Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:1798

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-04-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
AMS 13-2924
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inconsistenties in aangifte. Onvoldoende objectief verifieerbare gegevens. Aldus is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser slachtoffer is geworden van opzettelijk gepleegd misdrijf, met de toedracht, aanleiding en onder de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/2924

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2014 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde mr. E. Bruijn),

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde mr. E.G. Aalbers).

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om toekenning van een uitkering op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) afgewezen.

Bij besluit van 3 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Eiser heeft op 24 september 2012 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wsg ingediend. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij op [datum] 2012 is ontvoerd en in zijn voet is geschoten. Eiser heeft in verband daarmee aangifte gedaan bij de politie.

1.2. Blijkens het daarvan op[datum] 2012 opgemaakte proces-verbaal heeft eiser bij zijn aangifte, samengevat, het volgende verklaard. Eiser heeft op [datum] 2012 tussen [tijdstip] en [tijdstip] uur de [naam] moskee op de [adres] verlaten. Een personenauto is naast eiser komen rijden, is gestopt en de bestuurder, een man van Marokkaanse afkomst, (hierna: NN1) zei in het Berbers “Hallo [naam]”. Eiser bevestigde desgevraagd dat dit zijn naam was. NN1 vroeg eiser of hij dezelfde kant op moest als hijzelf en vroeg eiser in te stappen zodat zij even konden praten. NN1 heeft ongeveer 50 meter verderop een andere man (hierna: NN2) in laten stappen, die op de achterbank heeft plaatsgenomen. NN1 liet eiser zijn pistool zien, zei dat NN2 ook een pistool had en vertelde eiser dat hij niet mocht bewegen of schreeuwen. NN1 is vervolgens de [snelweg] opgereden richting[plaats]en na[plaats]richting [plaats]. Nadat eiser het stuur pakte en de mannen vroeg waarom zij dit deden zei NN1 dat als eiser dit wilde weten, hij € 110.000,- moest neertellen. Toen de auto voorbij[plaats]was heeft eiser nogmaals het stuur gepakt en NN1 gevraagd te stoppen omdat hij het geld niet heeft. Daarop heeft NN1 eiser in zijn voet geschoten en is vervolgens naar een parkeerplaats gereden ergens in Nederland. Eiser moest op de achterbank plaatsnemen. Zijn telefoon werd onklaar gemaakt, maar eiser mocht wel desgevraagd zijn echtgenote bellen. Na een hele tijd rijden, eiser denkt dat ze toen in [land] waren, stopte NN1 bij een parkeerplaats. Eiser heeft toen NN2 gevraagd waarom ze dit deden, waarop NN2 antwoordde dat het in opdracht van een grotere maffia was en dat hij omgebracht zou worden als hij niet meewerkte. Vervolgens is NN1 verder gereden, waarna de auto van de snelweg afging naar een klein dorpje. Eiser heeft de gehele tijd niet naar buiten kunnen kijken en heeft dus geen borden gezien. NN1 heeft eiser onderweg verteld dat hij eiser zou vermoorden als hij het geld niet zou neertellen. NN1 stopte na lange tijd rijden bij een huis. Eiser zag dat er twee mannen kwamen aanlopen. Eén van die mannen zei dat NN1 en NN2 niet de goede [naam] hadden meegenomen en spuugde NN1 in zijn gezicht. De mannen gingen daarna weg. Eiser moest weer instappen in de auto. Hij zag toen dat de auto een [land] kentekenplaat had. Eiser weet niet wat het kenteken van de auto is. NN1 en NN2 hebben eiser op zijn verzoek afgezet op een station, na 80 tot 100 kilometer te hebben gereden. NN1 zei tegen eiser dat hij niet moest letten op de kentekenplaten omdat de auto gestolen was en dat hij eiser zou vermoorden als hij aangifte zou doen. Hierna gingen NN1 en NN2 weg. Eiser heeft gezien dat de auto’s in het verkeer kentekenplaten uit [land] hadden en dacht daarom dat hij in [land] was. Eiser heeft een klok gezien die de tijd 00.00 uur aangaf. Hij heeft voorts de naam van het station gezien maar is de naam van het station vergeten. Eiser heeft een buschauffeur gevraagd waar hij heen moest. Die vertelde eiser dat hij de trein moest nemen. Eiser kon geen treinkaartje kopen omdat hij geen contant geld had maar alleen een creditcard. Van de conducteur mocht eiser gratis meerijden tot het derde station, het eindstation. Eiser is daar uitgestapt en bevond zich toen in [plaats]. Hij heeft daar een treinkaartje naar het centraal station van [woonplaats] gekocht. Eiser is met een taxi naar een hotel gegaan. Dit hotel bevond zich in een box, buiten [plaats]. De volgende dag is eiser met een taxi naar het station teruggegaan en is vervolgens met de trein naar [woonplaats] gegaan. Daar heeft eiser aangifte gedaan en is vervolgens naar het ziekenhuis gegaan. Daar is geconstateerd dat eiser in zijn voet is geraakt.

2.1. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg kunnen uit het fonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

2.2. Op grond van artikel 5 van de Wsg kan een uitkering achterwege blijven of op een geringer bedrag worden bepaald, indien de toegebrachte schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan het slachtoffer of de nabestaande is toe te rekenen.

2.3. Verweerder voert beleid dat is neergelegd in de beleidsbundel (gepubliceerd op www.schadefonds.nl). In paragraaf 1.1.3 daarvan is het volgende bepaald.

Een geweldsmisdrijf hoeft niet bewezen te worden (zoals bij de strafrechter), maar moet aannemelijk worden gemaakt. Hiervoor is in principe een aangifte van het slachtoffer nodig. Op basis van de aangifte bepaalt het Schadefonds verder of de toedracht, aanleiding en omstandigheden van het geweldsmisdrijf aannemelijk zijn. Als het nodig is voor de beoordeling van de aannemelijkheid, kan het Schadefonds extra (juridische of medische) informatie opvragen.

Als een aangifte ontbreekt, kan in uitzonderlijke gevallen een geweldsmisdrijf op basis van andere informatie aannemelijk worden gemaakt. Een enkele verklaring van het slachtoffer over wat er is gebeurd is dan niet voldoende. Objectieve aanwijzingen, zoals betrouwbare getuigenverklaringen of een bekentenis van de dader, kunnen de verklaring van de aanvrager ondersteunen.

Een uitspraak van een strafrechter in eerste aanleg is in beginsel voldoende om te bepalen of een geweldsmisdrijf aannemelijk is. Wanneer er echter sterke twijfels bestaan over de aannemelijkheid van het geweldsmisdrijf en er is hoger beroep ingesteld, kan het Schadefonds de afloop van de strafzaak in hoger beroep afwachten, voordat de aanvraag verder wordt behandeld.

Medische informatie kan helpen om te bepalen of letsel is toegebracht door geweld. Medische informatie kan echter geen bijdrage leveren aan het vaststellen van de toedracht, aanleiding en omstandigheden waaronder het letsel is toegebracht. Dit maakt echter wel onderdeel uit van de aannemelijkheidstoets.

3.1. In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, met de toedracht, aanleiding en onder de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

3.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan het standpunt dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt onder meer ten grondslag gelegd dat een aantal zaken in eisers aangifte opmerkelijk zijn. Zo vindt verweerder het niet aannemelijk dat eiser instapt in de auto van een persoon die hij niet (her)kende. Verweerder vindt het niet voor de hand liggen dat de ontvoerders per abuis de verkeerde persoon hebben meegenomen, hetgeen verweerder vooral opmerkelijk vindt omdat eiser vervolgens een lange reis heeft moeten afleggen voordat de ontvoerders erachter kwamen dat eiser niet degene was die zij zochten. Verweerder vindt het voorts opmerkelijk dat eiser met een gewonde voet heeft rondgelopen, de trein heeft genomen en naar een hotel is gegaan en dat niet valt in te zien waarom eiser niet op enig moment naar een ziekenhuis of politiebureau is gegaan.

3.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voorgaande zaken in eisers aangifte opmerkelijk zijn. De rechtbank is voorts van oordeel dat het bevreemding wekt dat eiser niet weet wat de naam is van het station waarop de ontvoerders hem hebben afgezet, te meer nu eiser heeft verklaard dat hij de naam van het station heeft gezien. Tevens wekt bevreemding dat eiser wel heeft gezien dat op de auto van de ontvoerders een [land] kenteken zat maar hij het kenteken niet (deels) heeft onthouden. Ten slotte heeft eiser ter zitting verklaard dat hij een verkeersbord met [land] erop heeft gezien, terwijl hij bij zijn aangifte heeft verklaard dat hij de gehele tijd in de auto niet naar buiten heeft kunnen kijken en dus geen borden heeft gezien.

3.4. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het slachtoffer is geweest van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, met de toedracht, aanleiding en onder de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd. Aangezien er inconsistenties zitten in eisers verhaal, waren er andere objectief verifieerbare gegevens nodig. Deze heeft eiser niet kunnen overleggen. Het feit dat er wel medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat eiser een schotwond in zijn rechtervoet heeft opgelopen, is niet voldoende. Deze medische informatie kan immers geen bijdrage leveren aan het vaststellen van de toedracht, aanleiding en de omstandigheden waaronder het letsel is toegebracht. Verweerder heeft de aanvraag van eiser dan ook terecht afgewezen.

4.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, rechter,

in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2014.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB