Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:263

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
24-03-2014
Zaaknummer
13-994035-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Asbestzaak. Medeplegen van overtreding van de Wet milieubeheer en overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet. Gedragingen van een werknemer van verdachte zijn toe te rekenen aan verdachte in het kader van overtreding van de Wet milieubeheer. Door ondanks de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal toch (sloop)werkzaamheden te laten verrichten heeft verdachte zich tevens aan overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet schuldig gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/994035-09 (Promis)

Datum uitspraak: 15 januari 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte ],

gevestigd aan [vestigingsadres] [plaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 15 april 2009 en 25 april 2012 (regiezittingen) en 9 en 17 december 2013 (inhoudelijke behandeling) en 15 januari 2014 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. E.C. Visser en S. Pieters en van wat namens verdachte haar gevolmachtigde vertegenwoordiger [vertegenwoordiger] en haar raadslieden mrs. M. Eversteijn en P.W.M. Huisman naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van wat de getuige [medeverdachte] heeft verklaard.

2 Tenlastelegging

2.1

Aan verdachte is, na wijziging op de zittingen van 9 december 2013 en 17 december 2013, kort samengevat ten laste gelegd dat zij zich telkens in de periode van 29 november 2007 tot en met 17 januari 2008 samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan:

1. het al dan niet opzettelijk verrichten van werkzaamheden met asbest of asbesthoudende materialen, terwijl zij wist of moest vermoeden dat daardoor schade aan het milieu ontstond of kon ontstaan;

2. overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet door werknemers werkzaamheden te laten verrichten, terwijl die werknemers werden blootgesteld aan asbest of asbesthoudende materialen, terwijl zij wist of moest vermoeden dat daardoor levensgevaar of schade aan de gezondheid van die werknemers ontstond of te verwachten was.

2.2

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

3.1.1

De raadsvrouw heeft het volgende bepleit. Aan verdachte wordt onder feit 1 verweten dat zij bedrijfsmatig handelingen heeft verricht door asbest niet te verwijderen. Artikel 10.1, derde lid van de Wet milieubeheer spreekt in tegenstelling tot de eerste twee leden alleen over het verrichten van handelingen. Het verrichten van handelingen en het nalaten daarvan zijn het tegenovergestelde van elkaar. Nu het niet verwijderen van asbest een nalaten betreft, dient de dagvaarding partieel nietig te worden verklaard.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw bepleit dat de tenlastelegging nietig moet worden verklaard, voor zover deze spreekt over “één of meer (andere) personen”, omdat dit onderdeel niet voldoende is verfeitelijkt en de tenlastelegging voor dat deel dus niet voldoet aan de eisen die aan een tenlastelegging moeten worden gesteld.

3.1.2

De officieren van justitie hebben ter zake niets aangevoerd.

3.1.3

De rechtbank overweegt als volgt.

Met de toegewezen vordering tot wijziging van feit 1 van de tenlastelegging op 17 december 2013 luidt het verwijt dat verdachte – kort gezegd – bedrijfsmatig handelingen heeft nagelaten door (…) asbest niet te verwijderen. Verdachte wordt dus niet (meer) verweten dat zij bedrijfsmatige handelingen heeft verricht door iets na te laten. Van innerlijke tegenstrijdigheid van de dagvaarding en daarmee partiële nietigheid is dan ook geen sprake.

Ten aanzien van feit 2 wordt verdachte – kort gezegd – verweten dat zij werknemers heeft blootgesteld aan asbest. Daarbij wordt het begrip “werknemers” verder verfeitelijkt door de opsomming “[persoon 1], [medeverdachte] en één of meer (andere) personen”. Gelet op de inhoud van het verwijt en het dossier kan de zinsnede “één of meer (andere) personen” alleen maar zien op de personen die zich na de sanering en vóór het bezoek van [persoon 3] hebben bezig gehouden met de voorsloop. Verdachte had dit ook zo kunnen en moeten begrijpen. [vertegenwoordiger], vertegenwoordiger van verdachte, heeft immers ter terechtzitting van 9 december 2013, op de vraag wie in de periode van 21 december 2007 tot en met 17 januari 2008 welke werkzaamheden heeft uitgevoerd, verklaard dat werknemers van [bedrijf A] voorsloopwerkzaamheden hebben uitgevoerd. Dit onderdeel van de tenlastelegging is dus voldoende verfeitelijkt en kan daarom niet leiden tot (partiële) nietigheid.

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en concludeert dat de dagvaarding geldig is.

3.2

Overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officieren van justitie zijn ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs ten aanzien van de feiten 1 en 2

4.1

Inleiding 1

4.1.1

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit

[medeverdachte BV] (hierna: [medeverdachte BV]) is in 2007 met het bedrijf [bedrijf B] te Amsterdam (hierna: [bedrijf B]) een overeenkomst voor aanneming van werk aangegaan. Op grond daarvan had [medeverdachte BV] met betrekking tot het project “[project A]” te Amsterdam de opdracht een door [bedrijf B] opgesteld sloopplan uit te voeren.2 Dit kwam in grote lijnen neer op het saneren van het asbest, het slopen van zes flats en het bouwrijp maken van het terrein.

[medeverdachte BV] heeft de asbestsanering aan verdachte (hierna ook wel als [verdachte ] aangeduid) uitbesteed. [verdachte ] heeft weer andere bedrijven bij de uitvoering van de saneringswerkzaamheden betrokken, namelijk [bedrijf C], [bedrijf D], [bedrijf A] en [bedrijf E].3 De saneringswerkzaamheden hebben plaatsgehad onder toezicht van [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]), in dienst van [verdachte ] en ter plaatse werkzaam als Deskundige Toezichthouder Asbest (DTA-er).4

Met betrekking tot de zesde flat (hierna: [flat A]; genoemd naar de [straat]) heeft [bedrijf F] (hierna: [bedrijf F]) twee rapporten5 opgesteld betreffende asbestinventarisatie voorafgaand aan sloop en/of verbouwing en haar bevindingen aangevuld naar aanleiding van een zogenaamde “warme schouw”.6

[verdachte ] heeft aan [bedrijf G] (hierna: [bedrijf G]) de opdracht tot inspectie na verwijdering van de aanwezige asbesthoudende materialen verstrekt. Verdachte, in 2007 als analist werkzaam bij [bedrijf G],7 heeft deze opdracht in de periode van 30 november 2007 tot en met 21 december 2007 namens [bedrijf G] uitgevoerd.

[persoon 2] heeft onder meer een “rapportage visuele inspectie” d.d. 3 januari 2008 opgesteld met daarin als conclusie naar aanleiding van een inspectie op 21 december 2007, dat "op grond van de bevindingen van deze visuele inspectie wordt geconcludeerd dat de geïnspecteerde ruimte of oppervlakte WEL vrij is van visueel waarneembare asbestverdachte materialen".8

Vanaf 7 januari 2008 hebben diverse personen werkzaam bij [bedrijf A] werkzaamheden met betrekking tot de voorsloop in de [flat A] uitgevoerd.9

Op 17 januari 2008 heeft de inspecteur van de Arbeidsinspectie [persoon 3] (hierna: [persoon 3]) het bouwterrein van de [flat A] bezocht voor een controle op de asbestsanering naar aanleiding van een melding door [verdachte ] van haar werkzaamheden. Hij heeft het terrein in het bijzijn van [medeverdachte] geïnspecteerd. In zijn verslag naar aanleiding van deze controle heeft [persoon 3] vermeld dat hij op diverse balkons van de [flat A] materiaalresten zag liggen die hij “overduidelijk herkende” als asbesthoudend. Hij heeft naar aanleiding van deze controle de onmiddellijke stillegging van de werkzaamheden aan deze flat bevolen.10

Naar aanleiding van de bevindingen van [persoon 3] hebben stadsdeel [stadsdeel] en [bedrijf B] aan Ingenieursbureau [bedrijf H]. (hierna: [bedrijf H]) de opdracht tot een asbestonderzoek, resp. volledige asbestinventarisatie van de [flat A] verstrekt. [bedrijf H] is vervolgens, zoals valt af te leiden uit zijn rapporten d.d. 25 januari 2008 en 1 februari 2008, tot de conclusie gekomen dat zich op diverse locaties in de [flat A] asbesthoudend materiaal bevond.11

Daarnaast heeft [bedrijf I] (hierna: [bedrijf I]) in opdracht van [verdachte ] een volledige asbestinventarisatie met betrekking tot de balkons van de [flat A] uitgevoerd. Haar conclusie luidde dat diverse asbesthoudende toepassingen aanwezig waren in de vorm van restanten van plaatmateriaal en AC-doorvoerbuizen.12

4.1.2

De rol van verdachte

Verdachte heeft, kort samengevat, het verweer gevoerd dat niet is komen vast te staan dat zich na 21 december 2007 nog asbesttoepassingen in de [flat A] bevonden die de door [persoon 3] toegepaste stillegging van de werkzaamheden rechtvaardigden en die ertoe leiden dat het haar ten laste gelegde als een haar toe te rekenen handelen of nalaten kan worden bewezen.

4.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide feiten. Zij hebben daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft aan de arbeidsinspectie gemeld dat tot 1 februari 2008 asbestverwijderingswerkzaamheden zouden plaatsvinden. De werkzaamheden waren echter al op 21 december 2007 beëindigd. Verdachte had zich als professionele asbestverwijderaar moeten afvragen of de zorgvuldigheid waarmee de werkzaamheden hebben plaatsgevonden, niet in het geding zou komen door een zo forse inkorting van de saneringsperiode.

Daarnaast had de zeer korte inspectietijd van de analist (54 minuten voor een hele flat), zoals deze naar voren kwam uit zijn rapportage visuele inspectie, vraagtekens moeten oproepen. Verdachte had door deze sterke en opvallende signalen een onderzoekplicht waaraan zij niet heeft voldaan. Zij had de tekortkomingen ten aanzien van de asbestverwijdering zelf moeten signaleren en tijdig op moeten lossen. Dat heeft zij nagelaten. Daar komt bij dat de getuigen [getuige] (hierna: [getuige]) en [getuige] hebben verklaard dat zij op 21 december 2007 na de visuele inspectie nog steeds werkzaamheden met betrekking tot asbestsanering uit de [flat A] hebben verricht.

Verdachte wist dat dit project onder tijdsdruk werd afgerond en door die tijdsdruk aanvaardde zij het risico dat een dergelijke situatie is ontstaan. De (mogelijke) schade aan het milieu van de handelingen van verdachte bestaat uit het vrijkomen van asbest, waardoor mensen, dieren en planten dit konden binnenkrijgen. Asbestverwijdering en alles wat daarbij komt kijken, past binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte. Het asbestsaneringsproject is ook dienstig geweest aan verdachte, want doordat dit saneringsproject eerder dan gepland was afgerond, kon aan een andere opdracht worden gewerkt en dus geld worden verdiend.

Verdachte stuurde de asbestsanering en de daarop volgende inspecties aan. Zij kreeg daarvan de rapportages en de gehele administratie van dit project was bij verdachte op kantoor aanwezig. Hierin ligt besloten dat zij ook het risico aanvaardde dat iets fout kon gaan bij die inspecties en bij het opmaken van de rapporten. Door enkel af te gaan op de rapportage visuele inspectie en geen eigen initiatief te tonen, heeft verdachte het risico geaccepteerd dat van een niet correct afgerond asbestsaneringsproject sprake was, met alle gevolgen van dien. Dit valt als voorwaardelijke opzet te kwalificeren. Verdachte heeft dit feit dan ook opzettelijk gepleegd.

Ten aanzien van feit 2 hebben de officieren het volgende aangevoerd.

Na de vrijgave was nog asbest aanwezig in de [flat A], terwijl nog steeds medewerkers van verdachte en door haar ingehuurde krachten met hun werkzaamheden bezig waren. Tijdens deze werkzaamheden zijn geen bijzondere beschermende maatregelen met betrekking tot de gezondheid van deze personen getroffen. Dat dit niet is gebeurd, is geheel toe te rekenen aan verdachte.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De in de pleitnotities uitvoerig weergegeven standpunten van de verdediging komen kort gezegd erop neer dat verdachte van beide feiten dient te worden vrijgesproken.

Feit 1

Ten aanzien van het eerste feit hebben de raadslieden het volgende aangevoerd.

4.3.1

Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit ex artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), als de desbetreffende verboden gedraging(en) van een natuurlijk persoon redelijkerwijs aan hem kan (of kunnen) worden toegerekend (Drijfmestarrest).

4.3.2

De natuurlijke persoon in kwestie is [medeverdachte], DTA-er in dienst van verdachte. Verdachte heeft de feitelijke opdracht tot het saneren en de voorsloop aangenomen en daarmee voor de uitvoering daarvan de verantwoordelijkheid op zich genomen. Voor zover [medeverdachte] zich niet aan de binnen die opdracht geldende regels heeft gehouden, kan zijn handelen echter niet aan verdachte worden toegerekend. [medeverdachte] had als deskundige toezichthouder de benodigde kennis om een sanering van het begin tot het einde te begeleiden, te controleren en te beoordelen. Hij diende onjuistheden vast te stellen en te melden. Als hij dat niet deed, kon het bedrijf waarvoor hij werkte – in dit geval: verdachte – niet van deze omissies op de hoogte raken. De handelingen van [medeverdachte], zoals deze hem in het kader van deze strafrechtelijke procedure worden verweten, pasten niet binnen de normale bedrijfsvoering van verdachte. Niet gezegd kan worden dat de gedragingen van [medeverdachte] verdachte dienstig zijn geweest; verdachte heeft op geen enkele wijze van die gedragingen profijt gehad.

4.3.3

Verdachte had geen beschikkingsmacht over de gedragingen van [medeverdachte]. Daardoor kan ook geen sprake zijn van aanvaarding van die gedragingen. Voorts heeft verdachte aan haar zorgplicht voldaan. Er is controle gehouden op [medeverdachte], onder meer doordat de projectleider [persoon 4] dagelijks contact met hem onderhield. Dit heeft nimmer aanleiding tot verscherpte controle gegeven.

4.3.4

Het handelen van [persoon 2] kan in het geheel niet aan verdachte worden toegerekend. [persoon 2] was in dienst van [bedrijf G] en niet voor verdachte werkzaam.

4.3.5

De conclusie luidt dat het handelen (of nalaten) van [medeverdachte] en [persoon 2] niet aan verdachte kan worden toegerekend.

4.3.6

Alleen bij [medeverdachte] en [persoon 2] heeft de wetenschap aanwezig kunnen zijn dat de flat nog asbest bevatte. Doordat enige vorm van wetenschap bij verdachte ontbrak, kan niet worden gesteld dat sprake is van opzet, ook niet van voorwaardelijk opzet, op het ten laste gelegde feit.

4.3.7

Daarnaast staat de betrouwbaarheid van het door [bedrijf H] opgestelde rapport ter discussie. Ten eerste was [persoon 5], ex-medewerker van verdachte en door verdachte op staande voet ontslagen, betrokken bij de opstelling ervan en rijst het vermoeden dat hij zich ten opzichte van verdachte niet objectief heeft opgesteld. Ten tweede staat niet onomstotelijk vast dat alle toepassingen die [bedrijf H] als asbesthoudend heeft aangemerkt, ook daadwerkelijk in de flat zijn aangetroffen. Bovendien is van een tweetal toepassingen uit nadere analyses vast komen te staan dat ze niet asbesthoudend waren.

4.3.8

Volgend op de stelling dat het rapport van [bedrijf H] niet correct is, was, voor zover verdachte bekend, voor de Kerst van 2007 wel degelijk alles gesaneerd wat op basis van de ter beschikking gestelde inventarisatie had moeten gebeuren en waarvoor is vrijgegeven. Tot slot is het, gelet op de hoeveelheid aangetroffen asbest op de balkons en gelet op het feit dat het om risicoklasse 2 toepassingen ging, onmogelijk dat risico’s voor de gezondheid of het milieu konden of hadden kunnen ontstaan.

Feit 2

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging het volgende bepleit.

4.3.9

Gelet op de definitie volgens artikel 1, eerste lid van de Arbeidsomstandighedenwet kan verdachte niet worden aangemerkt als werkgeefster van de in de tenlastelegging genoemde [persoon 1]. Daar komt bij dat [medeverdachte] zich als DTA-er niet heeft beziggehouden met sloopwerkzaamheden zoals is ten laste gelegd. Vrijspraak ten aanzien van deze personen dient te volgen.

4.3.10

[medeverdachte] had als DTA-er een vergaande bevoegdheid. Hij moet zich hiervan bewust zijn geweest. Daarmee heeft hij een eigen verantwoordelijkheid aanvaard. Het niet op de voorgeschreven wijze toezicht houden kan dus niet aan verdachte als werkgever van [medeverdachte] worden toegerekend. Verdachte had op geen enkele wijze kunnen vermoeden dat iets niet aan de haak was. Verdachte had geen enkele wetenschap van het overtreden van de bepalingen van het Arbobesluit door [medeverdachte].

4.3.11

Van het verrichten van handelingen of nalaten hiervan door verdachte met het oog op overtreding van de in de tenlastelegging genoemde bepalingen van het Arbobesluit is geen sprake. Evenmin is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de medeverdachte [medeverdachte BV] en verdachte, aangezien niet bewezen kan worden dat zij gezamenlijk werkzaamheden hebben verricht.

4.3.12

Wat de mogelijke risico’s voor de gezondheid of het milieu betreft heeft de raadsvrouw verwezen naar wat zij ten aanzien van feit 1 heeft bepleit.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de feiten 1 en 2: de aanwezigheid van asbesthoudende toepassingen

4.4.1

De verdediging heeft vraagtekens gezet bij de betrouwbaarheid van het rapport van [bedrijf H]. De rechtbank begrijpt dat de verdediging stelt dat niet duidelijk is of en, zo ja, welke asbesthoudende materialen op 17 januari 2008 daadwerkelijk in het gebouw en op de balkons van de [flat A] aanwezig waren. De rechtbank overweegt als volgt.

4.4.2

Voorafgaand aan de asbestsanering in november/december 2007 heeft [bedrijf F] een asbestinventarisatie uitgevoerd. Het door haar opgestelde asbestinventarisatierapport bevat een opsomming van de op de balkons en in de [flat A] aanwezige asbesthoudende toepassingen. [bedrijf F] constateert onder meer dat aan de voorzijde op de balkons van alle woningen op de tweede, derde en vierde etage asbesthoudende doorvoerbuizen aanwezig zijn.13

4.4.3

[getuige] heeft op donderdag 20 december 2007 als saneerder gewerkt.14 Hij heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte] asbestpijpjes en sandwichpanelen heeft verwijderd uit de balkons van de [flat A]. Omdat de kraan niet bij de laatste twaalf balkons kon komen, zijn de asbestpijpen daarop blijven staan. [getuige] heeft verklaard dat hij dat aan [medeverdachte] heeft gemeld.15

4.4.4

[persoon 3] heeft op 17 januari 2008 op ongeveer twaalf balkons aan de voorzijde en één balkon aan de achterzijde grotere of kleinere materiaalresten aangetroffen die hij “overduidelijk herkende” als asbesthoudende materiaalresten. In veel gevallen ging het volgens hem zelfs om complete asbesthoudende buizen die los op het balkon liggen. [persoon 3] hoorde [medeverdachte] tegen hem zeggen dat het aangetroffen materiaal afkomstig was van geïnventariseerde asbestbronnen die “door ons” (de rechtbank begrijpt: [verdachte ]) zijn verwijderd.16

4.4.5

Vervolgens heeft zowel [bedrijf I] als [bedrijf H] onderzoek naar aanleiding van de bevindingen van [persoon 3] ingesteld. [bedrijf H] heeft op 16 balkons asbesthoudende toepassingen aangetroffen. Op de foto’s in het rapport is te zien dat het onder meer om buizen gaat.17 De conclusie in het rapport van [bedrijf H] dat op de balkons asbesthoudende toepassingen aanwezig zijn, wordt ondersteund door de bevindingen van [bedrijf I], die in haar rapport tot een gelijkluidende conclusie komt. [bedrijf H] heeft daarnaast geconstateerd dat in januari 2008 ook nog in het gebouw zelf asbesthoudende toepassingen aanwezig waren.18 Er bevinden zich in het dossier geen andere bewijsmiddelen met diezelfde constatering.

4.4.6

TNO heeft het rapport van [bedrijf H] tegen het licht gehouden. Zij concludeert dat het rapport weliswaar een aantal onzorgvuldigheden en onvolkomenheden bevat, maar dat het desondanks een voldoende basis voor de beoordeling van de saneringskwaliteit van de [flat A] vormt.19 TNO stelt met name vast dat het rapport van [bedrijf H] aan de eisen van BRL 5052 voldoet en dat de monsterneming als voldoende representatief kan worden beschouwd en de gegevens voldoende herleidbaar zijn.

4.4.7

Gelet op de bevindingen van TNO en het gegeven dat de conclusies uit het rapport van [bedrijf I] het rapport van [bedrijf H] (betreffende het aangetroffen asbest op de balkons) ondersteunen, ziet de rechtbank geen reden aan de betrouwbaarheid van het rapport van [bedrijf H] te twijfelen. Het kan dus voor het bewijs worden gebruikt. Van de toepassingen die [persoon 3] op 17 januari 2008 op de balkons aantrof, staat dan ook vast dat zij asbesthoudend waren.

4.4.8

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat het niet anders kan zijn dan dat de asbesthoudende toepassingen die [persoon 3] heeft aangetroffen, de asbestpijpjes zijn waarvan [persoon 6] heeft verklaard dat hij ze voor de Kerst heeft verwijderd en achtergelaten op de balkons. Dit betekent dat in de periode van 20 december 2007 tot en met 17 januari 2008 asbest op diverse balkons van de [flat A] aanwezig was.

4.4.9

Daarbij merkt de rechtbank nog het volgende op. Bewezen moet worden dat asbesthoudende toepassingen aanwezig waren. De exacte hoeveelheid en de exacte locaties waarop de toepassingen zijn aangetroffen, zijn voor het verwijt dat verdachte wordt gemaakt niet van belang. Op grond van het hiervoor overwogene staat dan ook vast dat nog verschillende asbesthoudende toepassingen in de [flat A] en op de balkons aanwezig waren in de periode vanaf de saneringswerkzaamheden tot aan het bezoek van [persoon 3]. Dit blijkt ook uit het feit dat verdachte, nadat het bevel tot stillegging was opgeheven, de nog aanwezige asbesthoudende toepassingen (ook in het gebouw) heeft verwijderd. Tijdens een controle gedurende die tweede saneringsronde heeft een VROM-inspecteur asbestverdachte toepassingen aangetroffen, waarvan hij een aantal monsters heeft genomen. Deze bevatten asbest.20

Voorts ten aanzien van feit 1

4.4.10

Asbest is een afvalstof als bedoeld in artikel 10.1 van de Wet milieubeheer. Nu vaststaat dat asbest in de [flat A] aanwezig was, dienen de volgende vragen te worden beantwoord: zijn met dat asbest bedrijfsmatige handelingen verricht? Had men wetenschap van (eventuele) nadelige gevolgen? Heeft verdachte het strafbare feit begaan?

Bedrijfsmatig handelingen verrichten

4.4.11

In de periode van 29 november 2007 tot 21 december 2007 hebben asbestsaneringswerkzaamheden in de [flat A] plaatsgehad.21 Daarbij zijn, zoals reeds hiervoor is vermeld, op de balkons pijpen en sandwichpanelen losgemaakt waarvan een deel niet op de juiste wijze is verpakt en afgevoerd, maar op de balkons is achtergelaten. In het gebouw zelf zijn ook saneringswerkzaamheden verricht.22 Ook in dat geval is niet alle aanwezige asbest op juiste wijze verwijderd, verpakt en afgevoerd. Dit blijkt uit het feit dat nog asbesthoudende toepassingen aanwezig zijn na sanering, zoals reeds in rubriek 4.4.1 is besproken.

4.4.12

Volgens de procedure moet de DTA-er de gesaneerde ruimtes op de aanwezigheid van asbest controleren. Pas daarna dient hij een analist in te schakelen die de ruimtes inspecteert en door middel van monsterneming controleert of ruimtes vrij van asbest zijn. In het onderhavige geval heeft de DTA-er [medeverdachte] zijn eindronde niet gemaakt. Zonder dat hij de gesaneerde ruimtes met eigen ogen heeft gecontroleerd, heeft hij een analist ingeschakeld teneinde te controleren of de ruimtes – kort gezegd – vrij van asbest waren.23

4.4.13

Kortom, ook de vraag of bedrijfsmatige handelingen zijn verricht met het aanwezige asbest, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Vaststaat immers dat asbest is verwijderd en dat dit is verpakt noch afgevoerd. Dit valt aan [medeverdachte] toe te rekenen, aangezien hij als DTA-er verantwoordelijk is voor de asbestsanering en diende te controleren dat dit op juiste wijze gebeurde, wat hij niet heeft gedaan.

Wetenschap van (eventuele) nadelige gevolgen

4.4.14

Binnen het bedrijf van verdachte is bekend dat het niet juist verwerken van asbest nadelige gevolgen voor het milieu kan meebrengen.24 De tussenconclusie luidt dat sprake is van een strafbaar feit dat bestaat uit – kort gezegd – het handelingen verrichten met een afvalstof, terwijl men wist dat daardoor nadelige gevolgen konden ontstaan voor het milieu en dat dit feit is begaan door [medeverdachte].

Heeft verdachte het strafbare feit begaan?

4.4.15

In artikel 51 Sr is bepaald dat een strafbaar feit behalve door een natuurlijk persoon ook door een rechtspersoon kan worden begaan. De wet bevat geen maatstaven voor de vaststelling van het daderschap van de rechtspersoon. Blijkens de wetsgeschiedenis kan een rechtspersoon worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, indien de desbetreffende gedraging van een natuurlijk persoon redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Wanneer dat het geval is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. De Hoge Raad heeft in het zogeheten Drijfmestarrest (ECLI:NL:HR:2003:AF7938) handvatten aangereikt om die omstandigheden te beoordelen.

4.4.16

Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Daarvan zal sprake kunnen zijn, indien een of meer van de volgende omstandigheden zich voordoen:

  • -

    het gaat om een handelen of nalaten van iemand die uit hoofde van een dienstbetrekking of uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

  • -

    de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

  • -

    de rechtspersoon kon erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder “aanvaarden” is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

4.4.17

In dit geval gaat het om een gedraging van [medeverdachte], als DTA-er in dienst van verdachte. In die hoedanigheid was hij verantwoordelijk voor de asbestsanering van de [flat A]. De saneringswerkzaamheden vonden onder zijn leiding plaats. Asbestsanering valt onder de normale bedrijfsvoering van verdachte. De gedraging van [medeverdachte] is verdachte dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf; door zijn manier van handelen heeft men de werkzaamheden kunnen voortzetten die uiteindelijk moesten resulteren in het bouwrijp maken van de grond.

4.4.18

Van de onder de eerste drie gedachtestreepjes genoemde omstandigheden is dus sprake.

4.4.19

Met betrekking tot de onder het vierde gedachtestreepje genoemde omstandigheid overweegt de rechtbank het volgende.

4.4.20

[persoon 4] (hierna: [persoon 4]) is projectleider bij de asbestsanering en in dienst van verdachte.25 In de hiërarchie stond [medeverdachte] onder de projectleider [persoon 4].26 Uit het dossier komt het beeld naar voren dat [persoon 4] het bouwterrein minder vaak bezocht naarmate het project vorderde. Tegen de tijd dat men bezig was met de sanering van de [flat A] voerde [persoon 4] niet op regelmatige basis fysieke controle op de werkzaamheden van [medeverdachte] uit. De controle was vooral administratief, in die zin dat [persoon 4] de stukken die hij van [medeverdachte] ontving, bekeek en op onregelmatigheden controleerde.27

4.4.21

Vanuit het bedrijf had dus geen strakke controle plaats, terwijl dat wel mocht worden verwacht. [medeverdachte] was immers een jonge werknemer – midden twintig –, die in zijn eentje een zeer grote verantwoordelijkheid droeg bij de uitvoering van werkzaamheden die behoren tot de kerntaak van verdachte: het saneren van asbest. Wanneer iets in de uitvoering fout ging, kon dat grote – nadelige – gevolgen voor de gezondheid en/of het milieu hebben. Gelet hierop en op het feit dat [medeverdachte] pas sinds 2 januari 2007 bij verdachte in dienst was, mocht worden verwacht dat vanuit het bedrijf van verdachte meer controle op [medeverdachte] plaatshad. Verdachte kon dus over de gedragingen van [medeverdachte] beschikken. Zij heeft deze aanvaard, aangezien zij niet de zorg heeft betracht die in redelijkheid van haar kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedragingen. Voor die algemene gedragingen, respectievelijk omissies kan verdachte verantwoordelijk worden gehouden.

4.4.22

Door te weinig toezicht uit te oefenen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte] zijn werkzaamheden niet volgens de regels zou verrichten. Daarmee is voorwaardelijk opzet gegeven.

Voorts ten aanzien van feit 2

4.4.24

Zoals reeds hiervoor is geconstateerd, is na het afronden van de asbestsaneringswerkzaamheden op 21 december 2007 asbest in de [flat A] achtergebleven. Dit betrof niet alleen hele toepassingen, maar ook gebroken stukken. Vanaf 7 januari 2008 hebben voorsloopwerkzaamheden plaatsgevonden, terwijl nog asbest aanwezig was. De personen die de voorsloopwerkzaamheden hebben verricht, zijn dus aan asbeststof blootgesteld, terwijl zij niet van doeltreffende bescherming van de gezondheid waren voorzien.

4.4.25

Voornoemde personen waren niet in dienst van verdachte, maar van [bedrijf A], een bedrijf dat verdachte had ingehuurd (zie rubriek 4.1.1). Gelet op de definitie die artikel 1, eerste lid onder a sub 2 van de Arbeidsomstandighedenwet van het begrip werkgever geeft, kan verdachte echter wel als werkgever van deze personen worden aangemerkt, nu de werknemers van [bedrijf A] feitelijk voor verdachte arbeid verrichtten. Verdachte wist dat haar handelen levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers kon opleveren (zie rubriek 4.4.14).

4.4.26

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het nalaten van handelingen waardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van werknemers te verwachten is.

Ten aanzien van het medeplegen betreffende de feiten 1 en 2

4.4.27

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Rest de vraag of sprake is van medeplegen. In het geval van het onder 1 ten laste gelegde zouden de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte BV] als medepleger in aanmerking komen. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde zou het medeplegen alleen op [medeverdachte BV] kunnen zien.

4.4.28

Ten aanzien van [medeverdachte] is van medeplegen sprake. Hij heeft de strafbare handelingen immers feitelijk verricht.

4.4.29

Voor de medeverdachte [medeverdachte BV] geldt het volgende. [medeverdachte BV] heeft niet zelf de feitelijke handelingen uit het onder 1 en 2 ten laste gelegde verricht. Evenmin kunnen de handelingen van [medeverdachte] aan haar worden toegerekend. Slechts in het geval bewezen kan worden dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking met verdachte, zou een veroordeling voor medeplegen kunnen volgen. Gelet op de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn er te weinig aanknopingspunten om aan te nemen dat van een dergelijke bewuste en nauwe samenwerking sprake is. De werkzaamheden en boekhouding van beide bedrijven zijn gescheiden en de rechtbank ziet geen aanwijzingen op basis waarvan het strafbare handelen van verdachte aan [medeverdachte BV] toegerekend kan worden.

4.4.30

Dit leidt er toe dat ten aanzien van feit 1 slechts sprake is van medeplegen door [medeverdachte] en ter zake van feit 2 verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.1 en 4.4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 29 november 2007 tot en met 17 januari 2008 te Amsterdam aan de [straat] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk bedrijfsmatig handelingen met een afvalstof heeft verricht en doen verrichten, immers hebben zij, verdachte en haar mededader uit een te slopen flatgebouw asbest of asbesthoudende producten verwijderd of doen verwijderen en vervolgens op verschillende plaatsen asbest of asbesthoudende producten in dat gebouw achtergelaten, en asbest of asbesthoudende producten verwijderd en doen verwijderen zonder vervolgens die stoffen te verpakken of te doen verpakken in een daartoe geschikte verpakking, en bedrijfsmatige handelingen met afvalstoffen nagelaten, immers hebben zij, verdachte en haar mededader uit een te slopen flatgebouw niet eerst alle asbest of asbesthoudende producten verwijderd, voordat dat gebouw werd gesloopt, terwijl zij en haar mededader wisten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan;

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 21 december 2007 tot en met 17 januari 2008 te Amsterdam als werkgeefster in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet handelingen heeft nagelaten in strijd met voormelde wet en daarop berustende bepalingen, immers heeft zij toen daar in een te slopen flatgebouw aan de [straat], een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door werknemers in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, arbeid doen verrichten, bestaande uit het verrichten van sloopwerkzaamheden, terwijl niet was voldaan aan artikel 4.48a lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft zij in dat flatgebouw niet het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbestproducten verwijderd voordat werd aangevangen met andere werkzaamheden, te weten sloopwerkzaamheden, en artikel 4.1b van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft zij voormelde werknemers niet ter voorkoming van blootstelling aan asbeststof ten behoeve van werkzaamheden in dat flatgebouw voorzien van een doeltreffende bescherming van de gezondheid, terwijl daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers te verwachten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

6.1

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van het bewezenverklaarde onderdeel dat verdachte – kort gezegd – bedrijfsmatig handelingen met afvalstoffen heeft nagelaten door niet eerst alle asbest uit een gebouw te verwijderen, voordat het gebouw werd gesloopt.

Onder omstandigheden is denkbaar dat aan het woord handelingen een bredere dan taalkundige betekenis kan worden toegekend, maar dat kan niet het geval zijn bij een wettelijke regeling die in de leden 1 en 2 de begrippen handelen en nalaten naast elkaar gebruikt. In die omstandigheid kan in lid 3 van artikel 10.1 Wet milieubeheer met handelen niet ook nalaten worden bedoeld. Dit onderdeel van de bewezenverklaring is dan ook niet strafbaar.

6.2

Voor het overige zijn de bewezen geachte feiten volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 75.000,-, waarvan

€ 25.000,-voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Zij hebben daarbij met een overschrijding van de redelijke termijn rekening gehouden.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om, in het geval het tot een veroordeling zou komen, bij de strafoplegging rekening te houden met de gevolgen die deze zaak voor verdachte heeft gehad, zoals reputatieschade, en de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich heeft schuldig gemaakt aan een tweetal ernstige economische delicten, namelijk overtreding van de Wet milieubeheer en de Arbeidsomstandighedenwet. Beide misdrijven zien op handelingen met asbest. De kerntaak van het bedrijf van verdachte is het verwijderen van asbest. Van verdachte mag, als deskundige bij uitstek op dit gebied, worden verwacht dat zij alle noodzakelijke en gewenste maatregelen neemt bij het verwijderen van asbest ten behoeve van de gezondheid van eenieder. De maatschappij moet erop kunnen vertrouwen dat zij dat doet. Door dat niet te doen, heeft verdachte gespeeld met de gezondheid van personen die in aanraking hebben kunnen komen met het asbest. Het is een feit van algemene bekendheid dat asbest een gevaarlijke afvalstof is die onder bepaalde omstandigheden zeer schadelijk voor de menselijke gezondheid is en zelfs levensbedreigende aandoeningen kan veroorzaken. Juist om die reden dient uiterste zorgvuldigheid te worden betracht bij het verwijderen van asbest.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 oktober 2013 blijkt dat verdachte eenmaal eerder is veroordeeld voor overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet, maar dat deze veroordeling niet onherroepelijk is.

De directeur van verdachte is in juni 2008 voor het eerst verhoord. Tussen die datum en de datum waarop uiteindelijk vonnis is gewezen, ligt een periode van vijf jaren en zeven maanden. In hoeverre dit een overschrijding van de redelijke termijn oplevert, is afhankelijk van een aantal factoren. De overschrijding van de redelijke termijn is niet in overwegende mate aan de verdachte te wijten. De Hoge Raad heeft in een aantal arresten uitgangspunten geschetst voor de gevolgen van een overschrijding van de redelijke termijn. Bij overschrijding van de redelijke termijn van minder dan zes maanden is een strafkorting van 5 % uitgangspunt, bij een overschrijding van zes tot twaalf maanden een strafkorting van 10 %. Daarboven is het aan de rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten de compensatie te bepalen. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn is een strafkorting van 10 % passend. De rechtbank komt dan ook tot oplegging van een geldboete conform de eis van de officieren van justitie.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

  • -

    14a, 14b, 14c, 24, 47, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    1, 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

  • -

    10.1 van de Wet milieubeheer;

  • -

    32 Arbeidsomstandighedenwet;

  • -

    4.1b en 4.48a van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van overtreding van een voorschrift, strafbaar gesteld bij artikel 10.1 Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

ten aanzien van feit 2:

overtreding van een voorschrift, strafbaar gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte ], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 75.000,- (vijfenzeventigduizend euro).

Beveelt dat een gedeelte, groot € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro), van deze geldboete, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. J.L. Hillenius en T.H. van Voorst Vader, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.C. van Geel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 januari 2014.

Bijlage I

Tenlastelegging [verdachte ],

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 november 2007 tot en met 17 januari 2008 te Amsterdam, op/aan de [straat],

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk,

een of meermalen,

(telkens) bedrijfsmatig handelingen met afvalstof(fen) heeft/hebben verricht en/of doen verrichten,

immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader(s) uit/in een te

slopen flatgebouw of delen daarvan,

(a)

asbest of asbesthoudende producten verwijderd en/of doen verwijderen en (vervolgens) op verschillende plaatsen asbest of asbesthoudende producten in/om/op dat gebouw achtergelaten en/of doen achterlaten en/of gedeponeerd en/of doen deponeren,

en/of

(b)

asbest of asbesthoudende producten verwijderd en/of doen verwijderen zonder (vervolgens) die stoffen te verpakken en/of te doen verpakken in een daartoe gesloten en/of geschikte verpakking,

en/of

(telkens) bedrijfsmatige handelingen met afvalstoffen heeft/hebben nagelaten, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader(s) uit/in een te slopen flatgebouw of delen daarvan,

niet eerst alle asbest of asbesthoudende producten verwijderd, voordat (delen van) dat gebouw werd(en) gesloopt,

terwijl zij en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen weten, dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan;

2.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 november 2007 tot en met 17 januari 2008 te Amsterdam,

als werkgeefster in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of daarop berustende bepalingen,

immers heeft/hebben zij en /of haar mededader(s) toen daar

in een te slopen flatgebouw of delen daarvan op/aan de [straat], zijnde (een) arbeidsplaats(en) als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door een of meer van haar werknemers in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet en/of werknemers in de zin van dat artikel van haar

mededader(s), te weten

[persoon 1]

en/of

[medeverdachte]

en/of

één of meer (andere) personen,

arbeid doen verrichten, bestaande uit het verrichten van sloopwerkzaamheden,

terwijl niet was/werd voldaan aan

(a)

artikel 4.48a lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) in dat flatgebouw of delen daarvan niet het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbestproducten verwijderd voordat werd aangevangen met andere werkzaamheden, te weten sloopwerkzaamheden,

en/of

(b)

artikel 4.1b van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) voormelde werknemer(s) niet (ter voorkoming van blootstelling aan asbeststof) ten behoeve van werkzaamheden in/aan dat flatgebouw of delen daarvan voorzien van een doeltreffende bescherming van de gezondheid en/of veiligheid,

terwijl daardoor, naar zij wist(en) of redelijkerwijs moest(en) weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemer(s) ontstond of te verwachten was.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna en in rubriek 4.4 volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Geschrift, inhoudende een overeenkomst voor aanneming van werk tussen [bedrijf B] en [medeverdachte BV] d.d. 13 juni 2007 (als los stuk aan het dossier toegevoegd).

3 Proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte], doorgenummerde p. 0201 14.

4 Proces-verbaal van 1e verhoor verdachte [medeverdachte], doorgenummerde p. 0201 05 en een proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte], doorgenummerde p. 0201 13.

5 Geschriften, inhoudende een rapportage “asbestinventarisatie conform BRL 5052”, projectnummer: [nummer], gedateerd 15 februari 2007, doorgenummerde p. 1014 01 t/m 1014 51 en een rapportage “asbestinventarisatie conform BRL 5052”, projectnummer: [nummer] (versie 2), gedateerd 13 maart 2007, doorgenummerde p. 1015 01 t/m 1015 73.

6 Geschrift, inhoudende een “warme schouw, aanvullend op de asbestinventarisatie met nr. [nummer], gedateerd 6 december 2007, doorgenummerde p. 1016 01 t/m 1016 17.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [persoon 2] op 21 mei 2008, doorgenummerde p. 0202 04.

8 Geschrift, inhoudende een rapportage visuele inspectie, locatie [flat A], adres [straat] te Amsterdam, doorgenummerde p. 1003 02, 1003 02a en 1003 03.

9 Verklaring van [vertegenwoordiger], vertegenwoordiger van verdachte, ter terechtzitting van 9 december 2013, een proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris op 5 oktober 2012 van [persoon 4], p. 3, een proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 4], doorgenummerde p. 0313 04 en een proces-verbaal van 4e verhoor verdachte [medeverdachte], doorgenummerde p. 0201 29.

10 Proces-verbaal van de arbeidsinspectie betreffende een economisch delict, doorgenummerde p. 0509 03 t/m 0509 05.

11 Geschrift, inhoudende een rapport Asbestonderzoek leegstaande en kaalgesloopte flat [straat] te Amsterdam, [stadsdeel] d.d. 25 januari 2008 (doorgenummerde p. 1011 01 t/m 1011 14) en een geschrift, inhoudende een rapport “Volledige asbestinventarisatie flatgebouw [straat] te Amsterdam” van 1 februari 2008 door [bedrijf H] (doorgenummerde p. 1013 01 tot en met 1013 141).

12 Geschrift, inhoudende een rapport “volledige asbestinventarisatie conform BRL 5052, balkons van 40 appartementen [straat] te Amsterdam”, gedateerd 18 januari 2008, niet doorgenummerd, p. 12 van 13.

13 Geschrift, inhoudende een asbestinventarisatie conform BRL 5052, rapportage asbestinventarisatie (versie 2), projectnummer: [nummer], doorgenummerde p. 1015 20 en 1015 21.

14 Geschrift, inhoudende een mandagen register [verdachte ] betreffende het project [project B], week 51, jaar 2007, ongenummerd.

15 Proces-verbaal van verhoor [persoon 6], gedateerd 27 mei 2008, doorgenummerde p. 0310 01 en 0310 02.

16 Proces-verbaal APST/AP002/35/DOC01 van de Arbeidsinspectie, doorgenummerde p. 1009 04 en 1009 05.

17 Geschrift, inhoudende een rapport “volledige asbestinventarisatie flatgebouw [straat], gedateerd 1 februari 2008, doorgenummerde p. 1013 18 en 1013 19.

18 Geschrift, inhoudende een rapport “volledige asbestinventarisatie flatgebouw [straat] te Amsterdam” van 1 februari 2008 door [bedrijf H], doorgenummerde p. 1013 01 tot en met 1013 141.

19 Geschrift, inhoudende een rapport “evaluatie asbestsanering van zes flatgebouwen in de [stadsdeel] te Amsterdam”, met kenmerk [nummer], gedateerd november 2009, ongenummerde p.

20 Proces-verbaal van bevindingen van de VROM-Inspectie Regio Noord-West, doorgenummerde p. 0901 01 t/m [nummer].

21 Proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte], doorgenummerde p. 0201 14 en 0201 15.

22 Proces-verbaal van 2e verhoor verdachte [medeverdachte], doorgenummerde p. 0201 15 en een proces-verbaal van verhoor [persoon 8], doorgenummerde p. 03 12 02.

23 Proces-verbaal van 3e verhoor [medeverdachte], doorgenummerde p. 0201 19.

24 Proces-verbaal van 1e verhoor [medeverdachte], doorgenummerde p. 0201 22 en een proces-verbaal van 1e verhoor [persoon 7], doorgenummerde p. 0203 05.

25 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4], doorgenummerde p. 0313 03 en 0313 04.

26 Proces-verbaal van 1e verhoor [medeverdachte], doorgenummerde p. 0201 09.

27 Proces-verbaal van verhoor [persoon 4], doorgenummerde p. 0313 06 en een proces-verbaal van 2e verhoor [medeverdachte], doorgenummerde p. 0201 12.