Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2404

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2014
Datum publicatie
02-05-2014
Zaaknummer
C/13/562706 / KG ZA 14-449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Veroordeling bank tot een-op-een overnemen hypotheek bij aankoop nieuwe woning. De bank hoeft de voorgenomen vervanging van het onderpand niet te beoordelen als een 'totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet of een belangrijke verhoging van de kredietlimiet' en dus ook de Tijdelijke regeling Hypothecair krediet niet toe te passen. Aannemelijk dat toezegging is gedaan. Deze dient te worden nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2014/78

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/562706 / KG ZA 14-449 HJ/MB

Vonnis in kort geding van 14 april 2014

in de zaak van

1 [Eiser],

2.[Eiseres],

wonende te Amsterdam,

eisers bij dagvaarding op verkorte termijn van 9 april 2014 ,

advocaat mr. J.B. Londonck Sluijk te Amsterdam

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK AMSTERDAM EN OMSTREKEN U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D.S. van Lith te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook [Eisers]en Rabobank worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 11 april 2014 hebben [Eisers]gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Rabobank heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 15 april 2014 uitspraak gedaan. Aangekondigd was een kopstaartvonnis. In plaats daarvan is een verkort vonnis gewezen, dat niet de vaststaande feiten bevatte, maar wel de belangrijkste dragende overwegingen. Aan partijen is meegedeeld dat uitwerking van het vonnis alleen zou volgen, als een van partijen daar binnen een week de griffier om zou verzoeken, hetgeen de raadsvrouw van Rabobank bij fax van 15 april 2014 heeft gedaan. Het onderstaaande bevat de uitwerking van het vonnis en is opgemaakt op 25 april 2014.

Ter zitting waren aanwezig: [Eisers]met mr. Londonck Sluijck;

aan de zijde van Rabobank: [persoon 1],[persoon 2] en

mr. Van Lith.

2 De feiten

2.1

Eind 2008 hebben [Eisers]bij Rabobank een hypothecaire lening afgesloten op hun woning [adres 1] te Amsterdam. De hypotheek is aflossingsvrij en heeft een flexibele rente, gebaseerd op het 3-maands Euribor tarief met een vaste opslag van 1%. In de uit december 2008 daterende offerte van Rabobank is onder meer het volgende vermeld:

Bij een toekomstige verhuizing is het vaak mogelijk uw hypothecaire financiering en de hiervoor geldende rentecondities mee te verhuizen. De voorwaarden hiervoor vindt u in de Algemene Voorwaarden voor particuliere geldleningen van de Rabobank 2008.”

2.2

Begin 2013 heeft eiser sub 1 ([Eiser]) telefonisch contact gehad met [persoon 3] van Rabobank (hierna: [persoon 3]) over de mogelijkheid tot het ‘meenemen’ van de hypothecaire lening, bij aankoop van een andere woning.

Bij e-mail van 9 januari 2013 heeft [persoon 3] het volgende aan [Eiser] meegedeeld:

Subject: Hypotheek rente verhuisd mee!

(…)

Uw huidige hypotheek is 1 op 1 mee te verhuizen naar een nieuwe woning volgens de voorwaarden van uw lening.”

2.3

[Eisers]hebben op 7 maart 2014 een woning aan de [adres 2] bezichtigd. Kort daarna (op 7 of op 10 maart 2014) heeft [Eiser] gesproken met medewerkers van Rabobank op kantoor, die vervolgens, in aanwezigheid van [Eiser], telefonisch [persoon 4](hierna: [persoon 4] medewerkster van de afdeling Financieel Advies, hebben benaderd. Deze heeft (al dan niet in overleg met een andere medewerker) een (financiële) berekening opgesteld en [Eiser] ook zelf telefonisch te woord gestaan. Daarna hebben [Eisers]een bod op de [adres 2] uitgebracht.

2.4

Op 11 maart 2014 hebben [Eisers]met de verkopers van de [adres 2] mondeling overeenstemming bereikt. Op 19 maart 2014 is de koopovereenkomst getekend, waarbij [Eisers]voor € 930.000,- de woning aan de [adres 2] hebben gekocht. [Eiser] heeft de koopovereenkomst op 25 maart 2014 geüpload in het hypotheekdossier van Rabobank. De koopovereenkomst bevat een financieringsvoorbehoud geldend tot

16 april 2014.

2.5

Op 26 maart 2014 heeft Rabobank aan [Eisers]telefonisch meegedeeld dat financiering van de [adres 2] niet mogelijk zou zijn.

2.6

Eind maart en begin april 2014 heeft verder overleg en

e-mailcorrespondentie tussen partijen plaatsgevonden, maar deze heeft niet tot overeenstemming tussen hen geleid.

3 Het geschil

3.1

[Eiser] c.s stellen dat hen is toegezegd dat zij hun huidige hypotheek mee zouden mogen nemen bij aankoop van een andere woning. Zij vorderen nakoming van die toezegging.

3.2

Rabobank betwist de gestelde toezegging en stelt voorts dat zij op grond van de Tijdelijke regeling hypothecair krediet en de Gedragscode Hypothecaire Financieringen de gevraagde financiering niet kan verstrekken. De mededeling dat de bestaande hypotheek kon worden meegenomen betrof alleen de rentecondities, maar niet de hypotheekvorm. Volgens het thans gehanteerde rekenmodel, kan, mede in aanmerking genomen de onzekerheid met betrekking tot de te verkopen huidige woning, de nieuwe woning niet worden gefinancierd. [Eiser] c.s hebben thans een volledig aflossingsvrije hypotheek en bovendien nog een privékrediet. Een hypothecair krediet kan thans niet meer volledig aflossingsvrij worden verleend. Het privékrediet weegt mee bij het bepalen van het maximaal te verstrekken krediet. Dit komt lager uit dan de koopprijs van de nieuwe woning.

4 De beoordeling

4.1

De voorzieningenrechter wijst op de volgende toepasselijke regels.

Artikel 4:34 van de Wet financieel toezicht (Wft) luidt als volgt.

1. Voor de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet, of een belangrijke verhoging van de kredietlimiet, dan wel de som van de bedragen die op grond van een bestaande overeenkomst inzake krediet aan de consument ter beschikking zijn gesteld, wint een aanbieder van krediet in het belang van de consument informatie in over diens financiële positie en beoordeelt hij, ter voorkoming van overkreditering van de consument, of het aangaan van de overeenkomst onderscheidenlijk de belangrijke verhoging verantwoord is.

2. De aanbieder gaat geen overeenkomst inzake krediet aan met een consument en gaat niet over tot een belangrijke verhoging van de kredietlimiet of de som van de bedragen die op grond van een bestaande kredietovereenkomst aan de consument ter beschikking zijn gesteld indien dit, met het oog op overkreditering van de consument, onverantwoord is.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

De in lid 3 bedoelde AmvB is het

Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

Artikel 115, lid 1-3 van genoemd besluit luidt als volgt:

1. Ter voorkoming van overkreditering legt een aanbieder van krediet de criteria vast die hij ten grondslag legt aan de beoordeling van een kredietaanvraag van een consument en past hij deze criteria toe bij de beoordeling van een kredietaanvraag.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op aanbieders van krediet voor zover zij krediet aanbieden in de vorm van een geoorloofde debetstand die binnen drie maanden dient te worden afgelost en die niet hoger is dan het bedrag dat maandelijks op de rekening wordt gestort.

3. Bij ministeriële regeling worden de inkomenscriteria vastgesteld en de maximale hoogte van het hypothecair krediet in verhouding tot de waarde van de woning.


De in lid 3 genoemde Ministeriële regeling is de Tijdelijke regeling hypothecair krediet.

4.2

In geschil is de vraag of het verzoek van [Eisers]moet worden beschouwd als een nieuwe kredietaanvraag waarop de Tijdelijke regeling hypothecair krediet moet worden toegepast (zoals Rabobank stelt) of een voortzetting van de huidige kredietrelatie, maar dan alleen met een ander onderpand (zoals [Eisers]stelt).

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze vraag moet worden beantwoord tegen de achtergrond van de onder 4.1 aangehaalde regelgeving. Het doel van die regelgeving is het voorkomen van overkreditering “in het belang van de consument”. De financiële positie van de consument moet blijkens het aangehaalde artikel 4:34 Wft worden beoordeeld “bij de totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet, of een belangrijke verhoging van de kredietlimiet”. Hieruit kan worden afgeleid dat indien een relatie met de cliënt bestaat en een wijziging wordt verzocht die geen “belangrijke verhoging van de kredietlimiet” meebrengt, het inwinnen en beoordelen van informatie over de financiële positie van de consument niet wettelijk is voorgeschreven.

4.3

[Eisers]heeft gesteld dat het doel van de voorgenomen verhuizing is de maandlasten te verlagen. Daartoe wordt de huidige woning met een geschatte waarde van € 1,1 miljoen verkocht en een andere kleinere woning gekocht voor € 930.000. Met de daardoor vrijkomende overwaarde kan tevens het privékrediet worden afgelost.

Rabobank heeft daartegen ingebracht dat de opbrengst van de huidige te verkopen woning nog onzeker is.

4.4.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de verkoopopbrengst van een woning naar zijn aard inderdaad onzeker is, maar dat niettemin de redelijke verwachting is dat de voorgenomen transactie in ieder geval zal leiden tot een verlaging van het totaal uitstaande krediet. Dat betekent dat Rabobank de voorgenomen vervanging van het onderpand niet behoeft te beoordelen als een “totstandkoming van een overeenkomst inzake krediet, of een belangrijke verhoging van de kredietlimiet” en dus ook de Tijdelijke regeling hypothecair krediet daarop niet behoeft toe te passen.

4.5

Nu geen dwingende wetsbepaling aan de voorgenomen vervanging van het onderpand in de weg staat, is de vraag aan de orde of Rabobank aan [Eisers]heeft toegezegd dat met de voorgenomen transactie zou worden ingestemd. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat [Eisers]reeds op grond van het emailbericht van Rabobank van 9 januari 2013 er op mocht vertrouwen dat hij over kon gaan tot het bieden op een ander goedkoper huis en dat hij bij aankoop daarvan de hypothecaire geldlening “1 op 1” zou kunnen voortzetten, dus met alle daarop van toepassing zijnde voorwaarden, maar met vervanging van het onderpand. Dit impliceert naar zijn aard ook een overbruggingslening.

De opvatting van Rabobank dat uit het kopje van voornoemde (onder 2.2. geciteerde) e-mail kon worden opgemaakt dat het meeverhuizen alleen de rente betrof, wordt niet gedeeld. De tekst “1 op 1 voortzetten” in combinatie met “volgens de voorwaarden van uw lening” heeft immers een ruimere strekking.

Het stond Rabobank niet vrij op die toezegging later terug te komen. De latere contacten van Rabobank met [Eiser] c.s., waarbij Rabobank ten onrechte het standpunt is gaan innemen dat zij de voorgenomen transactie als nieuwe transactie moest beoordelen met toepassing van de Tijdelijke regeling hypothecair krediet, kunnen hier niet aan afdoen.

De vraag of de toezegging tijdens het gesprek van 7 maart 2014 (2.3) door [persoon 4]zonder voorbehoud is herhaald, en naderhand (in een gesprek op 29 maart 2014) nogmaals door een andere medewerkster van Rabobank – zoals [Eisers]stellen en Rabobank betwist en waarop zonder nader onderzoek naar de feiten waarvoor het kort geding zich niet leent geen antwoord kan worden gegeven – behoeft gezien het voorgaande, geen nadere beschouwing.

4.6

Het voorafgaande leidt, nu [Eisers]uit de aard der zaak een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen, tot toewijzing van het gevorderde, met veroordeling van Rabobank in de kosten van het geding zoals vermeld onder 5.5 en 5.6.

De dwangsom zal worden gemaximeerd, als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Rabobank tot het voortzetten van de hypothecaire lening met nummer 3835964062 waarbij de hypothecaire zekerheid zal worden gewijzigd van de woning aan de [adres 1] naar de woning [adres 2], beide te Amsterdam, gelijktijdig met dan wel na de levering van de woning [adres 2] aan [Eiser] c.s.;

5.2.

veroordeelt Rabobank om op de normaal bij haar geldende voorwaarden een overbruggingskrediet te verstrekken voor de periode dat overdracht van de woning [adres 2] al heeft plaatsgevonden, maar overdracht van de woning aan de [adres 1] nog niet;

5.3.

veroordeelt Rabobank alle medewerking te verlenen die nodig is om de financiering van de in de dagvaarding beschreven transactie binnen de daarvoor geldende termijnen te bewerkstelligen;


5.4. bepaalt dat Rabobank een aan [Eisers]te betalen dwangsom verbeurt van € 5.000,- voor iedere dag of dagdeel dat zij in gebreke blijft om aan het gevorderde onder 5.1 tot en met 5.3 te voldoen, met een maximum van € 100.000,-;

5.5.

veroordeelt Rabobank in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [Eisers]begroot op:

– € 93,80 € 93,80 aan explootkosten,

– € 93,80 € 282,- aan griffierecht en

– € 93,80 € 816,- aan salaris advocaat;

5.6.

veroordeelt Rabobank in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op

€ 131,- voor nasalaris te vermeerderen met € 68,- en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2014.1

1 type: MB coll: