Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2414

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
C/13/513213 / HA RK 12-94
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek op grond van artikel 205 lid 2 Rv; vaststelling en veroordeling van een der partijen tot voldoening van de kosten van de deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/513213 / HA RK 12-94

Beschikking van 1 mei 2014 op grond van artikel 205 lid 2 Rv

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. M.F. Hartman te Amsterdam,

tegen

1. de stichting

ANTONI VAN LEEUWENHOEK ZIEKENHUIS,

gevestigd te Amsterdam,

mr. O.L. Nunes te Utrecht,

2. [verweerder 2],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

3. [verweerder 3],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

4. [verweerder 4],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

5. [verweerder 5],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

6. [verweerder 6],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

7. [verweerder 7],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

8. [verweerder 8],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

9. [verweerder 9],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

10. [verweerder 10],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

11. [verweerder 11],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

12. [verweerder 12],

woonplaats gekozen hebbende te [woonplaats],

verweerders,

advocaat prof.mr. W.R. Kastelein te Utrecht.

Verzoekster zal hierna [verzoekster] worden genoemd. Verweerster sub 1 zal hierna AvL genoemd worden en verweerders sub 2 t/m 12 zullen hierna de commissie worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 26 juli 2012, waarbij prof. dr. J.L.N. Roodenburg en prof. dr. P.J. Slootweg tot deskundigen zijn benoemd.

1.2.

De deskundigen hebben ieder een (voorlopig) deskundigenbericht uitgebracht.

1.3.

Bij brief van 23 december 2013 heeft de griffier partijen verzocht de rechtbank mede te delen of tussen partijen inmiddels een geding aanhangig is, zodat de rechtbank indien nodig een beschikking kan geven als bedoeld in artikel 205 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Partijen hebben de rechtbank medegedeeld dat geen bodemprocedure aanhangig is.

2 De beoordeling

2.1.

Omdat het loon van de deskundigen op grond van artikel 199 lid 3 Rv door de griffier ten laste van ’s Rijks kas is gebracht, dient op grond van artikel 205 lid 2 Rv te worden vastgesteld welk deel van het loon van de deskundigen door elk van de partijen dient te worden gedragen. Het loon van de deskundigen bedraagt € 2.420,00 (deskundige Slootweg) en € 1.650,00 (deskundige Roodenburg), in totaal derhalve € 4.070,00.

2.2.

In hun brieven van 4 maart 2014 ([verzoekster]), 6 maart 2014 (de commissie) en 12 maart 2014 (AvL) hebben partijen hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.3.

Mr. Hartman heeft zich namens [verzoekster] – gemotiveerd – op het standpunt gesteld dat verweerders het loon van de deskundigen dienen te dragen. [verzoekster] voert daartoe, kort gezegd, aan dat het loon van Roodenburg voor rekening dient te komen van verweerders, nu zij om zijn benoeming hebben gevraagd. Ook het loon van Slootweg dient voor rekening van verweerders te komen, nu de inhoud van het rapport van Slootweg laat zien dat aansprakelijkheid aan de orde is en verweerders de toepassing van de GOMA (Gedragscode Openheid medische incidenten; betere afwikkeling Medische Aansprakelijkheid) onnodig in de weg hebben gestaan. Verweerders zijn immers buiten rechte niet bereid gewest mee te werken aan de totstandkoming van een deskundigenbericht terwijl [verzoekster] op basis van GOMA maximaal de helft van de aan het verkrijgen van een deskundigenrapport verbonden kosten voor haar rekening had behoeven te nemen.

2.4.

Mr. Nunes heeft de rechtbank bericht dat het AvL zich op het standpunt stelt dat de kosten de deskundigen voor rekening van [verzoekster] dienen te komen. Het AvL voert hiertoe aan dat uit het onderzoek is gebleken dat haar geen verwijt kan worden gemaakt en een eventuele vervolgprocedure geen kans van slagen heeft. Voorts is een beroep op de GOMA niet van toepassing omdat de GOMA is gericht op de buitengerechtelijke fase.

2.5.

Mr. Kastelein heeft de rechtbank bericht dat de commissie zich op het standpunt stelt dat [verzoekster] als verzoekster van het deskundigenbericht door het indienen van een verzoekschrift op grond van artikel 202 Rv ook degene is die de kosten van de berichten dient te dragen. Daarbij leidt de uitkomst van de deskundigenberichten volgens de commissie niet tot aansprakelijkheid. Ten aanzien van de kosten van Roodenburg geldt daarbij dat het de keuze van [verzoekster] was om het handelen van de behandelaar van het AvL te doen beoordelen. Dit dient te gebeuren door een deskundig vakgenoot, in casu een kaakchirurg waartoe de rechtbank Roodenburg heeft benoemd. Hiertoe is geen formeel tegenverzoek ingediend. Ten aanzien van de kosten van Slootweg is de commissie van oordeel dat zij de toepassing van de GOMA niet in de weg hebben gestaan omdat de commissie zich vanaf het begin (terecht) op het standpunt heeft gesteld dat zij niet als zorgaanbieder fungeren. De commissie is slechts adviseur. De artikelen van de GOMA waar [verzoekster] zich op beroept betreffen de rol van de aansprakelijkheidsverzekeraar. In deze zaak is geen aansprakelijkheidsverzekeraar van de commissie betrokken.

2.6.

Artikel 205 lid 2 Rv beantwoordt niet de vraag wie de meest gerede partij is om in de kosten van een deskundigenbericht te worden veroordeeld en ook de parlementaire geschiedenis biedt hierover geen duidelijkheid. Tijdens de parlementaire behandeling heeft de minister wel aangegeven geen inbreuk te willen plegen op het beginsel dat de verliezende partij de kosten draagt, maar als geen bodemprocedure volgt of aansprakelijkheid buiten rechte wordt erkend, blijft onduidelijk wie de “verliezende partij” is. Het past de rechtbank in beginsel ook niet om zich, in het kader van de beslissing die op grond van artikel 205 lid 2 Rv over de kosten moet worden genomen, uit te laten over de mogelijke aansprakelijkheid, nu het debat daarover nog helemaal niet is gevoerd en partijen dat – kennelijk – ook (nog) niet ten overstaan van de rechter wensen te voeren. Over de (mogelijke) aansprakelijkheid van verweerders zal de rechtbank dan ook geen uitspraak doen.

2.7.

De rechtbank ziet in dit geval – andere – aanknopingspunten om een gedeelte van de kosten, namelijk het loon van Slootweg, ten laste van de commissie te brengen. In zijn rapport schrijft Slootweg, voor zover relevant, het volgende:

“(…)

Uit de verslaglegging van de commissie kan ik niet opmaken, waarop de commissie haar advies voor een hemimaxillectomie heeft gebaseerd. Er is een discrepantie tussen de radiologische bevindingen die wijze op een fibreuze dysplasie en de histologische uitslag die als diagnose odontogeen myxoom vermeldt. Voor een myxoom is een heminmaxillectomie inderdaad de geëigende ingreep maar voor een fibreuze dysplasie kan met afwachtend beleid worden volstaan. Blijkbaar heeft de commissie als grondslag voor haar behandeladvies de histologische uitslag laten prevaleren boven de radiologische maar argumentatie voor deze keuze wordt niet gegeven. Zodoende is er geen informatie beschikbaar waaruit blijkt dat het advies van de commissie aan de behandelaar van het AvL op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. (…)”

2.8.

Van een adviescommissie als de Commissie voor Beentumoren, die in Nederland hét referentieorgaan is voor het stellen van de diagnose van botafwijkingen en op wier conclusies en adviezen een behandelaar van botafwijkingen van de kaken bij het stellen van de indicatie tot behandeling – blijkens het rapport van Roodenburg – moet varen, mag worden verwacht dat zij deugdelijk motiveert op welke wijze het behandeladvies tot stand is gekomen. Door het ontbreken van deze motivering heeft Slootweg geen uitspraak kunnen doen over het al dan niet zorgvuldig handelen van de commissie. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze onvolledige verslaglegging door de commissie voor haar rekening en risico te komen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de commissie de kosten van Slootweg aan de griffier moet voldoen, hetgeen overigens niet zegt dat de commissie in dezen onzorgvuldig heeft gehandeld laat staan dat zij aansprakelijk zou zijn jegens [verzoekster].

2.9.

Met betrekking tot de kosten van Roodenburg geldt dat deze door [verzoekster] moeten worden gedragen. Met het voorlopig deskundigenonderzoek heeft [verzoekster] het handelen van de behandelaar van het AvL, [dokter], willen doen beoordelen. Dit dient, zoals terecht door de commissie is betoogd, te gebeuren door een deskundig vakgenoot, te weten een kaakchirurg, waartoe de rechtbank na/in overleg met partijen Roodenburg heeft benoemd. Uit het rapport van Roodenburg volgt bovendien zonder meer dat [dokter] in overeenstemming met de in 2009 geldende professionele standaard heeft gehandeld.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

veroordeelt verweerders sub 2 t/m 12 tot betaling van € 2.420,00, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer IBAN NL09RBOS0569990491 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam, onder vermelding van "kosten deskundigen" en het zaak- en rekestnummer.

3.2.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van € 1.650,00, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer IBAN NL09RBOS0569990491 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam, onder vermelding van "kosten deskundigen" en het zaak- en rekestnummer.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Fehmers en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2014.