Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2536

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
09-05-2014
Zaaknummer
13/706110-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

- Overlevering Duitsland

- Niet ontvankelijkheid officier van justitie,

- Rauwelijkse afwijzing van hetzelfde EAB in 2006 door OvJ

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.706110-11

RK nummer: 13/7384

Datum uitspraak: 29 april 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 november 2013 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 1 juli 2004 door de officier van justitie in Versailles, Tribunal de Grande Instance van Versailles (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlands Indië) op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [GBA-adres];

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 januari 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R.A. Bosman.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. E.J. Woud, advocaat te Hoorn.

Nadien heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend onder gelijktijdige schorsing, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen ten aanzien van het GVO in de zogenoemde Alkmaarse strafzaak nadere stukken over te leggen.

De officier van justitie heeft aan het dossier de volgende stukken toegevoegd:

- vordering gerechtelijk onderzoek van 19 maart 1998; - nadere Vordering Gerechtelijk Onderzoek van 18 juni 1998; - nadere Vordering Gerechtelijk Onderzoek van 25 juni 1998; - kennisgeving van verdere vervolging van 23 februari 2000;

- vonnis van de rechtbank Alkmaar van 5 juli 2000.

Met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon heeft de rechtbank het onderzoek op 15 april 2014 hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de zitting van 10 januari 2014.

Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,

mr. M. Al Mansouri. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. E.J. Woud.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met terugwerkende kracht voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1

Procedure tot nu toe

2000

Bij vonnis van 5 juli 2000 heeft de rechtbank Alkmaar de opgeëiste persoon veroordeeld voor onder meer het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen in de periode van 1 januari 1997 tot en met 9 juni 1998.

2002

De rechtbank Haarlem heeft bij beslissing van 2 juli 2002 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk toegestaan voor de vervolging van de handel in verdovende middelen voor de periode ‘depuis 1996 jusqu’en 1997'.

Naar aanleiding van deze beslissing heeft de rechtbank Haarlem bij brief van 2 juli 2002 de Minister van justitie geadviseerd de uitlevering van de opgeëiste persoon niet toe te staan. De rechtbank vraagt zich namelijk af of het nog opportuun is om de opgeëiste persoon uit te leveren ter fine van strafvervolging voor strafbare feiten die zo nauw samenhangen met de feiten waarvoor hij in Nederland is vervolgd en die zouden zijn gepleegd in een betrekkelijke korte periode voorafgaande aan de periode, waarover de vervolging van de opgeëiste persoon in Alkmaar zich heeft uitgestrekt.

De Minister van justitie heeft het advies van de rechtbank Haarlem gevolgd en heeft de uitlevering bij beschikking van 25 oktober 2002 geweigerd.

2003

Bij arrest van 28 november 2013 heeft het gerechtshof Amsterdam de opgeëiste persoon in het door hem ingestelde appel tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar onder meer terzake van het genoemde feitencomplex en de genoemde pleegperiode veroordeeld. Dit arrest is in 2005 onherroepelijk geworden.

2004

Op 1 juli 2004 heeft de Franse autoriteit ten aanzien van de opgeëiste persoon een EAB uitgevaardigd dat door de officier van justitie is ontvangen in 2006. In dit EAB wordt de overlevering gevraagd voor de invoer van verdovende middelen in Frankrijk.

De feiten zouden zijn gepleegd sinds 1996 en tot in 1997. In het EAB wordt melding gemaakt van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van 25 maart 1999 waarin de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar. In het EAB staat verder vermeld dat de opgeëiste persoon verzet kan aantekenen tegen het bovengenoemd tegen hem gewezen vonnis.

2006

Het openbaar ministerie heeft bij brief van 3 mei 2006 aan de advocaat van de opgeëiste persoon laten weten dat hij niet zal worden aangehouden en niet zal worden overgeleverd op basis van het door de Franse autoriteit op 1 juli 2004 uitgevaardigde EAB.

Bij brief van 4 mei 2006 heeft de officier van justitie het EAB van 1 juli 2004 rauwelijks afgewezen omdat de feitsomschrijving in het EAB gelijk is aan de feitsomschrijving van het uitleveringsverzoek dat door de Minister van justitie is geweigerd bij beschikking van 25 oktober 2002. De officier van justitie besluit overeenkomstig deze weigering te handelen.

2013

Op 11 november 2013 heeft de officier van justitie alsnog het in behandeling nemen door de rechtbank Amsterdam van het EAB van de Franse autoriteit van 1 juli 2004 gevorderd.

2014

De Franse autoriteit heeft bij e-mail van 8 januari 2014 laten weten dat zij met betrekking tot het EAB van 1 juli 2004 de overlevering van de opgeëiste persoon wenst ten aanzien van de in het EAB genoemde feiten die zijn begaan vóór 1 januari 1997.

De officier van justitie heeft op de zitting van 10 januari 2014 het standpunt ingenomen dat ten aanzien van de feiten van na 1 januari 1997 sprake is van ne bis in idem en dus sprake is van een weigeringsgrond in de zin van artikel 9 OLW. Ten aanzien van de periode voor 1 januari 1997 is er naar de mening van de officier van justitie geen sprake van een ne bis in idem situatie en doet zich de weigeringsgrond van artikel 9 OLW dus niet voor.

Op de zitting van 15 april 2014 heeft de officier van justitie zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat er niets is veranderd sinds de rauwelijkse afwijzing door het Openbaar Ministerie van 4 mei 2006 en dat die afwijzing achteraf bezien onjuist was.

3.2.

Beoordeling door de rechtbank

Relevante feiten

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de officier van justitie het verzoek van de Franse autoriteiten om de opgeëiste persoon over te leveren op grond van het Europees arrestatiebevel van 1 juli 2004 heeft afgewezen bij brief van 4 mei 2006. De officier van justitie heeft daarbij van belang geacht dat de feitsomschrijving in het EAB van 1 juli 2004 identiek is aan de feitsomschrijving in het uitleveringsverzoek van de Franse autoriteit van 1 maart 2002 en heeft daarbij gewezen op de beslissing van de Minister van justitie van 25 oktober 2002 om het uitleveringsverzoek van de Franse autoriteit te weigeren.

De rechtbank stelt verder vast dat de vordering van de officier van justitie van 11 november 2013 op grond van artikel 23 van de OLW om het EAB van 1 juli 2004 in behandeling te nemen betrekking heeft op hetzelfde EAB als waarop de rauwelijkse afwijzing door de officier van justitie van 4 mei 2006 van het Franse overleveringsverzoek betrekking heeft.

De rechtbank stelt tenslotte vast dat de officier van justitie ter zitting heeft verklaard dat de situatie nu niet anders is dan de situatie ten tijde van de afwijzing van het Franse overleveringsverzoek door de officier van justitie. Het EAB dat nu voorligt is hetzelfde EAB, terwijl ook overigens de rechtbank niet is gebleken van een wijziging in relevante omstandigheden.

Oordeel rechtbank

Reeds in 2002 is door het advies van de rechtbank Haarlem en de beschikking van de Minister van justitie bij de opgeëiste persoon de verwachting gewekt dat geen vervolging dan wel overdracht aan Frankrijk meer zou plaatsvinden voor de feiten van vóór 1 januari 1997. Daarmee is overigens nog niet gezegd dat deze verwachting gerechtvaardigd was en opgewekt was door het openbaar ministerie. Verder is sindsdien sprake geweest van een relevante wijziging van wetgeving door de totstandkoming van het Kaderbesluit EAB en de Overleveringswet.

Vervolgens ontvangt het openbaar ministerie het Franse EAB van 1 juli 2004 en reageert het openbaar ministerie daarop met de brief van 3 mei 2006 van het IRC en de rauwelijkse afwijzing door het openbaar ministerie van 4 mei 2006. Vanaf dit moment kan naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een gerechtvaardigde en door het openbaar ministerie opgewekte verwachting dat geen overlevering meer zou plaatsvinden op grond van dit EAB.

Nu geen sprake is van nieuwe omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van de rauwelijkse afwijzing van het EAB door het openbaar ministerie en de mededeling dat terzake van dit EAB geen overlevering zal plaatsvinden, is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie in strijd handelt met het vertrouwensbeginsel door terug te komen op zijn beslissing van 4 mei 2006 door alsnog te vorderen dat de rechtbank het EAB van de Franse autoriteit van

1 juli 2004 in behandeling neemt. De rechtbank acht deze schending van het vertrouwensbeginsel van een dermate groot gewicht, dat de officier van justitie in de onderhavige procedure in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat de beslissing van 4 mei 2006 in de ogen van het openbaar ministerie achteraf bezien onjuist is gebleken doet daaraan niet af. Overigens merkt de rechtbank daarbij op dat deze onjuistheid, als daar al sprake van is, niet kenbaar was voor de opgeëiste persoon.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de officier niet ontvankelijk is in haar vordering.

4 Beslissing

Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. A.J. Dondorp en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 29 april 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.