Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2446

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
13/674218-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 72-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes voorwaardelijk voor de verkoop van meer dan duizend valse werken van Anton Heyboer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/674218-13 (PROMIS)

Datum uitspraak: 6 mei 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres en woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 april 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. van Schaijck en van wat verdachte en zijn raadsman mr. G. Meijers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 september 2005 tot en met 05 augustus 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (ongeveer) 4.000, in elk geval een of meer, ets(en) en/of schilderij(en) afkomstig uit de zogenaamde Josef Santen verzameling (te weten onder meer de ets(en) en/of schilderij(en) te vinden in dossier III:

- HB06, blz. 123 en/of

- Map A, blz. 189, nr.2 en/of

- Map B, blz. 190, nr. 2 en/of

- Map C, blz. 191, nr. 2 en/of

- Map 28, blz. 192, nr. 1 en/of

- Map 63, blz. 193, nr. 1 en/of

- Map 66, blz. 193, nr. 2 en/of

- Map 69, blz. 194, nr. 1 en/of

- Map 71, blz. 195, nr. 2 en/of

- Map 86, blz. 196, nr. 2 en/of

- Map 91, blz. 197, nr.1 en zoals aangehecht bij de dagvaarding)

in elk geval een of meer werk(en) van kunst, waarop valselijk de naam en/of het naamsteken en/of enig teken is geplaatst en/of het echte teken is vervalst, te koop heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben afgeleverd en/of ten verkoop in voorraad heeft/hebben gehad, als ware die/dat ets(en) en/of schilderij(en), in elk geval die /dat werk(en) van kunst van de hand van degene wiens naam of teken daarop valselijk was aangebracht, te weten A. Heyboer;

2.

hij één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 september 2005 tot en met 05 augustus 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam 1] en/of [naam 2] (eigenaren van de Anton Heyboer Winkel te [plaats]) heeft/hebben bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en) (totaal 200.000,- euro), althans voornoemde perso(o)n(en) heeft/hebben bewogen tot afgifte van (enig(e)) geldbedrag(en) en/of in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven-

* aan die bovengenoemde perso(o)n(en) (ongeveer) 4.000 (te weten onder meer de ets(en) en/of schilderij(en) te vinden in dossier III:

- HB06, blz. 123 en/of

- Map A, blz. 189, nr.2 en/of

- Map B, blz. 190, nr. 2 en/of

- Map C, blz. 191, nr. 2 en/of

- Map 28, blz. 192, nr. 1 en/of

- Map 63, blz. 193, nr. 1 en/of

- Map 66, blz. 193, nr. 2 en/of

- Map 69, blz. 194, nr. 1 en/of

- Map 71, blz. 195, nr. 2 en/of

- Map 86, blz. 196, nr. 2 en/of

- Map 91, blz. 197, nr.1 en zoals aangehecht bij de dagvaarding, in ieder geval, een en/of meer etsen en/of schilderij(en) te koop aangeboden tegen bovenvermelde bedrag(en), als zou/zouden dat/die etsen en/of schilderij(en)

- van de hand van de kunstenaar Anton Heyboer zijn en/of

- gesigneerd zijn door Anton Heyboer en/of

- afkomstig zijn uit de zogenaamde Josef Santen verzameling

en/of

* zich uitgegeven als professor in de archeologie [professor] waardoor voornoemd(e) perso(o)n(en) tot aankoop van die/dat ets(en) en/of schilderij(en) zijn overgegaan en werd(en) bewogen tot afgifte(n) van tot afgifte van bovengenoemd(e) geldbedrag(en).

Opmerking rechtbank: de aan de dagvaarding gehechte afbeeldingen van etsen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft betoogd dat de dagvaarding vanwege onvoldoende opgave van het feit (naar de rechtbank begrijpt: partieel) nietig dient te worden verklaard. In de tenlastelegging zijn opgenomen, naast 11 specifieke werken “ongeveer 4.000 werken” “van kunst waarop valselijk de naam of naamsteken is vervalst”. De verdediging is in zoverre niet in staat te bepalen om welke werken het hier gaat, zodat het onmogelijk is tegen een dergelijk vaag en uitgebreid verwijt verweer te voeren. Bovendien is de rechtbank niet in staat de tenlastelegging voor dit deel te onderwerpen aan de verschillende onderzoeken die in verband met de bewijsvraag noodzakelijk zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij is van oordeel dat de dagvaarding geldig is en overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) strekt ertoe dat de opgave van het tenlastegelegde feit zo duidelijk is dat de verdachte zich naar behoren kan verdedigen terwijl bovendien voor de rechtbank duidelijk moet zijn wat het object van onderzoek is. In de tenlastelegging staat vermeld dat het verwijt ziet op ongeveer 4.000 etsen en/of schilderijen, waarbij van een deel (11) van die etsen een afbeelding is aangehecht. In de tenlastelegging is voorts ook aangegeven dat het gaat om etsen en/of schilderijen afkomstig uit “de zogenaamde Josef Santen verzameling”. Tegen de achtergrond van het dossier is voldoende duidelijk om welke werken het dan zou moeten gaan.

De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in samenhang met het onderliggende dossier voldoende duidelijk en feitelijk is omschreven, en het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest tegen welk verwijt hij zich moest verdedigen. Dit is ter zitting ook ruimschoots gebleken. Aan de vereisten die in artikel 261 Sv worden gesteld is voldaan, zodat de dagvaarding geldig is.

3.2.

Overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel feit 1 als feit 2, in meest ruime zin, bewezen kan worden verklaard en daartoe, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Uit de verschillende getuigenverklaringen is naar voren gekomen dat de zogenaamde ‘Santen-collectie’ niet bestaan heeft en Anton Heyboer (hierna: Heyboer) in de jaren ‘50 niet een hoeveelheid van meer dan 4.000 etsen heeft kunnen produceren. Er zijn geen werken van Anton Heyboer uit de jaren ’50 in de nalatenschap van Josef Santen (hierna: Santen) aangetroffen.

Dat de ingebrachte werken vals zijn, blijkt daarnaast uit het optische en chemische onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). De ets met nummer HB06 wijkt af ten opzichte van de andere, echte, onderzochte etsen waar het betreft het papier en de zwarte inkt. Door het NFI is ook een signatuuronderzoek verricht, waarbij de deskundige tot de conclusie is gekomen dat het veel waarschijnlijker is dat ets HB06 door iemand anders dan Heyboer is ondertekend dan dat deze door Heyboer zelf is ondertekend. Een representatieve verzameling van 185 van de betwiste etsen is voorts samengesteld, welke qua signaturen zijn vergeleken met een referentiecollectie uit het Gemeentemuseum Den Haag. Ook hier is de conclusie van de deskundige dat het veel waarschijnlijker is dat de betwiste etsen door iemand anders dan Heyboer zijn ondertekend, dan dat Heyboer ze zelf heeft ondertekend. Het is verder opmerkelijk dat tussen het betwiste materiaal etsen zitten met de nummering 2/12 en 3/12, terwijl getuigen hebben verklaard dat Heyboer nooit meer dan 9 afdrukken van één ets maakte.

Er zijn diverse feiten en omstandigheden die naar verdachte wijzen. Verdachte kende Santen goed uit de periode dat hij in Groningen woonde. Verdachte is opgeleid aan de Rijksacademie Amsterdam tot beeldend kunstenaar en heeft zijn hele leven de schilderkunst beoefend. Verdachte is ook een ervaren etser. Hij wil niet zeggen of hij de betwiste etsen heeft gemaakt en moet zich tijdens zijn verhoor bij de politie corrigeren wanneer hij verklaart er niet trots op te zijn dat hij beter werk dan Heyboer maakt. Verdachte heeft in de Anton Heyboer Winkel van de getuigen [naam 2] en [naam 1] nooit zijn echte naam willen geven en heeft hij zich voorgedaan als professor [professor], hoogleraar in de archeologie. Ook was verdachte nooit bereikbaar voor de eigenaren van die winkel. Nu verdachte geen alternatieve aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de door hem verkochte etsen, moet het ervoor worden gehouden dat verdachte degene is die de etsen, te koop heeft aangeboden en verkocht aan de Anton Heyboer Winkel. Aan de vereisten van opzet uit de artikelen 326b en 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is voldaan, omdat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de valsheid van de handtekening van Heyboer op de ingebrachte werken. Dit kan worden afgeleid uit zijn kennis van het werk en de werkwijze van Heyboer in de periode 1950-1960, zijn eigen kennis en vaardigheden op het gebied van het maken van etsen, zijn kennis over de vriendschap tussen Heyboer en Santen en het niet bestaan van de ‘Santen-collectie’.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

[naam 2] en [naam 1] verklaren dat er ook andere aanbieders zijn geweest, naast de persoon die zich [professor] noemde, van werken uit de – wat zij noemen - ‘Santen-collectie’, waaronder een Zwitserse dame. Het is niet doenlijk om per werk buiten iedere twijfel vast te stellen dat verdachte het heeft aangeleverd.

De valsheid kan evenmin worden bewezen. Aan het onderzoek door Bas van Velzen van de Universiteit van Amsterdam kan geen enkele waarde voor het bewijs worden toegekend. Er is bij dit onderzoek namelijk sprake geweest van verregaande contaminatie van de bron en er heeft bewuste of onbewuste overdracht van de wetenschap over de echtheid van de werken plaatsgevonden.

Het door het NFI verrichte optisch en chemisch onderzoek is van generlei waarde. Uit een persbericht van het NFI van 31 januari 2014 blijkt immers dat papier- en inktonderzoek geen uitsluitsel kan geven over de echtheid van de werken, omdat de werken op verschillende locaties zijn gedrukt en daardoor vaak verschil in papier en inkteigenschappen kan ontstaan.

Het onderzoek van drs. Fagel van het NFI naar de signaturen op de werken moet worden beschouwd als een pseudowetenschappelijke beschouwing. Er is bovendien sprake geweest van contaminatie door de heer van Velzen, nu Van Velzen aan drs. Fagel verteld zou hebben op welke manier bepaalde signaturen geschreven zouden zijn. Daarnaast kan uit de vraagstelling van het onderzoek worden afgeleid dat de onderzoeker bij iedere signatuur wist of deze afkomstig was van werken uit de betwiste ‘Santen-collectie’ of uit de collectie van het Haags Gemeentemuseum. De deskundigheid van de onderzoeker zou in zekere mate beoordeeld kunnen worden wanneer het door hem verrichte onderzoek ‘dubbel blind’ was verricht. Dit is niet gebeurd. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de deskundigen de referentiecollecties hebben opgeschoond tot een verzameling in relevante opzichten vergelijkbare werken die wel significant verschilden van de betwiste werken. Onbegrijpelijk is ook dat per map alle werken zijn samengenomen waarvoor met één conclusie kon worden volstaan. Uit een oogpunt van waarheidsvinding valt niet te begrijpen dat de deskundige de betwiste signaturen niet op de door hem wetenschappelijk geachte wijze heeft onderzocht om te bezien of deze afkomstig waren van één of meerdere personen. De verdediging is verder met betrekking tot de handschriftonderzoeken niet op de hoogte gesteld van de benoeming van de deskundigen en heeft geen suggesties kunnen doen in verband met de te hanteren methode. Hiermee is inbreuk gemaakt op het beginsel van de equality of arms, wat heeft geleid tot een wetenschappelijk onzorgvuldig en ten gevolge daarvan ook onbetrouwbaar onderzoek.

Er is sprake van onherstelbare vormverzuimen in het vooronderzoek die de betrouwbaarheid van het onderzoek hebben aangetast en de NFI- rapportage kan dan ook niet meewerken tot het bewijs.

Voor het geval de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak zou besluiten en een van de verrichte technische onderzoeken op enig onderdeel redengevend voor het bewijs mocht achten, verzoekt de verdediging subsidiair een deskundige te benoemen ter beantwoording van de vraag of de onderzoeksopzet en de uitgevoerde onderzoeken voldoen aan de minimumeisen die daaraan gesteld moeten worden.

Niet bewezen kan worden dat de Santen-collectie niet bestaat. Anton Heyboer was in de jaren ’50 niet een prutsende alcoholist, maar een kunstenaar die juist in die periode erkenning binnen en buiten Nederland begon te krijgen. Op grond van de gedetailleerde verklaring van getuige [naam 3], zou de voorlopige aanname moeten zijn dat Heyboer inderdaad de bestreden werken heeft vervaardigd.

Indien de rechtbank er vanuit gaat dat de werken van een valse signatuur zijn voorzien, dan is er nog geen enkel bewijsmiddel waaruit volgt dat verdachte wist dat de werken die hij aanbood aan de heren van de Anton Heyboer Winkel niet echt waren. Verdachte wil niet nader verklaren over de herkomst, omdat hij anderen niet in de problemen wil brengen. Verdachte heeft nooit gezegd of zelfs maar gesuggereerd tegenover [naam 2] en [naam 1] dat het om echte werken van Heyboer ging. De werken werden aangekocht voor prijzen die zoveel lager waren dan wat de originele vroege Heyboers zouden opbrengen, dat de indruk bestaat dat de heren van de Anton Heyboer Winkel zo hun eigen twijfels hadden over de echtheid van de werken.

Verdachte heeft ook niet aan [naam 2] en [naam 1] het verhaal over de Santen-collectie verteld. Het is aannemelijk dat [naam 2] en [naam 1] door de massale inkoop uit de – wat zij noemen – ‘Santen-collectie’ zonder enige verificatie met betrekking tot de verkopers, de herkomst en de echtheid van de werken in een zeer moeilijk parket waren beland. Om de kopers, en later de critici, te overtuigen van de echtheid van de werken, is het verhaal van [professor] en de ‘Santen-collectie’ ontstaan. De verklaringen van [naam 2] en [naam 1] met betrekking tot [professor] en de ‘Santen-collectie’ zijn inconsistent en blijken in het licht van externe bronnen onwaar. Er resteert geen bewijs voor de stelling dat verdachte het heeft doen voorkomen alsof de door hem aangeboden werken en de daarop voorkomende signaturen door Heyboer vervaardigd waren. Voor het geval de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak zou concluderen, wordt subsidiair verzocht de zaak aan te houden en [naam 2] en [naam 1] als getuigen te horen.

Het voorgaande samenvattend is de verdediging van mening dat niet bewezen kan worden dat de in de tenlastelegging genoemde werken door verdachte te koop zijn aangeboden, vals waren, dat, indien wel van valsheid wordt uitgegaan, verdachte wist dat de werken vals waren of dat verdachte heeft doen voorkomen alsof de werken en signaturen van Anton Heyboer waren, waardoor hij vrijgesproken dient te worden van beide ten laste gelegde feiten.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 en 2:

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op de wijze al hierna onder 5 weergegeven. Het komt er in de kern op neer dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte meermalen, in een periode van zeven jaren, een grote hoeveelheid etsen met daarop een valse signatuur van Anton Heyboer heeft verkocht aan [naam 2] en [naam 1] van de Anton Heyboer Winkel. De rechtbank heeft kunnen vaststellen dat in totaal circa 1000 van dergelijke werken door verdachte zijn verkocht. Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte wist dat het om valse werken ging. Verdachte heeft deze werken, in strijd met de waarheid, bij de afnemers gepresenteerd als ware het werken van Heyboer uit zijn Haarlemse periode, in het bijzonder uit de periode van 1952 tot en met 1960. Verdachte heeft genoemde personen bewogen tot betaling van geldbedragen voor die etsen, onder meer door zich voor te doen als professor [professor] en een onwaar verhaal over de herkomst van de etsen te vertellen, namelijk dat ze afkomstig zouden zijn uit de nalatenschap van wijlen Josef Santen.

De rechtbank zal ten aanzien van de verschillende onderdelen van het bewezenverklaarde een nadere motivering geven, mede gelet op de diverse verweren en/of twistpunten van procespartijen.

4.3.1.

Verdachte is “de inbrenger”

De rechtbank stelt als vaststelling voorop dat verdachte meermalen, in de periode tussen 2005 en 2012, etsen heeft verkocht aan [naam 2] en [naam 1] van de Anton Heyboer Winkel. Dat heeft verdachte ook zelf verklaard en volgt uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] over “de inbrenger”, in samenhang bezien met de door hen op 5 augustus 2012 in de winkel gemaakte foto van deze persoon, waarop verdachte zichzelf heeft herkend.

Dan is verder van belang vast te stellen dat uit de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] ook volgt dat verdachte de enige persoon is geweest van wie zij in genoemde periode dergelijke werken van Heyboer hebben gekocht. Dat “de inbrenger” volgens [naam 1] éénmaal samen met een Zwitserse dame in de Anton Heyboer Winkel is geweest en dat die dame ook werken van Heyboer te koop aanbood, maakt niet dat verdachte niet langer als enige pleger kan gelden. Dit geldt temeer nu deze dame werd voorgesteld als familie van verdachte, hetgeen in de richting gaat van een, eenmalig, medeplegen waar de rechtbank, bij gebrek aan nadere informatie, aan voorbij gaat.

4.3.2.

Aantal werken en waarde

De rechtbank acht bewezen dat in totaal door verdachte circa 1000 werken zijn verkocht. Er blijkt uit het dossier weliswaar dat een zeer groot aantal werken is aangetroffen bij de doorzoeking in de winkel, maar nergens zijn aantallen geverbaliseerd. Op de uitgelezen harde schijf van de computer van de winkel, zoals in het dossier gevoegd, staan bij lange na niet zoveel werken afgebeeld. Volgens opgave van [naam 2] en [naam 1] zouden zij in de loop der jaren ruim 4000 werken hebben gekocht, waarvan slechts circa 40-50 zijn verkocht. Zij geven daarbij echter ook aan dat deze hoeveelheid een schatting betreft en er lijkt geen boekhouding van te zijn bijgehouden, althans dat bevindt zich niet in het dossier. Wel bevindt zich bij de stukken, en daar gaat de rechtbank dan van uit, de door [naam 4] aan de politie overhandigde cd-rom met daarop ongeveer 1.000 afbeeldingen van werken uit de zogenaamde ‘Santen-collectie’. [naam 4] had deze cd-rom van [naam 5] ontvangen die het weer van [naam 2] ontving. [naam 2] heeft dit bevestigd en verklaard dat hij deze afbeeldingen op zijn computer heeft staan en de op de cd-rom afgebeelde werken, op 2 á 3 na, thuis heeft liggen. Deze hoeveelheid van 1000 sluit ook meer aan bij de verklaring van verdachte die ter terechtzitting heeft verklaard dat hij naar ruwe schatting ongeveer 800 werken aan de Anton Heyboer Winkel heeft verkocht.

De rechtbank acht voorts bewezen dat [naam 2] en [naam 1] zijn bewogen tot de afgifte aan verdachte van een bedrag van in totaal circa 100.000,- euro. Dit gelet op de bewezenverklaarde hoeveelheid verkochte werken en de verklaringen van [naam 2], [naam 1] en verdachte, waaruit volgt dat van een gemiddelde koopprijs van 100 euro per ets kan worden uitgegaan.

4.3.3

Valsheid signatuur

De rechtbank acht bewezen dat op de door verdachte verkochte etsen valselijk de naam en/of enig teken van Anton Heyboer is geplaatst. Met andere woorden: de signatuur op de verkochte etsen is niet door Heyboer zelf, maar door een ander persoon geplaatst. Dat de kunstwerken niet door Heyboer gemaakt zijn, is daarmee strikt genomen nog niet gezegd. Dit is echter logischerwijs dermate voor de hand liggend dat de rechtbank daar bij de verdere bespreking vanuit gaat. Dat het verdachte is geweest die deze valse werken heeft vervaardigd, heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen. Daartoe is de mogelijke verspreking bij gelegenheid van het zijn politieverhoor onvoldoende.

Dat de signatuur vals is, baseert de rechtbank op de bevindingen van het NFI waar deze conclusie rechtstreeks uit voortvloeit. In het bijzonder het signatuuronderzoek wijst dit uit.

Het NFI heeft zes etsen (HB01-HB06) vergeleken met de signaturen op 65 vroege werken van Heyboer, aangekocht tussen 1957 en 1961, uit de collectie van het Stedelijk Museum. Geconstateerd is dat de verschillen tussen de ondertekening op HB06 en die op de etsen in het referentiemateriaal talrijk en significant waren. De conclusie van het onderzoek is dat het veel waarschijnlijker is dat de signatuur op ets HB06 door een willekeurig ander persoon is geschreven dan dat deze is geschreven door Anton Heyboer. Ook zijn de signaturen op 185 etsen uit de voorraad van de Anton Heyboer Winkel vergeleken met een referentiecollectie uit het Stedelijk Museum én het Gemeentemuseum Den Haag. De conclusie van dit onderzoek is eveneens dat het veel waarschijnlijker is dat de signaturen op de 185 betwiste werken door een andere willekeurige persoon waren aangebracht dan door Heyboer zelf.

Daar komt nog bij dat het NFI tevens een documenten- en chemisch onderzoek heeft gedaan naar de zes etsen HB01-HB06. Bij dit onderzoek was de conclusie dat ets HB06 op basis van papiervergelijking met doorvallend licht en op basis van de chemische samenstelling van het papier en de zwarte inkt verschilde van de andere vijf etsen. De conclusie van het signatuuronderzoek over HB06 wordt derhalve ondersteund door de conclusie van dit papier- en inktonderzoek. Dat het NFI in een persbericht deze bevindingen van het papieronderzoek mogelijk enigszins lijkt te relativeren, maakt niet dat hieraan geen enkele waarde meer kan worden toegekend. De conclusie van het signatuuronderzoek van G. Calkoen, verricht in 2011 op verzoek van [naam 2] en [naam 1], dat de door haar onderzochte (afbeeldingen van) signaturen afkomstig zijn van Anton Heyboer zelf, doet niet af aan de bevindingen en conclusies van het NFI. G. Calkoen is, naar zij zelf ook zegt, papierdeskundige en niet deskundige op het gebied van handschriften.

Het hiervoor vermelde verweer van de raadsman dat de door het NFI verrichte signatuuronderzoeken niet redengevend voor het bewijs kunnen zijn wordt verworpen.

Uit de rapporten en de vakbijlage over het vergelijkend handschriftonderzoek van het NFI kan worden opgemaakt dat de onderzoekers een methode hanteren met een bijbehorend systeem voor kwaliteitsborging. De methode is geaccrediteerd door de Nederlandse Raad voor Accreditatie. De validatie van schriftkundige conclusies is hierbij onder andere gebaseerd op jaarlijkse deelname door de onderzoekers aan zogeheten proficiency tests of prestatieniveautoetsen. Tot de waarborging van de betrouwbaarheid van de waarneming draagt bij dat een tweede onderzoeker, een zogenoemde schaduwdeskundige, elk vergelijkend handschriftonderzoek zelfstandig en zonder informatie over de bevindingen van de eerste onderzoeker uitvoert. Dat is hier ook toegepast.

De signatuuronderzoeken in deze zaak zijn uitgevoerd door drs. W.P.F. Fagel, die is ingeschreven als gerechtelijk deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijke Deskundigen (NRGD) voor het deskundigheidsgebied Handschriftonderzoek. De registratie is een wettelijke erkenning van de deskundigheid. De deskundige is op zorgvuldige wijze door een objectieve en deskundige commissie getoetst aan de criteria voor kwaliteit, betrouwbaarheid en bekwaamheid. De Wet deskundigen in strafzaken bepaalt dat deskundigen aan een zekere kwaliteit moeten voldoen en het register is een middel om die kwaliteit te waarborgen.

De rechtbank ziet, kortom, geen enkele aanleiding om aan het verrichte onderzoek of de deskundigheid van de onderzoeker te twijfelen. Dat het signatuuronderzoek van het NFI niet ‘dubbel blind’ heeft plaatsgevonden, maakt nog niet dat het onderzoeksresultaat voldoende wetenschappelijke basis zou ontberen om te worden gebruikt voor het bewijs. In de rapporten wordt uitgebreid omschreven welke methode is gebruikt en de rechtbank heeft geen steekhoudende argumenten gehoord waarom deze methode niet acceptabel zou zijn. Uit de onderzoeksvraag die is neergelegd in de rapportages van het NFI blijkt ook niet dat sprake is geweest van een onaanvaardbare sturing van de onderzoeker. Ook de overigens door de verdediging gestelde feiten en/of omstandigheden aangaande de gang van zaken bij de NFI-onderzoeken, leveren geen vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv op.

De rechtbank acht, concluderend, de bevindingen van het signatuuronderzoek van het NFI bruikbaar om voor het bewijs te kunnen dienen. Het benoemen van een nieuwe deskundige om het onderzoek en/of onderzoeksopzet te toetsen, zoals voorwaardelijk verzocht door de raadsman, is niet noodzakelijk.

De rechtbank overweegt tot slot in dit verband nog het volgende: het NFI heeft vergelijkend signatuuronderzoek gedaan naar een deel van de 1000 bewezenverklaarde etsen. De rechtbank acht bewezen dat de signatuur van de niet door het NFI onderzochte etsen ook vervalsingen zijn, omdat deze 1000 etsen als één onlosmakelijk verbonden geheel te beschouwen zijn. Het zijn immers allemaal werken die door verdachte op dezelfde manier en onder het mom van hetzelfde, verzonnen verhaal over de herkomst van de werken (zie hierna), zijn verkocht aan de Anton Heyboer Winkel.

De bevindingen van deskundige Van Velzen worden niet gebruikt voor het bewijs. Verweren dienaangaande worden om deze reden onbesproken gelaten.

4.3.4.

Opzet

De rechtbank acht bewezen dat verdachte wist dat de door hem verkochte werken vals waren en dat hij [naam 2] en [naam 1] welbewust heeft bewogen tot betaling van geldbedragen voor die etsen. Dit deed hij onder meer door zich voor te doen als professor [professor] en een onwaar, verzonnen verhaal over de herkomst van de etsen te vertellen, namelijk dat ze afkomstig zouden zijn uit de nalatenschap/atelier van wijlen Josef Santen (1926-1988), een Haarlemse kunstenaar en vroegere vriend van Heyboer.

Ter nadere toelichting stelt de rechtbank voorop dat van het bestaan van een zogenaamde Josef Santen-collectie, inhoudende 1000 of meer werken van Heyboer, geen sprake lijkt. Josef Santen was ruim voor zijn overlijden uit het atelier in Muntendam vertrokken en in diens nalatenschap is slechts een gering aantal – en zeker niet circa 1000 of meer - werken van Heyboer aangetroffen. Verschillende getuigen, waaronder familieleden van Santen betrokken bij de afhandeling van de nalatenschap, verklaren hier duidelijk over.

Vervolgens is van belang dat [naam 2] en [naam 1] eensluidend verklaren dat verdachte zich aan hen had voorgesteld als [professor], professor in de archeologie. Ook had verdachte aan hen verteld dat de etsen afkomstig waren uit het atelier in Muntendam (Groningen) van Josef Santen. Daarom hadden [naam 2] en [naam 1] de van verdachte gekochte verzameling van vroege werken de ‘Josef Santen-collectie’ genoemd.

De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] op dit punt. De stelling van verdachte dat hij zich nimmer heeft voorgesteld als [professor] en dat het verhaal over de Santen-collectie (en [professor]) door [naam 2] en [naam 1] zelf is verzonnen, acht de rechtbank dermate onwaarschijnlijk dat deze terzijde wordt geschoven.

Verdachte heeft immers ook verklaard dat hij tegen [naam 2] en [naam 1] zijn echte naam niet wilde zeggen. Hij heeft hen ook nimmer zijn telefoonnummer of verblijfadres gegeven. Indien verdachte niet onder de naam [professor] (noch onder eigen naam) bij [naam 2] en [naam 1] bekend was, is het wel heel toevallig dat zij dan over de herkomst van de werken een verhaal zouden bedenken waar verdachte naadloos in past. Uit de diverse getuigenissen en de verklaring van verdachte zelf volgt immers dat eind jaren 50, begin jaren 60 verdachte als kunstenaar actief was in Groningen en daar ook omgang had met andere kunstenaars waaronder Anton Heyboer, als ook met Josef Santen en een zekere [professor]. Heyboer, Santen en [professor] kenden elkaar ook en zijn inmiddels allemaal overleden. Verdachte kwam over de vloer bij Santen in diens atelier in Muntendam. Ook heeft verdachte verklaard dat hij Heyboer heeft leren etsen maken. Verdachte betwist ter zitting dit te hebben gezegd, maar aldus staat gerelateerd en daar gaat de rechtbank vanuit. Verdachte heeft overigens over de herkomst van de door hem verkochte werken bij het politieverhoor noch ter zitting ook maar iets willen verklaren.

Op grond van genoemde omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte zich tegenover [naam 2] en [naam 1] heeft voorgesteld als [professor] en hen een verzonnen verhaal over de Santen-collectie heeft verteld. Hij heeft dit kennelijk gedaan teneinde te verhullen dat het valse werken waren en om [naam 2] en [naam 1] te bewegen tot aanschaf van deze werken. De voor feit 1 en 2 vereiste opzet kan derhalve bewezen worden geacht. Gelet op al het voorgaande, ziet de rechtbank geen noodzaak om [naam 2] en [naam 1], zoals verzocht door de raadsman, nader als getuigen te horen.

De rechtbank overweegt hierbij nog dat zij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat [naam 2] en [naam 1] zich op wel heel lichtvaardige wijze hebben ingelaten met verdachte. Daar staat tegenover dat zij op enig moment onderzoek hebben laten doen naar de signatuur op de ingebrachte etsen waarvan het resultaat niet direct op valsheid wees. Dat [naam 2] en [naam 1] mogelijk eenvoudig bewogen werden tot het aangaan van de transacties, laat echter onverlet dat van strafbare oplichting door verdachte sprake is geweest.

4.4.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft op grond van de bewijsmiddelen de overtuiging verkregen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Deze bewijsmiddelen zijn in bijlage I opgenomen. De als geschrift aangeduide bewijsmiddelen worden slechts als steunbewijs gebezigd .

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1:

op tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 september 2005 tot en met 05 augustus 2012 te Amsterdam, opzettelijk ongeveer 1.000 etsen afkomstig uit de zogenaamde Josef Santen verzameling, te weten onder meer de etsen te vinden in dossier III:

- HB06, blz. 123 en

- Map A, blz. 189, nr.2 en

- Map B, blz. 190, nr. 2 en

- Map C, blz. 191, nr. 2 en

- Map 28, blz. 192, nr. 1 en

- Map 63, blz. 193, nr. 1 en

- Map 66, blz. 193, nr. 2 en

- Map 69, blz. 194, nr. 1 en

- Map 71, blz. 195, nr. 2 en

- Map 86, blz. 196, nr. 2 en

- Map 91, blz. 197, nr.1 en zoals aangehecht bij de dagvaarding

waarop valselijk de naam en enig teken is geplaatst, te koop heeft aangeboden en heeft afgeleverd, als ware die etsen van de hand van degene wiens naam of teken daarop valselijk was aangebracht, te weten A. Heyboer;

Ten aanzien van feit 2:

Op tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 september 2005 tot en met 05 augustus 2012 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [naam 1] en [naam 2] (eigenaren van de Anton Heyboer Winkel te [plaats]) heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen (totaal circa 100.000,- euro), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven-

* aan die bovengenoemde personen (ongeveer) 1.000, te weten onder meer de etsen te vinden in dossier III:

- HB06, blz. 123 en

- Map A, blz. 189, nr.2 en

- Map B, blz. 190, nr. 2 en

- Map C, blz. 191, nr. 2 en

- Map 28, blz. 192, nr. 1 en

- Map 63, blz. 193, nr. 1 en

- Map 66, blz. 193, nr. 2 en

- Map 69, blz. 194, nr. 1 en

- Map 71, blz. 195, nr. 2 en

- Map 86, blz. 196, nr. 2 en

- Map 91, blz. 197, nr.1 en zoals aangehecht bij de dagvaarding,

te koop aangeboden

als zouden die etsen

- van de hand van de kunstenaar Anton Heyboer zijn en

- gesigneerd zijn door Anton Heyboer en

- afkomstig zijn uit de zogenaamde Josef Santen verzameling

en

* zich uitgegeven als professor in de archeologie [professor],

waardoor voornoemde personen tot aankoop van die etsen zijn overgegaan en werden bewogen tot afgifte van bovengenoemd geldbedrag.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft hierbij in aanmerking genomen dat het om een langdurige praktijk van het verkopen van werken voorzien van een valse signatuur in grote aantallen gaat. Dit gaat gepaard met forse financiële schade voor de kopers van deze werken.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde en aan hem dus geen straf op te leggen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft gedurende een periode van bijna zeven jaren opzettelijk een zeer groot aantal (ruim 1000) valse werken van Anton Heyboer, als ware het echte werken, verkocht aan de Anton Heyboer Winkel. Hij heeft daarbij de galeriehouders voor een flink geldbedrag opgelicht, onder meer door zich als iemand anders voor te doen en een onwaar verhaal op te hangen over de herkomst van de werken. Met zijn handelen heeft verdachte ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen van degenen aan wie hij de valse etsen heeft verkocht. Ook heeft verdachte inbreuk gemaakt op de integriteit van de kunsthandel. Hij was zich ervan bewust dat de door hem aan de galerie verkochte, valse werken zouden worden doorverkocht aan het grote publiek en aldus verdere verspreiding zouden vinden. Verdachte heeft zich hier weinig aan gelegen laten liggen en is uit winstbejag jaren doorgegaan met de verkoop van de valse werken aan de galerie.

De ernst van de feiten rechtvaardigen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf. Daarnaast heeft de rechtbank bij de strafmaatoverweging betrokken de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn leeftijd en de omstandigheid dat hij niet eerder ter zake van enig strafbaar feit is veroordeeld. Met een voorwaardelijk deel aan gevangenisstraf wordt voorts de strafoplegging tevens dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten, hetgeen de rechtbank passend voorkomt.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden. De aldus op te leggen straf is enigszins lichter dan geëist, gelet op de geringere hoeveelheid aan bewezenverklaarde etsen die zijn verkocht.

9 De benadeelde partijen

9.1.

Benadeelde partij [naam 6]

De benadeelde partij [naam 6] heeft zich gevoegd in deze procedure met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bestaat uit € 6.000,- aan materiële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van [naam 6] toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zoals opgenomen in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft primair bepleit dat [naam 6] in zijn vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard, nu hij vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de waarde van het betwiste werk in mindering op de vordering moet worden gebracht, omdat veel mensen van mening zijn dat de betwiste werken beter en levendiger zijn dan de niet betwiste werken van Anton Heyboer, en dus ook een bepaalde waarde vertegenwoordigen.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [naam 6] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor bewezen geachte feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 6.000,- (zegge zesduizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De beweerdelijke waarde van het betwiste werk, waar [naam 6] niet om had gevraagd, komt niet voor aftrek in aanmerking.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank ziet in de aard van de geleden schade reden om de schadevergoedingsmaatregel, als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, niet op te leggen.

9.2.

Benadeelde partij [naam 7]

De benadeelde partij [naam 7] heeft zich gevoegd in deze procedure met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bestaat primair uit € 308.576,17 aan materiële schade.

De raadsman van de benadeelde partij, mr. C. Nierop, heeft zich aan de hand van zijn pleitnota en in aanvulling op de reeds ingediende vordering op het standpunt gesteld dat de primaire vordering integraal dient te worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

De primaire vordering heeft betrekking op de door de erven Heyboer gederfde winst, berekend op basis van een gemiddelde omzet in de jaren voorafgaand aan de door verdachte veroorzaakte onrust op de markt. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 200.000,-, te weten door de erven Heyboer gederfde winst, berekend op basis van de door verdachte genoten winst. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering, bij wijze van voorschot, dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.

In aanvulling hierop heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten voor de juridische bijstand voor een bedrag van € 2.167,17. Ter terechtzitting heeft de raadsman de vordering met betrekking tot de juridische bijstand, wegens uitloop van de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting, aangevuld met anderhalf uur honorarium à € 150,- per uur, met daarbovenop 6 procent kantoorkosten en 21 procent BTW.

De officier van justitie heeft gevorderd, althans zo begrijpt de rechtbank, de vordering van [naam 7] bij wijze van voorschot toe te wijzen tot een bedrag van € 20.000,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zoals opgenomen in artikel 36f Sr en voor het overige de vordering niet ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft primair verzocht [naam 7] in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren, nu hij vrijspraak geeft bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van de vennoten van de vennootschap onder firma ‘Heyboer Malomajo’ als getuigen, indien de rechtbank tot toewijzing van enig bedrag van de vordering komt.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [naam 7] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom is de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Nu de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaart, behoeven de overige verweren van de raadsman van verdachte geen bespreking.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 326 en 326b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Het opzettelijk een werk van kunst, waarop valselijk enige naam of enig teken is geplaatst, te koop aanbieden en afleveren, als ware dat werk van de hand van degene wiens naam of teken daarop valselijk is aangebracht.

Ten aanzien van feit 2:

Oplichting

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van [naam 6], gemachtigde [naam 8], wonende op het adres [adres ], toe en veroordeelt verdachte tot betaling van € 6.000,- (ZESDUIZEND EURO) aan de benadeelde partij.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart [naam 7] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.G. Tarlavski-Reurslag, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en H.M. van Niftrik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2014.