Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3084

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
30-05-2014
Zaaknummer
561118 / JE RK 14/364 561120 / JE RK 14/365 561121 / JE RK 14/366
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter acht het laakbaar dat zowel de kinderrechter als de advocaat van de minderjarige pas op de zitting op de hoogte zijn gebracht van het voornemen om de minderjarige door te plaatsen naar Zeeland, terwijl het BJAA dit voornemen, gezien de aanwezigheid van DV&O in het cellencomplex, al voor de zitting had voorbereid. Tijdens de zitting, voorafgaande aan de uitspraak heeft de kinderrechter bij het BJAA al aangedrongen op een time-out van een maand om de voorgenomen beslissing nog eens te overwegen. De kinderrechter is van oordeel dat het BJAA op dat moment geen open kaart heeft gespeeld door op dat moment niet aan te geven dat het BJAA niet bereid is om over deze suggestie na te denken en dat bij een verlenging de minderjarige direct vanuit de rechtbank met DV&O naar Zeeland zou worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg

zaaknummer: 561118 / JE RK 14/364 (verl ots)

zaaknummer: 561120 / JE RK 14/365 (gesl muhp)

zaaknummer: 561121 / JE RK 14/366 (uhp)

Beschikking van de kinderrechter in de bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van de verzoeken van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

hierna ook te noemen: het BJAA,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum].

[moeder], wonende te [woonplaats], is de moeder.

[vader], wonende te [woonplaats], is de vader.

De ouders zijn belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de minderjarige en de ouders.

1 Verloop van de procedure

Het BJAA heeft onlangs de naam gewijzigd in Jeugdzorg. Aangezien de statutaire naam naar de rechtbank heeft begrepen nog niet is gewijzigd hanteert de rechtbank nog de naam BJAA.

Op heeft 12 maart 2014 heeft het BJAA een verzoekschrift met bijlagen ingediend, waaronder het hulpverleningsplan en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige voor de duur van een jaar.

Tevens verzoekt het BJAA een machtiging te verlenen om de minderjarige in gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van zes maanden en aansluitend een machtiging voor een plaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder voor de duur van zes maanden.

Tijdens na te noemen zitting is het verzoekschrift door het BJAA gewijzigd, in die zin dat het (aansluitende) verzoek machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder is ingetrokken.

Een indicatiebesluit en een verklaring van instemming van een gedragswetenschapper conform artikel 29b lid 5 Wet op de jeugdzorg (Wjz), die de minderjarige met het oog op de plaatsing in gesloten jeugdzorg kort voordien heeft onderzocht, zijn overgelegd, met dien verstande dat het indicatiebesluit is gedateerd op 22 juli 2013 en aldus zijn gelding verliest op 22 juli 2014.

Op 13 mei 2014 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen en gehoord zijn:

  • -

    de minderjarige (tevens apart gehoord), bijgestaan door haar raadsvrouw mr. R. el Hessaïni;

  • -

    namens het BJAA: [naam 1];

  • -

    [naam 2], bij de Koppeling;

  • -

    de vader.

Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de moeder niet verschenen.

2 Beoordeling van het verzochte

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 16 mei 2012 is voornoemde minderjarige onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 16 mei 2014.

In het kader van de ondertoezichtstelling is voornoemde minderjarige uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging voor verblijf in een accommodatie van een zorgaanbieder is geldig tot 16 mei 2014.

Namens het BJAA heeft [naam 1] gepersisteerd bij de (gewijzigde) verzoeken.

Zij heeft daartoe onder meer naar voren gebracht, zakelijk weergegeven, dat de minderjarige de afgelopen periode meermalen is weggelopen uit de Koppeling. Op de momenten dat zij weer werd gevonden, bleek zij onder invloed. Daarnaast wordt de minderjarige in verband gebracht met een grootschalig loverboy-onderzoek in de Koppeling. Gelet daarop kan de veiligheid van de minderjarige in de Koppeling thans niet meer worden gegarandeerd. De bedoeling is nu dan ook om de minderjarige over te plaatsen naar een instelling buiten de regio Amsterdam. Hierbij wordt gedacht aan Paljas Plus, dit betreft een gesloten instelling in Kortegene te Zeeland. De minderjarige zal daar onder andere moeten gaan leren om weerbaarder te worden. Ook moet haar verslavingsproblematiek worden behandeld.

Zowel de gezinsmanager als [naam 2] hebben ter zitting de stelling dat de minderjarige mogelijk betrokken zou zijn bij loverboy praktijken niet kunnen onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden. Er is uitsluitend verwezen naar een begin van een justitieel onderzoek dat onlangs zou zijn opgestart.

De vader heeft ter zitting te kennen gegeven, zakelijk weergegeven, dat hij zich zorgen maakt om zijn dochter. Hij denkt dat zij misschien strenger aangepakt moet worden.

De minderjarige heeft zich ter zitting verzet tegen inwilliging van het verzoek machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg. De minderjarige heeft hiertoe ter zitting een door haar geschreven brief voorgehouden en overgelegd aan de kinderrechter. Hierin heeft zij, kort gezegd, uiteengezet dat een gesloten plaatsing een te strak kader voor haar is en een averechtse werking op haar gedrag heeft. De minderjarige is van mening dat zij hierdoor is verhard. Ook bestaat er bij haar veel onduidelijkheid over het verdere traject en toekomstperspectief. De minderjarige voelt veel weerstand ten aanzien van het plan om haar naar een gesloten instelling in de Zeeland over te plaatsen. Zij denkt dat het daar verder bergafwaarts met haar zal gaan. Zij kent daar niemand, terwijl een vertrouwensrelatie met haar behandelaars noodzakelijk is voor een succesvolle behandeling van haar problematiek. De minderjarige zou graag voor een korte periode naar het buitenland willen gaan en daar een project volgen zodat zij even tot rust zou kunnen komen. De minderjarige ontkent overigens ook maar iets met loverboy-praktijken te maken te hebben. De minderjarige erkent wel dat zij blowt. Volgens haar is dat mede het gevolg van de situatie waarin zij zich bevindt.

In een reactie op enkele aanvullende vragen van de raadsvrouw heeft [naam 1] te kennen gegeven, zakelijk weergegeven, dat tot op heden nog niet is gestart met een behandeling van de verslavingsproblematiek van de minderjarige bij de Jellinek of de Brijder-stichting. Dit past nog niet in de huidige behandeling van de minderjarige. Voorts merkt [naam 1] op dat de instelling Paljas Plus qua omvang en grootte gelijk staat aan de Koppeling. De behandeling van de minderjarige kan ook worden voortgezet binnen deze nieuwe instelling, maar de minderjarige zal wel een nieuwe behandelaar krijgen. Voor het BJAA staat in ieder geval vast dat de minderjarige niet langer in de Koppeling zal kunnen verblijven, gelet op de risicovolle situaties die dan zullen ontstaan bij het op verlof gaan van de minderjarige.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het verzoek tot een verlening van de ondertoezichtstelling gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter.

Ten aanzien van het verzoek machtiging uithuisplaatsing gesloten jeugdzorg, heeft de raadsvrouw verzocht om dit verzoek toe te wijzen voor kortere duur, te weten voor de duur van drie maanden. De raadsvrouw heeft daartoe onder meer aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat een voortzetting van een plaatsing van de minderjarige binnen de gesloten jeugdzorg een averechtse werking op de minderjarige heeft. Er bestaat daarbij ook veel onduidelijkheid bij de minderjarige over haar toekomstperspectief. Een plaatsing van de minderjarige in een instelling in Zeeland acht de raadsvrouw onwenselijk. De minderjarige zal daar weer een geheel nieuwe vertrouwensband moeten opbouwen en dit is, mede gelet ook op haar hechtingsproblematiek, niet in het belang van haar verdere ontwikkeling.

Nu de gronden voor een ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn, dient de maatregel te worden verlengd.

De kinderrechter is voorts van oordeel dat sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen bij de minderjarige die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren,en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen wordt onttrokken.

De kinderrechter rechter vraagt zich wel af op welke gronden is gekozen voor deze draconische maatregel. De situatie van de minderjarige, waarbij de ontwikkeling met vallen en opstaan en betere en minder periodes verloopt wijkt niet wezenlijk af van de situatie van de meeste meiden die in de koppeling verblijven. Daarnaast vraagt de kinderrechter zich af of een langer durende plaatsing in de gesloten jeugdzorg so wie so nog wel in het belang van de minderjarige is. Wellicht is het “medicijn” uitgewerkt of is het maximaal haalbare effect al bereikt. De minderjarige verblijft inmiddels al bijna een jaar in een gesloten setting. Of meer van hetzelfde zal leiden tot meer effect is maar zeer de vraag.

De kinderrechter zal het verzoek machtiging gesloten jeugdzorg om deze reden toewijzen voor een kortere duur, te weten voor de duur van één maand en houdt daarbij het resterende deel van het verzoek aan. De kinderrechter overweegt daartoe dat het perspectief van de minderjarige op dit moment erg ongewis is. De kinderrechter acht dit niet in het belang van een goede verdere ontwikkeling van de minderjarige. De noodzaak van een (over)plaatsing van de minderjarige naar een gesloten instelling in Zeeland is door het BJAA thans onvoldoende onderbouwd. De kinderrechter acht het mede daarom dan ook van essentieel belang dat het BJAA gedurende de komende periode een risico-analyse zal gaan opmaken, waarin de kansen maar ook de risico’s worden beschreven van een overplaatsing van de minderjarige naar een dergelijke instelling buiten de regio Amsterdam. Ook dient hierin duidelijk te worden gemotiveerd waarom een plaatsing van de minderjarige aldaar beter zou aansluiten op de problematiek en ontwikkeling van de minderjarige. Anders gezegd: Wat kan in Zeeland aan behandeling worden geboden wat de Koppeling niet kan.

De kinderrechter verzoekt BJAA om die reden de komende periode onderzoek te doen naar eventuele andere mogelijkheden voor een plaatsing van de minderjarige. Hierbij dient te worden gedacht aan een deelname van de minderjarige aan een project in het buitenland, zoals zij zelf heeft voorgesteld. Ook de mogelijkheid van een plaatsing van de minderjarige bij de vader, met daarbij intensieve ambulante behandeling, dient in dit onderzoek te worden meegenomen, alsmede de mogelijkheid van een deelname aan een pleegzorgtraject van het Leger des Heils. De kinderrechter acht het overigens onduidelijk waarom een behandeling van de verslavingsproblematiek van de minderjarige bij de Jelinek tot op heden nog niet is opgezet en acht het van belang dat hiermee op korte termijn zal worden gestart. Te meer daar als argument voor de doorplaatsing naar Zeeland door het BJAA is genoemd dat de minderjarige daar kan werken aan de blowproblematiek.

Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op het feit dat het indicatiebesluit slechts tot 22 juli 2014 geldig is en de verklaring van instemming van een gedragsdeskundige qua inhoud enkel ziet op een plaatsing van de minderjarige binnen de Koppeling, ziet de kinderrechter aanleiding het verzoek toe te wijzen voor een kortere duur dan verzocht, te weten voor de duur van een maand. De kinderrechter gaat er vanuit dat het BJAA de keuze voor doorplaatsing naar een instelling voor gesloten jeugdzorg in Zeeland ter instemming voor zal leggen aan een gedragsdeskundige en dat deze gedragsdeskundige vanuit zijn of haar deskundigheid in voldoende onafhankelijke mate zal oordelen of de instemming wel of niet zal worden gegeven. De kinderrechter houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen datum en tijdstip vóór 16 juni 2014.

Ook dient het loverboy argument met concrete feiten en omstandigheden te worden onderbouwd. Thans speelt dit argument in ieder geval geen enkele rol in de overwegingen van de kinderrechter.

Nu het BJAA het (aansluitende) verzoek machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder ter zitting heeft ingetrokken, zal de kinderrechter dit verzoek niet-ontvankelijk verklaren.

Ten overvloede zal de kinderrechter nog enkele opmerkingen maken over de gang van zaken nadat de uitspraak was gedaan. Direct na de uitspraak is het de kinderrechter gebleken dat het BJAA het transport van de minderjarige naar Zeeland al had voorbereid middels de dienst DV&O. In het cellencomplex bij de rechtbank stonden medewerkers van deze dienst al klaar om de minderjarige direct naar Zeeland te brengen. De kinderechter heeft bij de wachtcommandant van de parketpolitie navraag gedaan of de minderjarige ook daadwerkelijk naar Zeeland is gebracht, hetgeen het geval was. De kinderrechter acht het laakbaar dat zowel de kinderrechter als de advocaat van de minderjarige pas op de zitting op de hoogte zijn gebracht van het voornemen om de minderjarige door te plaatsen naar Zeeland, terwijl het BJAA dit voornemen, gezien de aanwezigheid van DV&O in het cellencomplex, al voor de zitting had voorbereid. Tijdens de zitting, voorafgaande aan de uitspraak heeft de kinderrechter bij het BJAA al aangedrongen op een time-out van een maand om de voorgenomen beslissing nog eens te overwegen. De kinderrechter is van oordeel dat het BJAA op dat moment geen open kaart heeft gespeeld door op dat moment niet aan te geven dat het BJAA niet bereid is om over deze suggestie na te denken en dat bij een verlenging de minderjarige direct vanuit de rechtbank met DV&O naar Zeeland zou worden gebracht.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

3 Beslissing

De kinderrechter:

- verlengt de ondertoezichtstelling ten aanzien van voornoemde minderjarige met ingang van 13 mei 2014 voor de duur van een jaar, uit te voeren door het BJAA, gevestigd te Amsterdam;

- verleent een machtiging om voornoemde minderjarige in een gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven met ingang van 13 mei 2014 voor de duur van een maand;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- verstaat dat het BJAA vóór 16 juni 2013 een (recent) indicatiebesluit en een (recente) verklaring van instemming van een gedragswetenschapper, die de minderjarige met het oog op de plaatsing in gesloten jeugdzorg in Zeeland kort voordien heeft onderzocht, zal overleggen;

- houdt iedere verdere beslissing aan tot een nader te bepalen datum en tijdstip vóór 16 juni 2014 en beveelt daarbij de oproeping van het BJAA, de minderjarige, de raadsvrouw en de ouders van de minderjarige;

- verklaart het (aansluitende) verzoek machtiging uithuisplaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. van de Water, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 mei 2014, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Wouters, griffier.1

1 Aan deze plaatsing zijn kosten verbonden, in welke kosten de ouders dienen bij te dragen op grond van de artikelen 69 en 72 van de Wet op de Jeugdzorg, tenzij op andere wijze in betaling wordt voorzien.Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH / fax: 020 - 541 1899).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.