Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:2011

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
16-04-2014
Zaaknummer
C/13/562296 / KG ZA 14-415
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Spoedontruiming krakers

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/562296 / KG ZA 14-415 HJ/LO

Vonnis in kort geding van 9 april 2014

in de zaak van

1 [eiser 1],

advocaat mr. W.H. Jebbink te Amsterdam,

2. [eiser 2],

advocaat mr. R.K. Uppal te Amsterdam,

3. [eiser 3],

advocaat mr. M.A.R. Schuckink Kool te Amsterdam,

eisers bij dagvaarding van 2 april 2014,

allen wonende te [woonplaats],

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Limborgh te 's-Gravenhage.

Gedaagde zal hierna de Staat worden genoemd.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 7 april 2014 hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Ter zitting hebben zij hun eis verminderd, zoals blijkt uit de doorhaling in het petitum van de aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Staat heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. Mrs. Uppal en Schuckink Kool alsmede mr. Limborgh hebben daarnaast pleitnota’s in het geding gebracht. Ter zitting waren aanwezig: eisers en hun advocaten en namens de Staat mr. Limborgh. Ter zitting is bepaald dat heden een kop/staart vonnis zou worden gewezen, maar bij de voorbereiding daarvan bleek het mogelijk thans reeds het uitgewerkte vonnis te wijzen.

2 De feiten

2.1.

Eisers hebben samen met anderen op zondag 30 maart 2014 de woningen aan [adres] gekraakt.

2.2.

Door de eigenaresse van de woningen (de Stichting Ymere) is nog geen aangifte gedaan van het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 138 dan wel 138a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Mr. Uppal heeft een e-mailbericht van 4 april 2014 in het geding gebracht waaruit blijkt dat Ymere voornemens was op 7 april 2014 (de dag van de zitting) aangifte te doen.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen samengevat en na vermindering van eis - de Staat te verbieden de woningen [adres] te ontruimen zonder daarbij het landelijk ontruimingsbeleid zoals gepubliceerd in Staatscourant nr. 19500 in acht te nemen, althans voor zover deze afwijking plaatsvindt op grond van de omstandigheid dat de krakers worden verdacht van huisvredebreuk, op straffe van een dwangsom van € 250.000,-.

3.2.

De Staat voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Eisers hebben gesteld dat sprake is van een patroon waarbij de Staat (het OM) regelmatig strafrechtelijke spoedontruimingen uitvoert, in strijd met haar eigen beleid, zoals gepubliceerd in de Staatscourant nr. 19500 van 2 december 2010. Het beleid is dat een strafrechtelijke ontruiming in beginsel wordt aangekondigd zodat de krakers de mogelijkheid hebben een kort geding aanhangig te maken waarbij de rechtmatigheid van de geplande ontruiming vooraf wordt getoetst, en dat in beginsel zal worden gewacht met ontruimen totdat de voorzieningenrechter zich over de voorgenomen ontruiming heeft uitgelaten. Het OM heeft in uitzonderingsgevallen ook de mogelijkheid van een spoedontruiming, in welk geval achteraf kan worden getoetst of aan de vereisten is voldaan. Een van de uitzonderingsgronden voor een spoedontruiming is dat sprake is van verdenking van huisvredebreuk (138 Sr), waarbij het huisrecht van een ander wordt geschonden. Eisers stellen dat de Staat oneigenlijk gebruik maakt van die uitzonderingsgrond. Zij hebben een achttal voorbeelden gegeven waarin volgens hen ten onrechte tot spoedontruiming is overgegaan. Over de rechtmatigheid van die ontruimingen is inmiddels een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarbij de eisers in deze procedure geen partij zijn. De uitzondering is volgens eisers beperkt tot in gebruik zijnde woningen en geldt niet voor overige in gebruik zijnde lokalen.

4.2.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Eisers stellen dat het OM spoedontruimingen heeft uitgevoerd in gevallen waarin dat volgens de toepasselijke beleidsregels niet op zijn plaats is. De Staat betwist dat, maar is op de gestelde afzonderlijke gevallen niet ingegaan. Of de stelling van eisers juist is kan in dit kort geding niet worden onderzocht, nu daarvoor nader onderzoek naar de feiten nodig zou zijn, waarvoor een kort geding zich niet leent, nog daargelaten dat eisers geen partij zijn in de bodemprocedure over die vraag.

4.3.

Als er veronderstellenderwijs vanuit zou worden gegaan dat de Staat in het verleden onterechte spoedontruimingen heeft uitgevoerd, is het nog de vraag of dit kan leiden tot toewijzing van het gevorderde.
In dit geval is weliswaar bij het OM bekend dat de onder 2.1 genoemde panden gekraakt zijn, maar is de aangifte nog niet binnen, zodat het OM nog niet heeft kunnen beoordelen of er grond is voor spoedontruiming. In die situatie kan de gevraagde voorziening, die in wezen een verbod inhoudt van een ‘onterechte spoedontruiming’ niet worden toegewezen omdat het OM nog niet gekomen kan zijn tot het oordeel dat er grond is voor een spoedontruiming.

4.4.

In de situatie dat het OM zich wel een oordeel heeft kunnen vormen over de zaak is een vordering als de onderhavige nog altijd niet toewijsbaar, omdat toewijzing van de vordering tot gevolg zou hebben dat het OM verplicht zou worden in alle gevallen kort nadat een woning is gekraakt desgevraagd te laten weten of wel of niet een spoedontruiming zal plaatsvinden. Een dergelijke verplichting is uit de beleidsregels niet af te leiden, nu daarin de spoedontruiming juist is opgenomen als de uitzondering op de regel dat een ontruiming wordt aangekondigd. Naar de Staat terecht heeft betoogd kunnen er goede redenen zijn een spoedontruiming juist niet aan te kondigen. Weliswaar zou kunnen worden gesteld dat een onterechte spoedontruiming onrechtmatig is, maar een verbod van onrechtmatig handelen kan alleen worden uitgesproken als aannemelijk is dat er een concrete dreiging is dat de wederpartij onrechtmatig zal handelen. In dit geval is die concrete dreiging er niet. Onvoldoende is de stelling dat het OM weigert te laten weten of zij wel of niet voornemens is tot een spoedontruiming over te gaan.

4.5.

Eisers stellen terecht dat het gevolg van een onterechte spoedontruiming kan zijn dat zonder voorafgaande rechterlijke toetsing een onherstelbare schending van het huisrecht (van de krakers) plaatsvindt. Dit kan evenwel niet worden ondervangen door een door de voorzieningenrechter uit te spreken verbod om in strijd met de eigen beleidsregels van het OM te handelen. Dat mag het OM immers ook zonder een verbiedend vonnis niet. Het OM heeft ook ter zitting verklaard zich aan haar beleidsregels te zullen houden. Een dergelijk verbod past – behoudens in geval van een concrete dreiging van misbruik van die bevoegdheden – niet in het systeem van de rechtspraak van de Hoge Raad en de beleidsregels van het OM. Nu zoals hiervoor uiteengezet in het algemeen niet van het OM kan worden gevergd dat zij vooraf laat weten of zij tot een spoedontruiming over wil gaan, en evenmin dat zij vooraf toezegt geen gebruik te zullen maken van een haar gegeven bevoegdheid, staat in geval van een onterechte spoedontruiming voor de benadeelde slechts de weg van een bodemprocedure achteraf open, welke procedure alleen gericht kan zijn op schadevergoeding.

4.6.

Het voorafgaande leidt tot weigering van de gevraagde voorziening. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.424,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorziening,

5.2.

veroordeelt eisers in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.424,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. L. Oostinga, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2014.1

1 type: LOcoll: