Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3095

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
30-05-2014
Zaaknummer
C/13/541742 / HA ZA 13-543
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering op grond van onrechtmatige perspublicatie, auteursrechtinbreuk en schending portretrecht.

Een Nederlandse vrouw stelt dat [tijdschrift] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld doordat [tijdschrift] – onder andere – heeft geschreven dat zij een affectieve c.q. seksuele relatie met een van de zonen van de [voormalig leider] heeft gehad, dat zij betrokken was bij mensenhandel, dat zij een bekende vastgoedondernemer heeft afgeperst en dat zij een ‘sekswerkertje’ en een ‘golddigger’ zou zijn.

De rechtbank stelt voorop dat aan opiniërende teksten, zoals de gewraakte passages uit de [tijdschrift], overdrijving, een spottende toonzetting en uitvergroting toelaatbaar zijn, tenzij bepaalde gegevens als feiten worden gepresenteerd. Dergelijke gegevens moeten voldoende steun vinden in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal. De uitlatingen van de [tijdschrift] vallen naar het oordeel van de rechtbank binnen de journalistieke vrijheid en/of zijn gebaseerd op ten tijde van de publicatie bekende feiten, met uitzondering van de kwalificatie van de vrouw als ‘sekswerkstertje’ en de gestelde afpersing van de bekende vastgoedondernemer. Voor laatstgenoemde uitlatingen is in de feiten geen steun te vinden. Volgt veroordeling van [tijdschrift] tot rectificatie op deze punten en tot betaling van een schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/541742 / HA ZA 13-543

Vonnis van 21 mei 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. drs. C. Hellingman te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEARST MAGAZINES NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [tijdschrift] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 oktober 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 23 januari 2014 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Hearst is een uitgeverij en geeft onder meer het maandblad [tijdschrift] uit.

2.2.

[eiseres] is een fotomodel. In 2000 heeft er een fotoreportage van haar in de [tijdschrift 2] gestaan.

2.3.

Op enig moment is [eiseres] bevriend geraakt met [naam], een van de zonen van de [voormalig leider].

2.4.

[eiseres] heeft in februari 2011 met een vriendin, [vriendin] (hierna: [vriendin]), een bezoek gebracht aan [land] hoofdstad [plaats]. [eiseres] en [vriendin] hebben daar [naam] bezocht. Na terugkeer in Nederland hebben zij zich op zondag 20 februari 2011 gemeld bij de Koninklijke Marechaussee en heeft [vriendin] verklaard dat zij op 18 februari 2011 was verkracht door [naam].

2.5.

Op 24 februari 2011 heeft [vriendin] aangifte tegen [eiseres] gedaan van bedreiging middels SMS berichten, gepleegd op 23 en 24 februari 2011. [eiseres] is in verband daarmee op 28 februari 2011 aangehouden en gehoord.

2.6.

Op 4 april 2011 heeft [vriendin] aangifte tegen [eiseres] gedaan van mensenhandel. [vriendin] heeft, kort gezegd, verklaard dat [eiseres] haar in februari 2011 onder valse voorwendselen heeft meegelokt naar [land] zodat [naam] tegen betaling seks met haar kon hebben.

2.7.

Op 11 augustus 2011 is [eiseres] opnieuw naar [land] gereisd en heeft zij wederom [naam] bezocht. Tijdens dit bezoek was de opstand tegen het regime in [land] in volle gang en werd er op enig moment ook gevochten in [plaats], waar [eiseres] in een hotel verbleef. [eiseres] is tijdens die gevechten van het hotelbalkon gesprongen omdat zij werd belaagd. Zij is met verwondingen in het ziekenhuis beland en kon [land] enkele dagen later per boot verlaten.

2.8.

De sprong van het hotelbalkon, de ontsnapping uit [land] van [eiseres] en in het bijzonder haar relatie met [naam] hebben eind augustus en in september 2011 veel aandacht gekregen in binnen- en buitenlandse media.

2.9.

Op [datum] deed [vriendin] (onder de schuilnaam [vriendin]) in een paginagroot artikel in de Telegraaf haar verhaal over het bezoek dat zij in februari 2011 met [eiseres] aan [naam] bracht. Kort samengevat vertelt zij daarin dat bij aankomst in [land] de chauffeur van [naam] hun paspoorten innam en hen naar een laboratorium reed waar ze een bloedtest moesten ondergaan. [vriendin] denkt dat ze daar zijn getest op seksueel overdraagbare aandoeningen. De beide nachten dat zij in [land] waren, verbleven [vriendin] en [eiseres] in verschillende villa’s van [naam]. Op de ochtend na de eerste nacht heeft [eiseres], zo vermoedt [vriendin], seks gehad met [naam]. In de tweede nacht is [vriendin] door [naam] verkracht. Achteraf hoorde ze van [eiseres] dat deze twee enveloppen met in totaal USD 20.000,- van [naam] had gekregen en heeft zij de conclusie getrokken dat [eiseres] zichzelf en [vriendin] feitelijk als betaalde escort aan [naam] heeft aangeboden.

2.10.

Op[datum] stond ook het verhaal van [eiseres] in een twee pagina’s vullend artikel in het Algemeen Dagblad. [eiseres] vertelt daarin dat ze wel bevriend was met [naam], maar dat hij haar nooit heeft aangeraakt. Ze vertelt dat ze in augustus 2011 in [land] was omdat ze een stichting voor Alzheimer-patiënten wilde opzetten en ze daarvoor geld wilde inzamelen, en dat zij in een vluchtelingenkamp wilde gaan werken. [eiseres] ontkent de aantijgingen van [vriendin] en zegt dat [vriendin] en een ex-vriend van [eiseres] haar kapot willen maken.

2.11.

In september 2011 is [eiseres] aangehouden op verdenking van mensenhandel. Zij is gehoord op 27 en 28 september 2011 en heeft zich daarbij op haar zwijgrecht beroepen.

2.12.

Op 20 oktober 2011 zijn zowel [voormalig leider] als [naam] door [opstandelingen] gedood.

2.13.

Op [datum] heeft [tijdschrift] op haar website [tijdschrift]) gemeld dat het novembernummer vanaf die dag in de winkel lag, waarin een artikel over “golddiggers” stond. Op de website stond (voor zover voor de beoordeling relevant):

[inhoud tijdschrift][inhoud tijdschrift][inhoud tijdschrift]

2.14.

Het op de website genoemde artikel over “golddiggers” was het hoofdartikel van het [datum]. Op de voorpagina wordt het artikel aangekondigd met de kop “[titel]”, de toevoeging “[titel]” en de ondertitel “[titel]”. In het artikel zelf, op pagina 54 en verder, worden ruim 30 “golddiggers” besproken; zij worden in diverse categorieën ingedeeld. De eerste categorie is die van de “überdiggers”, waar [eiseres] als eerste wordt besproken.

2.15.

In de inhoudsopgave van het [datum] (hierna: de inhoudsopgave) staat een foto van [eiseres], met daarbij de volgende tekst:

“De redactie boog zich over de uitvreters van de moderne tijd: golddiggers. In dit rijtje mocht [eiseres] “lekker uitwaaien in [land]” [eiseres] niet ontbreken (zie p. 56). Vlak voor het ter perse gaan kwamen ons wat sappige updates ter ore, die wij u uiteraard niet mogen onthouden. Zo werd [eiseres] eind september aangehouden door de marechaussee op verdenking van mensenhandel. Ondertussen werd zowel de ‘succesvolle ondernemer met een website’ als de ‘bekende Amsterdamse vastgoedondernemer’ door [eiseres] uitvoerig zwart gemaakt bij diverse media. De laatste bezocht [eiseres] zo af en toe voor wat interfysieke gezelligheid. Haar opbrengst: een optrekje in Zuid en wat portemonneevulling. Saillant detail: de man is getrouwd. Om de money supply gaande te houden, dreigde [eiseres] naar zijn vrouw te stappen en alles op te biechten. Deze afpersing is nog altijd gaande. Wordt dus vervolgd.”

2.16.

Op bladzijde 18 van het [datum] staat de ‘editorial’ van toenmalig [hoofdredacteur], met als titel “[titel]” (hierna: de editorial). In deze editorial wordt onder meer het artikel over “golddiggers” aangekondigd. Over [eiseres] wordt het volgende geschreven:

[inhoud tijdschrift]

[inhoud tijdschrift]

[inhoud tijdschrift]

[inhoud tijdschrift]
[inhoud tijdschrift][inhoud tijdschrift][inhoud tijdschrift]

2.17.

In de inleiding van het hoofdartikel, op bladzijde 56 van het [datum] (hierna: de inleiding), staat het volgende:



“Eindelijk hebben we er - naast kaas, tulpen, haring en klompen - een nieuw exportproduct bij. Of misschien is het woord ‘escort-product’ hier beter op zijn plaats? In elk geval kan ons land zich tegenwoordig scharen onder de marktleiders der goudgraafsters. Dat wil zeggen: sinds de wilde avonturen van de [leeftijd] money honey [eiseres], de vrouw die zich door [naam] liet binnenvliegen in [land] contreien, om vervolgens met twintigduizend dollar aan briefgeld huiswaarts te keren. Knap gedaan, [eiseres]! Moedig ook, gezien de bedenkelijke reputatie van de megalomane [naam] en het feit dat heel [land] op het moment van haar ‘verwentripje’ in lichterlaaie stond. Dachten we voor de rampberichten over [eiseres] ontsnapping uit het oorlogsland nog dat alleen Braziliaanse en Russische vrouwen het schaamteloze goudgraven tot in de punten beheersten, mejuffer [eiseres] bewees de wereld dat de polderpussy’s er dus ook iets van kunnen. Een mooie aanleiding om eens in kaart te brengen welke goudelsjes er nog meer rondlopen op Nederlandse bodem. Handig om te weten wanneer u uit daten gaat.”

2.18.

Eveneens op pagina 56 van het [datum] is onder de kop “[titel]”, naast een kleine foto van [eiseres], de volgende tekst over [eiseres] opgenomen (hierna: het hoofdartikel):

[eiseres] [eiseres] ([leeftijd]) Dit Rotterdamse ex-fotomodel werd een paar maanden geleden wereldnieuws toen ze zich van een balkon in de [land] hoofdstad [plaats] wierp. Ah gossie! Hoewel... Ze bleek er samen met een vriendin te zijn binnengevlogen door [naam], de omstreden zoon van de zeer omstreden [voormalig leider]. De vriendin verklaarde later in een interview met De Telegraaf dat ze onder valse voorwendselen door [eiseres] was meegelokt, om te worden ingezet voor prostitutie. Direct bij aankomst in [land] werd haar paspoort ingenomen en een bloedtest afgenomen, vermoedelijk om te checken of ze wel soa-vrij was. Uiteindelijk werd de vriendin, die zich in De Telegraaf [vriendin] noemt, door [naam] verkracht in een van diens huizen. [eiseres] zou na afloop twee enveloppen met in totaal twintigduizend euro hebben ontvangen. Ka-ching! Toen [journalist], de journalist van De Pers die [eiseres] hielp het land te verlaten, haar vroeg wat ze eigenlijk in [land] deed, verklaarde ze volgens hem dan ook recht in de prik: ‘Geld verdienen.‘ Dat [eiseres] het niet alleen makkelijk verdient, maar ook soepel uitgeeft, blijkt wel uit de creditcard afschriften van een ex-minnaar (een ‘succesvolle ondernemer’, tevens eigenaar van ’een website’) die naar onze redactie werden gestuurd. Hieruit blijkt dat mevrouw naar hartenlust met diens creditcard tekeerging. De tamtam beweert bovendien dat een bekende vastgoedinvesteerder uit ‘da hood’ de huur van haar appartement in Oud-Zuid betaalde, waarin volgens vriendin [vriendin] alleen een bed stond. Wij kunnen ons wel indenken wat voor wederdiensten er zoal van [eiseres] werden verlangd, en zeggen: [eiseres] leeft het leven van een golddigger to the max.”

2.19.

Op 16 november 2011 heeft het Openbaar Ministerie [eiseres] laten weten dat de zaak naar aanleiding van de aangiftes van [vriendin] bij gebrek aan bewijs werd geseponeerd.

2.20.

In de uitgave van [tijdschrift] van januari 2012 is (in de “bijzaken”-rubriek) een kort stuk gewijd aan [eiseres], met daarnaast, over de gehele lengte van de pagina, een foto van [eiseres], in doorzichtige kleding (hierna: de naaktfoto), gemaakt door fotograaf [fotograaf] in het kader van de [tijdschrift 2] uit 2000 (hierna: de Rubriek Bijzaken). In het stuk wordt onder de titel “[eiseres]” het volgende vermeld:

“AUGUSTUS / En toen viel er ineens een blonde schone uit een hotelraam in [land] en was Nederland plotsklaps in de ban van ene [eiseres], een Rotterdams fotomodel annex sekswerkstertje dat geregeld op de - kuch- koffie bleek te gaan bij [naam], de inmiddels vermoorde zoon van de ook al niet meer levende [voormalig leider]. Heel [land] stond op dat moment in lichterlaaie en [eiseres] had het land in allerijl moeten ontvluchten om haar hachje te redden. Toen een voormalige vriendin er tegenover De Telegraaf uitvoerig kond van deed hoe zij onder het mom van ‘gezellig even uitwaaien in [land], vriendinnen onder elkaar’ door [eiseres] naar [land] was gelokt, om daar tegen haar wil aan bloedtests te worden onderworpen en uiteindelijk ter seksuele consumptie aan de losse handjes van [naam] te worden aangeboden, sloeg het nationale medelijden om in verbijstering en verontwaardiging. Niks volksheldin, [eiseres] bleek een escortdame (foei!) en ook nog eens een mensensmokkelaar (schande!) te zijn. Na wat huiszoekingen in haar appartement in Oud-Zuid werd het weer stil rond de blondine.”

2.21.

Bij akte van 16 januari 2013 heeft [fotograaf] de auteursrechten op de naaktfoto (zie onder 2.20), alsmede de vorderingsrechten uit hoofde van auteursrechtinbreuken, voorafgaand aan de datum van overdracht overgedragen aan [eiseres].

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert (samengevat) om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [tijdschrift] te veroordelen de in de dagvaarding omschreven onrechtmatige uitingen over [eiseres] op de website van [tijdschrift] en in het bijzonder op de webpagina [tijdschrift]te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden;

  2. Te verklaren voor recht dat de in het lichaam van de dagvaarding genoemde uitingen onrechtmatig zijn jegens [eiseres];

3. [tijdschrift] te bevelen in de eerstvolgende editie van de [tijdschrift] op de in het petitum van de dagvaarding nader aangegeven wijze en met de daarin eveneens opgenomen tekst een rectificatie te plaatsen, althans een zodanige rectificatie middels een zodanig medium als de rechtbank in goede justitie zal menen te behoren;

4. [tijdschrift] ertoe te veroordelen de onder 4 bedoelde rectificatie in een duidelijk kader op de openingspagina van haar website [tijdschrift] te plaatsen en geplaatst te houden, zodanig dat elke bezoeker deze als eerste te lezen krijgt gedurende 365 dagen zonder verder commentaar;

5. [tijdschrift] te veroordelen de verspreiding van de in het lichaam van de dagvaarding genoemde publicaties te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden;

6. Te bepalen dat [tijdschrift] bij iedere niet nakoming van één van de hierboven onder 1 tot en met 5 genoemde verplichtingen jegens eiseres een direct opeisbare boete zal verbeuren van € 150.000,-- per overtreding en van € 10.000,-- per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, zulks met een maximum per overtreding van
€ 250.000,--;

7. [tijdschrift] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding van
€ 75.000,-- , althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen vergoeding voor de door eiseres geleden schade als gevolg van de onrechtmatige uitingen van [tijdschrift], te vermeerderen met de wettelijke rente;

8. Te verklaren voor recht dat de verveelvoudiging en openbaarmaking van de naaktfoto van [eiseres] een inbreuk oplevert in de zin van artikel 1 Aw en mitsdien onrechtmatig is jegens [eiseres];

9. [tijdschrift] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 25.000,- voor de door [eiseres] geleden schade ten gevolge van de auteursrechtinbreuk, te vermeerderen met de wettelijke rente;

10. [tijdschrift] te veroordelen tot betaling van de integraal gemaakte kosten van juridische bijstand in en buiten rechte met betrekking tot de onder 8 genoemde auteursrechtinbreuk op grond van artikel 1019h Rv;

11. [tijdschrift] voorts te veroordelen in de kosten van dit geding te vermeerderen met de wettelijke rente;

12. [tijdschrift] te veroordelen in de na het vonnis ontstane kosten.

3.2.

[tijdschrift] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Onrechtmatige uitlatingen

4.1.

De vorderingen van [eiseres] tot rectificatie en schadevergoeding vormen een beperking van het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting dat aan [tijdschrift] op grond van artikel 10 lid 1 EVRM toekomt. Dit recht kan slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van [tijdschrift] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW. Bij die beoordeling moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen. Het belang van [eiseres] is er in dit verband in het bijzonder in gelegen dat zij niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Het belang van [tijdschrift] bestaat erin dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend, en/of waarschuwend moet kunnen uitlaten ter voorlichting van het publiek omtrent misstanden die de samenleving raken. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. In dit geval zijn de volgende omstandigheden relevant: de gedragingen van [eiseres], de aard van de verdachtmakingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor [eiseres]; de ernst van de misstand welke [tijdschrift] aan de kaak beoogt te stellen; de mate waarin de uitlatingen ten tijde van de publicatie steun vonden in het toen beschikbare feitenmateriaal; de inkleding van de verdachtmakingen en de aard van het medium waarin de uitlatingen zijn gedaan.

4.2.

Vaststaat dat [eiseres] door haar opzienbarende ontsnapping uit [land], haar al dan niet vriendschappelijke relatie met [naam] en het relaas van [vriendin] in De Telegraaf de aandacht van de media heeft getrokken. In augustus en september 2011 is er in diverse media over deze gebeurtenissen gepubliceerd. Als gevolg daarvan is [eiseres] een ‘public figure’ geworden. Dat brengt met zich dat zij zich, in het bijzonder rondom die gebeurtenissen, meer publiciteit moet laten welgevallen dan een willekeurig ander persoon.

4.3.

[tijdschrift] is een opiniërend maandblad. De gewraakte passages (zowel de tekst in de inhoudsopgave, de editorial, de inleiding op het hoofdartikel en het hoofdartikel in het [datum] als de Rubriek Bijzaken in het [datum] over [eiseres]) zijn geschreven in een luchtige, spottende, badinerende en enigszins neerbuigende stijl. [tijdschrift] spreekt zelf van “brutaal, opiniërend, direct en tongue in cheek”. Volgens vaste rechtspraak mogen aan dit soort opiniërende teksten niet dezelfde (hoge) eisen worden gesteld als aan onderzoeksjournalistiek. In een dergelijk stuk is overdrijving, een spottende toonzetting en uitvergroting een toelaatbare vorm. Dit is anders voor zover bepaalde gegevens niet anders dan als feiten zijn te lezen. Daarvoor geldt dat deze voldoende steun moeten vinden in het ten tijde van de publicatie van de tekst beschikbare feitenmateriaal. De rechtbank zal hieronder de gewraakte uitlatingen per onderwerp bespreken.

De relatie met [naam]

4.4.

In de gewraakte passages worden meerdere toespelingen gemaakt op een affectieve c.q. seksuele relatie die [eiseres] zou hebben gehad met [naam]. In de editorial staat:“…pikte….op in Londen…”, “…of de beentjes daarna gespreid gingen… vertelt de mare niet, wel dat ze daarna blijven daten.” en “…had … alleen geen gehoopte maagd te pakken…”, terwijl in het stuk in de uitgave van [datum] is vermeld:“…dat geregeld op de – kuch – koffie bleek te gaan….”. [eiseres] ontkent dat zij en [naam] een affectieve c.q. seksuele relatie hebben gehad en stelt dat sprake was van een louter vriendschappelijke relatie. In het interview met het AD van[datum] (zie onder 2.10) heeft zij verklaard dat [naam] haar nooit heeft aangeraakt.

4.5.

De rechtbank acht deze uitlatingen van [tijdschrift] niet onrechtmatig en overweegt daartoe dat [tijdschrift] zich heeft beperkt tot het doen van toespelingen, die van overdrijvende en spottende aard zijn. Mede gelet op de door [tijdschrift] gehanteerde stijl, het soort maandblad dat [tijdschrift] is en het publiek waartoe zij zich richt, stond dit haar in de gegeven omstandigheden vrij. Het enkele feit dat [tijdschrift] tevens suggereert dat [eiseres] en [naam] een affectieve of seksuele relatie hadden, terwijl die relatie volgens [eiseres] zelf louter vriendschappelijk was, leidt niet tot een ander oordeel. Vaststaat dat [eiseres] een relatie met [naam] onderhield en dat diverse binnen- en buitenlandse media daarover hebben bericht. De door [tijdschrift] gewekte suggestie dat er meer aan de hand was (zij presenteert dit niet als feit), hoort tot de journalistieke vrijheid.

De verdenking van mensenhandel

4.6.

[tijdschrift] besteedt op een aantal plaatsen - in de tekst over [eiseres] in het hoofdartikel en in het artikel in de uitgave van [datum] - aandacht aan het relaas van [vriendin]. Onder meer vermeldt [tijdschrift]: ”De vriendin verklaarde later in een interview met De Telegraaf …” en “Toen een voormalige vriendin er tegenover De Telegraaf uitvoerig kond van deed…”. De rechtbank stelt vast dat [tijdschrift] met deze uitlatingen niet meer doet dan het weergeven van het relaas van [vriendin] in De Telegraaf. Het staat [tijdschrift] vrij om samen te vatten wat [vriendin] enkele maanden eerder aan De Telegraaf heeft verteld. Gesteld noch gebleken is dat er tussen het moment van het interview met [vriendin] in De Telegraaf en de gewraakte publicaties in [tijdschrift] feiten bekend zijn geworden die maken dat het verhaal van [vriendin] ongeloofwaardig of lasterlijk is. Integendeel: [eiseres] heeft het relaas van [vriendin] op meerdere punten (zoals het ondergaan van de bloedtest en de ontvangst van USD 20.000,-) bevestigd. In het stukje tekst in de inhoudsopgave vermeldt [tijdschrift] ten slotte als “sappige update” dat [eiseres] eind september 2011 is aangehouden op verdenking van mensenhandel. Dat is niet meer en minder dan een ten tijde van de publicatie bekend feit.

De vlucht uit [land] in augustus 2011

4.7.

[eiseres] beklaagt zich erover dat [tijdschrift] zich in het hoofdartikel misplaatst en grievend uitlaat over de armbreuk die zij opliep bij haar sprong uit het hotel in [plaats] (“Ah gossie!”) en dat zij de journalist [journalist] heeft geciteerd zonder zijn uitspraken bij [eiseres] te verifiëren. De rechtbank is het met [eiseres] eens dat de uitlating “Ah gossie!” misplaatst is, maar dat maakt haar nog niet onrechtmatig. Ten aanzien van het (zeer korte) citaat van [journalist] heeft te gelden dat er geen rechtsregel is die [tijdschrift] gebiedt een dergelijk citaat ter verificatie aan [eiseres] voor te leggen.

Relaties van [eiseres]

4.8.

In de editorial schrijft [hoofdredacteur] dat [eiseres] een relatie heeft gehad met de [naam 2] van de [tijdschrift] “… met wie ze het ruim twee jaar volhield in een knipperlichtrelatie.” Tussen partijen staat vast dat het hier gaat om [naam 2] en dat [eiseres] een relatie met hem heeft gehad. In de tekst over [eiseres] in het hoofdartikel schrijft [tijdschrift] over [naam 2], die geanonimiseerd wordt opgevoerd: “Dat [eiseres] het niet alleen makkelijk verdient, maar ook soepel uitgeeft, blijkt wel uit de creditcard afschriften van een ex-minnaar (een ‘succesvolle ondernemer’, tevens eigenaar van ’een website’) die naar onze redactie werden gestuurd. Hieruit blijkt dat mevrouw naar hartenlust met diens creditcard tekeerging.” [eiseres] ontkent dat zij met de creditcard van [naam 2] tekeer is gegaan. [tijdschrift] heeft echter onweersproken gesteld dat [naam 2] creditcardafschriften aan [tijdschrift] heeft verstrekt en heeft toegelicht welke daarop vermelde uitgaven door [eiseres] zijn gedaan. Voor deze uitlatingen van [tijdschrift], die (in tegenstelling tot veel van de andere uitlatingen) als feiten worden gepresenteerd ([tijdschrift] gebruikt tweemaal “blijkt”), geldt daarmee dat deze steun vinden in ten tijde van de publicatie van de tekst beschikbaar feitenmateriaal en derhalve niet onrechtmatig zijn. De verwijzing door [eiseres] naar een vonnis van 7 november 2012 in een procedure tussen haar en [naam 2] maakt dit niet anders. In die procedure heeft [naam 2] diverse geldvorderingen tegen [eiseres] ingesteld, maar geen vordering in verband met creditcardgebruik door [eiseres], zodat het belang daarvan onduidelijk is; en overigens dateert dit vonnis van ná de publicatie in [tijdschrift].

4.9.

[tijdschrift] spreekt daarnaast enkele malen over een relatie tussen [eiseres] en een bekende vastgoedondernemer. Tussen partijen is in confesso dat hiermee [vastgoedondernemer] wordt bedoeld. In de tekst over [eiseres] in het hoofdartikel schrijft [tijdschrift] dat de “… tamtam beweert … dat een bekende vastgoedinvesteerder uit ‘da hood’ de huur van haar appartement in Oud-Zuid betaalde, waarin volgens vriendin [vriendin] alleen een bed stond. Wij kunnen ons wel indenken wat voor wederdiensten er zoal van [eiseres] werden verlangd….”. In de tekst op de website schrijft [tijdschrift] dat [eiseres] “…een Nederlandse vastgoedinvesteerder zo ver (had) gekregen haar gratis in een stulpje in Oud-Zuid te laten wonen…”. In de tekst in de inhoudsopgave geeft [tijdschrift] als “sappige update” dat “…de ‘bekende Amsterdamse vastgoedondernemer’…” die [eiseres] “…zo af en toe voor wat interfysieke gezelligheid…” bezocht, nu door [eiseres] zou worden gechanteerd. Daaraan is toegevoegd: “Saillant detail: de man is getrouwd. Om de money supply gaande te houden, dreigde [eiseres] naar zijn vrouw te stappen en alles op te biechten. Deze afpersing is nog altijd gaande. Wordt dus vervolgd.” [eiseres] ontkent dat zij ooit een affectieve c.q. seksuele relatie met [vastgoedondernemer] heeft gehad, en heeft voorafgaande aan de comparitie een verklaring van [vastgoedondernemer] overgelegd, waarin deze dit bevestigt.

Nu [tijdschrift] dit onderwerp in het hoofdartikel niet zonder meer als feit presenteert (het verhaal wordt geïntroduceerd met de frase dat “De tamtam beweert…”), handelt zij daarmee niet onrechtmatig jegens [eiseres].

Dit is anders voor wat betreft de tekst in de inhoudsopgave. De daar als “update” bij het verhaal over de vastgoedondernemer gepresenteerde afpersing (“Deze afpersing is nog altijd gaande.”) wordt zonder enige terughoudendheid als feit gepresenteerd. Afpersing is een strafbaar feit en in dit kader een ernstige beschuldiging jegens [eiseres]. Het had, gelet op de ontkenning hiervan door [eiseres], op de weg van [tijdschrift] gelegen om feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit blijkt dat deze - ernstige - beschuldiging voldoende steun vindt in het ten tijde van de publicatie van de tekst beschikbare feitenmateriaal. [tijdschrift] heeft dit nagelaten en heeft slechts gesteld dat zij één bron had voor dit verhaal, te weten [vastgoedondernemer] zelf. Nog daargelaten de vraag of één bron in het onderhavige geval genoeg zou zijn voor de door [tijdschrift] voorgestane conclusie, heeft [tijdschrift] op dit punt geen bewijs aangeboden. Integendeel, [tijdschrift] heeft juist aangegeven dat [vastgoedondernemer] een en ander zeker niet zal willen bevestigen omdat hij later gebrouilleerd is geraakt met [tijdschrift] en hij er daarnaast belang bij heeft te zwijgen over een buitenechtelijke relatie. Derhalve wordt aan bewijsvoering niet toegekomen en neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de beschuldiging geen steun vindt in het ten tijde van de publicatie van de tekst beschikbare feitenmateriaal. Dit leidt tot het oordeel dat de uitlatingen in de inhoudsopgave over afpersing van [vastgoedondernemer] onrechtmatig zijn jegens [eiseres].

Associatie met prostitutie

4.10.

[eiseres] verwijt [tijdschrift] voorts dat zij haar in het artikel als hoer neerzet.

Naar het oordeel van de rechtbank doet [tijdschrift] dat één keer, te weten waar [eiseres] in de eerste zin van de tekst in de Rubriek Bijzaken wordt aangeduid als “…fotomodel annex sekswerkstertje…”. Het gaat hier, ondanks de kennelijke neerbuigende, spottende en badinerende toon van de tekst, om iets dat als feit wordt gepresenteerd, terwijl [tijdschrift] daar geen deugdelijke onderbouwing voor heeft. [tijdschrift] stelt dat uit het strafdossier blijkt dat [eiseres] volgens meerdere getuigen in het verleden werkzaam is geweest in de prostitutie en/of escort. Dat is echter, nog daargelaten de vraag of daarmee voor deze kwalificatie voldoende steun in het feitenmateriaal is te vinden, geen feit dat rechtvaardigt dat [tijdschrift] [eiseres] in het kader van deze rubriek zonder enige toelichting als “sekswerkstertje” aanduidt. Deze uitlating is dan ook onrechtmatig jegens [eiseres].

4.11.

Dat geldt niet voor de andere uitlatingen van [tijdschrift] waarin over escort of prostitutie wordt gesproken. De voorlaatste zin van de tekst in de uitgave van [datum] (“Niks volksheldin, [eiseres] bleek een escortdame (foei!) en ook nog eens een mensensmokkelaar (schande!) te zijn.”) kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gelezen dan als een spottende weergave van het publieke sentiment naar aanleiding van de verhalen die begin september 2011 en naar aanleiding van het relaas van [vriendin], in de media de ronde deden. Dat in de tussentijd de zaak tegen [eiseres] bij gebrek aan bewijs was geseponeerd, maakt niet dat [tijdschrift] dit sentiment niet meer op deze wijze mag weergeven. In het hoofdartikel en de overige gewraakte passages uit de uitgave van november 2011, wordt ook louter over prostitutie gesproken in de context van het verhaal van [vriendin] en de verdenking van mensenhandel (“De vriendin verklaarde later in een interview met De Telegraaf dat ze onder valse voorwendselen door [eiseres] was meegelokt, om te worden ingezet voor prostitutie.”). Deze uitlatingen zijn, zoals hiervoor al overwogen, niet onrechtmatig. Het feit dat de drie andere dames die in het artikel (net als [eiseres]) in de categorie “Überdiggers” worden geplaatst volgens [tijdschrift] als escort werken dan wel een escortbureau runnen, is tenslotte evenmin onrechtmatig jegens [eiseres] nu dit op haarzelf geen betrekking heeft.

“Een half contingent [tijdschrift]”

4.12.

[eiseres] acht verder onrechtmatig dat [tijdschrift] (in de editorial) schrijft dat “Een half contingent [tijdschrift] 500-leden…” [naam] voor was geweest. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om een evidente overdrijving. Er is sprake van enige basis in de feiten; onbetwist is dat [eiseres] enkele (al dan niet louter vriendschappelijke) relaties heeft gehad met rijke mannen. In de context van de editorial staat het (de hoofdredacteur van) [tijdschrift] vrij om dat feit uit te vergroten en te overdrijven.

(Overige) waardeoordelen

4.13.

[eiseres] komt ten slotte op tegen het oordeel van [tijdschrift] dat zij een “golddigger” is en tegen allerlei negatieve uitlatingen over “golddiggers”. De rechtbank overweegt dat het hier uitsluitend gaat om waardeoordelen. [tijdschrift] heeft een grote vrijheid om zich op deze wijze uit te laten. [eiseres] stelt dat ook waardeoordelen enig aanknopingspunt in de onderliggende feiten moeten hebben. Als gezegd is onweersproken dat [eiseres] enkele (al dan niet louter vriendschappelijke) relaties heeft gehad met rijke mannen, onder wie de extravagant levende [naam], die een dubieuze reputatie had, van wie zij ook geld heeft ontvangen. Daar mag [tijdschrift] een waardeoordeel over hebben en dit uiten.

De algemene uitlatingen van [tijdschrift] over “golddiggers” (zoals “de uitvreters van de moderne tijd” in de inhoudsopgave en de retorische vraag Waarom een leven lang ploeteren voor die Rolex Daytona als je hem ook kunt krijgen/jatten van je ‘schatje’?” in de editorial) hebben niet specifiek betrekking op [eiseres] en zijn dus niet onrechtmatig jegens haar.

Portretrechtinbreuk

4.14.

[eiseres] betoogt dat [tijdschrift] inbreuk heeft gemaakt op haar portretrecht, maar legt deze inbreuk niet, althans niet kenbaar, ten grondslag aan een van haar vorderingen. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank evenwel dat [eiseres] naar haar oordeel geen redelijk belang als bedoeld in artikel 21 Auteurswet heeft om zich tegen het gebruik van haar portret bij de onder rov. 2.17 en 2.19 aangehaalde teksten te verzetten. [eiseres] verzet zich tegen publicatie van de foto’s vanwege de onrechtmatige context waarin zij worden geplaatst. [tijdschrift] heeft drie foto’s van [eiseres] gepubliceerd: twee kleine portretfoto’s en een uitsnede uit de [tijdschrift 2]-reportage. Volgens [eiseres] toont de foto bij het hoofdartikel haar op haar meest weerloze moment, namelijk kort na haar vlucht uit [plaats]. Gegeven het feit dat [eiseres] ten tijde van de publicatie sterk in de belangstelling stond, juist vanwege haar ontsnapping uit het hotel in [plaats], dient het belang van [tijdschrift] bij publicatie van deze foto zwaarder te wegen dan dat van [eiseres]. Voorts is van belang dat de overige door [tijdschrift] gebruikte foto’s ook al in andere media waren gepubliceerd. De rechtbank komt weliswaar tot het oordeel dat enkele passages in de publicaties in [tijdschrift] onrechtmatig zijn, maar gelet op het feit dat [eiseres] inmiddels een ‘public figure’ was geworden en haar portret in vele media was gepubliceerd, komt de rechtbank tot het oordeel dat zij geen redelijk belang heeft om zich tegen publicatie daarvan te verzetten.

Auteursrechtinbreuk

4.15.

Tussen partijen is niet in geschil dat [tijdschrift] geen toestemming heeft verkregen van de fotograaf [fotograaf] om de onder 2.20 genoemde naaktfoto uit [tijdschrift 2] te publiceren, zodat daarmee de auteursrechtinbreuk vaststaat. [eiseres] legt deze auteursrechtinbreuk aan het onder 8, 9 en 10 gevorderde ten grondslag. [tijdschrift] verweert zich met het argument dat het auteursrecht pas na de gestelde inbreuk is overgedragen, zodat [eiseres] geen vordering heeft als auteursrechthebbende. Nu [fotograaf] evenwel niet alleen het auteursrecht, maar ook alle vorderingsrechten uit hoofde van reeds gemaakte inbreuken aan [eiseres] heeft overgedragen, kan [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank wel tegen een inbreuk (op het auteursrecht van [fotograaf]) opkomen. Anders dan [tijdschrift] ziet de rechtbank niet hoe met de overdracht van deze vorderingsrechten sprake zou kunnen zijn van misbruik van recht; de stelling van [tijdschrift] dat de publicatie zonder de overdracht geoorloofd zou zijn geweest is onjuist, omdat zonder de overdracht [fotograaf] had kunnen opkomen tegen de inbreuk. Evenmin kan [tijdschrift] worden gevolgd in haar betoog dat geen sprake is van een auteursrechtinbreuk omdat sprake zou zijn van een impliciete licentie nu [fotograaf] en [eiseres] ruim een jaar niet hebben opgetreden tegen het gebruik van de foto door [tijdschrift]. [tijdschrift] heeft inbreuk gemaakt op het auteursrecht van [fotograaf] en [eiseres] mag daar - ook na verloop van een jaar - tegen opkomen. Ten slotte heeft [tijdschrift] aangevoerd dat sprake is van een toelaatbaar citaat: de foto was relevant in de context van het artikel, de normale exploitatie is daardoor niet negatief beïnvloed. Ook dit verweer slaagt niet, al was het alleen maar omdat [tijdschrift] heeft nagelaten de bron, waaronder de naam van de maker, bij de publicatie te vermelden, terwijl gesteld noch gebleken is dat dit redelijkerwijs niet mogelijk was. Daarnaast is de rechtbank met [eiseres] van oordeel dat de omvang van de gepubliceerde foto niet door het te bereiken doel wordt gerechtvaardigd.

Gevolgen voor het gevorderde

4.16.

Het onder 1 gevorderde wordt afgewezen, nu de op de website gepubliceerde tekst naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig is. [eiseres] betoogt ten onrechte dat deze tekst anders zou moeten worden beoordeeld dan de teksten in de [tijdschrift] zelf omdat sprake zou zijn van een reclame-uiting; er is hier evident geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:194 BW. [eiseres] kan zich als privé persoon niet op de betreffende bepaling beroepen en er is geen sprake van een misleidende mededeling, nu de tekst op de website slechts een verwijzing is naar hetgeen er in de [tijdschrift] van november te lezen valt.

4.17.

De onder 2 gevorderde verklaring voor recht leent zich voor gedeeltelijke toewijzing, nu enkele van de in de dagvaarding aangehaalde uitlatingen naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig zijn jegens [eiseres].

4.18.

De onder 3 gevorderde veroordeling tot rectificatie in [tijdschrift] zal, nu de rechtbank enkele van de door [eiseres] genoemde passages onrechtmatig acht, in aangepaste vorm worden toegewezen. Anders dan [tijdschrift], is de rechtbank niet van oordeel dat [eiseres] geen belang meer heeft bij een rectificatie gelet op het tijdsverloop tussen de publicatie en de rectificatie. Zij heeft onweersproken gesteld dat zij bij haar werk als fotomodel nog steeds last heeft van de publicaties. Dat een rectificatie alleen maar weer de aandacht vestigt op de vele negatieve publiciteit die [eiseres] in 2011 te verduren heeft gehad, zoals [tijdschrift] stelt, is iets wat [eiseres] kennelijk voor lief neemt.

4.19.

Voor een veroordeling tot het plaatsten van een rectificatie op de website (petitum onder 4) ziet de rechtbank geen aanleiding, in het bijzonder nu de op de website gepubliceerde tekst naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig is.

4.20.

Het onder 5 gevorderde verbod zal bij gebrek aan belang worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat de teksten thans nog worden gepubliceerd en dat [tijdschrift] van plan is de teksten in de toekomst opnieuw te gaan publiceren.

4.21.

Onder 6 vordert [eiseres] om dwangsommen te koppelen aan de op te leggen verboden en geboden. De rechtbank zal een - gematigde en gemaximeerde - dwangsom stellen op niet naleving van de veroordeling tot rectificatie.

4.22.

Onder 7 vordert [eiseres] immateriële schadevergoeding. Nu de rechtbank enkele van de gewraakte uitlatingen onrechtmatig acht en voldoende aannemelijk is dat [eiseres] daardoor immateriële schade heeft geleden, bestaande uit aantasting van haar eer en goede naam, bestaan er gronden om een schadevergoeding toe te kennen. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij als gevolg van de publicatie in [tijdschrift] problemen heeft gekregen met het verkrijgen van modellenwerk. Dat in diverse andere media ook (zeer) negatief is bericht over [eiseres], maakt niet dat er geen sprake is van immateriële schade als gevolg van de publicaties in [tijdschrift]. De rechtbank zal met die omstandigheid wel rekening houden bij de begroting van de schade.

De rechtbank begroot de immateriële schade, rekening houdende met in min of meer vergelijkbare gevallen toegewezen bedragen, op € 2.500,-. Ook de gevorderde wettelijke rente leent zich voor toewijzing.

4.23.

De vordering onder 8 moet worden afgewezen nu gesteld noch gebleken is welk (afzonderlijk) belang [eiseres] - naast de onder 9 gevorderde schadevergoeding - heeft bij deze veroordeling.

4.24.

Onder 9 vordert [eiseres] vergoeding van de als gevolg van de auteursrechtinbreuk geleden schade. [eiseres] heeft het recht om deze vergoeding te vorderen overgenomen van [fotograaf], dus kan slechts vergoeding vorderen van de door [fotograaf] geleden schade. [fotograaf] is fotograaf en heeft derhalve een commercieel belang bij gebruik (tegen betaling) door media van foto’s waarop hij auteursrechthebbende is. Indien media zonder zijn toestemming foto’s gebruiken, lijdt hij schade doordat hij geen licentievergoeding heeft kunnen bedingen en ontvangen. [eiseres] stelt dat [fotograaf] € 25.000,- heeft ontvangen voor de reportage die hij in 2000 voor de [tijdschrift 2] maakte, en meent dat daarom de schade op dit bedrag moet worden begroot. De rechtbank gaat aan dat betoog voorbij omdat er een groot verschil bestaat tussen het maken van een uitgebreide fotoreportage voor [tijdschrift 2] - waarvan een groot deel wordt gebruikt voor de voorpagina en het hoofdartikel - en het gebruik door een derde, jaren later, van één van de foto’s. [tijdschrift] heeft aangevoerd dat voor het gebruik van een dergelijke foto in deze context tussen de € 500,- en € 1.000,- het absolute maximum zou moeten zijn en ter gelegenheid van de comparitie heeft zij gesteld dat een fotograaf niet meer dan € 100,- pleegt te ontvangen voor het gebruik van een dergelijke foto. De rechtbank zal de schade van [fotograaf] begroten op € 500,- en dat bedrag aan [eiseres] toewijzen. Ook de gevorderde wettelijke rente leent zich voor toewijzing.

4.25.

[tijdschrift] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat slechts een deel van de gevorderde bedragen worden toegewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 92,82

- griffierecht € 842,00

- salaris advocaat € 768,00 (2 punten × tarief € 384,-)

Totaal € 1.702,82

4.26.

De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van artikel 1019h Rv een aparte proceskostenveroordeling toe te wijzen in verband met de auteursrechtinbreuk, nu [eiseres] geen proceskostenoverzicht in het geding heeft gebracht. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [tijdschrift] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door in de inhoudsopgave van haar uitgave van [datum] als “update” bij het artikel in dat nummer over “Golddiggers” te vermelden dat [eiseres] een bekende vastgoedondernemer chanteerde en door [eiseres] in haar uitgave van [datum] als “sekswerkstertje” aan te duiden;

5.2.

beveelt [tijdschrift] om in de tweede editie van de [tijdschrift] die na het wijzen van dit vonnis verschijnt op pagina 3 zonder enige toevoeging en zonder enig commentaar de volgende rectificatie te plaatsen in een duidelijk zwart kader onder een kop in kapitalen met de tekst:



RECTIFICATIE [eiseres]

In de [tijdschrift] van [datum] hebben wij, in het artikel over “Golddiggers”, onder meer aandacht besteed aan [eiseres]. In de inhoudsopgave hebben wij als “update” gegeven dat [eiseres] een bekende vastgoedondernemer chanteerde door te dreigen naar zijn vrouw te stappen en hun buitenechtelijke relatie op te biechten. Deze beschuldiging vindt geen steun in het ten tijde van de publicatie van de tekst beschikbare feitenmateriaal en is onrechtmatig jegens [eiseres]. Verder hebben wij [eiseres] in de [tijdschrift] van [datum] aangeduid als “sekswerkstertje”. Deze aanduiding vindt ook geen steun in het ten tijde van de publicatie van de tekst beschikbare feitenmateriaal en is eveneens onrechtmatig jegens [eiseres]. De rechtbank Amsterdam heeft ons opgedragen deze rectificatie te plaatsen, en ons veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [eiseres].
Redactie [tijdschrift]”;

5.3.

bepaalt dat [tijdschrift] een dwangsom verbeurt van € 5.000,- indien zij het bevel onder 5.2 niet nakomt, te vermeerderen met € 5.000,- voor elke opvolgende editie waarin zij de rectificatie niet plaatst, met een maximum van € 50.000,-;

5.4.

veroordeelt [tijdschrift] om aan [eiseres] te betalen een schadevergoeding van
€ 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 1 mei 2013,

5.5.

veroordeelt [tijdschrift] om aan [eiseres] te betalen een schadevergoeding van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 1 mei 2013,

5.6.

veroordeelt [tijdschrift] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.702,82;

5.7.

veroordeelt [tijdschrift] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien [tijdschrift] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en het vonnis daarna is betekend, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H.J. Konings, mr. F.J. Verhoeven- van de Poel en mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2014.