoemde raadsman en door een tolk in Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia kloppen en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van 13 februari 2007 (referentienummer IV K 323/06) van de Provincial Court in Lublin.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW

De raadsman heeft met een beroep op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW bepleit dat de overlevering ontoelaatbaar verklaard dient te worden.

De rechtbank stelt, met de officier van justitie, vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis dat is gewezen in aanwezigheid van de opgeëiste persoon.

Niet alleen heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat hij aanwezig was bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid en dat hij op de hoogte was van het feit dat hij bij dat vonnis is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, maar ook heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit in een e-mail van 29 mei 2014 uiteengezet dat hetgeen in de Engelse vertaling van het EAB onder D staat vermeld (‘no, the concerned person has not appeared at the hearing that led to the decision’) op een vertaalfout berust. De rechtbank stelt bovendien vast dat de desbetreffende tekst in de oorspronkelijke Poolstalige versie van het EAB begint met het woord ‘tak’ en het is de rechtbank ambtshalve bekend dat dit Poolse woord een bevestigende betekenis heeft en geen ontkennende.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat bedoelde weigeringsgrond niet aan de orde is.

4 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e van de OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, met uitzondering van het vierde feit, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Het vierde feit betreft een telefonische bedreiging met mishandeling van [persoon] op 16 april 2005 in de plaats Turka. Overlevering voor het vierde feit zal worden geweigerd, nu een dergelijke vorm van bedreiging naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert.

De feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan leveren naar Nederlands recht op:

Poging tot afpersing

Poging tot afpersing

Bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht

5 Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten I, II en III waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering in zoverre te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van de drie feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Een en ander staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45, 285 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court te Lublin (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, dat is opgelegd wegens de feiten I, II en III.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd wegens feit IV, de telefonische bedreiging met mishandeling van [persoon] op 16 april 2005 in de plaats Turka.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. S.J. Riem en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 30 mei 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.