Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:1688

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
C/13/553246 / HA ZA 13-1661
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zijn vorderingen uit hoofde van een ledenlening en participatiereserve van een gefailleerd lid van een coöperatieve vereniging bestaande vorderingen of toekomstige vorderingen in de zin van art. 35 lid 2 Fw?

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/220
RI 2014/69

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/553246 / HA ZA 13-1661

Vonnis van 16 april 2014

in de zaak van

ROLAND ALBRECHT VAN WIJK,

kantoorhoudende te Hoofddorp,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] te [plaats],

eiser,

advocaat mr. R.A. van Wijk te Hoofddorp,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. T.H.D. Struycken te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de curator en de bank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding, met producties

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties.

1.2.

De rolrechter heeft op gezamenlijk verzoek van partijen bepaald dat in deze zaak geen comparitie zal worden gelast. Het vonnis is vervolgens bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 29 januari 2013 is [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van de curator. [bedrijf] is een onderneming die zich voor haar faillissement bezighield met de teelt van en handel in bloemen. In verband met de bloemenhandel was zij lid van de Koninklijke Coöperatieve Bloemenveiling FloraHolland U.A. (hierna: de veiling).

2.2.

De statuten van de veiling luiden, voor zover thans van belang, als volgt:

“Einde van het lidmaatschap

Artikel 8.

1. Het lidmaatschap eindigt:

a. door het overlijden van het lid. Is het lid een rechtspersoon, dan eindigt zijn lidmaatschap wanneer hij ophoudt te bestaan;

(...)

Ledenlening

Artikel 17.

1. Ieder lid neemt deel in de ledenlening aan de coöperatie door eventuele inhouding voor dit doel (...) van een (...) vast te stellen percentage van de koopprijzen van de door of via de coöperatie door de leden af te rekenen producten.

(...)

3. De bedragen die op grond van het bepaalde in lid 1 van dit artikel worden bijgeschreven op de ledenlening, zullen telkens in de eerste maand van het negende boekjaar, volgend op dat waarin de eerdergenoemde bijschrijving plaatsvond, worden afgelost. De algemene vergadering kan, op voorstel van het bestuur, besluiten alle in een of meer jaren bijgeschreven bedragen (‘jaarlagen”) op de ledenleningen van de leden eerder of later af te lossen.

4. Na het eindigen van het lidmaatschap wordt het tegoed op de ledenlening aan het oud-lid dan wel diens rechtverkrijgende(n) voldaan als volgt. Gedurende de drie kalenderjaren na het jaar waarin het lidmaatschap eindigde blijft het voorgaande lid van toepassing. Het alsdan nog niet terugbetaalde wordt voldaan binnen drie maanden na de vaststelling van de jaarrekening over het laatste boekjaar van de driejaarsperiode. (…)

(...)

Participatiereserve

Artikel 34.

1. De participatiereserve is de som van de ten name van de afzonderlijke leden in de boeken van de coöperatie geadministreerde participatierekeningen. De participatiereserve behoort tot het eigen vermogen van de coöperatie.

(...)

3. Op voorstel van het bestuur kan de algemene vergadering besluiten, dat de in een boekjaar op de participatierekeningen bijgeschreven bedragen (“jaarlaag”) – waaronder begrepen de in artikel 33 lid 2 bedoelde participatievergoedingen – aan de leden of hun rechtverkrijgenden betaalbaar worden gesteld uiterlijk in het eenentwintigste boekjaar na het boekjaar waarin de toevoeging geschiedde.

4. a. Na het eindigen van het lidmaatschap wordt het saldo van de participatierekening aan het oud-lid dan wel diens rechtverkrijgende(n) voldaan als volgt. (…)

b. Indien het lidmaatschap is geëindigd door overlijden van het lid, wordt het saldo van de participatierekening voldaan aan de rechtverkrijgende(n) (…).

5. a. Indien een tot een participatierekening gerechtigd lid dan wel oud-lid de leeftijd van vijfenzestig jaren bereikt, wordt hem het saldo daarvan voldaan (…). (...)

b. Voorts wordt de contante waarde van het saldo van de participatierekening van een lid of oud-lid dat onherroepelijk in staat van faillissement is verklaard uitgekeerd binnen drie maanden na de vaststelling van de jaarrekening van de coöperatie over het boekjaar waarin het vonnis tot faillietverklaring onherroepelijk is geworden. (...)”

2.3.

Op 13 augustus 2008 is tussen de bank en [bedrijf] een kredietovereenkomst gesloten voor een faciliteit van € 217.600,--. Tot meerdere zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen van [bedrijf] onder de kredietovereenkomst is door laatstgenoemde onder meer een pandrecht verstrekt op haar bestaande en toekomstige vorderingen. Artikel 6 van de daarop betrekking hebbende pandakte bepaalt dat onder “vorderingen” worden verstaan:

“Alle huidige en toekomstige vorderingen (...) die de Pandgever nu of te eniger tijd op enige natuurlijke persoon, rechtspersoon (waaronder mede te verstaan de Bank zelf), of andere juridische entiteit heeft en/of zal hebben, zowel geldvorderingen als niet-geldvorderingen daaronder begrepen, en al dan niet opeisbaar, onder voorwaarde of tijdsbepaling, alles in de ruimste zin”.

2.4.

Bij e-mail van 12 september 2013 heeft de veiling aan de curator onder meer het volgende bericht:

“Momenteel hebben wij de volgende tegoeden onder ons ten gunste van [bedrijf]. Aan Ledenlening een bedrag van € 43.706,36 en participatiereserve een bedrag van € 6.557,56 (...)

Conform het bepaalde in onze statuten en reglementen kunnen wij deze tegoeden omstreeks september 2014 uitbetalen. (...)”

3 Het geschil

3.1.

De curator vordert voor recht te verklaren dat de tegoeden van respectievelijk
€ 47.306,36 en € 6.557,56, alsmede de daarop gevallen rente, niet zijn verpand aan de bank, alsmede veroordeling van de bank om aan de veiling te berichten dat de genoemde bedragen met rente aan de curator uitbetaald kunnen worden zodra deze betaalbaar gesteld worden en de daadwerkelijke betaling te gehengen en gedogen, met veroordeling van de bank in de kosten van het geding, een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3.2.

De curator legt hieraan ten grondslag dat de vorderingen wegens ledenlening en participatiereserve toekomstige vorderingen zijn als bedoeld in artikel 35 lid 2 van de Faillissementswet (Fw). Deze vorderingen zijn ontstaan na een verandering van de rechtsverhouding tussen [bedrijf] en de veiling, te weten door ontbinding van de rechtspersoon [bedrijf] en als gevolg daarvan het eindigen van het lidmaatschap van de veiling. Daarnaast zijn de vorderingen afhankelijk van een handeling van een van partijen, te weten van een besluit van de algemene vergadering en/of het bestuur van de veiling, zoals blijkt uit de artikelen 17 lid 3 en 34 leden 1, 3 en 5 van de statuten.

3.3.

De bank verweert zich tegen de vordering en voert daartoe het volgende aan. De opeisbaarheid van zowel de ledenlening als het tegoed op de participatierekening is blijkens de artikelen 17 respectievelijk 34 van de statuten in beginsel louter afhankelijk van tijdsverloop. Een besluit van het bestuur en/of de algemene vergadering van de veiling is alleen nodig wanneer in afwijking van het statutair geregelde aflossings- en betalingsschema wordt gekozen voor vervroegde aflossing van de bestaande schulden aan een lid. Niet het bestaan of ontstaan van de vordering is afhankelijk gemaakt van de omstandigheid dat een besluit wordt genomen, maar de opeisbaarheid van die vordering. De vorderingen van [bedrijf] uit hoofde van de ledenlening en de participatiereserve waren ten tijde van het faillissement bestaande, zij het nog niet opeisbare vorderingen. De vorderingen zijn, anders dan de curator stelt, niet ontstaan na een verandering van de rechtsverhouding tussen [bedrijf] en de veiling, te weten ontbinding van [bedrijf] en als gevolg daarvan het eindigen van het lidmaatschap van de veiling. Evenmin zijn de vorderingen ontstaan als gevolg van een besluit van het bestuur en/of de algemene vergadering van de veiling, zoals de curator stelt. Het lidmaatschap van [bedrijf] van de veiling is geëindigd zonder opzegging en zonder besluit van het bestuur en/of de algemene vergadering op grond van artikel 8 lid 1 onder a van de statuten; ontbinding van [bedrijf] heeft niet plaatsgevonden. Er is dan ook geen sprake van vorderingen tot ongedaanmaking of restitutie als gevolg van ontbinding of opzegging van een overeenkomst, die voor de toepassing van artikel 35 lid 2 Fw moeten worden aangemerkt als vorderingen die pas ontstaan door de genoemde beëindigingshandeling, zoals het geval was in de casus die aanleiding gaf tot het arrest ING/Nederend q.q. (Hoge Raad 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9463). Nu de vorderingen op grond van de ledenlening en de participatiereserve geen toekomstige vorderingen zijn als bedoeld in artikel 35 lid 2 Fw, is de bank gerechtigd haar pandrecht jegens de curator in te roepen.

Tot slot verzoekt de bank een toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans daar de voorwaarde van zekerheidstelling aan te verbinden.

4 De beoordeling

4.1.

De bank kan het pandrecht niet inroepen tegen de curator indien het is gevestigd op toekomstige vorderingen als bedoeld in artikel 35 lid 2 Fw. Beoordeeld dient dus te worden of, toen het faillissement werd uitgesproken, de aanspraken van [bedrijf] jegens de veiling op aflossing van de ledenlening en uitbetaling van de participatiereserve toekomstige vorderingen waren in de zin van genoemde bepaling.

4.2.

De aanspraken van [bedrijf] op aflossing van de ledenlening en uitbetaling van de participatiereserve vinden hun grondslag in een rechtsverhouding die bestond toen het faillissement werd uitgesproken, te weten de statuten van de veiling, maar die omstandigheid is op zichzelf nog niet voldoende om te concluderen dat sprake is van ten tijde van het faillissement bestaande vorderingen. Voor de vraag of een vordering met onmiddellijke grondslag in een bestaande rechtsverhouding als een bestaande vordering onder voorwaarde of tijdsbepaling dan wel als een toekomstige vordering dient te worden beschouwd, is bepalend de aard van de toekomstige gebeurtenis waarvan de vordering afhankelijk is gesteld. Onttrekt die toekomstige gebeurtenis zich aan de invloed van partijen, dan zal de vordering in het algemeen zijn aan te merken als een reeds bestaande, voorwaardelijke vordering. Is de vordering daarentegen afhankelijk van een in de toekomst door de debiteur en/of crediteur nog te verrichten handeling, dan gaat het om een toekomstige vordering (zie onder meer A-G Strikwerda in zijn conclusie voor Hoge Raad 5 januari 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AB8998).

4.3.

In dit geval volgt uit de statuten van de veiling dat de aanspraak op aflossing van de ledenlening niet afhankelijk is van een handeling van de veiling of een veiling lid, en evenmin van het einde van het lidmaatschap – al dan niet door opzegging –, maar dat deze aanspraak voortvloeit uit de statuten zelf (artikel 17 lid 3 en 4). Voor de aanspraak op uitbetaling van de participatiereserve geldt eveneens dat deze aanspraak voortvloeit uit de statuten zelf, in geval van faillissement van een lid door uitkering van de contante waarde van het saldo op het in de statuten bepaalde moment (artikel 34 lid 4 en 5). Voor beide aanspraken geldt dat de leden hoe dan ook op enig moment recht hebben op aflossing van de geldlening respectievelijk uitbetaling van de participatiereserve en dat deze aanspraken niet afhankelijk zijn van enige handeling of gebeurtenis. De curator wordt er dan ook niet in gevolgd dat de vorderingen van [bedrijf] toekomstige vorderingen zijn die zijn ontstaan als gevolg van haar faillissement en het daardoor eindigen van het lidmaatschap.

4.4.

Dit betekent dat de vorderingen zullen worden afgewezen. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, vermeerderd met nakosten, worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de bank worden begroot op:

- griffierecht € 589,00

- salaris advocaat € 579,00 (1 punt × tarief € 579,00)

Totaal € 1.168,00

2 De beslissing

De rechtbank

2.1.

wijst de vorderingen af,

2.2.

veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van de bank tot op heden begroot op € 1.168,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vijfde dag na betekening van dit vonnis,

2.3

veroordeelt de curator in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat de curator niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan dit vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met wettelijke rente over de nakosten met ingang van vijf dagen na betekening van dit vonnis,

2.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2014.1

1 type: NCHB coll: