Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2454

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-04-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
13/751233-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

- Overlevering Italië

- Artikel 6, vijfde lid, OLW

document langdurig verblijf EU-onderdaan gelijkt te stellen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751233-13

RK nummer: 14/1251

Datum uitspraak: 29 april 2014

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 24 feb 2013 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 2 december 2013 door the Judge for Preliminary Investigations attached to the Court of Padua (Italië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [adres, te plaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "[naam]" te [plaats];

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 15 april 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. K.A. Krikke, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat

de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Italiaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een enforcable Judgment van 15 oktober 2013, met kenmerk 8477/12 R.G.N.R. 8625/13 R.G. G.I.P. stralc. dal N. 8592/12 R.G. G.I.P.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 3 jaar en 4 maanden.

De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Artikel 6, vijfde lid, OLW

De raadsman heeft aan de hand van zijn ter zitting overgelegde pleitnota, met vijf bijlagen, aangevoerd dat de overlevering van de opgeëiste persoon geweigerd dient te worden nu hij al meer dan vijf jaar in Nederland woont en werkt en aldus dient te worden gelijkgesteld met een Nederlander. Ook heeft de opgeëiste persoon desgevraagd verklaard dat hij sinds het jaar 1987 een verblijfsvergunning voor Nederland heeft aangevraagd. Zijn vrouw heeft alles voor hem geregeld en hij heeft de vergunning in totaal twee à drie keer verlengd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging onvoldoende is onderbouwd en dat derhalve de opgeëiste persoon niet aan een Nederlander kan worden gelijkgesteld in de zin van artikel 6 OLW en dat de overlevering van de opgeëiste persoon kan worden toegestaan.

De officier van justitie heeft gesteld dat de opgeëiste persoon van 11 maart 2013 tot en met 28 oktober 2013 in Italië in de gevangenis heeft gezeten en dat de opgeëiste persoon over de jaren 2013 en 2014 onvoldoende inkomsten heeft genoten om in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Hiermee voldoet de opgeëiste persoon niet aan de voorwaarde van een ononderbroken en rechtmatig verblijf in Nederland van tenminste vijf jaren.

De officier van justitie houdt voor dat uit informatie van de IND blijkt dat de opgeëiste persoon in het bezit is van een verblijfsdocument 'duurzaam verblijf EU-onderdanen'. Dit verblijfsdocument voldoet niet aan hetgeen in artikel 6, vijfde lid, OLW als verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt aangeduid omdat dit document is afgegeven onder de voorwaarden van de oude Vreemdelingenwet waarin niet de eis was opgenomen van een onafgebroken en langdurig verblijf in Nederland voor de duur van 5 jaar.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Artikel 6, vijfde lid, OLW geeft voor zover hier van belang aan een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd dezelfde rechten als die aan een Nederlander zouden toekomen op grond van de eerste vier leden van dit artikel, voor zover ten aanzien van hem de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf verliest als gevolg van hetgeen waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Ten aanzien van onderdanen van een andere lidstaat van de Europese Unie geldt het vereiste van het bezit van een formele vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd niet, maar geldt in plaats daarvan (en afgezien van de overige in dat artikellid vermelde criteria) het criterium dat aan de materiële voorwaarden om voor een dergelijke vergunning in aanmerking te komen moet zijn voldaan.

Uit de door de officier van justitie overgelegde informatie van de Immigratie en Naturalisatiedienst over het verblijfsrecht blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 1999 verblijfrecht in Nederland heeft en in het bezit is van een 'document duurzaam verblijf burgers van de Unie' als bedoeld in artikel 8.17 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 8 maart 2007 waarbij de aanvraag van dit document is ingewilligd bevindt zich ook bij de stukken.

Onder verwijzing naar haar uitspraak van 24 april 2009, LJN-nummer BJ0781, stelt de rechtbank voorop dat een redelijke en kaderbesluitconforme uitleg van artikel 6, vijfde lid, OLW met zich brengt dat onder verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd mede wordt verstaan een verblijfsdocument duurzaam verblijf voor burgers van de Europese Unie.

In het licht van die uitspraak is de vraag of de opgeëiste persoon voldeed aan de materiele voorwaarden voor een verblijfsrecht voor duurzaam verblijf niet aan de orde. Immers is die vraag in het geval een vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd evenmin aan de orde. Ook de vraag of de opgeëiste persoon inmiddels niet meer voldoet aan die materiele voorwaarden is niet aan de orde. Zoals in het geval van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd moet er, gelet op voornoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam, ook in het geval van een document duurzaam verblijf van uit worden gegaan dat nog steeds wordt voldaan aan de materiele voorwaarden, behoudens een beslissing van de bevoegde autoriteit die strekt tot beëindiging van het verblijfsrecht.

De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de door de officier van justitie opgeworpen vraag of voldaan wordt aan de materiele voorwaarden ter verkrijging van een dergelijk document. Overigens merkt de rechtbank over het standpunt van de officier van justitie nog wel het volgende op. Er dient van uit gegaan te worden dat voorafgaand aan de afgifte van het document is geverifieerd dat aan de voorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 19 van Richtlijn 2004/38 (Verblijfsrechtlijn) wordt een dergelijk document afgegeven ter staving van het duurzaam verblijf, na verificatie van de vereiste verblijfsduur. Het bepaalde in artikel 8:19 van het Vreemdelingenbesluit 2000 stemt hiermee overeen. Voorts heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in haar uitspraak van 6 oktober 2009 (nr. C 123/08) inzake [zaak A] overwogen dat aan een dergelijk document, hoewel niet constitutief voor het verblijfsrecht, declaratoire en bewijstechnische waarde toekomt (rechtsoverweging 52).

Voor zover de officier van justitie heeft willen betogen dat inmiddels in de inkomensgegevens dan wel de tijdelijke afwezigheid van zeven maanden wegens detentie in Italië redenen zijn gelegen tot beëindiging van het verblijfsrecht, stuit dit reeds af op de artikelen 8.18 en verder van het Vreemdelingenbesluit 2000 waarin is bepaald dat het duurzaam verblijfsrecht slechts kan worden beëindigd bij afwezigheid van meer dan twee opvolgende jaren uit Nederland of indien ernstige redenen van openbare orde daartoe nopen. Artikel 8.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bepaalt dat het verblijfsrecht door de Minister (dan wel diens rechtsopvolger) om redenen van openbare orde kan worden beëindigd indien het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

De officier van justitie heeft zich ter zitting desgevraagd op het standpunt gesteld het hoogst onwaarschijnlijk te achten dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen als gevolg van een hem na de gevraagde overlevering opgelegde straf of maatregel. De rechtbank volgt de officier van justitie in dit standpunt. Gelet op het reeds aangehaalde artikel 8.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bestaat ten aanzien van de opgeëiste persoon niet de verwachting dat hij zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen ten gevolge van strafoplegging voor de feiten waarvoor zijn overlevering is gevraagd.

Tenslotte stelt de rechtbank vast dat Nederland rechtsmacht heeft, nu niet in geschil is dat de feiten zich deels op Nederlands grondgebied hebben afgespeeld. Reeds daarom staat de in artikel 6 vijfde lid OLW genoemde rechtsmacht-eis niet aan gelijkstelling met een Nederlander in de weg.

Het vorenstaande in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon voldoet aan de voorwaarden, zoals gesteld in artikel 6, vijfde lid, OLW, en voor de toepassing van dat artikel gelijkgesteld dient te worden met een Nederlander.

Dit betekent dat indien sprake is van een onherroepelijk vonnis de overlevering op die grond geweigerd dient te worden. Indien het vonnis niet onherroepelijk zou zijn kan slechts worden overgeleverd indien de Italiaanse autoriteit een terugkeergarantie hebben afgegeven.

5 Heropening van het onderzoek

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een executie-EAB.

In het EAB is vermeld dat de ten uitvoerlegging wordt verzocht van een vonnis waarin de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar. De e-mail van de Italiaanse rechter van 26 maart 2014 waarin staat vermeld dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld doet daar niet aan af nu de Italiaanse autoriteit de inhoud van het EAB ongewijzigd heeft gelaten.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard zelf geen hoger beroep tegen het in het EAB genoemde vonnis te hebben ingesteld.

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier een e-mail van 26 maart 2014 bevindt van de Italiaanse autoriteit. De e-mail bevat een artikel 12 OLW formulier waarop onder meer het volgende staat vermeld:

"The trial has been defined with a plea bargain on 15.10.2013 at the request of person, and the sentence has been appealed by the person on 29.10.2013."

Uit deze bewoordingen kan worden afgeleid dat op 29 oktober 2013 door de opgeëiste persoon hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis..

De rechtbank is op grond van deze e-mail, die na de uitvaardiging van het EAB is verzonden, van oordeel dat het onduidelijk is of het in het EAB genoemde vonnis een onherroepelijk of een herroepelijk vonnis betreft.

De rechtbank acht zich onder deze omstandigheden onvoldoende voorgelicht en zal het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Italiaanse autoriteit te vragen

  • -

    of het in het EAB genoemde vonnis onherroepelijk is,

  • -

    dan wel, in het geval sprake is van een herroepelijk vonnis, een WETS-garantie voor de opgeëiste persoon te verstrekken.

6 Beslissing

Heropent het onderzoek en schorst dit voor onbepaalde tijd.

Stelt de officier van justitie in de gelegenheid om aan de Italiaanse autoriteit informatie op te vragen zoals onder 5. van deze tussenuitspraak is omschreven.

Beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nog nader te bepalen terechtzitting.

Beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. A.J. Dondorp en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 29 april 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.