Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2181

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
13/994023-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overtredingen van voorschriften gesteld bij de Wet milieubeheer door oliehoudende gevaarlijke afvalstoffen in te nemen, te bewerken en te mengen met andere oliehouddende afvalstoffen en dit mengsel als brandstof (stookolie) te verkopen. Concurrentievervalsing en inbreuk gemaakt op voorschriften die beogen het milieu te beschermen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2014/458
Milieurecht Totaal 2014/2687

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/994023-10

Datum uitspraak: 24 april 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

AVR-INDUSTRIAL WASTE BV,

statutair gevestigd op het adres [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 en 27 maart 2014 (inhoudelijke behandeling). Het onderzoek is gesloten op 10 april 2014.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L.W. Boogert, en van wat J. Verheij, de vertegenwoordiger van verdachte, en de raadsvrouwen van verdachte, mrs. P.T.C. van Kampen en R. Croes-Hoogendoorn, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting van 26 maart 2014 – ten laste gelegd dat

1. zij in de jaren 2005 tot en met 2007 te Amsterdam opzettelijk een of meerdere malen bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan, door (telkens) oliehoudende afvalstoffen, te weten oliefractie(s) afkomstig uit scheiding van olie/water/slib-mengsels, in ieder geval gevaarlijke afvalstoffen, op te slaan, te bewerken en/of te verwerken;

2. zij in de periode oktober 2005 tot en met januari 2006 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere malen zich door afgifte (als stookolie) aan (onder meer) Overslagbedrijf Amsterdam en/of [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3], in elk geval aan een ander of anderen, heeft ontdaan van oliehoudende afvalstoffen, in elk geval van gevaarlijke afvalstoffen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.1.

Inleiding

Verdachte heeft aan de Jan van Riebeeckhavenweg in de haven van Amsterdam een inrichting waar zij oliehoudende stoffen inzamelt, ontvangt, opslaat, opbulkt, be- en verwerkt, waarna zij een deel daarvan aan derden verkoopt en levert. In essentie is de vraag die aan de rechtbank voorligt of de inneming, bewerking en afgifte door verdachte van deze stoffen in de jaren 2005 tot en met 2007, onder de reikwijdte van de in 1979 aan verdachte afgegeven Hinderwetvergunning valt.

4.1.2.

De vergunningen en relevante wettelijke bepalingen

Op 30 november 2001 heeft verdachte Olie Verwerking Amsterdam BV (OVA) overgenomen. Verdachte is hiermee de rechtsopvolger van OVA.

Bij besluit van 29 november 1979 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning ingevolge de Hinderwet (Hw) verleend aan OVA voor het opslaan, distribueren en verwerken van aardolieproducten in de inrichting aan de [adres] (nummer 11/3372 B.W.T. 1977, map 10, 0002721 - 0002737).

Op 1 januari 1984 zijn artikel 8 en 25 van de Wet chemische afvalstoffen (Wca) in werking getreden. Artikel 8 lid 1 Wca bepaalde:

Het is verboden chemische afvalstoffen waarvan anderen zich hebben ontdaan, te bewaren, te bewerken, te verwerken of te vernietigen zonder vergunning van onze Minister.

Artikel 25 Wca bepaalde:

Het is verboden van anderen afkomstige afgewerkte olie te bewaren, te bewerken, te verwerken of te vernietigen zonder vergunning van onze Minister.

De overgangsbepaling van artikel 57 Wca luidde:

“Voor degene voor wie het verrichten van handelingen waarvoor op grond van artikel 8, 21 of 25 een vergunning vereist is, reeds tot het terrein van zijn werkzaamheden behoort op het tijdstip waarop het artikel waarin dat vereiste is vervat, van kracht wordt, blijft dat artikel buiten toepassing gedurende drie maanden na dat tijdstip en indien binnen die termijn een aanvraag om vereiste vergunning is ingediend, ook nadien tot twee maanden nadat het besluit waarbij op die aanvraag wordt beslist van kracht is geworden.”

OVA heeft op grond van deze artikelen een Wca-vergunning aangevraagd en gekregen. Deze vergunning zag op het bewaren en bewerken van verontreinigde stromen lichte- en zware stookolie, gasolie en dieselolie, verontreinigde petroleum, verontreinigde synthetische olie, voor zover het moet worden aangemerkt als een chemische afvalstof in de zin van de Wet chemische afvalstoffen. Deze vergunning was geldig tot 1 juli 1993 (map 10, 0002749).

Bij besluit van 15 september 1993 heeft de Minister van VROM een Wca-vergunning verleend als bedoeld in de artikelen 8 en 25 Wca voor het bewaren en bewerken van anderen afkomstige afgewerkte olie en van een aantal (met name genoemd in artikel 2, lid 2) van anderen afkomstige chemische afvalstoffen (kenmerk DGM/A 930226.004/14 en 930226.005/14). De vergunning ex artikel 25 Wca voor het bewaren en bewerken van afgewerkte olie is verleend tot uiterlijk 1 januari 1995. De vergunning ex artikel 8 Wca voor chemische afvalstoffen is verleend tot uiterlijk 1 juli 1998 (map 10, 0002759).

Met ingang van 1 maart 1993 is de Wca door inwerkingtreding van de Wet milieubeheer komen te vervallen.

Artikel 10.1 Wet milieubeheer luidt onder meer:

“3. Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.

4. Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.”

Artikel 10.37 lid 1 Wet milieubeheer luidt:

“Het is verboden zich door afgifte aan een ander van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen te ontdoen.”

Bij besluit van 25 maart 1998 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam besloten te zullen gedogen dat OVA de activiteiten zoals gesteld in de beschikkingen DGM/A 9302260 004/14, DGM/A 930226 005/14, DGM/A 1378511, 11/3372 BWT 1977, 15/74 BWT 1984, B15/003 MD, 11/4410 BV 1981 voortzet tot het van kracht worden van de gevraagde vergunning, mits aan de daarbij opgenomen voorschriften wordt voldaan (map 10, 0002777 en 0002778). De gedoogbeschikking volgt uit een verzoek dat OVA heeft gedaan vanwege het expireren van de Wca-vergunningen in combinatie met het gegeven dat op een aanvraag voor een revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer (datum aanvraag 22 maart 1996) nog niet was beschikt. Burgemeester en wethouders wijzen er op dat de beschikking vervalt ingeval er binnen de beroepstermijn van de verleende vergunning geen verzoek om schorsing is ingediend. In de gedoogbeschikking is bepaald dat deze “slechts tot verzoeker is gericht en bij rechtsopvolging vervalt”.

De gedoogbeschikking is door de overname van OVA op 30 november 2001 door verdachte komen te vervallen.

Bij besluit van 1 september 2003 heeft de minister van VROM aan verdachte een inzamelvergunning ex artikel 10.48 Wm verleend voor het inzamelen van afgewerkte olie afkomstig van landactiviteiten. Aanleiding voor de aanvraag was de wijziging van de tenaamstelling van de inzamelaar. Gevraagd werd om OVA B.V. te wijzigen in AVR-Industrial Waste B.V. (map 10, 0002852 - 0002856). De vergunning is verleend tot uiterlijk 1 september 2008. De looptijd van vijf jaar hangt samen met het beleid zoals in het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) is beschreven (0002854).

4.1.3.

Werkwijze van verdachte

[naam 4], de locatiemanager van OVA, belast met de dagelijkse leiding

(de planning, personeel en vergunningen) heeft over de ten laste gelegde periode samengevat verklaard dat OVA bij acceptatie van oliehoudende stoffen van de Koninklijke Marine [naam 5] te Den Helder alleen naar het chloorgehalte, vlampunt en watergehalte kijkt. Als blijkt dat deze gehalten voldoen dan gaat ‘het de route in van opwerken tot stookolie’. Deze gevaarlijke afvalstoffen worden meestal in ontvangsttank 8 gelost, de zogeheten BOHB-tank. Deze tank is voor de opslag van oliehoudende afvalstoffen waarvan het chloorgehalte kleiner is dan 50 ppm. Tank 5 wordt meestal gebruikt voor oliehoudende afvalstoffen met een chloorgehalte van meer dan 50 ppm. Als de stoffen bij OVA binnenkomen dan worden zij gesetteld, verwarmd en eventueel gecentrifugeerd. Na verwarming en setteling wordt van de tankinhoud nogmaals een monster getrokken om te bekijken wat de kwaliteit van de oliefractie is. Er wordt geanalyseerd op watergehalte, chloorgehalte, vlampunt en een enkele keer op sediment en zwavelgehalte. Vervolgens wordt de oliefractie gecentrifugeerd of via een 100 microfilter naar tank 3 of 4 verpompt, de bewerkte-olietanks. Ten slotte is het product klaar en gaat het naar de afnemers. De afvalstoffen afkomstig van APS komen vanuit hun inzameling vanaf landactiviteiten en vanuit de scheepvaart. APS bepaalt de afvalstofcode van deze drijflagen. Het zijn met water en sediment verontreinigde minerale olieproducten en zij worden al sinds jaar en dag al aangeboden als brandstofresten. Afgewerkt olie komt in de afgewerkte-olietanks. De drijflagen van APS komen in de regel in tank 8 wat betreft chloorgehalte kleiner dan 50 ppm en in tank 5 wat betreft chloorgehalte groter dan 50 ppm. Er wordt op vlampunt geanalyseerd, niet op PAK’s en niet altijd op metalen. Bij acceptatie wordt niet op oplosmiddelen geanalyseerd en evenmin op koudemiddelen.

4.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

4.2.1.

De officier van justitie heeft overeenkomstig het schriftelijk requisitoir onder verwijzing naar het door hem opgesteld “Juridisch Kader” gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

4.2.2.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie samengevat het volgende te berde gebracht. Verdachte beschikte in de ten laste gelegde periode niet over een vergunning om gevaarlijk afvalstoffen op te slaan en te be-/verwerken. Zelfs als verdachte over de inmiddels verlopen Wca-vergunningen zoals die destijds in 1993 aan OVA verleend waren zou hebben beschikt, dan nog was haar niet toegestaan zogenaamde drijflagen op te slaan en te be-/verwerken. De conclusie is dat verdachte handelde in strijd met wettelijke bepalingen en met het door de overheid voorgestane afvalstoffenbeleid.

4.2.3.1. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie kort gezegd het volgende naar voren gebracht. Verdachte had geen vergunning drijflagen te accepteren binnen haar inrichting. Inname en bewerking van drijflagen met een ‘chloorgehalte’ > 50 ppm is verdachte verboden ingevolge het Besluit organisch-halogeengehalte brandstoffen. Bewerking van de drijflagen door verdachte heeft niet tot gevolg dat een aan een reguliere brandstof gelijk product ontstaat. Deze laatste conclusie brengt mee dat het doorverkopen van die bewerkte drijflagen als stookolie als strijdig gekwalificeerd moet worden met artikel 10.37 Wet milieubeheer. Dit doorverkopen moet gezien worden als het afgeven van afvalstoffen aan een ander dan – kortgezegd – erkende inzamelaars of verwerkers van afval.

4.2.3.2. Het gaat hierbij om kleurloos opzet. Het opzet op het niet naleven van wettelijke bepalingen behoeft niet bewezen te worden (HR 20 december 2011, LJN BT1873).Maar in dezen heeft verdachte zelfs opzet op het niet naleven van wettelijke bepalingen gehad. Verdachte, een professionele afvalinzamelaar en -verwerker, met een locatiemanager die het bedrijf ook runde onder OVA en de afvalbranche van haver tot gort kende, behorend tot een groot en gerenommeerd afvalconcern, kende de toepasselijke regelgeving, het toepasselijke beleid waarop die regelgeving was gebaseerd en de oude Wca-vergunningen van OVA. Desondanks werden aangeboden partijen afvalstoffen niet onderzocht op verontreinigingen en duidde verdachte deze partijen ten onrechte als brandstofrestanten aan, terwijl zij de herkomst van die afvalstoffen kende en op basis daarvan wist dat het geen brandstofrestanten met enkel water en sediment betroffen.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

4.3.1.

De verdediging heeft overeenkomstig de door haar overgelegde pleitnoties vrijspraak bepleit.

4.3.2.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdediging samengevat het volgende aangevoerd. Ten tijde van de ten laste gelegde periode was wat betreft verdachte de Hinderwetvergunning van toepassing. De omgevingsdeskundigen van StAB concluderen dat de Hw-vergunning in 2005-2007 van toepassing was en dat “sprake is van een ‘ruime’ vergunning aangezien geen beperkingen gelden aan de aard en samenstelling van geaccepteerde oliehoudende afvalstoffen en de in de handel gebrachte brandstoffen”. Het vervallen van de (met de gedoogbeschikking verlengde) Wca-vergunning uit 1993 is niet relevant voor de beoordeling wat wel of niet was toegestaan in de periode 2005-2007. Op dat moment was immers de Wet milieubeheer in werking getreden en gold op basis van het overgangsrecht de Hinderwetvergunning als (integrale) milieuvergunning. Het gegeven dat deze vergunning veel minder gedetailleerd was dan de Wca-vergunning en niet geactualiseerd, is daarbij niet van belang. Deze vergunning voorzag in de door verdachte in deze periode verrichte handelingen met oliehoudende afvalstoffen, waaronder het be- en verwerken van de oliehoudende afvalstoffen, alsmede het verhandelen van de aldus verkregen product als brandstof (en derhalve niet als afvalstof). Derhalve behoort verdachte, mede op basis van het bepaalde in art. 10.1 lid 5 Wm, te worden vrijgesproken van het haar onder 1 ten laste gelegde. Verdachte beschikte in de ten laste gelegde periode wel degelijk over een vergunning voor het opslaan, overslaan, bewerken, verwerken, vernietigen en/of verbranden van buiten die inrichting afkomstige oliehoudende afvalstoffen.

4.3.3.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw samengevat het volgende betoogd. Verdachte wordt ervan beschuldigd dat zij zich in de periode oktober 2005 tot en met januari 2006 opzettelijk door afgifte aan derden (OBA, [naam 1], [naam 2] en [naam 3]) heeft ontdaan van oliehoudende afvalstoffen (althans gevaarlijke afvalstoffen) als bedoeld in artikel 10.37 Wm. De wijze waarop dit is ten laste gelegd, heeft tot gevolg dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat zij zich ontdeed van de oliehoudende stoffen als zijnde afvalstoffen, alvorens het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. In het onderhavige geval zal in lijn met dit het arrest van de Hoge Raad van 7 januari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:24) bewezen moeten (kunnen) worden verklaard dat verdachte zich opzettelijk ontdeed van oliehoudende afvalstoffen. Verdachte ontdeed zich evenwel niet (willens en wetens) van de desbetreffende stoffen, noch was zij zich ervan bewust dat zij oliehoudende afvalstoffen afgaf aan de in de tenlastelegging genoemde bedrijven. Zij verkocht aan de in de tenlastelegging genoemde derden een brandstof, aldus de verdediging.

4.4 .

.Het oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Feiten en omstandigheden

Op grond van de verklaring van de locatiemanager van verdachte gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte in de ten laste gelegde periode conform haar eigen acceptatiebeleid handelde. De vertegenwoordiger van verdachte heeft dit ter zitting bevestigd. Uit dit beleid volgt dat voorafgaand aan de acceptatie van afvalstoffen elke partij uitsluitend werd onderzocht op EOX, vlampunt en watergehalte.

Uit het dossier blijkt dat verdachte in de ten laste gelegde periode zogeheten drijflagen van Amsterdam Port Services B.V. (APS) en [naam 5], onderhoudsbedrijf van de Koninklijke Marine heeft ontvangen. Een drijflaag is een afgescheiden oliefractie uit olie-water-slibmengsels. De partijen/afvalstromen die verdachte van APS ontving, werden bij APS gecontroleerd en vervolgens geaccepteerd en ingenomen in tank 5 en 8. [naam 5] verstrekte geen informatie over het PCB-gehalte en verdachte controleerde enkel op EOX, vlampunt en watergehalte. Hieruit volgt dat verdachte ook in deze specifieke gevallen voorafgaand aan acceptatie niet het gehalte aan PCB’s bepaalde.

Uit het dossier volgt dat deze drijflagen moeten worden gekwalificeerd als ‘olie-water-slibmengsel uit olie-, vet-, slib- of benzineafscheiding’ afkomstig van het ‘ledigen van een stationaire opslagtank’. Wanneer dit wordt gerubriceerd volgens de in de Regeling integrale tekst afvalstoffenlijst aangegeven methode, zijn dit gevaarlijke afvalstoffen.

De ontvangen stoffen werden bewerkt in die zin dat zij werden verwarmd zodat een zekere scheiding tussen de lagen (fracties) ontstond.

Ten slotte werd het aldus verkregen product opgeslagen en voor eigen verwarming aangewend in de stookinstallatie dan wel als stookolie aan de afnemers verkocht en geleverd die in het onder 2 ten laste gelegde feit staan vermeld.

De stookinstallatie op het terrein van verdachte betrof een stoomketel voor het opwekken van stoom voor de verwarming van de opslagtanks. Het is een stookinstallatie die onder het besluit emissie-eisen stookinstallatie milieubeheer B valt en die niet aan het Besluit verbranden afvalstoffen voldoet. Verder is komen vast te staan dat verdachte de stoffen niet destilleerde of verbrandde in een daar voor speciaal geschikte oven.

4.4.2.

Tussenconclusie

De conclusie is dat verdachte, door gevaarlijke afvalstoffen in ontvangst te nemen, te bewerken en te gebruiken en verkopen, nadelige effecten voor het milieu kon doen ontstaan.

4.4.3.

Vergunning?

De volgende vraag is of het verdachte was toegestaan drijflagen te ontvangen en te be- en verwerken, met andere woorden of verdachte een vergunning had voor de door haar uitgevoerde handelingen.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat in de ten laste gelegde periode – uitsluitend nog – de oude Hinderwetvergunning gold.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het verdachte niet was toegestaan handelingen met oliehoudende afvalstoffen te verrichten, ook niet op grond van de haar in het verleden verleende Hinderwetvergunning. Op 1 februari 1952 is de Hinderwet (Hw) in werking getreden. Deze wet was lange tijd de enige milieuhygiënische wet. Op een gegeven moment is een groot aantal nieuwe milieuhygiënewetten uitgevaardigd waarbij een sectorale benadering voorop stond. Zo zijn in 1984 de artikelen 8 en 25 Wca inwerking getreden. Deze sectorale aanpak is geleidelijk verlaten en vervangen door een meer centrale en geïntegreerde aanpak. Deze ontwikkeling resulteerde in de Wet milieubeheer die op 1 maart 1993 in werking is getreden. De bepalingen over afvalstoffen zijn grotendeels terechtgekomen in hoofdstuk 10 van deze wet, dat op 1 januari 1994 in werking is getreden. De Wca is hiermee komen te vervallen. De wettelijke eisen betreffende het omgaan met chemische stoffen zijn in de loop der tijd steeds strenger geworden. Wat aanvankelijk onder de Hinderwetvergunning was gedekt, is deel voor deel uit de Hinderwet gehaald en ter bescherming van het milieu onder een nieuw regime geplaatst.

Uit de aan OVA verstrekte Wca-vergunning volgt dat onder die vergunning (samengevat) chemische afvalstoffen mochten worden bewaard en bewerkt. Uitdrukkelijk wordt hierbij het volgende overwogen:

Indien het water verontreinigd is met minerale olieproducten valt deze afvalstof onder de definitie “met water en sediment verontreinigde minerale olieprodukten”(…) Indien de afvalstof niet valt onder deze definitie (…) is er sprake van een afvalstof die qua aard en samenstelling dermate anders is dan de bedoelde brandstofrestanten of afgewerkte olie, dat deze niet zonder meer kan worden ingezet ten behoeve van de produktie van substituutbrandstof. Een vergunning voor deze stromen kan dan ook niet worden verleend.” (0002755).

Uit deze vergunning blijkt klip en klaar dat OVA enkel brandstofrestanten met water en sediment mocht accepteren. Uit artikel 2 tweede lid onder b. van deze vergunning volgt dat de aangegeven PCB-waarden niet overschreden mochten worden. Ook uit deze vergunning blijkt dat de verrichtingen van OVA niet langer onder de Hw vielen, maar onder een apart, strenger regime. De activiteiten van verdachte werden in de ten laste gelegde periode derhalve niet gedekt door de Hw-vergunning. Juist deze verdachte, een professionele speler als het gaat om (oliehoudende) afvalstoffen, moet dit hebben geweten. Verdachte heeft onder de nieuwe Wet milieubeheer een vergunning aangevraagd en gekregen. Op de zienswijze van StAB kan verdachte zich niet beroepen, al was het maar omdat deze zienswijze dateert van een tijdstip, geruime tijd gelegen nadat de in de tenlastelegging bedoelde feiten zich heb ben voorgedaan. Onder 7. Gaat de rechtbank hierop nog nader in.

4.4.4.

Conclusie

De conclusie is dat verdachte in de ten laste gelegde periode drijflagen, dat wil zeggen oliefracties afkomstig uit scheiding van olie/water/slib-mengsels, heeft opgeslagen, be- en verwerkt, terwijl dat verboden was en zij wist dat het haar niet vergund was dat te doen. Verdachte moet ook hebben geweten dat hierdoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan. Zij kende de steeds strenger wordende regelgeving en het beleid van de overheid. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte willens en wetens en dus opzettelijk de regels heeft overtreden.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 6 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1 en 2 ten laste gelegde met dien verstande dat zij

1. in de jaren 2005 tot en met 2007 te Amsterdam opzettelijk meermalen bedrijfsmatig handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan, door (telkens) oliehoudende afvalstoffen, te weten oliefractie(s) afkomstig uit scheiding van olie/water/slib-mengsels, in ieder geval gevaarlijke afvalstoffen, op te slaan, te bewerken en/of te verwerken;

2. in de periode oktober 2005 tot en met januari 2006 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk meermalen zich door afgifte (als stookolie) aan Overslagbedrijf Amsterdam en [naam 1] en [naam 2] en [naam 3], heeft ontdaan van oliehoudende afvalstoffen, in elk geval van gevaarlijke afvalstoffen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De bewijsmiddelen

Hieronder staan de bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt. De inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – wordt slechts gebruikt voor het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het zoals blijkt uit de inhoud kennelijk betrekking heeft.

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende verwijzingen afvalstromen ingenomen, verwerkt en afgegeven door OVA in de periode 1 oktober 2005 tot en met 31 januari 2006 met nummer 2005186838 van 4 mei 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 6]. [naam 7] en[naam 8].

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek naar de milieuhygiënische risico’s die worden gevormd door handeling met afvalstoffen door AVR-Industrial Waste B.V. (locatie OVA) met nummer PL1512/2007/66904-2 van 14 december 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [naam 9] (pagina 0002996 tot en met 0002998).

Het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 4] met nummer 2005186838 van 11 maart 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 6]. [naam 10] (pagina 0003072 tot en met 0003081).

Het proces-verbaal van tweede verhoor verdachte [naam 4] met nummer 2005186838 van 20 maart 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 6]. [naam 10] (pagina 0003089 tot en met 0003102).

Het geschrift, zijnde een kopie van het Acceptatie- en verwerkingsbeleid OVA van 20 december 2004 (pagina 0002801 tot en met 0002821)

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende analyse dagstaten tankinslagen OVA 1 oktober 2005 tot en met 31 januari 2006 met nummer 2005186838 van 17 februari 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar[naam 8] (pagina 0003129 tot en met 0003135).

Het proces-verbaal van bevindingen betreffende onderzoek afnemers stookolie OVA met nummer 2005186838 van 17 februari 2008, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar[naam 8].

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Voor zover de verdediging met verwijzing naar het StAB-rapport zich op verontschuldigbare rechtsdwaling beroept, omdat zij meende te beschikken over een vergunning en daarom niet strafbaar is, overweegt de rechtbank het volgende.

De StAB heeft in haar rapport van 27 juni 2013 de volgende beschouwing opgenomen: “Sinds 1979 beschikt OVA over een milieuvergunning die niet specifieerde welke (afval)stoffen geaccepteerd mochten worden, welke be- en verwerkingen waren toegestaan en welke producten onder welke voorwaarden in het handelsverkeer mochten worden gebracht. In de Wca-vergunning uit 1993 waren meer specifieke voorschriften qua acceptatie en in het handelsverkeer brengen van producten opgenomen, maar deze vergunning expireerde op 1 juli 1998. Het gedoogbesluit waarmee deze vergunning is verlengd tot onbepaalde tijd verviel op het moment van rechtsopvolging in 2001. In de periode 2005-2007 vigeerde de vergunning uit 1979 krachtens de Wet milieubeheer. Doordat deze vergunning een ruim toepassingsbereik heeft, kan worden gesteld dat het accepteren van oliehoudende afvalstoffen, het bewerken en het als brandstof in het handelsverkeer brengen van bewerkte producten, daaronder vielen.”

De rechtbank merkt allereerst op dat de zienswijze van StAB niet bepaald stellig is verwoord en evenmin is voorzien van een met argumenten geschraagde onderbouwing. Verder stelt ook StAB zich op het standpunt dat de milieuvergunning niet meer actueel was en een revisievergunning was ingediend waarop in de periode 2005-2007 nog niet was beschikt. De rechtbank acht de hiervoor aangehaalde zienswijze, zoals uit het voorgaande voortvloeit, onjuist. Zij ziet ook niet in welk opzicht deze pas jaren na de ten laste gelegde handelingen gedane beschouwing voor de beoordeling van deze zaak gewicht in de schaal kan leggen in die zin dat verdachte een beroep op verontschuldigbare dwaling zou toekomen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

De eis van de officier van justitie

9.1.1.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 900.000,00.

9.1.2.

De officier van justitie heeft zijn eis als volgt onderbouwd. Verdachte is een professionele deelnemer die welbewust structureel jarenlang in strijd met de wezenlijkste uitgangspunten met betrekking tot het beheer van gevaarlijk afval handelde. Het misdrijf vormt de kern van de bedrijfsvoering op die locatie. Verdachte heeft de zware verantwoordelijkheid die op afvalinzamelaars en -verwerkers rust om te zorgen voor een doelmatige en milieuhygiënisch juist afvalbeheer totaal genegeerd. Een passieve houding van het bevoegd gezag doet niets af aan deze verantwoordelijkheid, zeker niet als sprake is van verhullen van de ware herkomst en aard van de ingenomen afvalstoffen en het opzettelijk niet doen van onderzoek naar eventuele verontreinigingen. Gevolg van dit handelen is een extra belasting van het milieu met zeer schadelijke stoffen met risicovolle implicaties voor de volksgezondheid (te denken valt hierbij aan zware metalen, fijn stof, dioxines, PAK’s). Daarnaast wordt met het mengen van afval in stookolie risico’s in het leven geroepen voor werknemers die werken met installaties waarin die stookolie wordt gebruikt en voor schepen die op die stookolie varen. De hoge verwerkingskosten voor het gevaarlijk afval worden ontweken. Extra inkomsten worden gegenereerd door verkoop als product. Anders gezegd: oneerlijke concurrentie ten opzichte van bona fide afvalverwerkers en brandstofleveranciers. Het doelmatig beheer van afval wordt ondermijnd, hetgeen op zich, zoals gezegd, als een nadelig gevolg voor het milieu gezien moet worden. Bedrijven die er een werkwijze op na houden zoals verdachte in de ten laste gelegde periode, horen niet thuis in de afvalbranche. Zij horen thuis in het rijtje van criminelen die xtc-afval dumpen in natuurgebieden, die gevaarlijk afval dumpen in de derde wereld of op andere manier het milieu vergiftigen. Zij hebben lak aan de milieugevolgen, negeren de daarmee samenhangende risico’s voor volksgezondheid, hebben geen boodschap aan de toepasselijke regelgeving, maar enkel oog voor hun eigen portemonnee.

9.1.3.

De volgende strafzaken dienen als referentiekader voor de hoogte van een op te leggen geldboete. De zaak Probo Koala, het eenmalig dumpen van gevaarlijk oliehoudend afval in Ivoorkust met ernstige gevolgen: €1.000.000. De zaak Odfjell, het jaren lang ontbreken van een goed veiligheidssysteem bij een tankterminal voor chemische stoffen in de Europoort, zonder al te ernstige gevolgen: € 3.000.000. De zaak Dow: gebrekkige veiligheidscultuur, ernstige milieu-incidenten, in de jaren 2005-2008: € 1.800.000. De zaak APS, uitspraak rechtbank: € 450.000, arrest hof: € 100.000, waarbij aangetekend dient te worden dat rechtbank en hof milieuhygiënische gevolgen niet betrekken bij hun oordeel en het hof niet bewezen acht dat sprake is van opzettelijk verhullend handelen. Daarnaast geldt dat APS anders dan verdachte de afvalstoffen niet op de markt heeft gebracht. De zaak tegen [naam 4] is afgedaan met een transactie van € 10.000, waarbij zwaar heeft meegeteld de lange tijd die gemoeid was met het afdoen van de zaak. Dit telt zwaarder bij natuurlijke personen dan bij rechtspersonen. Overigens dient de lange tijd dat onderhavig onderzoek heeft geduurd ook verdisconteerd te worden in de strafeis. Wat mij betreft op gelijke wijze als in de zaak Dow; een korting van 10%.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in de inleiding van haar pleidooi naar voren gebracht dat de hoogte van strafeis van de officier haar bijzonder heeft verbaasd en verder het volgende naar voren gebracht. Zowel in het licht van de straf die APS kreeg opgelegd (een geldboete van € 100.000 euro) als overigens, is volstrekt onverklaarbaar waarom het Openbaar Ministerie in deze zaak tot een eis van € 900.000 komt. Als daadwerkelijk sprake is of zou zijn geweest van een zodanige ernstige schending van (kort gezegd) de milieuhygiëne (zoals vervat in de zorgplicht van art. 10.1 lid 3 Wm) dat die eis gerechtvaardigd wordt, dan is volstrekt onverklaarbaar waarom wordt gewacht met het uitbrengen van een (definitieve) dagvaarding richting verdachte, en dat daarmee ook nog aanzienlijke tijd wordt gewacht na de uitspraak in Broom I en voorts na de uitspraak van de Raad van State met betrekking tot de nieuwe vergunning. Daar kan geen ‘gebrek aan mankracht’ tegenop, aldus de raadsvrouw.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank neemt het volgende in aanmerking.

9.3.1.

Verdachte heeft zich in 2005 tot 2007 stelselmatig schuldig gemaakt aan overtredingen van voorschriften gesteld bij de Wet milieubeheer door oliehoudende gevaarlijke afvalstoffen in te nemen, te bewerken en te mengen met andere oliehoudende afvalstoffen en dit mengsel als brandstof (stookolie) te verkopen. Zij heeft zich aldus schuldig gemaakt aan concurrentievervalsing en inbreuk gemaakt op voorschriften die beogen het milieu te beschermen. Zij heeft haar eigen commerciële belangen laten prevaleren boven de maatschappelijk belangen.

9.3.2.

Een geldboete van € 600.000 zou voor deze vorm van milieucriminaliteit een geboden en passende reactie zijn geweest, als deze strafzaak binnen een redelijke termijn zou zijn behandeld en als van meet af aan duidelijk zou zijn geweest hoe de beschuldiging tegen verdachte luidde zodat verdachte zich van meet af aan daartegen behoorlijk had kunnen verweren.

9.3.3.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM op 11 maart 2008, de dag waarop de locatiemanager van verdachte voor het eerst als verdachte is gehoord, is gaan lopen. De rechtbank wijst heden, ruim zes jaar nadien, vonnis. Dat betekent dat de redelijke termijn met ruim vier jaar is overschreden. Gelet op die mate van overschrijding zal de rechtbank de op te leggen geldboete met 10% verminderen.

9.3.4.

Verdachte is gedagvaard tegen de regiezitting van 12 maart 2012. De bewoordingen van de in die dagvaarding opgenomen tenlastelegging zijn, in het licht van de grote omvang van het dossier, cryptisch te noemen. Op verzoek van de verdediging is vervolgens een aantal getuigen gehoord met betrekking tot de tenlastelegging zoals die toen luidde. Pas met de toezending van het juridisch kader kort voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling heeft de officier van justitie verduidelijkt op welke afvalstromen de beschuldiging precies ziet. Vervolgens heeft hij de rechtbank en verdediging op 18 maart 2014 in kennis gesteld van een voorgenomen wijziging tenlastelegging. Door zo te handelen heeft het Openbaar Ministerie het werk van de verdediging nodeloos bemoeilijkt. Het is aannemelijk dat de verdediging het aantal getuigen aanmerkelijk had beperkt, als eerder duidelijkheid over tenlastelegging was verschaft. De conclusie is dat de verdediging door deze gang van zaken nodeloos op kosten is gejaagd, reden waarom de geldboete met nog eens met 10% zal worden verminderd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen

23, 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en

10.1

en 10.37 van de Wet milieubeheer.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.1, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

2. Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, AVR-Industrial Waste B.V, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 480.000 (vierhonderdtachtigduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. D.J. Cohen Tervaert en B.T. Beuving, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2014.