Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2641

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
AMS 13-3212
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verval van vrijwillig verzekerde tijdvakken voor de Algemene Ouderdomswet als gevolg van de verhoging van de pensioenleeftijd, wordt door de rechtbank niet gezien als een schending van artikel 1 van het Europees Protocol. Er is in dit geval geen sprake van een actuele en afdwingbare claim op ouderdomspensioen. Er kan ook geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel worden gedaan. Het beroep is ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/3212

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde mr. A. Marijnissen).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een overzicht van zijn verzekerde tijdvakken voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) gestuurd.

Bij besluit van 21 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2014. Eiser is – met bericht van verhindering – niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde, alsmede door mr. A.P. van den Berg en mr. A. Slovacek, juridisch adviseurs bij verweerder.

Overwegingen

1.

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum]. Eiser is op 1 september 2004 vanuit[land] in Nederland komen wonen voor studie/werk. Eiser werkt thans in Nederland. Eiser is bij besluit van 16 juni 2011 per 1 september 2005 als ingezetene aangemerkt en daarmee verplicht verzekerd geacht voor de AOW.

1.2.

Eiser heeft op 3 april 2011 een aanvraag inkoop vrijwillige verzekering voor de AOW ingediend bij verweerder.

1.3.

Bij besluit van 22 juni 2011 heeft verweerder eiser een inkoopvoorstel gedaan, waarbij eiser zich vanaf zijn 15e verjaardag, dus van[datum] tot [datum] vrijwillig kan verzekeren voor een bedrag van € 2.998,27. Eiser heeft van dit aanbod gebruik gemaakt.

1.4.

Eiser verbleef vervolgens in de periode 20 juli 2011 tot en met 31 juli 2012 in[land].

1.5.

Op 24 september 2012 heeft eiser bij verweerder een nieuw pensioenoverzicht aangevraagd in verband met zijn verblijf in het buitenland. Op de terugzendbijlage vermeldt eiser dat hij op ‘mijnsvb’ heeft gezien dat hij pas vanaf [jaar] vrijwillig verzekerd is voor de AOW in plaats van vanaf [jaar].

1.6.

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser een nieuw pensioenoverzicht gestuurd, waarin de periode [datum] tot en met[datum] als vrijwillig verzekerde tijdvakken zijn aangemerkt. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.

Standpunten van partijen

2.1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder - kort samengevat - overwogen dat de periode[datum] tot en met[datum] door de verhoging van de pensioenleeftijd met de invoering van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd niet meer relevant is voor de opbouw van AOW-pensioen. De AOW wordt wettelijk berekend over 50 jaar voorafgaand aan de pensioenleeftijd en die is voor eiser [aantal jaar]. Alleen de (vrijwillig) verzekerde tijdvakken vanaf zijn 17e jaar zijn dus relevant. Hierop is geen uitzondering mogelijk, aldus verweerder.

Verder is het volgens verweerder evenmin mogelijk om de vrijwillige premie aan eiser te restitueren. De wetgever heeft dat uitdrukkelijk niet gewild, omdat dit tot bevoordeling ten opzichte van de verplicht verzekerden zou leiden. De omstandigheid dat slechts een klein gedeelte van de verplicht verzekerden op 15 en 16-jarige leeftijd premies heeft betaald, maakt dat niet anders.

2.2.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de verhoging van de pensioenleeftijd onjuist is geïmplementeerd. Het is namelijk in strijd met de Pensioenwet, standaard verzekeringsprincipes en het contractenrecht, aldus eiser. Er moet ofwel dekking worden geboden, of de premie moet worden terugbetaald. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat hij oneerlijk wordt behandeld, omdat hij een vrijwillige verzekering heeft afgesloten. Daardoor heeft hij premie betaald over zijn 15e en 16e levensjaar, terwijl ingezetenen van Nederland op die leeftijd meestal geen premie betalen, maar wel verplicht verzekerd zijn.

3.

Beoordeling van het beroep

Publiekrechtelijk regime

3.1.

Niet in geschil is dat het bestreden besluit in overeenstemming is met de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd.

3.2.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat, voor zover eiser zich beroept op verzekeringsprincipes en regels uit het contractenrecht, deze civielrechtelijk van aard zijn.

3.3.

Tussen eiser en verweerder is echter niet een civielrechtelijke verzekering tot stand gekomen. Eiser heeft geen contract afgesloten met een private verzekeringsmaatschappij, maar heeft zich met de inkoop van jaren over het verleden bij verweerder vrijwillig onder de werking van de publiekrechtelijke AOW gebracht. Die wet kent als basis niet een vrijwillige, maar een verplichte verzekering voor een ouderdomspensioen voor degenen die voldoen aan de voorwaarden voor die verplichte verzekering.

In dit verband wijst de rechtbank er in het bijzonder op dat het verval van verzekerde jaren tussen het 15e en het 17e levensjaar in de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd ook geldt voor (destijds) verplicht AOW-verzekerden.

3.4.

Onder verwijzing naar overweging 86 van het recente arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg (EHRM) van 24 oktober 2013 inzake[naam] (in het Engels gepubliceerd op http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-127227) betekent het feit dat een persoon onder een wettelijk socialezekerheidsstelsel van een Staat valt en daar deel van uitmaakt, niet noodzakelijkerwijs dat dat systeem niet kan worden gewijzigd.

3.5.

Daarbij dient wel te worden beoordeeld of sprake is van strijd met een ander civielrechtelijk gegeven: het recht op eigendom zoals neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) behorende bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Waar eiser zich in zijn beroepsgronden op het civiele recht heeft beroepen, en er sprake is van een verval van rechten, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de beroepsgronden van eiser aanvullen in die zin, dat eiser een beroep doet op bescherming van eigendom.

Eigendom

3.6.

Ingevolge artikel 1 van het EP heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

Op grond van het tweede tekstblok van dit artikel tasten de voorgaande bepalingen echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

3.7.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de inbreuk bij wet is geschied, zoals vereist in artikel 1 van het EP.

3.8.

Onder de term ‘eigendom’ (of ‘possessions’) in artikel 1 EP worden niet alleen bestaande bezittingen verstaan, maar ook vermogensbestanddelen.

3.9.

De rechtbank stelt vast dat eiser voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2013 geen bestaand recht had op een pensioen op grond van de AOW. Dat recht was er evenmin op de datum van het bestreden besluit. Het bestreden besluit bevat ook geen vaststelling met betrekking tot aanspraken, maar alleen een vaststelling van verzekerde tijdvakken die bij een mogelijke pensioenvaststelling in de toekomst in aanmerking genomen zouden moeten worden. Naar het oordeel van de rechtbank is er als gevolg van de inwerkingtreding van voornoemde wet en de toepassing hiervan bij het bestreden besluit dan ook geen sprake van een ontneming van een dergelijk bestaand recht of vermogensbestanddeel in strikte zin en is er in zoverre ook geen sprake van schending van artikel 1 van het EP.

3.10.

Zoals blijkt uit vaste rechtspraak van het EHRM (zie bijvoorbeeld het al genoemde arrest inzake Damjanac, maar ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 21 december 2012, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:2012:BY7897) vallen onder vermogensbestanddelen ook (nog) niet bestaande aanspraken, met betrekking waartoe een betrokkene kan onderbouwen dat hij ten minste een gerechtvaardigde verwachting heeft dat die zullen worden gerealiseerd.

3.11.

Vóór de inwerkingtreding van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd met ingang van 1 januari 2013 was geruime tijd in de AOW geregeld dat de pensioengerechtigde leeftijd 65 jaar is. Eiser heeft hieraan mogelijk de verwachting ontleend dat de pensioengerechtigde leeftijd niet zou wijzigen, en dat bij een toekomstige toekenning van ouderdomspensioen door verweerder in ieder geval zijn 15e en 16e levensjaar ongewijzigd als verzekerd aangemerkt zouden worden.

3.12.

Zoals het EHRM in overweging 29 heeft geoordeeld in het arrest Jantner (in het Engels gepubliceerd op http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-60964), stelt artikel 1 EP ook de eis of sprake is van een gerechtvaardigde verwachting dat op een actuele, afdwingbare claim in het voordeel van betrokkene zal worden beslist.

3.13.

De toekenning van een ouderdomspensioen aan eiser is echter (zoals bij elk verzekerd voorval) onzeker. Zij geschiedt alleen indien eiser de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De datum daarvan ligt echter nog ruim 30 jaar in de toekomst. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat in de situatie van eiser sprake is van een actuele afdwingbare claim op ouderdomspensioen.

3.14.

De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit strijdt met artikel 1 van het EP. Daarbij tekent de rechtbank in het bijzonder nog aan dat artikel 1 van het EP geen betrekking heeft op alle eigendomssituaties.

In de rechtspraak van het EHRM is meermaals geoordeeld dat artikel 1 van het EP wel betrekking heeft op de ontneming van eigendom, maar geen recht op verkrijging van eigendom omvat. De rechtbank verwijst hier wederom naar het arrest van het EHRM van 24 oktober 2013 inzake Damjanac. Voorzover eiser meent dat het bestreden besluit hem belemmert in het verkrijgen van een toekomstig ouderdomspensioen, baat hem dat dus niet.

3.15.

Ter informatie van eiser verwijst de rechtbank verder nog naar een uitspraak die zij heeft gedaan inzake Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (ECLI:NL:RBAMS:2014:1782). In die zaak had zich (anders dan bij eiser) het verzekerd voorval wel voorgedaan, en was betrokkene inmiddels in het bezit van een ouderdomspensioen. Ook daar was naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake van strijd met artikel 1 EP.

Voorlichting

3.16.

Eiser heeft zich in beroep verder op het standpunt gesteld dat als hij destijds juist door verweerder was voorgelicht, hij een andere keuze had kunnen maken met betrekking tot zijn vrijwillige verzekering.

3.17.

De rechtbank stelt vast dat de Wet verhoging AOW-en pensioenrichtleeftijd op relatief korte termijn is ingevoerd. Deze is immers vastgesteld op 12 juli 2012 en in werking getreden op 1 januari 2013. Naar ter zitting is gebleken was het verweerder medio 2011 nog niet bekend welke wijziging(en) zou(den) gaan plaatsvinden en wanneer. De rechtbank is ook niet gebleken dat verweerder bij de toen bekende stand van zaken onjuiste of onvolledige informatie aan eiser heeft verschaft. Deze beroepsgrond kan niet slagen.

Gelijkheidsbeginsel

3.18.

Eiser heeft verder aangevoerd dat hij oneerlijk wordt behandeld ten opzichte van ingezetenen. De rechtbank vat deze beroepsgrond op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

3.19

Op grond van het gelijkheidsbeginsel dienen gelijke gevallen gelijk behandeld te worden. De rechtbank stelt vast dat eiser zichzelf vergelijkt met ingezetenen die op hun 15e of 16e geen premie hebben betaald voor de AOW, maar toch op grond van hun ingezetenschap verzekerd waren. De rechtbank overweegt dat hierbij geen sprake is van gelijke gevallen. Eiser valt wel te vergelijken met die ingezetenen die op hun 15e en 16e wel (verplicht) premie betaalden. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2011-2012, 33 290; hierna: MvT) blijkt dat vrijwillig verzekerden en deze ingezetenen gelijk worden behandeld, zowel in het verval van opbouwmaanden aan het begin van de opbouwperiode als in de compensatie aan het einde van de opbouwperiode. In de MvT staat verder expliciet vermeld dat de regering er niet voor heeft gekozen om over te gaan tot restitutie van premies aan personen die zich hebben ingekocht, omdat dit juist zou leiden tot ongelijke behandeling ten aanzien van verplicht verzekerden. Ook hier is dus geen sprake van ongelijke behandeling. Nu eiser zelf heeft gekozen zich vrijwillig aan te sluiten bij het wettelijk stelsel van de AOW (en niet voor een particuliere/private voorziening), heeft hij op die grond dezelfde rechten, maar ook dezelfde verplichtingen als verplicht verzekerden. Voor zover al sprake zou zijn van een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel is de rechtbank van oordeel dat die, gelet op het solidariteitsbeginsel dat aan het volksverzekeringsstelsel ten grondslag ligt, gerechtvaardigd is.

4.

Conclusie

4.1.

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, voorzitter, mrs. H.J. Tijselink en J.W. Vriethoff, leden,

in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2014.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B