Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3085

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-05-2014
Datum publicatie
30-05-2014
Zaaknummer
555986/13-1985
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de kinderrechter is de trein van de uithuisplaatsing te snel gaan rijden en dient er thans eerst aan de rem te worden getrokken. Pas als de noodzaak blijk uit zorgvuldig onderzoek, de moeder niet meewerkt aan noodzakelijke behandeling en begeleiding en aldus alternatieven hebben gefaald kan (alsnog) een uithuisplaatsing volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Verlenging machtiging uithuisplaatsing

Zaaknummer: 555986/13-1985

Beschikking van de kinderrechter in de bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van de verzoeken van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

hierna ook te noemen: het BJAA,

met betrekking tot de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum];

[minderjarige 2], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum].

[moeder], wonende op een geheim adres, is de moeder.

[vader], wonende op een geheim adres, is de vader.

De moeder is belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de moeder en de vader.

1 Verloop van de procedure

Het verloop van de procedure tot 9 januari 2014 is weergegeven in de beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van die datum, welke hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Op 25 april 2014 zijn ter griffie van de kinderrechter te Amsterdam ontvangen aanvullende stukken van het BJAA.

Op 29 april 2014 heeft de kinderrechter wederom de verzoeken ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen en gehoord zijn:

  • -

    De moeder, bijgestaan door mr. M. Mulder;

  • -

    [naam 1] en [naam 2], namens het BJAA

Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.

2 Beoordeling van het verzochte

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 12 november 2013 zijn voornoemde minderjarigen onder toezicht gesteld.

In het kader van de ondertoezichtstelling zijn de minderjarigen uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij een pleegouder is geldig tot 10 mei 2014.

Standpunten van partijen en belanghebbenden

Namens het BJAA heeft [naam 1] gepersisteerd bij de verzoeken. Haar aantekeningen heeft zij ter zitting overgelegd, waarvan een kopie aan deze beschikking is gehecht en waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Het BJAA acht het van het grootste belang dat er een stabiele thuissituatie bij de moeder is. Deze is er op dit moment niet. Het BJAA kan hier ook niet goed aan werken nu de moeder het BJAA geen toegang tot haar huis verleent.

De moeder heeft ter terechtzitting aangegeven dat zij naar aanleiding van de vorige beschikking zich heeft gemeld bij de GGZ, waar zij gevraagd heeft om een persoonlijkheidsonderzoek. De GGZ hebben haar aangegeven dat zij alleen behandelingen doen en geen diagnoses stellen.

De moeder wil het belang van de minderjarigen voorop stellen.

Namens de moeder heeft de raadsvrouw verweer gevoerd. De raadsvrouw stelt dat er drie pijlers zijn:

1. de moeder;

2. de minderjarigen en

3. de thuissituatie.

Ten aanzien van punt 1 heeft de raadsvrouw opgemerkt dat het BJAA stelt dat de moeder ernstige problematiek heeft en dat zij behandeld moet worden. Voordat de moeder behandeld kan worden, moet er eerst vastgesteld worden wat de moeder heeft. De moeder staat er voor open om dat te laten uitzoeken.

Ten aanzien van punt 2 heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de minderjarigen momenteel lijden onder de uithuisplaatsing. Zij kunnen dan ook nu niet goed worden onderzocht.

Ten aanzien van het derde punt heeft de raadsvrouw aangegeven dat spoedhulp een huisbezoek heeft afgelegd. Het huis is op orde, de financiële situatie is op orde, er zijn geen onveilige situaties in huis.

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing dient te worden afgewezen.

Het klopt dat de samenwerking tussen de moeder en het BJAA niet goed verloopt, maar de moeder werkt wel mee aan de noodzakelijke opdrachten.

Oordeel kinderrechter

De kinderrechter stelt vast dat de Raad voor de Kinderbescherming bij de behandeling van het verzoek ondertoezichtstelling op 12 november 2013 een mondeling verzoek tot uithuisplaatsing heeft gedaan. Dit verzoek is door de kinderrechter afgewezen omdat dit mondelinge verzoek onvoldoende was onderbouwd. Kort na deze afwijzing is door BJAA een spoedverzoek uithuisplaatsing ingediend. Dit verzoek is zonder hoor en wederhoor toegewezen. De stukken die betrekking hebben op die beslissing bevinden zich niet in het dossier. De kinderrechter leidt uit het verdere verloop af dat de verleende spoedmachtiging voor een beperkte periode is verlengd. Op 9 januari 2014 heeft de kinderrechter wederom de verzoeken behandeld om de kinderen voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen. De kinderrechter heeft besloten de uithuisplaatsing voor een beperkte periode te verlengen tot 10 mei 2014. In de beschikking heeft de kinderrechter expliciet overwogen dat enerzijds de moeder meer moet meewerken om het perspectief op terugplaatsing te onderzoeken en dat BJAA anderzijds meer oog zou moeten hebben voor de situatie waarin de moeder zich door de uithuisplaatsing bevind, waardoor het contact wellicht beter wordt.

De kinderrechter stelt vast dat de moeder via spirit spoedhulp inzicht heeft gegeven in de feitelijke situatie thuis. Door Spirit is vastgesteld dat er sprake is van warm water in de woning, de woning er opgeruimd uitziet en de financiën op orde zijn.

De moeder heeft via de huisarts contact gezocht met de GGZ voor een persoonlijkheidsonderzoek. In die zin heeft moeder tot op zekere hoogte voldaan aan de opdracht om beter mee te werken. De moeder kan niet verweten worden dat de GGZ zonder hulpvraag geen diagnostisch onderzoek wil verrichten. Ter zitting heeft de moeder wel aangegeven mee te willen werken aan een persoonlijkheidsonderzoek ondanks het ontbreken van een hulpvraag. De GGZ heeft aangegeven geen onderzoek te kunnen verrichten wegens het ontbreken van een hulpvraag. De kinderrechter kan zich voorstellen dat er bij BJAA behoefte bestaat aan een persoonlijkheidsonderzoek ten einde te laten onderzoeken of er sprake is van een stoornis of gedragsprobleem. Het is echter aan BJAA om dit onderzoek te faciliteren nu het niet mogelijk is om via de GGZ dit onderzoek te laten verrichten. De kinderrechter gaat er van uit dat de moeder haar toezegging na zal komen dat zij mee zal werken aan een persoonlijkheidsonderzoek door een onafhankelijke gedragsdeskundige.

Ter zitting is door BJAA aangegeven dat de moeder tijdens de (beperkte) omgang zich tegenover de kinderen goed gedraagt. Zo heeft moeder de kinderen op een rustige toon uitgelegd dat ze niet met haar mee naar huis kunnen. Wel is er in afwezigheid van de kinderen een incident geweest tussen de moeder en de gezinsmanager. Alhoewel ook de kinderrechter ter zitting heeft waargenomen dat de moeder verbaal intimiderend overkomt, vormt dit gedrag geen zelfstandige grond voor een uithuisplaatsing.

De kinderrechter stelt verder vast dat er diagnostisch onderzoek bij de kinderen wordt verricht bij de Bascule. De eerste bevindingen zouden mondeling zijn medegedeeld aan de gezinsmanager. Ter zitting is door de kinderrechter de noodzaak van dit onderzoek met moeder besproken en de moeder heeft aangegeven mee te zullen blijven werken aan verder onderzoek.

Alles afwegende is de kinderrechter allereerst van oordeel dat er zeker zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen. Er is een bedreiging die een ondertoezichtstelling rechtvaardigt, maar een uithuisplaatsing is in dit stadium een te ingrijpende maatregel. Zolang niet duidelijk is of en welke diagnose er gesteld kan worden bij de kinderen is voorzichtigheid ten aanzien van inbreuken op artikel 8 EVRM aan de orde. Gebleken is dat de kinderen zijn gehecht aan de moeder. Een uithuisplaatsing zonder dat exact duidelijk is wat de oorzaak is van de kind signalen brengt ook een risico met zich mee ten aanzien van de hechting. De kinderrechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het verbale gedrag van de moeder van invloed is op beslissingen die in deze zaak zijn genomen. Naar het oordeel van de kinderrechter is de trein van de uithuisplaatsing te snel gaan rijden en dient er thans eerst aan de rem te worden getrokken. Pas als de noodzaak blijk uit zorgvuldig onderzoek, de moeder niet meewerkt aan noodzakelijke behandeling en begeleiding en aldus alternatieven hebben gefaald kan (alsnog) een uithuisplaatsing volgen.

Door de (te) snelle uithuisplaatsing is er geen ruimte geweest voor ambulante hulpverlening. Daarbij dient zeker ook in ogenschouw te worden genomen dat een uithuisplaatsing zelf ook tot (onherstelbare) hechtingschade bij de kinderen kan leiden.

Teneinde de terugplaatsing naar de moeder goed te begeleiden wordt de uithuisplaatsing voor een korte duur verlengd.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

3 Beslissing

De kinderrechter:

- verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen voor verblijf bij een pleegouder met ingang van 10 mei 2014 tot 1 juni 2014;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. van de Water, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 mei 2014, in tegenwoordigheid van mr. H. de Haan - Bogaard, griffier.1

1 Aan deze plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen op grond van de artikelen 69 en 72 van de Wet op de Jeugdzorg, tenzij op andere wijze in betaling wordt voorzien.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH / fax: 020 - 541 1899).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.