Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2221

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_3952
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat eisers hun inlichtingenplicht hebben geschonden, nu zij geen melding hebben gemaakt van de omstandigheid dat zij vanaf 14 april 2005 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daarom was verweerder bevoegd de bijstandsuitkering van eisers in te trekken en verplicht het ten onrechte betaalde bedrag aan bijstand van hen terug te vorderen. Tevens was verweerder bevoegd het ten onrechte aan eiseres betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

Zaaknummers: AMS 13/3952, AMS 13/3950, AMS 13/3954, AMS 13/3811 en

AMS 13/3809

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: mr. Z. Taspinar)

[naam], te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. R. Gardeslen)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. I. van Kesteren),

Procesverloop

AMS 13/3809

Bij besluit van 14 februari 2013 heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) per 5 februari 2013 ingetrokken.

Bij het bestreden besluit van 13 juni 2013 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

AMS 13/3811

Bij besluit van 7 maart 2013 heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering op grond van de WWB over de periode 14 april 2005 tot en met 4 februari 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode teveel betaalde bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 128.786,64.

Bij het bestreden besluit van 19 juni 2013 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

AMS 13/3952

Bij besluit van 14 februari 2013 heeft verweerder het recht van eiser op een uitkering op grond van de WWB per 5 februari 2013 ingetrokken.

Bij het bestreden besluit van 7 juni 2013 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2013 ongegrond verklaard.

AMS 13/3950

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft verweerder het recht van eiser op een uitkering op grond van de WWB over de periode 27 april 2005 tot en met 4 februari 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode teveel betaalde bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 62.565,37.

Bij het bestreden besluit van 7 juni 2013 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2013 ongegrond verklaard.

AMS 13/3954

Bij besluit van 7 maart 2013 heeft verweerder eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugvordering van de ten onrechte verstrekte uitkering aan eiseres over de periode 14 april 2005 tot en met 4 februari 2013 tot een bedrag van € 128.786,64.

Bij het bestreden besluit van 21 juni 2013 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 7 maart 2013 ongegrond verklaard.

In alle zaken

Eisers hebben tegen de hen persoonlijk betreffende bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

De rechtbank heeft de zaken op 21 maart 2014 ter zitting gevoegd behandeld samen met het beroep geregistreerd onder nummer AMS 13/3947. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam], tolk in de Turkse taal. Ter zitting is vervolgens het beroep geregistreerd onder nummer AMS 13/3947 ingetrokken. De rechtbank heeft het onderzoek in de overige zaken gesloten.

Overwegingen

1.

Feiten en omstandigheden

1.1.

Eiseres en eiser zijn in de periode van [datum] 1984 tot en met [datum] 1992 met elkaar gehuwd geweest. Uit hun relatie is op[datum] 1992 hun zoon [naam] geboren. Op

[datum] 1994 is eiseres’ dochter [naam] geboren en op [datum] 1998 haar dochter [naam]. Verder heeft eiseres uit een eerder huwelijk een zoon, [naam], geboren op

[datum] 1977.

1.2.

Eiseres ontving vanaf 1 juni 1996 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet. Per 1 januari 2004 is dit voortgezet op grond van de WWB. Zij ontving een uitkering naar de norm van een alleenstaande met 20% toeslag woonsituatie. Eiseres heeft als uitkeringsadres het adres [uitkeringsadres eiseres] te [woonplaats].

1.3.

Eiser ontving van 27 april 2005 tot en met 15 mei 2012 en vervolgens vanaf

9 augustus 2012, naast zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, een uitkering op grond van de WWB naar de norm van een alleenstaande met 20% toeslag woonsituatie. Eiser heeft als uitkeringsadres het adres[uitkeringsadres eiser] te[woonplaats]. Eiser staat sinds 14 april 2005 in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven op dit adres.

1.4.

Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding van 29 maart 2012 over samenwonen, zwart werk en vermogen heeft verweerder een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan eisers verstrekte uitkeringen. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van 21 juni 2012. Vervolgens is het onderzoek doorgezet naar verweerders afdeling Opsporing voor nader onderzoek.

1.5.

Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de uitkering van eiseres per 5 februari 2013 ingetrokken, de uitkering over de periode 14 april 2005 tot en met 4 februari 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode teveel betaalde bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 128.786,64.

1.6.

Voorts heeft verweerder de uitkering van eiser per 5 februari 2013 ingetrokken, de uitkering over de periode 27 april 2005 tot en met 4 februari 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode teveel betaalde bijstand teruggevorderd tot een bedrag van

€ 62.565,37. Tevens heeft verweerder eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugvordering op eiseres tot een bedrag van € 128.786,64

1.7.

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Daaraan heeft verweerder – samengevat – ten grondslag gelegd dat eisers vanaf

14 april 2005 een gezamenlijke huishouding voeren, nu zij gehuwd zijn geweest met elkaar en samen een kind hebben en hun hoofdverblijf hebben in de woning op het adres [uitkeringsadres eiseres] te [woonplaats]. Verder is gebleken dat eisers in ieder geval vanaf 1 januari 2007 zwarte werkzaamheden hebben uitgevoerd en hieruit inkomsten hebben ontvangen. Het recht op bijstand is dan ook vanaf 1 januari 2007 niet vast te stellen. Tot slot is gebleken dat eiseres de feitelijke eigenaar/bezitter is van een auto, is in de woning aan het adres [uitkeringsadres eiseres] te [woonplaats] een beautycase met gouden sieraden ter waarde van
€ 17.430,- aangetroffen en is gebleken dat eiser vermogen heeft boven de voor eisers geldende vermogensgrens, nu eiser heeft verklaard dat hij ten tijde van de aanvang van zijn uitkering een bedrag van € 55.000,- aan spaargeld had en op [datum] 2012 voor een bedrag van € 80.000,- een pand in[plaats], [land], heeft gekocht.

2.

Inhoudelijke beoordeling

2.1

Eisers bestrijden dat eiser vanaf 14 april 2005 zijn hoofdverblijf heeft in de woning aan het adres [uitkeringsadres eiseres] te [woonplaats]. Verweerder is er volgens eisers derhalve ten onrechte van uitgegaan dat zij een gezamenlijke huishouding voeren.

Belastend besluit

2.2.

De rechtbank stelt voorop dat een besluit tot intrekking van bijstand een voor de belanghebbende belastend besluit is, waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA2803).

Gezamenlijke huishouding
2.3. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.3.1

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en

a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

2.3.2.

Vaststaat dat eisers met elkaar gehuwd zijn geweest en dat uit hun relatie een zoon is geboren. Gelet op het bepaalde in artikel 3, vierde lid, van de WWB, is daarom voor de beantwoording van de vraag of gedurende de beoordelingsperiode sprake was van een gezamenlijke huishouding uitsluitend bepalend of eisers hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

2.3.3.

Naar vaste rechtspraak van de CRvB dient de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. Ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte kan toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaan doordat slechts een van beide woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwoning moet worden gesproken.

2.3.4.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat verweerder in het kader van het onderzoek verschillende buren rondom het adres [uitkeringsadres eiseres] als getuige heeft gehoord, waaronder [naam] (hierna:[getuige 1]), bewoner van het adres[straat], en [naam] (hierna: [getuige 2]), bewoner van het adres [straat].

Blijkens het proces-verbaal verhoor getuige van 7 februari 2013 heeft[getuige 1] desgevraagd verklaard dat hij al meer dan 20 jaar woont op zijn adres. Op de vraag wat hij kan vertellen over de bewoners van het adres [uitkeringsadres eiseres] (het uitkeringsadres van eiseres) antwoordt[getuige 1]: “Daar wonen een vader, moeder en 2 of 3 kinderen. Die man is een hele stille man, erg mager. Het is zeg maar een grijze muis. Ik zie hem op veel verschillende tijdstippen”.[getuige 1] verklaart dat hij denkt dat deze gezinssituatie al zo is sinds hij op zijn adres woont. Verder hebben de sociaal rechercheurs aan[getuige 1] een foto getoond van eiser en eiseres. Desgevraagd geeft[getuige 1] aan dat de mensen op de foto op nummer […] wonen.

Uit het proces-verbaal verhoor bevindingen van 8 februari 2013 blijkt dat de sociaal rechercheurs een foto van eiser en eiseres hebben getoond aan [getuige 2] en dat [getuige 2] heeft verklaard: “Dat zijn de buren aan de linkerkant. Zij zijn al zeker 20 jaar mijn buren, zowel de man als de vrouw. Zij hebben denk ik 3 kinderen ik weet dat doordat ik gesprekken met hen voer. Zij wonen daar al zo lang als gezin. Ik zie de man op verschillende tijdstippen op de galerij, ik zie hem met boodschappen, het vuil buiten zetten. Ja, hij woont daar gewoon. Dat weet ik zeker”.

2.3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank bieden deze getuigenverklaringen, in combinatie met de overige onderzoeksbevindingen, een toereikende grondslag voor het standpunt van verweerder dat eisers in de periode in geding gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad op het adres [uitkeringsadres eiseres] te[woonplaats] en dientengevolge een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, nu zij gehuwd zijn geweest en uit hun relatie een kind is geboren. De rechtbank acht daarbij van belang dat de verklaringen gedetailleerd zijn en dat de getuigen ook aangeven hoe zij aan hun wetenschap komen. De verklaringen van de overige buren rond het adres [uitkeringsadres eiseres] doen in onvoldoende mate afbreuk aan hetgeen wordt verklaard door[getuige 1] en [getuige 2], nu deze verklaringen veelal niet eenduidig zijn, geen details bevatten, of door de getuigen wordt aangegeven dat zij niet weten of eiser en eiseres samen wonen of daarover niet willen verklaren.

2.3.6.

Het standpunt van eiser dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het adres[uitkeringsadres eiser] te [plaats] acht de rechtbank voorts niet aannemelijk, nu dit geen steun vindt in het onderzoek van verweerder. Daarbij acht de rechtbank van belang dat [naam], bewoonster van het adres [straat] te Amsterdam, heeft verklaard dat zij tien jaar op haar adres woont en eiser niet kent, nooit licht ziet branden op het uitkeringsadres van eiser en dat zij altijd thuis is. Voorts heeft [naam], bewoonster van het adres[straat] te Amsterdam, verklaard dat zij eiser de afgelopen vijf jaar maar een aantal keer heeft gezien. Tot slot wijzen de gegevens van Waternet eveneens niet in de richting van het standpunt van eiser dat hij wél zijn hoofdverblijf op zijn uitkeringsadres heeft gehad. Uit deze gegevens blijkt namelijk dat het waterverbruik van de woning op het adres[uitkeringsadres eiser] te [plaats] een gemiddeld verbruik heeft van 8 m3 per jaar en dat dit zeer laag is voor een eenpersoonshuishouden.

Schending inlichtingenplicht

2.4.

Eisers hebben nimmer melding gemaakt van het feit dat zij vanaf 14 april 2005 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Eisers hebben hierdoor de op hen rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van eisers stellingen omtrent de door hen verrichtte werkzaamheden en omtrent hun vermogens.



Bevoegdheid tot intrekking

2.5. Gelet op het voorgaande was verweerder dan ook op grond van 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van het recht op bijstand van eisers. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken.

Terugvordering

2.6. Met het voorgaande is tevens gegeven dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid van de WWB, zoals dit artikel ingaande 1 januari 2013 luidt, verplicht was om de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 14 respectievelijk 27 april 2005 tot en met 4 februari 2013 van eisers terug te vorderen.

De rechtbank merkt op dat verweerder echter het artikel 58, eerste lid van de WWB, zoals dat artikel luidde vóór 1 januari 2013 aan de terugvordering ten grondslag heeft gelegd en daarbij is uitgegaan van een bevoegdheid en niet een verplichting van verweerder tot terugvordering. Nu eisers hierdoor niet in hun belangen zijn geschaad, zal de rechtbank dit gebrek met toepassing van het bepaalde in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht passeren.

Bevoegdheid tot medeterugvordering

2.7. Nu gelet op het voorgaande vaststaat dat eisers ten tijde in geding met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en met die omstandigheid bij de verlening van de bijstand geen rekening is gehouden omdat eisers de op hen rustende inlichtingenverplichting niet zijn nagekomen, is voorts gegeven dat verweerder op grond van artikel 59 van de WWB bevoegd was de gemaakte kosten van bijstandsverlening aan eiseres mede van eiser terug te vorderen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot medeterugvordering gebruik kunnen maken.

Voor zover de gemachtigde van verweerder zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat uit het primaire besluit van 7 maart 2013 (zaak AMS 13/3811) volgt dat eiseres tevens hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de terugbetaling van de teveel aan eiser verstrekte bijstand, overweegt de rechtbank dat dit standpunt niet wordt gevolgd. De rechtbank begrijpt hetgeen in dat besluit is overwogen ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid aldus dat daar is bedoeld aan te geven dat het van eiseres teruggevorderde bedrag tevens van eiser wordt teruggevorderd. Een apart besluit tot medeterugvordering, zoals dat is genomen ten aanzien van eiser, ontbreekt bovendien.

Conclusie


2.8.Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaren. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, voorzitter,

mrs. A.H. van Zutphen en M.C. Eggink, leden,

in aanwezigheid van mr. C.A.R. Bleijendaal, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2014.

de griffier

de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

Coll: TB

D: B

SB