Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3049

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
AMS 14-2298 en AMS 14-2881
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nieuwe aanvraag na eerdere afwijzing bijstandsuitkering in verband met gezamenlijke huishouding. Gelet op de duur van het verblijf van zijn zus op Curaçao en de reden daarvan kan het tijdelijk verblijf van zijn zus op Curaçao niet afdoen aan het bestaan van een gezamenlijk hoofdverblijf. Onweerlegbaar rechtsvermoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 14/2298 en AMS 14/2881

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 mei 2014 in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde mr. H. Beekelaar),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. D. Ahmed).

Procesverloop

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende beroep tegen het besluit van verweerder van 13 mei 2014 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 mei 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

1.2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

1.3. Het verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend in de bezwaarfase. In de uitnodiging voor de zitting zijn partijen wel gewezen op de mogelijkheid om artikel 8:86 van de Awb toe te passen. Een dag voor de zitting heeft verweerder het bestreden besluit genomen en is beroep daartegen ingesteld. Ter zitting hebben partijen de rechtbank tevens verzocht om direct op het beroep te beslissen. De feiten en omstandigheden in de hoofdzaak vergen naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen nader onderzoek, zodat de voorzieningenrechter van de bevoegdheid om op het beroep te beslissen gebruik zal maken.

2.1. Verzoeker heeft op 28 augustus 2013 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 18 september 2013 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat verzoeker op het adres [adres] te Amsterdam een gezamenlijke huishouding voerde met zijn zus, P.C. Melian. Bij besluit op bezwaar van 26 november 2013 heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd. Verzoeker heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

2.2. Verzoeker heeft op 17 maart 2014 opnieuw een aanvraag om een WWB-uitkering ingediend. Bij besluit van 3 april 2014 heeft verweerder deze aanvraag onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb afgewezen op de grond dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd na het besluit van 18 september 2013.

3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat er in dit geval geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die een andere beslissing rechtvaardigen. Verzoeker en zijn zus staan volgens de gemeentelijke basisadministratie (gba) ingeschreven op de [adres] te Amsterdam en hebben daar hun hoofdverblijf. De vakantie van zijn zus op Curaçao is tijdelijk van aard en levert geen nieuwe feiten of omstandigheden op, aldus verweerder.

4.

Verzoeker betwist het standpunt van verweerder dat hij geen nieuwe of gewijzigde feiten of omstandigheden heeft aangevoerd. Verzoeker heeft melding gemaakt van een gewijzigde omstandigheid, namelijk dat zijn zus op dit moment al vijf maanden op Curaçao verblijft. Daarom heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zijn zus haar hoofdverblijf heeft op de [adres] te Amsterdam. Van een eerder door verweerder aangenomen gezamenlijke huishouding tussen hem en zijn zus is geen sprake. Dat dit standpunt wellicht wijzigt wanneer zijn zus vanuit Curaçao weer terugkeert naar deze woning, doet hieraan volgens verzoeker niets af. Verzoeker dient dan melding te maken van de terugkeer van zijn zus en op dat moment dient verweerder per toekomende datum het recht op bijstand van verzoeker opnieuw te beoordelen, aldus verzoeker.

5.1.

In artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB is – voor zover van belang – bepaald dat als gehuwd of als echtgenoot mede wordt aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert.

5.2.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.3.

Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

6.1.

De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat sprake is van een nieuwe aanvraag die ziet op een andere beoordelingsperiode dan de vorige aanvraag van 28 augustus 2013. De onderhavige aanvraag ziet op de periode van de datum van de aanvraag op 17 maart 2014 tot de datum van het primaire besluit van 3 april 2014.

6.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is verweerder slechts bevoegd een aanvraag af te doen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb voor zover deze aanvraag ziet op de periode waarover reeds eerder is beslist. Bij wijze van voorbeeld van deze vaste rechtspraak noemt de voorzieningenrechter de uitspraak van de CRvB van 23 maart 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM0861). Zoals is erkend ter zitting door verweerder is in dit geval van een situatie als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb geen sprake, zodat verweerder niet bevoegd was de aanvraag op deze wijze af te doen. Dit betekent dat het beroep slaagt en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

6.3.

De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de rechtsgevolgen op de voet van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten.

6.4.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB ligt het, na intrekking van een periodieke bijstandsuitkering of afwijzing van een eerdere aanvraag om periodieke bijstand, op de weg van de aanvrager om aannemelijk te maken dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Bij wijze van voorbeeld van deze vaste rechtspraak noemt de voorzieningenrechter de hierboven genoemde uitspraak van de CRvB van 23 maart 2010.

6.5.

Op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker en zijn zus in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op het adres [adres] te Amsterdam. Uit het rapport van bevindingen van 31 maart 2014 blijkt dat zijn zus in de gba is ingeschreven op het hiervoor genoemde adres en haar spullen in deze woning liggen. Zij heeft ook niet verklaard dat zij haar woonplaats in Amsterdam heeft prijsgegeven. De behandelend internist heeft in een verklaring van 28 februari 2014 vermeld dat de zus van verzoeker sinds 30 december 2012 op Curaçao is, ten tijde van haar verblijf op Curaçao depressief is geworden en daardoor niet wil terugvliegen naar Nederland. Uit de door verzoeker op 26 maart 2014 op het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen afgelegde verklaring komt naar voren dat verzoeker niet weet wanneer zijn zus terugkomt naar Nederland en als zijn zus mocht terugvliegen van de dokter, zij alweer in Nederland zou zijn. Gelet op de duur van het verblijf van zijn zus op Curaçao en de reden daarvan is de voorzieningenrechter van oordeel dat het tijdelijk verblijf van zijn zus op Curaçao niet kan afdoen aan het bestaan van een gezamenlijk hoofdverblijf.

6.6.

De voorzieningenrechter stelt vast dat – in de periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag van 17 maart 2014 – verweerder bij besluit van 18 september 2013 verzoeker en zijn zus heeft aangemerkt als gehuwden. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB voldaan.

6.7.

Voor zover verzoeker stelt dat een aanvraag voor een gezinsuitkering zal worden afgewezen vanwege het verblijf van zijn zus op Curaçao, maakt vorenstaande conclusie niet anders.

6.8.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

6.9.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb bestaat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening geen aanleiding meer, nu heden op het beroep is beslist.

6.10.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 487,- met een wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht in beide zaken te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 90,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 974,-, te betalen aan verzoeker;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.P.M. van Boheemen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.

de griffier de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft de hoofdzaak (AMS 14/2881), kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening (AMS 14/2298) staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB