Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:1911

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
C/13/544872 / HA ZA 13-722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Moest de Gemeente in beroep gaan tegen de voor haar ongunstige rechterlijke uitspraak en heeft zij jegens eisers onrechtmatig gehandeld door dit niet te doen? Heeft de Gemeente jegens eisers onrechtmatig gehandeld door te voldoen aan de rechterlijke uitspraak en aan eisers een last onder dwangsom op te leggen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2015/5

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/544872 / HA ZA 13-722

Vonnis van 23 april 2014

in de zaak van

1 [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat: mr. B.S. Friedberg te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE AMSTERDAM, HET DAGELIJKS BESTUUR VAN STADSDEEL CENTRUM,

zetelend te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. M.F. Benningen te Amsterdam.

Eisers worden hierna in mannelijk enkelvoud aangeduid als [eisers gezamenlijk] en afzonderlijk als [eiser 2] en [eiser 1]. Gedaagde zal hierna worden aangeduid als het Stadsdeel.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 juni 2013, met producties;

  • -

    het herstelexploot van 13 juni 2013, waarbij het Stadsdeel is opgeroepen op een nieuwe roldatum te verschijnen;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 25 september 2013, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie gehouden op 20 februari 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] is eigenaar van een garage gelegen aan de [adres] (hierna: de garage).

2.2.

Tussen [eiser 2] en [bedrijf], als onmiddellijk vertegenwoordiger van [eiser 1], is op 20 december 2004 een huurovereenkomst betreffende de garage tot stand gekomen.

2.3.

Het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel heeft op 28 oktober 2005 aan [eiser 2] een garagevergunning verleend, voor het parkeren van twee personenauto’s (hierna: de garagevergunning).

2.4.

[naam] (hierna: [naam]), die boven de garage woont, heeft – na het verstrijken van de bezwaartermijn voor de garagevergunning – op 8 oktober 2008 het Stadsdeel verzocht om de garagevergunning in te trekken en handhavend op te treden tegen het gebruik van de garage.

2.5.

Het Stadsdeel heeft de verzoeken van [naam] bij besluit van respectievelijk 20 november 2008 en 22 oktober 2009 afgewezen.

2.6.

[naam] heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor onder 2.5 vermelde besluiten. De bezwaren zijn (na heroverweging door het Stadsdeel) op 20 mei 2010 ongegrond verklaard.

2.7.

[naam] is van de besluiten op bezwaar in beroep gegaan bij deze rechtbank, sector Bestuursrecht. De rechtbank heeft bij uitspraak van 5 juli 2011 op het beroep beslist. De rechtbank heeft bij haar uitspraak – voor zover hier van belang – de garagevergunning ingetrokken, aan het Stadsdeel opgedragen om binnen zes weken na bekendmaking van de uitspraak tot handhaving ter zake van het gebruik van de garage over te gaan en bepaald dat het Stadsdeel een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat [eiser 2] niet aan de last zou voldoen, met een maximum van EUR 50.000,--.

2.8.

Het Stadsdeel heeft [eisers gezamenlijk] bij brief van 18 augustus 2011 – kort gezegd – gelast om het gebruik van de garage te beëindigen en beëindigd te houden en alle auto’s en andere voertuigen uit het pand te verwijderen en verwijderd te houden, onder oplegging van een dwangsom indien niet aan de last werd voldaan.

2.9.

[eisers gezamenlijk] is, anders dan het Stadsdeel, van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling heeft op 3 oktober 2012 in hoger beroep uitspraak gedaan en daarbij het hoger beroep gegrond verklaard. Verder heeft de Afdeling – kort gezegd – het besluit waarbij de last onder dwangsom is opgelegd vernietigd.

3 Het geschil

3.1.

[eisers gezamenlijk] vordert – naar de rechtbank begrijpt en verkort weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat het Stadsdeel onrechtmatig heeft gehandeld door geen hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 juli 2011, dan wel voor recht verklaart dat het Stadsdeel onrechtmatig heeft gehandeld door het opleggen van een last onder dwangsom;

2. het Stadsdeel veroordeelt tot betaling aan [eisers gezamenlijk] van een hoofdsom van EUR 99.120,--;

3. het Stadsdeel veroordeelt tot vergoeding aan [eisers gezamenlijk] van wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 11 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

4. het Stadsdeel veroordeelt tot betaling aan [eisers gezamenlijk] van EUR 6.775,--;

5. het Stadsdeel veroordeelt tot voldoening aan [eisers gezamenlijk] van de kosten van deze procedure en nakosten.

3.2.

[eisers gezamenlijk] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het Stadsdeel onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld door geen hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank. Verder stelt [eisers gezamenlijk] dat het Stadsdeel onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld door het opleggen van de last onder dwangsom. [eiser 2] en [eiser 1] hebben als gevolg van het onrechtmatig handelen van het Stadsdeel schade geleden, die [eisers gezamenlijk] begroot op EUR 99.120,--. Verder heeft [eisers gezamenlijk] buitengerechtelijke incassokosten moeten maken, die overeenkomstig het rapport “Voorwerk II” worden begroot op EUR 6.775,--.
Het Stadsdeel is gehouden de schade aan [eisers gezamenlijk] te vergoeden.

3.3.

Het Stadsdeel voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is allereerst de vraag of het Stadsdeel kon en mocht afzien van het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.

4.1.1.

Voorop staat dat het een partij (derhalve ook een overheidsinstantie) bij een procedure vrij staat om niet tegen een voor hem ongunstige uitspraak in hoger beroep te gaan. In zijn algemeenheid is dan ook onjuist de stelling van [eisers gezamenlijk], dat van een behoorlijk functionerende overheid mag worden verwacht dat zij niet berust in een uitspraak waarvan zij weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat deze juridisch onjuist is.

4.1.2.

Desondanks kan het niet instellen van hoger beroep onder omstandigheden onrechtmatig zijn, bijvoorbeeld indien het Stadsdeel de bevoegdheid daarvan af te zien heeft misbruikt. Daarvan is echter niet gebleken. Weliswaar stelt [eisers gezamenlijk] zich op het standpunt dat het er de schijn van heeft dat het Stadsdeel heeft berust in de uitspraak van de rechtbank om haar fout – die, naar de rechtbank begrijpt, zou bestaan uit het in 2005 ten onrechte verlenen van de parkeervergunning aan [eiser 2] – te herstellen. Een concrete onderbouwing van dit vermoeden geeft [eisers gezamenlijk] echter niet. [eisers gezamenlijk] heeft zijn stelling in zoverre onvoldoende onderbouwd. Nu het Stadsdeel bovendien uitdrukkelijk heeft betwist dat zij haar bevoegdheid geen appel in te stellen heeft gebruikt om onder de parkeervergunning uit te komen, kan niet als juist worden aangenomen dat het Stadsdeel misbruik van heeft gemaakt van de haar toekomende bevoegdheid in de uitspraak te berusten, door deze aan te wenden voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Het verwijt dat sprake is geweest van détournement de pouvoir (dagvaarding, randnummer 12) treft aldus evenmin doel.

4.2.

De conclusie is dat het Stadsdeel kon en mocht afzien van het instellen van hoger beroep. Door dit te doen heeft zij niet onrechtmatig tegenover [eisers gezamenlijk] gehandeld. Ook overigens geldt dat [eisers gezamenlijk] geen nadeel heeft ondervonden door de beslissing van het Stadsdeel, nu hij zelf wél hoger beroep heeft ingesteld en daarmee ook het door hem beoogde resultaat heeft behaald. Dat en zo ja hoe en waarom hij beter af zou zijn geweest indien het Stadsdeel ook hoger beroep zou hebben ingesteld, heeft [eisers gezamenlijk] niet voldoende concreet gesteld.

4.3.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het Stadsdeel onrechtmatig heeft gehandeld door het opleggen van een last onder dwangsom. Aan zijn stelling dat het Stadsdeel hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld, heeft [eisers gezamenlijk] ten grondslag gelegd, dat het Stadsdeel de last onder dwangsom heeft opgelegd, terwijl door [eisers gezamenlijk] hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank was ingesteld. Met deze stelling, gaat [eisers gezamenlijk] ten onrechte eraan voorbij dat de opgelegde last onder dwangsom een gevolg was van de uitspraak van de rechtbank. Anders gezegd, het Stadsdeel voldeed aan een rechterlijke uitspraak. De rechtbank volgt het Stadsdeel in haar verweer dat zij op dit punt geen keuzevrijheid had. Dit geldt te meer daar de rechtbank in haar uitspraak een door het Stadsdeel aan [naam] te betalen dwangsom had opgenomen, voor iedere dag dat [eiser 2] niet aan de last zou voldoen. Voor zover derhalve al kan worden gezegd dat – nu de Afdeling het besluit waarbij de last onder dwangsom werd opgelegd heeft vernietigd – het Stadsdeel met het opleggen van een last onder dwangsom onrechtmatig heeft gehandeld, kan deze onrechtmatige daad het Stadsdeel niet worden toegerekend. Ook het verwijt op dit punt treft derhalve geen doel.

4.4.

Waarom het – zoals [eisers gezamenlijk] ter comparitie heeft gesteld – op de weg van het Stadsdeel lag om alternatieven te onderzoeken, zodat [eiser 2] gebruik kon blijven maken van zijn parkeervergunning heeft [eisers gezamenlijk] onvoldoende inzichtelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat sprake was van een onherroepelijke vergunning is, in het licht van de hiervoor onder 4.3 genoemde rechterlijke uitspraak, onvoldoende.

4.5.

[eisers gezamenlijk] heeft tot slot gesteld, dat het Stadsdeel ongerechtvaardigd ten koste van [eisers gezamenlijk] is verrijkt. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd, dat [eiser 2] en [eiser 1] – als gevolg van de last onder dwangsom – betaald op straat hebben moeten parkeren. Het Stadsdeel heeft de parkeergelden ontvangen en is daardoor, als gevolg van haar onrechtmatig handelen, in een gunstiger positie geraakt. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft het Stadsdeel niet toerekenbaar onrechtmatig gehandeld. De grondslag dat het Stadsdeel ongerechtvaardigd is verrijkt als gevolg van haar eigen onrechtmatig handelen, kan reeds om deze reden niet leiden tot toewijzing van de vordering tot terugbetaling van betaalde parkeergelden. Verder geldt dat een eventuele verrijking van het Stadsdeel niet ongerechtvaardigd is. Voor de betaling van de parkeergelden bestaat een redelijke grond, namelijk dat het Stadsdeel openbare parkeerplaatsen tegen betaling ter beschikking stelt.

4.6.

Uit hetgeen met betrekking tot het beweerd onrechtmatig handelen en de ongerechtvaardigde verrijking is overwogen en geoordeeld, volgt dat de vorderingen onder 1 en 2 van het petitum zullen worden afgewezen. De vorderingen onder 3 tot en met 5 van het petitum delen, als daarmee samenhangend, hetzelfde lot.

4.7.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft, als hiervoor besproken dan wel niet meer ter zake doende, geen beoordeling.

4.8.

[eiser 2] en [eiser 1] zullen – als de in het ongelijk gestelde partijen – hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Stadsdeel worden begroot op EUR 3.715,-- aan griffierecht en op EUR 2.842,-- (2,0 punten × tarief EUR 1.421,--) aan salaris advocaat.

4.9.

De door het Stadsdeel gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten is toewijsbaar, met dien verstande dat de rechtbank in de plaats van “[naam 2]” [eisers gezamenlijk] zal lezen en dat de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser 2] en [eiser 1] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van het Stadsdeel tot op heden begroot op EUR 6.557,--;

5.3.

veroordeelt [eiser 2] en [eiser 1] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eisers gezamenlijk] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis, tot aan de dag der voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2014.1

1 type: ERM coll: BvB