Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2746

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
560815 / JE RK 14/399
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

"Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat de WSG de aanwijzing weliswaar heeft gegeven in het belang van de continuïteit en stabiliteit bij de verzorging van de minderjarigen maar daarbij het verkeerde middel heeft gebruikt. Artikel 1:258 derde lid staat een aanwijzing zoals door de WSG aan de moeder gegeven in de weg. Vast staat dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder is. In het kader van de ondertoezichtstelling is bij beschikking van de kinderrechter van 4 maart 2014 de machtiging uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen voor verblijf elders, te weten bij de met gezag belaste vader verlengd met ingang van 10 maart 2014 voor de duur van zes maanden. Nu het verblijf en daarmede de verzorging van de van de minderjarigen gedurende dag en nacht door de kinderrechter gegeven machtiging uitdrukkelijk bij de vader is gelegd, kan deze de facto niet door een aanwijzing van de WSG worden gewijzigd. De kinderrechter merkt op dat in een geval als het onderhavige de WSG een verzoek tot een aanvullende machtiging uithuisplaatsing met verzorging door de vriend van de vader had kunnen indienen. Immers, het naast elkaar bestaan van twee achtereenvolgende (elkaar op onderdelen aanvullende) machtigingen tot uithuisplaatsing is, indien dit in het belang is van het kind, niet in strijd met de wet.“

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0125

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Vervallen verklaring aanwijzing

Zaaknummer: 560815 / JE RK 14/399

Beschikking van de kinderrechter van bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van het verzoek van:

[moeder], hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. R. K. Uppal,

tegen

de William Schrikker Groep,

hierna ook te noemen: de WSG,

gevestigd te Diemen,

strekkende tot vervallenverklaring van de aanwijzing, gegeven in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen,

[minderjarige], geboren te [minderjarige 2] op [geboortedatum],

[minderjarige 2] geboren te [minderjarige 2] op [geboortedatum],

verder te noemen de minderjarigen.

[moeder], wonende te [woonplaats], is de moeder.

[vader], wonende te [woonplaats], is de vader.

De ouders zijn belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarigen.

1 Verloop van de procedure

Op 21 februari 2014 heeft de WSG aan de moeder een schriftelijke aanwijzing doen toekomen inzake de minderjarigen.

Op 3 maart 2014 heeft de moeder een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot vervallenverklaring van de aanwijzing.

Op 31 maart 2014 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld, waarvan afzonderlijk proces-verbaal is gemaakt. Bij deze gelegenheid is de behandeling van de zaak aangehouden.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de door de raadsman van de moeder op 15 april 2014 overlegde stukken en van de door de WSG op 15 april 2014 overlegde aanvullende stukken.

De behandeling van de zaak is voortgezet ter terechtzitting met gesloten deuren van 17 april 2014.

Verschenen en gehoord zijn:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar raadsman mr. R. K. Uppal;

  • -

    mr. A.S. Bodha, raadsvrouw van de vader;

  • -

    [medewerker] namens de WSG.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2 Beoordeling van het verzochte

De WSG is een stichting als bedoeld in artikel 1 sub f van de Wet op de Jeugdzorg, die als een bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden aangemerkt. Een aanwijzing door een stichting als bedoeld in artikel 1:258 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is een besluit in de zin van de Awb. Bij het nemen van een besluit tot het doen van een schriftelijke aanwijzing, dient de stichting de normen, die zijn neergelegd in de hoofdstukken 3 en 4 van de Awb in acht te nemen. Daarnaast mag een stichting zoals bedoeld in artikel 1 sub f van de Wet op de Jeugdzorg, niet handelen in strijd met de ongeschreven beginselen van behoorlijk bestuur.

Vaststaande feiten

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 10 maart 2009 zijn voornoemde minderjarigen onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd tot 10 maart 2015.

In het kader van de ondertoezichtstelling zijn de minderjarigen uit huis geplaatst. De laatst gegeven machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf bij de met gezag belaste vader is geldig tot 10 september 2014.

De vader verblijft sinds 23 februari 2014 gedurende twee maanden in het buitenland.

De bestreden aanwijzing houdt in dat:

  • -

    de minderjarigen tijdens de afwezigheid van de vader verblijven in de woning van de vader waar zij zorg krijgen van een goede vriend van de vader;

  • -

    de moeder tijdens de afwezigheid van de vader ieder weekend voor de minderjarigen zorgt;

  • -

    de moeder geen pogingen doet om de minderjarigen met of zonder politie weg te halen;

  • -

    de vaste bezoekregeling herleeft zodra de vader weer thuis is.

De WSG heeft aan haar aanwijzing ten grondslag gelegd dat de moeder het niet eens is met de bezoekregeling tijdens de afwezigheid van de vader. De WSG acht het van belang dat de minderjarigen gedurende de twee maanden van afwezigheid van de vader niet uit hun vertrouwde omgeving zijn omdat zij vanwege een verstandelijke beperking en autisme spectrum stoornis veel sturing en duidelijkheid nodig hebben om te kunnen functioneren.

Standpunten partijen en belanghebbenden

De moeder heeft verzocht de voornoemde schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren.

Bij monde van haar raadsman heeft zij het de volgende naar voren gebracht: de minderjarigen zijn niet gebaat bij een uitbreiding dan wel wijziging van de bestaande omgangsregeling zoals deze thans door de aanwijzing tot stand is gekomen. De aanwijzing heeft als gevolg dat de dagelijkse zorg van de kinderen wegens de langere afwezigheid van de vader in het buitenland wordt overgedragen aan een vriend van de vader. Dit is niet in het belang van de kinderen omdat voornoemde vriend geen kennis heeft van de specifieke verzorgingsbehoeften van de autistische minderjarigen. Daarnaast is de vader voor langere tijd in het buitenland. Het is onduidelijk wanneer hij zal terugkeren naar Nederland. Gedurende de afwezigheid van de vader ligt de verzorging en opvoeding derhalve feitelijk bij iemand anders dan door de machtiging uithuisplaatsing is bepaald. Daarnaast wijst de moeder erop dat zij heeft vernomen dat haar kinderen ter bloedafname met deze vriend in het AMC zijn geweest zonder dat zij als ouder met gezag hierover is geïnformeerd. Derhalve is voor deze medische behandeling haar toestemming niet verleend.

De WSG heeft verweer gevoerd. De WSG stelt dat de aanwijzing tot doel heeft ervoor te zorgen dat de minderjarigen in hun eigen vertrouwde omgeving worden verzorgd gedurende de periode dat de vader in het buitenland verblijft. De aanwijzing was noodzakelijk omdat de moeder niet instemde met het verblijf van de kinderen in de woning van de vader gedurende zijn afwezigheid. De moeder heeft getracht met behulp van de politie de minderjarigen uit de woning van de vader te halen. Voor beide minderjarigen is het van groot belang in hun vertrouwde omgeving te blijven omdat zij grote moeite hebben met veranderingen. Voorts is niet gebleken van onduidelijkheid rondom de datum van terugkomst van de vader. De WSG heeft hierover op 16 april 2014 nog contact met hem gehad en daarnaast is de ervaring dat de vader zijn afspraken met de WSG nakomt.

De raadsvrouw van de vader heeft aangevoerd dat de vader het niet wenselijk acht dat zijn kinderen buiten de omgangsregeling om bij de moeder verblijven gedurende zijn afwezigheid. Hij heeft de zorg tijdelijk overgedragen aan een goede vriend die de kinderen al jaren kent en weet om te gaan met de beperkingen van de kinderen. Voorts stelt de raadsvrouw dat de vader zelf de afspraak in het AMC voor één van de kinderen heeft gemaakt. Ten slotte geeft de raadsvrouw aan dat de geplande terugkeer van de vader 21 april 2014 is en hij in het verleden altijd op de afgesproken datum naar huis is teruggekeerd.

Oordeel kinderrechter

Het wettelijk kader van de ondertoezichtstelling biedt de gezinsvoogd de mogelijkheid - ter uitvoering van haar taak - een schriftelijke aanwijzing te geven, welke het doel van de ondertoezichtstelling moet dienen. De met het gezag belaste ouders de schriftelijke aanwijzing op te volgen. Ingevolge artikel 1:259 BW kan de kinderrechter onder andere op verzoek van de met het gezag belaste ouder de aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Nu bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven aan de stichting zoals bedoeld in artikel 1 sub f van de Wet op de Jeugdzorg een zekere beleidsvrijheid toekomt, beziet de kinderrechter- gegeven de taak van de gezinsmanager - of de gezinsmanager voldoende gronden heeft om de schriftelijke aanwijzing op te leggen.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de betreffende aanwijzing vervallen verklaard dient te worden met ingang van 18 april 2014 om 19:00 uur. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat de WSG de aanwijzing weliswaar heeft gegeven in het belang van de continuïteit en stabiliteit bij de verzorging van de minderjarigen maar daarbij het verkeerde middel heeft gebruikt. Artikel 1:258 derde lid staat een aanwijzing zoals door de WSG aan de moeder gegeven in de weg. Vast staat dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de moeder is. In het kader van de ondertoezichtstelling is bij beschikking van de kinderrechter van 4 maart 2014 de machtiging uithuisplaatsing van voornoemde minderjarigen voor verblijf elders, te weten bij de met gezag belaste vader verlengd met ingang van 10 maart 2014 voor de duur van zes maanden. Nu het verblijf en daarmede de verzorging van de van de minderjarigen gedurende dag en nacht door de kinderrechter gegeven machtiging uitdrukkelijk bij de vader is gelegd, kan deze de facto niet door een aanwijzing van de WSG worden gewijzigd. De kinderrechter merkt op dat in een geval als het onderhavige de WSG een verzoek tot een aanvullende machtiging uithuisplaatsing met verzorging door de vriend van de vader had kunnen indienen. Immers, het naast elkaar bestaan van twee achtereenvolgende (elkaar op onderdelen aanvullende) machtigingen tot uithuisplaatsing is, indien dit in het belang is van het kind, niet in strijd met de wet.1

De kinderrechter zal het verzoek van de moeder tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing dan ook toewijzen met ingang van 18 april 2014 om 19:00 uur.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

3 Beslissing

De kinderrechter:

- verklaart de schriftelijke aanwijzing van de WSG vervallen met ingang van 18 april 2014 om 19:00 uur;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.P.E. Has, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 april 2014, in tegenwoordigheid van mr. B.N. Voogd, griffier.2

1 HR, 6 februari 2004, NJ 2004, 25.

2 Tegen de beschikking staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.