Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:3035

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
AMS 13-4508
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/4508

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2014 in de zaak tussen

[naam], te Amsterdam, eiser

(gemachtigde mr. D. op de Hoek),

en

de burgemeester van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigden mr. M. Boermans en R. de Boer).

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke maatregel opgelegd, inhoudende dat het gedogen van de exploitatie van eisers prostitutiebedrijf voor één maand onderbroken zal worden en dat het prostitutiebedrijf gedurende de maand december 2012 gesloten dient te zijn.

Bij besluit van 5 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.1. Eiser exploiteert een aantal (raam)prostitutiebedrijven, waaronder een bedrijf aan [adres 1] te Amsterdam. Verweerder heeft eiser voor dit bedrijf op 9 maart 2011 een exploitatievergunning verleend, die op 1 oktober 2012 is komen te vervallen. In de vergunningsvoorschriften van de exploitatievergunning is als voorschrift opgenomen dat het beheersplan, zoals ingeleverd op 23 maart 2009, wordt nageleefd. In het beheersplan is onder meer vermeld dat gedurende de uren dat de ramen worden geëxploiteerd de exploitant, dan wel bij zijn afwezigheid de beheerder namens de exploitant, “in de onmiddellijke nabijheid van de ramen” aanwezig zal zijn.

1.2. Op 2 maart 2012 is in het prostitutiebedrijf van eiser een bestuurlijke controle gehouden. De bevindingen van deze controle zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 5 maart 2012. In het rapport is onder meer vermeld dat tijdens deze controle een prostituee met de Roemeense nationaliteit is aangetroffen die zich identificeerde met een geldig Roemeens tijdelijk paspoort. Verder is opgenomen dat in haar paspoort een zogenaamde verblijfssticker was aangebracht die geldig was tot 2 maart 2012. In het rapport staat dat de prostituee op 2 maart 2012 niet met een geldig verblijfsdocument aan het werk was, hetgeen in strijd is met de vergunningsvoorwaarden.

1.3. Naar aanleiding van de bevindingen uit deze controle heeft verweerder eiser op 13 april 2012 schriftelijk geïnformeerd dat hij in overtreding is en bij een volgende constatering stap 2 van het Stappenplan 2004 in werking treedt.

1.4. Op 18 juli 2012 omstreeks 1:00 uur heeft opnieuw een bestuurlijke controle plaatsgevonden in het prostitutiebedrijf van eiser. De bevindingen van deze controle zijn opgenomen in het rapport van bevindingen van 18 juli 2012. In het rapport is, samengevat, onder meer vermeld dat een gecontroleerde prostituee omstreeks 1:10 uur heeft gebeld met eiser en dat eiser na enkele minuten kwam aanlopen. In het rapport staat dat eiser heeft verklaard dat hij veel heeft gedronken, dat hij vanavond vrij is en dat I. Josef (Josef) het beheer heeft. Eiser heeft Josef gebeld die vervolgens op een scooter kwam aanrijden, toen de toezichthouders omstreeks 1:45 uur het kantoor van eiser verlieten. In het rapport is verder opgenomen dat Josef heeft verklaard dat hij een broodje aan het eten was op het Rembrandtplein, dat hij de gehele avond in de buurt is geweest en dat hij ook thuis is geweest in Amsterdam-Zuid, in de buurt van de Van Woustraat/Tolstraat.

1.5. Bij brief van 9 augustus 2012 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel overeenkomstig stap 2 van het Stappenplan 2004 wegens overtreding van artikelen 1.7, aanhef en onder c, in samenhang met 3.32 en 3.34 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Eiser heeft hiertegen bij brief van 7 september 2012 een zienswijze ingediend.

1.6. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke maatregel opgelegd, inhoudende dat het gedogen van de exploitatie van eisers prostitutiebedrijf voor één maand onderbroken zal worden en dat het prostitutiebedrijf gedurende de maand december 2012 gesloten dient te zijn. In het primaire besluit is vermeld dat het toezicht in het prostitutiebedrijf van eiser onvoldoende is geweest.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 1 juli 2013, het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

3.

De rechtbank stelt voorop dat, hoewel de sluiting van het prostitutiebedrijf inmiddels voorbij is, een procesbelang behouden blijft, aangezien eiser heeft toegelicht dat hij door de sluiting schade heeft geleden en zijn belang bij de beoordeling van het beroep is gelegen in het vorderen van een mogelijke schadevergoeding.

4.1.

Eiser voert aan dat de ‘Handhavingsstrategie publiek toegankelijke inrichtingen Amsterdam 2012’ (Handhavingsstrategie 2012) van toepassing is op de geconstateerde overtredingen. Volgens eiser heeft verweerder het nieuwe beleid niet voorzien van een overgangsrechtelijke bepaling die – in afwijking van de ex nunc toetsing – toepassing van het Stappenplan 2004 rechtvaardigt. Voorts voert eiser aan dat de Handhavingsstrategie 2012 gunstiger voor hem is.

4.2.

Verweerder stelt dat het beleid als neergelegd in het Stappenplan 2004 van toepassing is, nu de twee overtredingen dateren van vóór 1 september 2012. Volgens verweerder blijkt uit de overgangsregeling bij de Handhandhavingsstrategie 2012 dat de schone-lei-gedachte niet geldt voor lopende zaken die zich reeds in een stap bevinden die een bezwaar- of beroepsprocedure tot gevolg heeft. Verweerder heeft in het overgangsrecht een bewuste keuze gemaakt, zodat niet wordt toegekomen aan de vraag of de Handhavingsstrategie 2012 gunstiger voor eiser zou zijn geweest, aldus verweerder.

4.3.

In de Handhavingsstrategie 2012, zoals die per 1 september 2012 geldt, is de volgende regeling opgenomen:

“De maatregelen van de strategie wijken op een aantal punten drastisch af van de vorige (vervallen) stappenplannen uit 2004. Als na de inwerkingtreding van de nieuwe handhavingsstrategie een overtreding wordt begaan wordt stap één van de nieuwe strategie opgelegd ongeacht in welke stap van het oude plan de ondernemer zich ook bevond. In feite begint iedere ondernemer die al in het oude stappenplan zat met een schone lei in de nieuwe handhavingsstrategie. Uitzondering hierop zijn lopende zaken die zich reeds in een stap bevinden die een bezwaar- of beroepsprocedure tot gevolg heeft. In deze gevallen begint men niet per definitie met een schone lei.”

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze tekst de exploitant op 1 september 2012 met een schone lei begint zodat stap 1 van het nieuwe handhavingsbeleid wordt toegepast op de eerste overtreding die ná 1 september 2012 wordt begaan. Beide (gestelde) overtredingen waarop het bestreden besluit ziet, zijn echter vóór die datum begaan, te weten stap 1 in maart 2012 en stap 2 in juli 2012. Op grond van de regeling is sprake van een lopende zaak die onder het oude handhavingsbeleid, het Stappenplan 2004, valt, ook al dateren het primaire besluit en het bestreden besluit van ná 1 september 2012. De rechtbank volgt eiser dus niet in zijn stelling dat er geen overgangsregeling bestaat. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de regeling van de Handhavingsstrategie 2012 op juiste wijze op het geval van eiser heeft toegepast. Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of de Handhavingsstrategie 2012 gunstiger voor eiser zou zijn geweest geen bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden. De beroepsgrond faalt.

5.1.

Eiser betwist dat op 18 juli 2012 in strijd met het beheersplan is gehandeld. Het beheersplan richt zich primair op de aanwezigheid van de exploitant. Pas bij afwezigheid van de exploitant, dient de beheerder zich in de onmiddellijke nabijheid van de ramen te bevinden. In het beheersplan is niet nader omschreven wat moet worden verstaan onder “onmiddellijke nabijheid”. Eiser stelt dat de bedoelde verplichting in het beheersplan moet worden gelezen in de context van de in 2008 spelende problematiek. De overlast betrof destijds alleen de panden[adres 2]en 83, waaruit eiser heeft mogen afleiden dat de eis van de fysieke aanwezigheid enkel die panden zou betreffen. Daarnaast voert eiser aan dat er sprake is van (mobiel) cameratoezicht.

5.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat op 18 juli 2012 het voorschrift uit het beheersplan over de vereiste aanwezigheid van de exploitant of de beheerder niet is nageleefd. De beheerder was op het Rembrandtplein een broodje gaan halen, ruim een kilometer van het prostitutiebedrijf vandaan. De omstandigheid dat eiser zelf op 18 juli 2012 snel ter plaatse was, maakt het standpunt van verweerder niet anders, omdat hij heeft verklaard dat hij die avond vrij was en de beheerder die avond verantwoordelijk was voor het beheer. Volgens verweerder is in het beheersplan bedoeld dat de dienstdoende leidinggevende zich in de onmiddellijke nabijheid van de ramen moet bevinden. Verweerder stelt dat de term “onmiddellijke nabijheid” betekent dat iemand zich binnen gezichtsveld en gehoorsafstand moet bevinden. Het Rembrandtplein is niet in de onmiddellijke nabijheid, zodat eiser in zijn beheer tekortschoot. Het beheersplan dat betrekking heeft op alle bordelen van eiser, heeft tot doel om het beheer aan te scherpen. Dat de overlast destijds bij de twee andere bordelen is geconstateerd, doet niet ter zake, aldus verweerder.

5.3.

Op grond van artikel 1.7, aanhef en onder c, van de APV kan een vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk worden gewijzigd of ingetrokken als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nagekomen.

Op grond van artikel 3.32, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, zorgen de exploitant en de leidinggevende ervoor dat in het prostitutiebedrijf uitsluitend prostituees werkzaam zijn die in het bezit zijn van een geldige verblijfstitel dan wel voor wie de exploitant beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen.

Op grond van artikel 3.34, aanhef en onder f, van de APV, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, kan een exploitatievergunning worden ingetrokken als de exploitant of leidinggevende het in artikel 3.32 en 3.33 bepaalde niet of onvoldoende nakomt.

Op grond van artikel 3.34, aanhef en onder g, van de APV, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, kan een exploitatievergunning worden ingetrokken als in strijd wordt gehandeld met hetgeen de exploitant in het bedrijfsplan heeft opgenomen.

5.4.

Onder paragraaf 24 van het Stappenplan 2004 zijn vier stappen genoemd voor de situatie waarin in strijd met de vergunning wordt geëxploiteerd. Na constatering van een overtreding wordt de ondernemer schriftelijk geïnformeerd dat hij in overtreding is en dat bij een volgende constatering stap 2 van het Stappenplan 2004 in werking treedt (stap 1). Bij een tweede overtreding wordt de vergunning voor één maand ingetrokken (stap 2). Bij een derde overtreding wordt de vergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken (stap 3) en na een vierde overtreding volgt feitelijke sluiting van het prostitutiebedrijf (stap 4).

5.5.

De rechtbank overweegt dat niet meer in geschil is dat de geconstateerde situatie op 2 maart 2012 in strijd is met artikel 3.32, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV en dat verweerder eiser voor deze overtreding stap 1 van het Stappenplan 2004 heeft kunnen opleggen.

5.6.

Ten aanzien van de geconstateerde situatie op 18 juli 2012 overweegt de rechtbank als volgt. Door in het beheersplan de term “onmiddellijke nabijheid” op te nemen, is er afgeweken van de destijds bestaande vaste gedragslijn van verweerder dat de exploitant of beheerder binnen vijftien minuten aanwezig dient te zijn. Partijen verschillen van mening over de uitleg van het in het beheersplan opgenomen criterium. De rechtbank stelt voorop dat eiser weliswaar binnen enkele minuten nadat de toezichthouders hem belden aanwezig was, maar hij heeft verklaard dat hij vrij was en Josef die avond het beheer had. Onder die omstandigheden was de aanwezigheid van eiser niet voldoende om aan het criterium uit het beheersplan te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich daarom op het standpunt heeft kunnen stellen dat de beheerder in de onmiddellijke nabijheid van de ramen aanwezig had moeten zijn. Wat er zij van hetgeen partijen over de term “onmiddellijke nabijheid” hebben opgemerkt, de rechtbank is van oordeel dat de beheerder hieraan in de gegeven omstandigheden in elk geval niet heeft voldaan. De aanwezigheid van de beheerder op het Rembrandtplein is niet voldoende nabij. De afstand tussen [adres 1] en het Rembrandtplein bedraagt immers ruim een kilometer. Een dergelijke afstand valt naar een redelijke uitleg van het criterium niet meer onder de onmiddellijke nabijheid van de ramen. De rechtbank acht het eten van een broodje geen gegronde reden om niet in de onmiddellijke nabijheid van de ramen aanwezig te zijn. Dat er (mobiel) cameratoezicht was, doet er niet aan af dat eiser de verplichting uit het beheersplan heeft overtreden. Uit het beheersplan blijkt dat de exploitant bij de uitoefening van het beheer van de werkruimten gelegen aan de[adres 2]en [adres 3]en de [adres 4]gebruik zal maken van de in het beheersplan opgenomen voorwaarden. Anders dan eiser meent, is de rechtbank niet gebleken dat de eis van de fysieke aanwezigheid enkel de panden aan de[adres 2]en [adres 3]zou betreffen dan wel dat deze eis zou inhouden dat bij overlast de exploitant of beheerder snel aanwezig dient te zijn.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de geconstateerde situatie op 18 juli 2012 in strijd is met de vergunningsvoorwaarden. De beroepsgrond faalt.

6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder in beginsel bevoegd was om stap 2 van het Stappenplan op te leggen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

7.

De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.P.M. van Boheemen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2014.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB