Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2630

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
13/684154-14, 13/734170-12 (tul) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Illegale vreemdeling; sinds wijziging beleid Algerije is verdachte niet opnieuw gepresenteerd aan de Algerijnse autoriteiten. Terugkeerprocedure is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet volledig doorlopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/684154-14 en 13/734170-12 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 18 april 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [geboortedatum],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “[locatie]” te [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 april 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Kersten en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. G.J.M. van Spanje naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 25 februari 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (mobiele) telefoon (merk: Apple IPhone) en/of een portemonnee (merk: Marc Jacobs) (inhoudende een identiteitskaart en/of ongeveer 40 euro en/of een rijbewijs en/of een pinpas en/of een studentenkaart en/of diverse andere pasjes), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] en/of [persoon 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 25 februari 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een (mobiele) telefoon (merk: Apple IPhone) en/of een portemonnee (merk: Marc Jacobs) (inhoudende een identiteitskaart en/of ongeveer 40 euro en/of een rijbewijs en/of een pinpas en/of een studentenkaart en/of diverse andere pasjes) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf, verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 25 februari 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

3. ( gevoegde zaak 13/684.013-14)

hij op of omstreeks 03 januari 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000;

4. ( gevoegde zaak 13/684.594-13)

hij op of omstreeks 17 oktober 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

3 Voorvragen

3.1.

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van feit 2, 3 en 4: niet alle mogelijkheden om verdachte uit te zetten zijn doorlopen.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte op 10 december 1998 (de rechtbank begrijpt dat zij bedoelt: 1996) ongewenst is verklaard, wat volgens de jurisprudentie van de Raad van State kan worden aangemerkt als een terugkeerbesluit. Hij heeft Nederland nooit verlaten en de Vreemdelingendienst en de Dienst Terugkeer & Vertrek hebben getracht verdachte uit te zetten. Het is aan het Openbaar Ministerie om te bewijzen dat de terugkeerprocedure ten volle is doorlopen. Hiervan blijkt niet uit het dossier. Daarbij is de situatie omtrent terugkeer naar Algerije sinds 2010 volkomen veranderd. Algerije is bereid onder voorwaarden laissez-passers af te geven voor vreemdelingen aan de Dienst Terugkeer & Vertrek. De laatste terugkeerhandelingen met betrekking tot verdachte zijn van vóór deze datum. De raadsvrouw vindt dat, nu verdachte na de wijziging van het Algerijnse beleid niet nogmaals aan de Algerijnse autoriteiten is gepresenteerd, de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

De rechtbank vat dit verweer op als een beroep op het feit dat de terugkeerprocedure niet is doorlopen en zal het bespreken in het kader van de strafoplegging. Tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan het verweer immers niet leiden, gelet op de daarvoor geldende criteria.

Overigens zijn geen verweren aangevoerd die leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en evenmin is hiervan gebleken, zodat de officier van justitie ontvankelijk is.

3.2.

Overige voorvragen

Daarnaast is de dagvaarding geldig en is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Ten aanzien van feit 1:

Op 25 februari 2014 is de telefoon van aangever [persoon 1] gestolen uit een café in Amsterdam. [persoon 1] heeft diezelfde avond met de “Find my iPhone” applicatie zijn telefoon getraceerd in de [straat 1]. Hierna heeft hij de politie gebeld. Verbalisant voert de gegevens van de iPhone in haar telefoon in en ziet dat de iPhone nog actief is en uitpeilt in de [straat 1], in de buurt van een restaurant. Dit restaurant blijkt leeg te zijn. Naast het restaurant is een café genaamd [naam 1] gevestigd. Daar zijn nog personen aanwezig.

Verbalisanten zien diezelfde avond op enig moment tussen 23.11 uur en 23.45 uur een manspersoon het café uit komen lopen. Via de “Find my iPhone” applicatie ziet verbalisant [persoon 3] dat de iPhone zich op hetzelfde moment gaat verplaatsen. Verbalisant en een aantal collega’s rennen achter de man aan en houden hem staande. De man, die later blijkt te zijn genaamd [verdachte], wordt aan een fouillering onderworpen in het kader van de waarheidsvinding. Bij de fouillering van verdachte treft verbalisant [persoon 4] in de linker broekzak van verdachte een portemonnee aan. Hieronder treft hij een zwarte iPhone aan.

Verdachte kan de iPhone niet ontgrendelen. Hierop heeft verbalisant [persoon 3] de waarschuwingstoon van de “Find my iPhone” applicatie afgespeeld. Verbalisant ziet het beeldscherm oplichten en hoort een toon afspelen die haar bekend is als waarschuwingstoon van de “Find my iPhone” applicatie. De iPhone wordt in werking gesteld met de door de aangever opgegeven toegangscode.

Uit de aangifte van [persoon 2] blijkt dat op 25 februari 2014 tussen 22.00 uur en 24.00 uur haar portemonnee uit haar tas is gestolen in café [naam 1]. Hierin zaten haar identiteitskaart, ongeveer 40 euro, haar rijbewijs, pinpas, studentenkaart en diverse pasjes. Als verbalisanten haar de onder verdachte in beslag genomen portemonnee tonen, herkent aangeefster deze portemonnee als de hare.

Verdachte verklaart dat hij de telefoon heeft gekocht en dat er geen portemonnee bij hem is aangetroffen.

Ten aanzien van feit 2, 3 en 4:

Op 17 oktober 2013, 3 januari 2014 en 25 februari 2014 is verdachte in Amsterdam aangehouden. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte op 10 december 1996 tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Deze beschikking is op 19 december 1996 in persoon uitgereikt en door een tolk in de Arabische taal voorgelezen.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht alle feiten bewezen. Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 is zij van mening dat alle stappen uit de terugkeerprocedure zijn doorlopen om verdachte uit te kunnen zetten. Hij is gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten. Verder is de Nederlandse Staat afhankelijk van de medewerking van verdachte met betrekking tot het onderzoek naar de persoonlijke gegevens, zijn identiteit en zijn nationaliteit. Verdachte heeft hieraan geen medewerking verleend.

Verdachte geeft aan dat hij uit overmacht in Nederland verblijft, omdat hij medicijnen gebruikt. Hiervan heeft verdachte geen stukken kunnen overleggen en ook overigens blijkt hiervan niets uit het dossier.

4.3

Het standpunt van de verdediging

4.3.1

vrijspraak van feit 1 wegens onrechtmatige aanhouding.

Verdachte is aangehouden nadat verbalisanten via de “Find my iPhone” applicatie zien dat de telefoon zich verplaatst op het moment dat verdachte een perceel uit kwam lopen. Deze applicatie is niet zo betrouwbaar dat een persoon met de telefoon op zak op deze wijze kan worden gelokaliseerd. Bovendien zit er een vertraging in de verbinding. Uit de gelijktijdige beweging van de telefoon kan iemand niet als verdachte worden aangemerkt en gefouilleerd. Dat verdachte een bekende is van de politie is geen basis voor een redelijk vermoeden van schuld.

Nu de aanhouding op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden en er derhalve sprake is van schending van ernstige strafvorderlijke voorschriften, dient al wat uit de aanhouding voortvloeit uitgesloten te worden van het bewijs en dient verdachte te worden vrijgesproken van dit feit.

4.3.2

Vrijspraak van feit 4 wegens onrechtmatige aanhouding.

De politie heeft verdachte op 17 oktober 2013 zonder reden aangehouden. Er was geen concrete aanleiding om verdachte aan te houden en inzage van het identiteitsbewijs te vorderen. Dat verdachte en zijn kompaan een tijd doelloos stilstonden en schichtig om zich heen keken en bij het zien van de politie de andere kant uitliepen, legitimeert het vragen om een identiteitsbewijs niet. Dat dit gebeurde in een overlastgebied doet hier niet aan af. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waarvan het rechtsgevolg niet uit de wet blijkt. De raadsvrouw verzoekt verdachte vrij te spreken van dit feit.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

4.4.1

Onrechtmatige aanhouding?

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de aanhouding van verdachte onrechtmatig is omdat geen sprake zou zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Zij overweegt op grond van de bewijsmiddelen het volgende. Met behulp van de applicatie “Find my iPhone” zien verbalisanten dat de iPhone zich nog niet had verplaatst en uitpeilde in de [straat 1] in de buurt van restaurant [naam 2]. Dit restaurant was leeg, maar in het naastgelegen café [naam 1] waren nog mensen aanwezig. Verbalisanten zien een man, die later verdachte blijkt te zijn, het café uitlopen en zien tevens op de “Find my iPhone” applicatie dat de iPhone zich verplaatst.

De rechtbank is van oordeel dat de politie hieruit een redelijk vermoeden kan en mag krijgen dat de iPhone in het bezit is van verdachte. Op grond hiervan mochten zij verdachte staande houden en kan datgeen dat uit deze staandehouding voortvloeit bijdragen aan het bewijs.

4.4.2

Diefstal of heling?

Verdachte heeft aangevoerd dat hij de iPhone heeft gekocht voor € 20,- van een jongen die verdovende middelen gebruikt, maar die hij niet kent. Verdachte verklaart bij de rechter-commissaris dat hij de telefoon drie à vier uur voor zijn aanhouding had gekocht. Verdachte is om 23.45 uur aangehouden. Aangever verklaart dat hij de telefoon is kwijtgeraakt tussen 21.30 uur en 22.45 uur. Op het moment dat verdachte de telefoon in zijn bezit zou hebben gekregen, was de telefoon nog niet vermist. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de telefoon heeft gekocht dan ook niet geloofwaardig en gaat hieraan voorbij.

Gelet op de korte tijd tussen het vermissen van de telefoon en het aantreffen van de telefoon bij verdachte is de rechtbank van oordeel dat de primair ten laste gelegde diefstal bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van feit 4

4.4.3

Onrechtmatige aanhouding?

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte zonder reden is aangehouden en dat deze aanhouding daarom onrechtmatig is. Volgens de raadsvrouw dienen in het proces-verbaal feiten en omstandigheden te worden vermeld op basis waarvan de opsporingsambtenaar het noodzakelijk heeft geacht de inzage van de identiteitspapieren te vorderen, welke feiten en omstandigheden zouden ontbreken.

De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij nu uit het proces-verbaal van aanhouding genoegzaam blijkt dat verdachte om zijn identiteitspapieren is gevraagd omdat hij zich in een overlastgebied bevond en gedrag vertoonde dat past bij verslaafden dan wel dealers die rondkijken of er geen politie aan komt.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op 25 februari 2014 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk: Apple iPhone), toebehorende aan [persoon 1] en een portemonnee (merk: Marc Jacobs) (inhoudende een identiteitskaart en ongeveer 40 euro en een rijbewijs en een pinpas en een studentenkaart en diverse andere pasjes), toebehorende aan [persoon 2];

2.

op 25 februari 2014 te Amsterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

3.

op 3 januari 2014 te Amsterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard;

4.

op 17 oktober 2013 te Amsterdam, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

6 De strafbaarheid van de feiten

6.1

Ontslag van rechtsvervolging: de duur van het inreisverbod is verlopen.

De raadsvrouw voert aan - kort gezegd - dat de duur van het inreisverbod is verlopen en dat verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

In zijn arrest van 21 mei 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ3928) heeft de Hoge Raad het volgende uitgemaakt.

Als zou moeten worden aangenomen dat de inwerkingtreding of het verstrijken van de uiterste implementatiedatum van de richtlijn meebrengt dat een voordien uitgevaardigde ongewenstverklaring thans op enigerlei wijze gebonden moet worden geacht aan een bepaalde duur als bedoeld in art. 11.2 richtlijn met betrekking tot het opleggen van een inreisverbod, zou aansluitend aan het in art. 66a lid 4 Vreemdelingenwet bepaalde ten aanzien van een inreisverbod moeten worden aangenomen dat die duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland heeft verlaten.

Het besluit tot ongewenstverklaring dateert van 10 december 1996 en is op 19 december 1996 aan verdachte in persoon uitgereikt. Gesteld noch gebleken is dat verdachte nadat het besluit tot ongewenstverklaring aan hem is betekend het Nederlands grondgebied heeft verlaten. Dit betekent dat het mede als inreisverbod op te vatten deel van de ongewenstverklaring van verdachte – gelet op het feit dat hij Nederland niet heeft verlaten – nog niet is aangevangen. Het verweer van de raadsvrouw dient te worden verworpen.

6.2

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Tevens vordert zij de tenuitvoerlegging van de straf opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van 14 mei 2012, zijnde een hechtenis van 2 weken.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte wordt verweten dat hij het onderzoek naar zijn identiteit frustreert, maar dat de Dienst Terugkeer & Vertrek geen aandacht heeft gehad voor zijn geestestoestand. Volgens het Pro Justitiarapport van [persoon 5], psychiater, van 21 januari 2013, is bij verdachte sprake van een verstoorde geestelijke gemoedstoestand. Hij heeft geadviseerd verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank dit oordeel te volgen en verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf, dan wel een straf op te leggen conform de ondergane voorlopige hechtenis.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal van een mobiele telefoon en aan diefstal van een portemonnee. Dit zijn hinderlijke feiten die de gedupeerden overlast en schade hebben berokkend. Verdachte doorkruist daarnaast het vreemdelingenbeleid van Nederland door in Nederland te verblijven, terwijl verdachte weet dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Verdachte heeft een eigen verantwoordelijkheid om Nederland te verlaten.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel van de Justitiële Documentatie van verdachte van 27 februari 2014, waaruit blijkt dat verdachte al vele malen is veroordeeld voor overtredingen van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht en voor diefstallen. Op grond hiervan acht de rechtbank in principe een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

Doorlopen van de terugkeerprocedure

Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie verzet de Terugkeerrichtlijn zich er niet tegen dat op grond van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een tot ongewenst vreemdeling verklaarde onderdaan van een derde land in de zin van artikel 3, eerste lid, van de richtlijn op wie de bij die richtlijn voorziene terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal in Nederland verblijft. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan een dergelijke onderdaan van een derde land is evenwel strijdig met de richtlijn indien de stappen van de in de richtlijn vastgelegde terugkeerprocedure nog niet zijn doorlopen, nu die strafoplegging de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling, te weten de invoering van een doeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, in gevaar kan brengen.

De rechtbank constateert dat ten aanzien van verdachte veel stappen zijn ondernomen om verdachte terug te kunnen laten keren naar Algerije. De rechtbank constateert ook dat sinds 2010 het beleid van de Algerijnse autoriteiten is gewijzigd en dat onder bepaalde omstandigheden een laissez-passer wordt afgegeven ten behoeve van een vreemdeling die niet beschikt over een identiteitsdocument. De rechtbank constateert verder dat in 2009 een aanvraag voor een laissez-passer bij de Algerijnse autoriteit is ingetrokken en dat verdachte op 3 augustus 2010 uit Vreemdelingenbewaring is ontslagen. Hierna zijn geen terugkeer-handelingen ten aanzien van verdachte ondernomen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, gelet op het gewijzigde beleid van Algerije, niet alle mogelijke stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen. De rechtbank is daarom van oordeel, gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie, dat voor de feiten 2, 3 en 4 het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet mogelijk is.

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank heeft kennis genomen van bovengenoemd rapport van psychiater [persoon 5]. Deze concludeert dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een ernstige verslaving, met name aan alcohol en sederende medicatie. Er is causaal verband te zien tussen de verslaving en zijn verblijf als ongewenst vreemdeling. Als er iets is wat hij zou kunnen doen om aan zijn status als ongewenst vreemdeling een einde te maken, dan lukt hem dat niet omdat hij buiten detentie vooral bezig is zijn zucht naar middelen te bevredigen. Gezien de duur en de ernst van de verslaving, adviseert de psychiater verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank acht, gelet op het rapport, aannemelijk dat de bewezen geachte feiten ten dele onder invloed van de stoornis of gebrekkige ontwikkeling zijn gepleegd. De feiten worden verdachte daarom in verminderde mate toegerekend.

Bij de straftoemeting dient de rechtbank ook rekening te houden met de omstandigheid dat de situatie zoals bedoeld in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Verdachte is sinds het eerste bewezen verklaarde feit, dat hij op 17 oktober 2013 heeft gepleegd, in andere zaken veroordeeld tot gevangenisstraffen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd en zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde en zal verdachte schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 19 november 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/734170-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 14 mei 2012 van de kantonrechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van twee weken, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 197 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal, meermalen gepleegd

Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4:

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot een gevangenisstraf van 4 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt ten aanzien van de onder 2, 3 en 4 bewezen verklaarde feiten dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 14 mei 2012 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk 2 weken hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.L. Hillenius, voorzitter,

mrs. M.F. Ferdinandusse en M.R.J. van Wel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.M. van Leuven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 april 2014.

Bijlage 1

Bewijsmiddelen

Voor zover niet anders vermeld, wordt telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

De bewijsmiddelen worden ten aanzien van de verschillende feiten gebruikt zoals hierna wordt aangegeven.

Ten aanzien van feit 1:

1. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 1] (doorgenummerde pagina 1 e.v.), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 25 februari 2014 bevond ik mij in Café [naam 3] aan het [straat 2] te Amsterdam. Omstreeks 22.45 uur wilde ik kijken of ik mogelijk een bericht op mijn mobiele telefoon had gekregen, maar ik kon hem niet vinden. Via Zoek mijn iPhone traceerde ik mijn telefoon in de [straat 1]. Mijn mobiele telefoon is van het merk Apple type iPhone 5, kleur zwart.

Noot verbalisant: ik zag dat met de door aangever opgegeven toegangscode genoemde telefoon in werking werd gesteld.

2. Een proces-verbaal van aangifte van [persoon 2] (doorgenummerde pagina 4 e.v.), onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op 25 februari 2014 was ik in café “[naam 1]” in de [straat 1] te Amsterdam. Ik had mijn tas aan een haak voor mij gehangen. Rond 24.00 uur bemerkte ik dat mijn portemonnee weggenomen was uit mijn tas. In mijn portemonnee zaten mijn identiteitskaart, ongeveer 40 euro, mijn rijbewijs, pinpas, studentenkaart en diverse pasjes. Het is een zwarte portemonnee met studs van het merk Marc Jacobs.

Dit proces-verbaal houdt tevens in als opmerking van verbalisant:

Ik toon genoemde portemonnee aan aangeefster. Zij herkent de portemonnee als zijnde haar portemonnee.

3. Een geschrift zijnde een kennisgeving van inbeslagneming van 26 februari 2014 (doorgenummerde pagina 7), onder meer inhoudende:

Inbeslagneming: [straat 1], 26 februari 2014 te 23.45u

Omschrijving: portemonnee

Merk/type: Marc Jacobs

Kleur: zwart

Bijzonderheden: goudkleurige knopjes bovenzijde.

In de portemonnee bevonden zich: rijbewijs, identiteitskaart, medisch kaartje, Agis zorgpas, twee briefjes van 20 euro, Albert Heijn bonuspas, ING betaalpas, roodkleurige MORE pas.

Teruggegeven aan rechthebbende [persoon 2] op 26 februari 2014.

4. Een proces-verbaal van bevindingen (doorgenummerde pagina 11 e.v.), onder meer inhoudende:

Op 25 februari 2014 hoorden wij van een melder, [persoon 1], dat hij bestolen was van zijn iPhone 5, zwart van kleur. [persoon 1] verklaarde onder meer:

Ik kan mijn telefoon als volgt omschrijven:

De achtergrond van het scherm was met allemaal kleurtjes, dit was erg specifiek.

Verbalisant [persoon 4] heeft de man onderworpen aan een fouillering. Hierop heeft hij een zwarte iPhone aangetroffen. Ik, verbalisant [persoon 3], zag dat de telefoon een achtergrond had met kleurtjes.

Ten aanzien van feit 1 en 2:

5. Een proces-verbaal van bevindingen (doorgenummerde pagina 13 e.v.), onder meer inhoudende:

Op 26 februari 2014 (de rechtbank begrijpt: 25 februari 2014) begaven zij ons naar de [straat 1] (de rechtbank begrijpt: te Amsterdam).

Ik, verbalisant [persoon 4], hoorde dat de iPhone zich verplaatst had en dat er net een persoon uit het perceel was komen lopen. Deze persoon bleek later genaamd te zijn: [verdachte]. Wij hebben de persoon staande gehouden. Ik fouilleerde [verdachte] op basis van de waarheidsvinding. Hierbij trof in zijn linker broekzak een portemonnee aan. Onder de portemonnee trof ik een iPhone 5 aan. Wij hebben [verdachte] aangehouden. Ik, verbalisant [persoon 6], heb de iPhone 5 en de portemonnee in beslag genomen.

Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4:

6. Een geschrift, zijnde een afschrift van een besluit van de Staatssecretaris van Justitie, van 10 december 1996 tot ongewenstverklaring van de vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, [verdachte], geboren op [geboortedatum], ex artikel 21 van de Vreemdelingenwet (doorgenummerde pagina’s 35 en 36), met bijbehorende akte van uitreiking van 19 december 1996 (in persoon) (pagina 37).

Ten aanzien van feit 3:

7. Een geschrift, zijnde een kopie van een proces-verbaal nummer 2014002146-4 (origineel parketnummer 13/684013-14, doorgenummerde pagina 1 e.v.), inhoudende als verklaring van verbalisanten:

Op 3 januari 2014 bevond ik mij op het Waterlooplein (de rechtbank begrijpt: te Amsterdam). In mijn bijzijn werd [verdachte], geboren op [geboortedatum], aangehouden door collega’s [persoon 7] en [persoon 8]. Op het politiebureau aangekomen bleek [verdachte] in de voor mij beschikbare politiesystemen ongewenst verklaard te zijn.

Ten aanzien van feit 4:

8. Een proces-verbaal van aanhouding (origineel parketnummer 13/684594-13, doorgenummerde pagina 1 e.v.), inhoudende als verklaring van verbalisanten:

Op 17 oktober 2013 hielden wij op de locatie [straat 3] te Amsterdam als verdachte aan: [verdachte], geboren op [geboortedatum]. Bij navraag in de basis politiesystemen hoorden wij dat de verdachte [verdachte] zich als ongewenst vreemdeling in Nederland bevond.