Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3154

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
13/670130-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het eerst het verzoek ex artikel 89 en 591a Sv toegewezen en vervolgens het verzoek van de officier van justitie ex artikel 90 lid 3 Sv toegewezen.

Dat laatste houdt in dat de rechtbank opdracht geeft tot verrekening van het in het verzoekschrift ex artikel 89 en 591a toegewezen bedrag met een van de Staat (in dit geval bij het CJIB) openstaande vordering op verzoeker. In het onderhavige geval betrof deze vordering van de Staat een toegewezen vordering van een benadeelde partij waarbij tevens een schadevergoedingsmaatregel was opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2014/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 13/670130-12

RK: 13/7083 en 13/7084

BESCHIKKING

Op het verzoek ex artikel 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven p het adres [adres, te plaats],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [locatie]” te [plaats],

te dezer zake woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn raadsman,

mr. M. Amrani, [adres, te plaats],

verder te noemen: verzoeker.

1 Procesgang

Het verzoek is op 28 oktober 2013 ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

De rechtbank heeft op 13 mei 2014 verzoeker, zijn raadsman, mr. M. Amrani, en de officier van justitie, mr. H. Brok, in openbare raadkamer gehoord.

2 Inhoud van de verzoekschriften

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding voor de schade die verzoeker tengevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis stelt te hebben geleden tot een bedrag van € 3.330,-.

Daarnaast strekt het verzoek tot het toekennen van een vergoeding ten bedrage van

€ 275,- voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift.

De officier van justitie heeft een vordering op de voet van artikel 90 lid 3 Sv ingediend, waarin het Openbaar Ministerie verzoekt, het door het Rijk aan verzoeker uit te keren bedrag te verrekenen met de door verzoeker aan de Staat (CJIB) verschuldigde bedragen, van in totaal € 4.137,70.

3 Beoordeling

3.1

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Verzoeker is op 8 augustus 2013 door de meervoudige kamer van deze rechtbank vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.

3.1.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding integraal kan worden toegewezen. De officier heeft voorts verzocht het aan verzoeker toe te kennen en uit te keren bedrag te verrekenen met de bij het CJIB openstaande vorderingen op verzoeker. Het betreft een bij het CJIB openstaande strafbeschikking van € 130,- en een openstaand bedrag van € 4.007,70 ter zake van een (hoofdelijk) toegewezen vordering van een benadeelde partij, ter zake waarvan aan verzoeker tevens een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.

3.1.2.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de verzoeken op de voet van art. 89 en 591a Sv heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat deze volledig toewijsbaar zijn.

De raadsman heeft zich bij de behandeling in raadkamer primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering ex artikel 90 lid 3 Sv. Hij heeft daartoe in de eerste plaats betoogd dat het verzoekschrift reeds op 28 oktober 2013 is ingediend en de raadsman eerst gisteren de vordering van de officier van justitie heeft ontvangen. Dat is dusdanig laat dat tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te worden geconcludeerd. Een tweede reden voor niet-ontvankelijkheid is gelegen in het feit dat verzoeker reeds voor zijn detentie ten aanzien van beide vorderingen een betalingsregeling met het CJIB is overeengekomen. Verzoeker zit momenteel gedetineerd en is om die reden niet in staat deze betalingsregeling na te komen, maar met het CJIB is overeengekomen dat hij, indien hij weer vrij is, verder kan gaan met aflossen. Verzoeker dient, indien hij weer vrij man is, in de gelegenheid te worden gesteld verder te gaan met de aflossing conform de overeengekomen betalingsregeling. Van onwil om te betalen is aldus niet gebleken.

Indien dit verweer wordt gepasseerd, dient de vordering deels te worden afgewezen, omdat het bedrag van € 4.007,70 een schuld aan een benadeelde partij betreft en derhalve geen schuld aan de Staat. Bovendien is deze betalingsverplichting weliswaar hoofdelijk opgelegd, maar is het onredelijk dat verzoeker - enkel en alleen omdat hij onterecht heeft vastgezeten en om die reden recht heeft op een schadevergoeding - alleen zou moeten opdraaien voor het gehele bedrag. Hij zou hooguit aansprakelijk kunnen zijn voor 1/3 van het bedrag van deze vordering.

Tot slot dient er rekening mee te worden gehouden dat verzoeker reeds een klein gedeelte van de toegewezen vordering tot schadevergoeding heeft afgelost, aldus de raadsman. Door verzoeker is reeds een bedrag van maximaal € 250,- afgelost op de vordering van de benadeelde partij. Hier zijn geen bewijsstukken van voorhanden.

3.2

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 89 Sv kan de rechter op verzoek van de gewezen verdachte, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade welke hij tengevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.

Op grond van artikel 90 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De strafzaak tegen verzoeker is op 8 augustus 2013 onherroepelijk geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het verzoek is derhalve tijdig ingediend.

3.2.1

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 89 Sv

De rechtbank acht alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de levensomstandigheden van verzoeker, gronden van billijkheid aanwezig een schadevergoeding toe te kennen tot een bedrag van na te noemen hoogte.

Bij het bepalen van het aantal dagen dat verzoeker gedurende zijn voorarrest in een politiecel of huis van bewaring heeft doorgebracht, dient aansluiting te worden gezocht bij artikel 136 lid 1 Sv. Onder één dag wordt verstaan een tijd van vierentwintig uren. Dit brengt mee dat de dag van de invrijheidstelling niet voor vergoeding in aanmerking komt. De eerste dag van de inverzekeringstelling wordt echter altijd naar de maatstaf van een volledige dag vergoed.

Verzoeker heeft in totaal 3 dagen op een politiebureau en 39 dagen in een huis van bewaring doorgebracht. De rechtbank kent een vergoeding toe van € 105,- per dag op het politiebureau en € 80,- per dag in een huis van bewaring doorgebracht. Er zal derhalve een vergoeding worden toegekend van € 3.435,-

3.2.2

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591a Sv

De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen, zijnde € 550,-.

3.2.3.

Ten aanzien van het verzoek van de officier van justitie ex artikel 90 lid 3 Sv

3.2.3.1. Wettelijk kader

In de “Wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Gratiewet (herziening gratieregeling en regeling inzake schadevergoeding voor voorlopige hechtenis)”, EK 1994-1995, 23 960, nr.270, staat onder meer:

Artikel 1

In het Wetboek van Strafvordering worden de volgende wijzingen aangebracht:

A

Artikel 90 wordt als volgt gewijzigd:

a. Na het tweede lid worden ingevoegd een nieuw derde en vierde lid die luiden:

“Indien de rechter beslist tot het toekennen van schadevergoeding, wordt het uit te keren bedrag verrekend met geldboeten en andere aan de Staat verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan de verzoeker bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld en die nog niet door hem zijn voldaan.

Artikel 90 lid 3 Sv luidt thans:

Indien de rechter beslist tot het toekennen van een schadevergoeding, wordt het uit te keren bedrag verrekend met geldboeten en andere aan de Staat verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan verzoeker bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld of tot betaling waartoe de verzoeker op grond van een jegens hem uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is, een en andere voor zover die nog niet door hem zijn voldaan.

Daarnaast blijkt uit de Memorie van Toelichting Kamerstukken II 1994/95, 23 960, nr. 3 Kamerstukken II 1994/95, 23 960, nr. 3, p. 5 onder meer het volgende:

(…) het door de rechter toegekende bedrag van de schadevergoeding aanstonds te verrekenen met nog openstaande aan de Staat verschuldigde geldbedragen, waartoe de verzoeker om schadevergoeding reeds bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest is veroordeeld. Daarbij valt te denken aan de schadevergoedingsmaatregel, geldboete, wederrechtelijk verkregen voordeel en storting in het Waarborgfonds Motorverkeer. Het ligt voor de hand dat een dergelijk rechterlijk bevel de inning van deze geldbedragen aanzienlijk zal vergemakkelijken (…)

3.2.3.2. Oordeel van de rechtbank

Uit hetgeen hierboven is weergegeven volgt naar het oordeel van de rechtbank de bevoegdheid van de rechtbank om op een vordering van de officier van justitie ex artikel 90 lid 3 te beslissen.

De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vordering en overweegt als volgt.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vordering ex artikel 90 lid 3 Sv de raadsman in een laat stadium heeft bereikt. De rechtbank ziet echter geen aanleiding het Openbaar Ministerie om die reden niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Indien de raadsman door de late toezending te weinig voorbereidingstijd had gehad – hetgeen hij overigens niet heeft gesteld - had hij om een aanhouding van de behandeling ter zitting kunnen verzoeken. Tot een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie kan een late verzending echter niet leiden.

Het bedrag van € 4.007,70 betreft een in een eerdere strafzaak tegen verzoeker, hoofdelijk toegewezen vordering van een benadeelde partij, ter zake waarvan aan verzoeker en zijn medeverdachten een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd. Met het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel is (mede) een vordering van de Staat op verzoeker ontstaan. Wat het verweer over de hoofdelijkheid betreft, overweegt de rechtbank dat de juridische constructie van hoofdelijke aansprakelijkheid nu juist in het leven is geroepen om indien één van de schuldenaren op enig moment in staat komt (een deel van) de vordering te voldoen, de schuldeiser dit bedrag op deze schuldenaar kan verhalen. Dat dit door verzoeker thans als onredelijk wordt ervaren, kan evenmin tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden.

Wat er, tenslotte, ook zij van het reeds door verzoeker afgeloste bedrag van maximaal

€ 250,-, de in onderhavige beschikking toe te wijzen bedragen aan schadevergoeding zijn niet toereikend voor een volledige verrekening met de vorderingen van de Staat op verzoeker. Nu er een bedrag van meer dan € 250,00 resteert, zal de rechtbank dit verweer verder onbesproken laten.

3.2.3.3. Toewijzing van de vordering

Al het voorgaande in overweging nemende, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vordering van de officier van justitie tot verrekening van de bedragen voor toewijzing vatbaar is.

Zoals hierboven weergegeven, zal de rechtbank de vordering tot schadevergoeding toewijzen tot bedragen van € 3.435,00 en € 550,00, zijnde een totaalbedrag van € 3.985,00.

Dit bedrag is onvoldoende om te kunnen verrekenen met beide openstaande vorderingen. Gelet op de belangen van slachtoffers in de maatschappij is de rechtbank van oordeel dat het voldoen van de toegewezen schadevergoeding maatschappelijk prevaleert boven de voldoening van een justitiële geldboete. De rechtbank zal daarom opdracht geven de toe te wijzen bedragen te verrekenen met deze openstaande vordering.

Hieruit volgt logischerwijs dat een bedrag € 0,00 zal resteren om uit te keren aan betrokkene.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 89 Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding TOE voor de schade, die verzoeker ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden tot een bedrag van € 3.435,- (zegge: drieduizend tweehonderd vijfendertig euro).

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591a Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker uit 's Rijks kas een vergoeding TOE ten bedrage van

€ 550,- (zegge: vijfhonderdvijftig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Ten aanzien van het verzoek van de officier van justitie:

Wijst toe het verzoek van de officier van justitie, ex artikel 90 lid 3 Sv, strekkende tot het uit te keren bedrag te verrekenen met het van betrokkene aan de Staat (CJIB) verschuldigde bedrag inzake CJIB nummer [nummer B] van in totaal € 4.137,70 .

Wijst af of het anders of meer gevorderde.

Deze beslissing is op 27 mei 2014 gegeven en in het openbaar uitgesproken door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C.E.M. Marsé en J.M.L.I. van Hommerich, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.

De jongste rechter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.

De rechtbank te Amsterdam, meervoudige kamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 3.985,00

(zegge: drieduizend negenhonderd vijfentachtig euro)

op rekeningnummer [nummer A]

ten name van Centraal Justitieel Incasso Bureau te Leeuwarden

onder vermelding van CJIB nummer [nummer B], betaling [verzoeker]

Aldus gedaan op 27 mei 2014

door mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter.