Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2985

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2014
Datum publicatie
01-08-2014
Zaaknummer
AMS 14-2347, 14-2350, 14-2356, 14-2358 en 14-2362
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

WMO, maatschappelijke opvang, uitgeprocedeerde vreemdelingen, 8 EVRM

Verzoekers zijn uitgeprocedeerde vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Zij worden door particulieren opgevangen in de [naam kerk]-kerk in Amsterdam. Zij hebben de gemeente verzocht om maatschappelijke opvang en stellen kwetsbare personen te zijn in de zin van artikel 8 van het EVRM. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat op grond van de door verzoekers overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat de fysieke en psychische gezondheid van verzoekers substantieel wordt bedreigd indien zij verstoken blijven van (maatschappelijke) opvang. In de door verzoekers overgelegde (medische) stukken is niet nader geconcretiseerd op welke wijze het onthouden van opvang een concrete bedreiging voor de fysieke en psychische gezondheid tot gevolg heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 14/2347, 14/2350, 14/2356, 14/2358 en 14/2362

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2014 in de zaak tussen

[verzoeker 1], verzoeker 1

[verzoeker 2], verzoeker 2

[verzoeker 3], verzoeker 3

[verzoeker 4], verzoeker 4

[verzoeker 5], verzoeker 5

hierna samen te noemen: verzoekers

allen te [woonplaats]

(gemachtigde mr. J. Klaas),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. F.M.E. Schuttenhelm).

Procesverloop

Verzoekers 1, 3, 4 en 5 hebben een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Deze verzoeken hangen samen met de door verzoekers ingediende bezwaren tegen de besluiten van verweerder van 8 mei 2014 (de bestreden besluiten).

Verzoeker 2 heeft een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met het door verzoeker ingediende bezwaar tegen het besluit van verweerder van 16 april 2014 (het bestreden besluit).

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 21 mei 2014.

Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Tevens is aan de zijde van verzoekers verschenen mr. W.G. Fischer. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, bijgestaan door S. Bontekoning.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat de voorzieningenrechter na of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de daarvoor vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2.1

Verzoekers zijn uitgeprocedeerd en hebben geen rechtmatig verblijf in Nederland. Zij worden op dit moment opgevangen door particuliere vrijwilligers in de [naam kerk]-kerk te Amsterdam. In de periode tussen december 2013 en februari 2014 hebben verzoekers verzocht om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) dan wel om buitenwettelijke hulp. Vanwege het uitblijven van een beslissing op de aanvragen hebben verzoekers aanleiding gezien om verweerder in gebreke te stellen en aansluitend een beroep niet tijdig beslissen in te dienen. Verzoekers hebben tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

2.2.

Bij de bestreden besluiten van 8 mei 2014 heeft verweerder alsnog afwijzend beslist op de aanvragen van verzoekers 1, 3, 4 en 5. Bij het bestreden besluit van 16 april 2014 heeft verweerder eveneens afwijzend beslist op de aanvraag van verzoeker 2. De reeds door verzoekers ingediende verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening worden geacht samen te hangen met de bezwaarschriften die zijn gericht tegen voornoemde bestreden besluiten.

3.1

Verweerder heeft, samengevat, het volgende aan de afwijzing van de aanvragen ten grondslag gelegd. Verzoekers kunnen vanwege hun verblijfsstatus en gelet op het koppelingsbeginsel van artikel 10 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 geen aanspraak maken op maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van kwetsbaarheid in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verzoekers zijn uitgenodigd door de GGD voor een medisch onderzoek om te toetsen of sprake is van een dergelijke kwetsbaarheid. Ter zitting heeft verweerder in aanvulling op de bestreden besluiten nader toegelicht dat verzoekers 4 en 5 zich niet bij de GGD hebben gemeld, zodat ten aanzien van hen niet kan worden vastgesteld of sprake is van kwetsbaarheid in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verzoekers 1, 2 en 3 hebben zich wel gemeld bij de GGD voor een medisch onderzoek, maar dit heeft niet geleid tot een ziekenboegindicatie, zodat evenmin kan worden gezegd dat bij hen sprake is van kwetsbaarheid in de zin van artikel 8 van het EVRM. Voorts merkt verweerder op dat verzoekers toegang hebben tot medische en psychosociale zorg via de [naam adres 1]. Niet is gebleken dat de behandeling voor de medische klachten van verzoekers zonder opvang niet mogelijk is.

3.2

Verzoekers hebben - kort gezegd - aangevoerd dat uit de overgelegde stukken genoegzaam blijkt dat zij als kwetsbaar in de zin van artikel 8 van het EVRM moeten worden aangemerkt en dat zij daarom recht hebben op opvang.

4.1

Niet in geschil is dat verzoekers vanwege hun verblijfsstatus ingevolge artikel 8 van de Wmo in samenhang met artikel 10 van de Vw 2000 geen recht hebben op voorzieningen van verweerder. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekers niet behoren tot de categorie kwetsbare personen in de zin van artikel 8 van het EVRM.

4.2

Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geoordeeld in zijn uitspraak van 29 juni 2011 (geregistreerd onder www.rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:CRVB:2011:BR1061) ligt het op de weg van een betrokkene om met een begin van bewijs te komen voor een geslaagd beroep op het bijzondere recht op bescherming ingevolge artikel 8 van het EVRM. Verzoekers dienen daartoe verklaringen over te leggen waaruit blijkt dat de fysieke en psychische gesteldheid van verzoekers substantieel wordt bedreigd indien zij verstoken blijven van (maatschappelijke) opvang.

4.3.

De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat op grond van de door verzoekers overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat de fysieke en psychische gezondheid van verzoekers substantieel wordt bedreigd indien zij verstoken blijven van (maatschappelijke) opvang (zie voornoemde uitspraak van de CRvB van 29 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1061) en overweegt hiertoe als volgt.

4.3.1

Uit de overgelegde verklaringen blijkt dat bij verzoekers sprake is van (soms omvangrijke) medische problematiek. In de door verzoekers overgelegde verklaringen van de GZ-psycholoog van het TOV wordt weliswaar gesteld dat deze medische problematiek niet te combineren is met de gevolgen die een leven op straat met zich meebrengt. Dit wordt echter niet nader geconcretiseerd. Niet wordt aangegeven op welke wijze het onthouden van opvang een concrete bedreiging voor de fysieke en psychische gezondheid tot gevolg heeft. De verklaringen zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter te algemeen van aard en te weinig concreet. Ze lijken eerder een maatschappelijk standpunt dan een medisch oordeel te behelzen. Aan de verklaringen kan daarom niet de betekenis worden toegekend die verzoekers hieraan willen toekennen.

4.3.2

Uit de overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter evenmin dat verzoekers zich thans voor hun medische klachten niet zouden kunnen laten behandelen en dat voor zover die behandeling gepaard zou moeten gaan met opname in een ziekenhuis, daarin niet zou worden voorzien. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband op dat voor verzoekers medische voorzieningen beschikbaar zijn via de bekostigingsgarantie van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet. Zou gedurende een extramurale medische behandeling, of zonder een dergelijke behandeling, sprake zijn van medisch noodzakelijke opvang, dan kunnen verzoekers een beroep doen op verweerder om daarin te voorzien in het kader van een ziekenboegindicatie.

5.1

Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de weigering van verweerder tot toelating tot (maatschappelijke) opvang in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij deze weigering en de particuliere belangen van verzoekers om wel toegelaten te worden (zie ook de uitspraken van de CRvB van 11 mei 2012 en 11 juli 2012, geregistreerd onder ECLI:NL:CRVB:2012:BW6227 en ECLI:NL:CRVB:2012:BX1262). Verzoekers hebben derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij behoren tot de categorie kwetsbare personen in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ondanks de gestelde belangen zullen de bestreden besluiten naar verwachting in bezwaar stand kunnen houden.

5.2

De voorzieningenrechter zal de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen. Voor een veroordeling in de proceskosten en vergoeding van het griffierecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. B. Kleiss, voorzieningenrechter,

in aanwezigheid van mr. K.N. van den Broek, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2014.

de griffier

de voorzieningenrechter

is buiten staat de uitspraak

te tekenen

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB

Coll: MB