Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2548

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
09-05-2014
Zaaknummer
CV 13-16150
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling van politieagent. Vordering immateriële schadevergoeding. Vordering van de politie tot vergoeding van loonschade door arbeidsongeschiktheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/80

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

AFDELING PRIVAATRECHT

Kenmerk : CV 13-16150

Datum : 24 april 2014

178

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:

1 DE PUBLIEKRECHTELIJKE RECHTSPERSOON DE POLITIE

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam

2. [eiser 2]
eisers

nader afzonderlijk te noemen De Politie respectievelijk [eiser 2]

gemachtigde: mr. M.L. Schönau

t e g e n:

1 [gedaagde 1]

en

2. [gedaagde 2]

beiden wonende te [woonplaats]

[woonplaats]

gedaagden

gemachtigde voor gedaagde sub 2: mr. C.C.J. Tuip

gedaagde sub 1 is niet verschenen

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding met bewijsstukken van 17 juni 2013 inhoudende de vordering van De Politie

  • -

    de conclusie van antwoord met bewijsstukken van [gedaagde 2]

Bij tussenvonnis van 14 augustus 2013 is een schriftelijke voortzetting van de procedure gelast. Vervolgens zijn ingediend:

  • -

    de conclusie van repliek met bewijsstukken van De Politie, met vermindering van eis

  • -

    de conclusie van dupliek met een bewijsstuk van [gedaagde 2]

  • -

    de akte waarin De Politie reageert op dat laatste bewijsstuk

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1.

[eiser 2] is als politieagent werkzaam bij de politie. Op 2 juni 2009 hebben [eiser 2] en zijn collega [college] [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aangehouden op verdenking van inbraak. Daarbij hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zich verzet, dusdanig dat ten einde de aanhouding te voltooien assistentie van collega’s van [eiser 2] en [college] noodzakelijk is geworden.

1.2.

[eiser 2] is tijdens bovengenoemde aanhouding gewond geraakt en met een ambulance overgebracht naar het VU Medisch Centrum te Amsterdam. Op basis van röntgenfoto’s is toen een licht schedelhersentrauma categorie 2 als diagnose gesteld.

1.3.

[eiser 2] heeft zich daags na het ongeval bij de plv. wijkteamchef [wijkteamchef], ziek gemeld. Op 23 juni 2009 heeft [eiser 2] zich bij [wijkteamchef] gedeeltelijk hersteld gemeld.

1.4.

[eiser 2] is nadien onder meer gezien door orthopedisch chirurg [chirurg] die bij ongedateerd formulier (prod. 2D dagv.) fysiotherapie ten behoeve van [eiser 2] heeft aangevraagd.

1.5.

[gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn op 4 februari 2010 ieder strafrechtelijk veroordeeld wegens poging tot medeplegen van zware mishandeling en het medeplegen van mishandeling van een ambtenaar in functie. Een door [eiser 2] ingestelde civiele vordering tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 200,00 tegen [gedaagde 1] is daarbij toegewezen en een vordering van [eiser 2] tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 1.000,00 tegen [gedaagde 2] is tot een bedrag van € 250,00 toegewezen. Die laatste vordering is ten aanzien van het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaard, als zijnde niet eenvoudig van aard. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

Vordering

2. De Politie vordert [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.077,40 te vermeerderen met rente en kosten. [eiser 2] vordert [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.572,20 te vermeerderen met rente.

3. De Politie stelt ter onderbouwing van haar vordering dat [eiser 2] door de mishandeling 20 dagen geen arbeid voor haar heeft kunnen verrichten, terwijl De Politie [eiser 2] wel heeft moeten doorbetalen. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn voor deze door De Politie geleden schade aansprakelijk, aldus De Politie.

4. [eiser 2] stelt ter onderbouwing van zijn vordering dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hem ernstig lichamelijk letsel hebben toegebracht, welk letsel bestaat uit schaafwonden, een hersenschudding, schouderletsel met als gevolg een ontstoken gewricht resulterend in een slijmbeursontsteking en een gekneusde nier. [eiser 2] heeft lange tijd fysiotherapie moeten ondergaan. Voorts heeft [eiser 2] geestelijke gezondheid geleden onder de mishandeling, hij heeft moeite met het verwerken van het incident. Op grond van het bovenstaande vordert [eiser 2] een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schadevergoeding van [gedaagde 2] en [gedaagde 1], welk bedrag verminderd kan worden met de bedragen van € 250,00 en € 200,00 waarvoor de strafrechter reeds vonnissen heeft afgegeven. Voorts heeft [eiser 2] op 25 juni 2009 een cortisone-injectie ontvangen om de door de ten gevolge van de mishandeling ontstane slijmbeursontsteking te remmen, welke injectie € 74,40 kostte. Daarvan is een bedrag van € 22,20 door de verzekeraar niet vergoed, zodat dit bedrag door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] moet worden vergoed, aldus [eiser 2]. Er is sprake van groepsaansprakelijkheid, zodat beide gedaagden hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk zijn stelt zowel De Politie als [eiser 2].

Verweer

5. [gedaagde 2] verweert zich tegen deze vorderingen. Hij betwist de mishandeling en voert subsidiair aan dat niet is komen vast te staan dat er causaal verband is tussen de mishandeling en de fysieke en psychische klachten van [eiser 2]. Hij betwist de gestelde arbeidsongeschiktheid gedurende de bewuste periode, daar deze niet met stukken is onderbouwd. Meer subsidiair meent [gedaagde 2] dat de schade bij [eiser 2] is ontstaan doordat [eiser 2] en [college] onrechtmatig hebben gehandeld bij de aanhouding. Voorts geldt dat politiebeambten er tegen opgewassen moeten zijn als verdachten verzet plegen en is er geen sprake van groepsaansprakelijkheid, aldus [gedaagde 2].

Beoordeling

6. In de kop van het tussenvonnis van 14 augustus 2013 staat [eiser 2] ten onrechte niet als eiser vermeld. Dit wordt hierbij gerectificeerd, in die zin dat het vonnis moet worden gelezen met [eiser 2] als tweede eiser naast De Politie.

7. De strafrechtelijke veroordeling van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] levert in civielrechtelijke zin dwingend bewijs op van de door hen gepleegde mishandeling van [eiser 2]. Daar kan tegenbewijs tegen worden geleverd. [gedaagde 2] heeft echter geen deugdelijk bewijsaanbod gedaan en [gedaagde 1] is niet in de procedure verschenen. Dat betekent dat de mishandeling van [eiser 2] door [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in deze zaak tussen partijen is komen vast te staan. Het daartegen gevoerde verweer wordt mitsdien verworpen.

8. [gedaagde 2] betwist dat er causaal verband is tussen de mishandeling en de bij [eiser 2] nadien geconstateerde gezondheidsklachten. Het is echter voldoende aannemelijk dat de fysieke klachten die na de mishandeling zijn opgetreden, met name die aan hoofd en schouder, waaronder begrepen de opgetreden slijmbeursontsteking, door de mishandeling zijn veroorzaakt. Daarmee is het causaal verband tot op tegenbewijs komen vast te staan. [gedaagde 2] heeft evenwel ook ten aanzien van dit punt geen deugdelijk bewijsaanbod gedaan, zodat ook dit verweer wordt verworpen.

9. Het verweer dat de betreffende aanhouding van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] onrechtmatig was wordt eveneens verworpen. Er was gezien de als bijlagen bij dagvaarding overgelegde processen-verbaal sprake van een redelijke verdenking van inbraak zodat [eiser 2] en zijn collega mochten overgaan tot aanhouding van [gedaagde 2] en [gedaagde 1]. Dat zij daarbij buiten hun boekje zijn gegaan en daarmee het geweld van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] nodeloos hebben uitgelokt is niet gebleken.

De vordering van De Politie

10. De Politie vordert schadevergoeding ten gevolge van de omstandigheid dat [eiser 2] door de mishandeling tussen 3 juni en 23 juni 2009 arbeidsongeschikt is geweest. [gedaagde 2] betwist dat [eiser 2] in deze periode (volledig) arbeidsongeschikt is geweest.

10. Als weerlegging van het verweer van [gedaagde 2] heeft De Politie bij repliek verwezen naar een als productie 15 overgelegd intern memo van de leidinggevende van [eiser 2], [wijkteamchef] en gesteld dat deze bevoegd was om de arbeidsongeschiktheid van [eiser 2] te beoordelen. Krachtens deze bevoegdheid heeft [wijkteamchef] [eiser 2] op 3 juni 2009 volledig arbeidsongeschikt gemeld, aldus De Politie.

10. Uit het overgelegde stuk kan worden opgemaakt dat [eiser 2] zich op 3 juni 2009 bij [wijkteamchef] heeft ziek gemeld en dat deze de ziekmelding heeft geaccepteerd, waarna op 23 juni 2009 [eiser 2] zich gedeeltelijk hersteld heeft gemeld. Niet is gebleken evenwel, dat de (volledige) arbeidsongeschiktheid over de bewuste periode op enig moment door een arbodienst of deskundig persoon is vastgesteld.

10. Het stond De Politie uiteraard vrij om de bovengenoemde ziekmelding van [eiser 2] te accepteren zonder zijn arbeidsongeschiktheid door een terzake deskundige te laten beoordelen. Voor toewijsbaarheid van een vordering op een of meer derden tot vergoeding van de door arbeidsongeschiktheid geleden loonschade is een dergelijke handelwijze, voor het geval die vordering wordt betwist, onvoldoende. Het beroep op de bevoegdheid van [wijkteamchef] om de arbeidsongeschiktheid van [eiser 2] te beoordelen kan De Politie niet baten, aangezien niet is gesteld of anderszins gebleken dat [wijkteamchef] over de vereiste deskundigheid beschikt om de arbeidsongeschiktheid van [eiser 2] te beoordelen.

10. Dat betekent dat onvoldoende is komen vast te staan dat [eiser 2] gedurende de periode 3 juni tot 23 juni 2009 door het als gevolg van de mishandeling ontstane letsel, met name een lichte hersenschudding en schouderletsel, volledig arbeidsongeschikt was en zelfs niet in staat was bureauwerk te doen. Aangezien De Politie op dit specifieke punt geen nader bewijs heeft aangeboden wordt de vordering tot vergoeding van loonschade afgewezen.

De vorderingen van [eiser 2]

15. De materiële schade. [eiser 2] heeft bij dagvaarding een bedrag van € 74,40 gevorderd terzake een niet vergoede injectie in verband met een door de mishandeling ontstane slijmbeursontsteking. [gedaagde 2] heeft daarop betwist dat dit bedrag niet door een ziektekostenverzekeraar is vergoed. Daarop heeft [eiser 2] bij repliek een bewijsstuk overgelegd op grond waarvan valt op te maken dat van het bedrag van de injectie een bedrag van € 52,20 door een verzekeraar is vergoed. [eiser 2] heeft daarop zijn vordering verminderd tot het restantbedrag van € 22,20. Daar heeft [gedaagde 2] niet meer op gereageerd. Dat betekent dat dit deel van de vordering toewijsbaar is.

15. [eiser 2] heeft zich in de strafrechtelijke procedure gevoegd met een civiele vordering tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 1.000,00 tegen [gedaagde 2] en € 200,00 tegen [gedaagde 1]. Gelet op de aan de Officier van Justitie namens [eiser 2] verzonden onderbouwing van die vorderingen (zie de producties 4 en 6 bij dagvaarding) is voor wat betreft het verschil in hoogte van de gevorderde bedragen kennelijk rekening gehouden met het aandeel bij de mishandeling van [gedaagde 2] respectievelijk [gedaagde 1].

15. Geoordeeld wordt dat met het instellen van een civiele vordering van in totaal € 1.200,00 [eiser 2] zijn vordering tot betaling van immateriële schade jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 1] heeft vastgesteld op dat bedrag zodat hij nu niet ineens een hoger bedrag kan vorderen, tenzij hij thans feiten en omstandigheden zou stellen en eventueel bewijzen op grond waarvan aannemelijk wordt dat de door hem geleden immateriële schade ten tijde van het instellen van de onderhavige vordering groter is geworden of gebleken dan tijdens de strafrechtelijke procedure kon worden voorzien. Mede gelet op de inhoud van de eerder genoemde inhoud van de producties 4 en 6 bij dagvaarding, is aan dat laatste niet voldaan. Dat betekent dat de vordering niet toewijsbaar is, voor zover die uitgaat boven de eerder ingestelde gevoegde vordering van in totaal € 1.200,00.

15. Voorts maakt [eiser 2] niet duidelijk waarom hij tijdens de strafrechtelijke procedure tegen elk der gedaagden een vordering heeft ingesteld kennelijk rekening houdende met de zwaarte van ieders aandeel in de mishandeling, terwijl in de onderhavige procedure beide gedaagden hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk worden gehouden op grond van groepsaansprakelijkheid. Dit laatste ligt bovendien niet voor de hand, aangezien aannemelijk is dat de belangrijkste klachten van [eiser 2] (hersenschudding, schouderklachten) vooral zijn veroorzaakt door schoppen tegen hoofd en schouder van [eiser 2] door [gedaagde 2] terwijl op dat moment [eiser 2] en [gedaagde 1] op de grond lagen. Gelet op dit gebrek aan toelichting wordt de vordering tot vergoeding van immateriële schade tegen [gedaagde 1] afgewezen, nu de tegen hem gerichte vordering van € 200,00 in de eerder gevoerde procedure geheel is toegewezen en daarnaast onvoldoende is gesteld voor nadien gebleken en aan [gedaagde 1] toe te rekenen immateriële schade.

15. Dat betekent dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade thans nog alleen betrekking kan hebben op het oorspronkelijk door [eiser 2] van [gedaagde 2] gevorderde bedrag van € 1.000,00, waarvan reeds € 250,00 door de strafrechter is toegewezen.

15. Naar uit de stukken valt op te maken heeft [eiser 2] aanvankelijk last gehad van een hersenschudding en gedurende langere tijd van schouderproblemen die zijn fysiek functioneren nadelig hebben beïnvloed. Dat er overige fysieke klachten zijn geweest waarvan [eiser 2] veel of langdurig last heeft gehad is niet gebleken. Voor de schouderproblemen is hij onder behandeling van een fysiotherapeut geweest. Voorts is gesteld en voldoende aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van genoemde klachten van een geplande actieve vakantie heeft moeten afzien. Een en ander levert voor vergoeding vatbare immateriële schade op.

15. [eiser 2] heeft de vordering bovendien onderbouwd door te wijzen op geleden psychische schade. Daarover wordt geoordeeld dat een politieagent in beginsel geacht moet worden opgewassen te zijn tegen de psychische gevolgen van een incident als waarvan hier sprake is. Onvoldoende is in het voorliggend geval gesteld of gebleken om van dit beginsel af te wijken. De gestelde psychische gevolgen leveren daarom geen voor vergoeding vatbare schade op.

15. Gelet op het onder 19 t/m 21 overwogene, alle omstandigheden in aanmerking genomen, wordt voor wat betreft het aandeel van [gedaagde 2] een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 redelijk geoordeeld. Hiervan is reeds een bedrag van € 250,00 toegewezen door de strafrechter, zodat een bedrag van € 750,00 resteert.

15. [gedaagde 2] wordt in de procedure tegen [eiser 2] als overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [eiser 2]. Gelet op het feit dat [eiser 2] een natuurlijk persoon is, voor wie bij de onderhavige vordering een griffierecht van € 213,00 geldt, wordt dit bedrag aan griffierecht in de veroordeling opgenomen.

15. Aangezien De Politie in de procedure tegen [gedaagde 2] in het ongelijk wordt gesteld wordt zij veroordeeld in diens proceskosten, begroot op € 200,00 aan salaris gemachtigde.

15. De Politie en [eiser 2] worden ten opzichte van [gedaagde 1] als grotendeels in het ongelijk gesteld aangemerkt en daarom veroordeeld in diens proceskosten. Aangezien [gedaagde 1] niet is verschenen worden deze gesteld op nihil.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vordering van De Politie af;

II. veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk om aan [eiser 2] te betalen € 22,20 met de wettelijke rente hierover vanaf 8 mei 2013;

III. wijst voor het overige de vordering van [eiser 2] tegen [gedaagde 1] af;

IV. veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan [eiser 2] van € 750,00 met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2009;

V. veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten van [eiser 2] tot op heden begroot op € 509,08, bestaande uit € 96,08 aan explootkosten, € 213,00 aan griffierecht en € 200,00 aan gemachtigdensalaris.

VI. veroordeelt De Politie in de proceskosten van [gedaagde 2], begroot op € 200,00 aan gemachtigdensalaris;

VII. veroordeelt De Politie en [eiser 2] in de proceskosten van [gedaagde 1], begroot op nihil;

VIII. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

IX. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. C. von Meyenfeldt, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter