Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:23

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2014
Datum publicatie
07-04-2014
Zaaknummer
AMS 12-3755
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eiser om categoriale bijzondere bijstand Atcg

afgewezen omdat zijn inkomen in het toetsingsjaar voorafgaand aan het aanvraagjaar

hoger was dan de geldende norm. De beleidsregels Atcg zijn door verweerde nader

uitgewerkt in werkvoorschriften, waarin ook voormeld toetsingscriterium staat. De

rechtbank acht de werkvoorschriften en de uitvoeringspraktijk niet onredelijk.

Verweerder heeft deze dan ook in redelijkheid aan het besluit ten grondslag kunnen

leggen en zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet in

aanmerking komt voor een Atcg omdat zijn jaarinkomen in 2011 hoger was dan de

geldende norm. Dat eisers inkomen in de maanden voorafgaande aan de aanvraag wél

aan de geldende norm voldeed, maakt derhalve niet dat hij in aanmerking komt voor

een Atcg. De bijzondere bijstand van artikel 35. eerste lid. WWB kan als vangnet

dienen.

Eventuele opmerkingen:

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK [woonplaats]

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/3755

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 januari 2014 in de zaak tussen

[naam1] , te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats], verweerder

(gemachtigde[naam5]).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels Aanvullende tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Beleidsregels Atcg) afgewezen.

Bij besluit van 19 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2013. Eiser is verschenen. Tevens zijn voor eiser ter zitting verschenen[naam]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 10 mei 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 december 2013. Eiser is verschenen. Tevens is voor eiser verschenen[naam4]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.

Eiser is reumapatiënt. Hij ontvangt sinds begin 2012 een bijstandsuitkering. Eiser heeft op 16 mei 2012 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels Atcg.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiser in het jaar voorafgaand aan het verstrekkingsjaar een inkomen had dat hoger lag dan het toetsbedrag voor dat jaar. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd, onder verwijzing naar artikel 35, vierde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), de Beleidsregels Atcg en de gemeentelijke Werkvoorschriften.

3.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

4.

Niet in geschil is dat eiser in het kalenderjaar voorafgaand aan zijn aanvraag, te weten in 2011, een inkomen (€ 22.439,-) had dat hoger was dan het voor dat jaar geldende toetsbedrag (€ 16.927,-). Aan de orde is de vraag of verweerder dient uit te gaan van het (bruto)jaarinkomen in het kalenderjaar of in de kalendermaand voorafgaande aan de aanvraag.

5.1

Eiser stelt dat verweerder voor de beoordeling of hij recht heeft op een bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels Atcg ten onrechte is uitgegaan van zijn jaarinkomen in het jaar voorafgaand aan zijn aanvraag. In de Beleidsregels Atcg is hiervoor geen grondslag te vinden volgens eiser. Daarom moet worden teruggegrepen op verweerders Beleidsregels inkomensvoorzieningen WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (hierna Beleidsregels inkomensvoorzieningen), zoals bijvoorbeeld artikel 3.2 lid 7 onder b van de Beleidsregels inkomensvoorzieningen, waarin is bepaald dat voor de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand moet worden uitgegaan van het gezinsinkomen over de kalendermaand voorafgaand aan de aanvraag. Daarnaast is eiser van oordeel dat verweerders besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat hij in vergelijkbare omstandigheden verkeert als de doelgroep als beoogd in de Beleidsregels Atcg.

5.2

Op grond van artikel 35, eerste lid, van de WWB, onverminderd paragraaf 2.2, heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 35, tweede lid, niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Op grond van het vierde lid van voormeld artikel kan in afwijking van het eerste lid bijzondere bijstand ook aan een persoon, behorend tot een categorie chronisch zieken of gehandicapten, of met een hem ten laste komend kind dat tot die categorie behoort, worden verleend met betrekking tot kosten in verband met chronische ziekte of handicap, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van die persoon of dat kind die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij of dat kind behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan (categoriale bijstand).

Op grond van het negende lid van voormeld artikel zijn het derde tot en met het zesde lid niet van toepassing ingeval van een alleenstaande of een gezin waarvan het in aanmerking te nemen inkomen hoger is dan 110% van de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm.

5.3

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiser ziet op categoriale bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, vierde lid, van de WWB. Gelet op het negende lid van dit artikel geldt voor de verstrekking hiervan een inkomensgrens van 110% van de op de aanvrager van toepassing zijnde bijstandsnorm. In de memorie van toelichting is hierover opgemerkt dat is afgesproken om het gemeentelijke inkomensbeleid te normeren op maximaal 110% van het wettelijk minimumloon (Kamerstukken II 2010-2011, 32 815, nr. 3, pag. 20-21). De WWB en de memorie van toelichting noemen geen peilperiode waarover deze inkomensgrens geldt, zodat verweerder naar het oordeel van de rechtbank hierin beoordelingsvrijheid toekomt. Verweerder heeft de categoriale bijzondere bijstand nader uitgewerkt in de Beleidsregels Atcg.

5.4

In de Beleidsregels Atcg is onder meer het volgende bepaald. Op grond van artikel 2.1 verstrekt het college als aanvulling op een eventuele vergoeding op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, op aanvraag, aan chronisch zieken en gehandicapten met een laag inkomen een forfaitaire vergoeding ter bestrijding van de noodzakelijk te maken meerkosten die de ziekte of handicap met zich meebrengt. Het begrip “laag inkomen” is in artikel 1.2, aanhef en onder f, voor zover van belang, als volgt gedefinieerd: een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand of een ander fiscaal (gezins)inkomen dat minder dan of gelijk is aan 110% van de afhankelijk van de gezinssituatie van toepassing zijnde bruto bijstandsnorm.

5.5

Verweerder heeft de toekenning van de bijzondere bijstand op grond van de Beleidsregels Atcg nader uitgewerkt in de gemeentelijke Werkvoorschriften. In paragraaf 9.4.5.2.1 van deze werkvoorschriften staat onder meer het volgende vermeld. “De bedoeling van de Atcg is om chronisch zieken en gehandicapten vooraf voor aannemelijk te maken meerkosten forfaitaire vergoedingen te geven. Voor de gemeentelijke tegemoetkoming geldt een inkomensgrens die gelijk is aan de grens van het gemeentelijk armoedebeleid, 110 % van het sociaal minimum. De inkomensgrens is afhankelijk van het huishoudtype. (…) Een aanvraag hoeft slechts eenmaal te worden ingediend. Er vindt iedere 5 jaar een herbeoordeling plaats van de medische situatie en het inkomen en vermogen van de chronisch zieke. Tussentijds kan er een herbeoordeling plaatsvinden als de aanvrager daarom verzoekt. Het inkomen wordt getoetst over het laatst afgesloten volledige kalenderjaar [cursivering rechtbank]. Dus om in aanmerking te komen voor een vergoeding over 2011 dient het inkomen van 2010 getoetst te worden. Bij een inkomen uit arbeid moet er jaarlijks een inkomenstoets plaatsvinden.”

5.6

De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsregel in de weg staat aan nadere uitwerking van de Beleidsregels Atcg door verweerder in gemeentelijke Werkvoorschriften. Deze Werkvoorschriften zijn ook gepubliceerd op internet en daarom kenbaar voor een belanghebbende. In beginsel mag een bestuursorgaan een (redelijke) uitleg geven aan zijn eigen beleid en daaraan ook (consistente) toepassing geven. De Beleidsregels inkomensvoorzieningen hebben betrekking op inkomensvoorzieningen en niet op de bijzondere bijstand van artikel 35 van de WWB. Verweerder heeft deze dus in redelijkheid niet van overeenkomstige toepassing kunnen achten, zodat eisers beroep hierop niet kan slagen. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat het uitvoeringspraktijk is dat het toetsinkomen wordt bepaald aan de hand van de jaaropgaven van het jaar voorafgaand aan de aanvraag. Op deze wijze kan verweerder op een vlotte en doelmatige wijze uitvoering geven aan het Atcg-beleid. Het is volgens verweerder veel lastiger om het bruto-jaarinkomen vast te stellen aan de hand van bijvoorbeeld een (loon)specificatie over één maand. De rechtbank acht deze uitvoeringspraktijk, zoals vastgelegd in de Werkvoorschriften, niet onredelijk. Verweerder heeft dan ook de Beleidsregels Atcg en de Werkvoorschriften aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen en zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een Atcg, omdat zijn brutojaarinkomen in 2011 hoger is dan het toetsinkomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in een dergelijk geval individuele bijzondere bijstand van artikel 35, eerste lid, van de WWB als vangnetvoorziening kan dienen. Niet is gebleken dat eiser (tevens) een aanvraag voor bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft ingediend. Gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5527) had verweerder eisers aanvraag ook niet als zodanig hoeven op te vatten. De rechtbank overweegt daarbij in het algemeen dat verweerder in voorkomende gevallen een aanvrager wel kan informeren over de mogelijkheid van het (eveneens) aanvragen van bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB, bijvoorbeeld door middel van toezending van een algemene folder. Dat zulks in het geval van eiser is nagelaten, maakt niet dat verweerder eisers aanvraag ruimer had behoren op te vatten dan hij heeft gedaan.

6.

Eisers ter zitting gedane beroep op het maatwerkbeginsel kan evenmin slagen. Zoals volgt uit de memorie van toelichting bij de Wijziging van de WWB in verband met decentralisering van de langdurigheidstoeslag en op bevordering van maatschappelijke participatie gerichte ondersteuning van huishoudens met schoolgaande kinderen (hierna: MvT), kan categoriale bijzondere bijstand de gemeente nimmer van de verplichting tot maatwerk ontheffen, hetgeen betekent dat de gemeente ook dient na te gaan of de categoriale verstrekking in het individuele geval toereikend is gelet op de daadwerkelijk kosten (Kamerstukken II, 2007-2008, 31441, nr. 3, pag. 10). In het geval van eiser is echter geen categoriale bijstand verstrekt, zodat verweerder ook niet hoefde na te gaan of deze toereikend was. Zoals hiervoor reeds overwogen reikt de verplichting van verweerder niet zover dat hij de aanvraag van eiser had moeten opvatten als een beroep op het vangnet van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

7.

Eiser beroept zich verder op het rechtsgelijkheidsbeginsel. Volgens eiser verkeert hij in dezelfde omstandigheden als de doelgroep van het Atcg-beleid, omdat hij sinds begin 2012 een bijstandsuitkering ontvangt. Nu verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel, is sprake van een motiveringsgebrek, aldus eiser.

Zoals hiervoor overwogen, staat vast dat eiser in 2011 een bruto jaarinkomen had dat hoger lag dan het toetsinkomen voor de doelgroep van het Atcg-beleid. Eisers omstandigheden zijn derhalve niet gelijk aan die van voormelde doelgroep, zodat zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds hierom niet kan slagen. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eisers bruto jaarinkomen in 2011 te hoog was. Daarmee heeft verweerder, weliswaar impliciet, naar het oordeel van de rechtbank eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen. Eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel en zijn beroep op een motiveringsgebrek kunnen dan ook niet slagen.

8.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, voorzitter,

mrs. C. Bakker en S.E. Reichert, leden,

in aanwezigheid van mr. M.L. Bosman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2014.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.