Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:1478

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2014
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
13/737928-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Overlevering aan Polen inzake vervolging en executie, artikel 6 leden 2 en 5 OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/737928-13

RK nummer: 13/6559

Datum uitspraak: 14 februari 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 25 september 2013 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juli 2013 door de Judge of the Provincial Court in Jelenia Góra (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [1989],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het [GBA adres],

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zittingen van 29 november 2013 en 31 januari 2014.

Op de openbare zitting van 29 november 2013 is het onderzoek aangehouden voor onbepaalde tijd, met een termijn van maximaal twee maanden, om de opgeëiste persoon en zijn Poolse raadsman in de gelegenheid te stellen zijn zaken met de rechtbank in Polen te regelen.

Op de zitting van 29 november 2013 heeft de rechtbank de termijn, genoemd in artikel 22, eerste lid, van de OLW, verlengd met dertig dagen. Deze verlenging is noodzakelijk, omdat het de rechtbank door het tijdstip waarop de zaak ter behandeling is aangebracht, onmogelijk is gebleken binnen de termijn van dertig dagen uitspraak te doen.

Ter openbare zitting van 31 januari 2014 heeft het verhoor plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. S.Fh.Chr. Wester, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de District Court in Zgorzelec van 30 januari 2007 (referentienummer II K 662/06).

De overlevering wordt verzocht in de eerste plaats ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 1 jaar. Deze vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

In het EAB wordt ook melding gemaakt van een bevel tot voorlopige hechtenis van 20 februari 2008 van de District Court in Zgorzelec (referentienummer II K 289/08).

De overlevering wordt verzocht in de tweede plaats ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Polen 2 strafbare feiten.

De feiten en het vonnis betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit in de zaak met referentienummer II K 289/08 heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 7, te weten:

Corruptie.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, 2e van de OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat de hierna genoemde feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Zaak: II K 662/06: Poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen (artikel 311WvSr)

Zaak II K 289/08: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (artikel 285 WvSr).

Ter zake van het feit in zaak II K 289/08: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, constateert de rechtbank dat op dit feit in Nederland geen vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. De rechtbank zal de overlevering voor dit feit dan ook (deels) weigeren.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6, tweede lid juncto vijfde lid, OLW

Standpunt van de opgeëiste persoon

De raadsman heeft ter zitting, zakelijk weergegeven, betoogd dat de opgeëiste persoon sinds 2008 in Nederland verblijft en al sinds 2007 geregistreerd staat bij de belastingdienst.

De raadsman heeft daartoe nadere stukken overgelegd die naar zijn mening de door hem ingenomen stelling, inhoudende dat de opgeëiste persoon dient te worden gelijkgesteld met een Nederlandse onderdaan en dat om die reden artikel 6, vijfde lid, OLW van toepassing is, onderbouwen.

De raadsman meent dan ook dat tot weigering van de overlevering dient te worden geconcludeerd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de opgeëiste persoon, gezien de door hem overgelegde stukken, niet gedurende een aaneengesloten periode van 5 jaren onafgebroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven.

Zo blijkt dat de opgeëiste persoon pas sinds 10 september 2013 staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Oordeel van de rechtbank

Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank geldt voor EU-onderdanen dat zij niet aan de eerste formele voorwaarde, een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, behoeven te voldoen. In plaats daarvan moeten zij aantonen dat zij vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland hebben verbleven, gerekend vanaf het moment waarop de rechtbank uitspraak doet in hun overleveringszaak. Bij EU-burgers geldt derhalve dat getoetst moet worden of is voldaan aan de materiële voorwaarden om voor een verblijfsvergunning ‘duurzaam verblijf Unieburgers’- ook wel genoemd verblijfsvergunning onbepaalde tijd voor Unieburgers - in aanmerking te komen.

Inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie vormt de sterkste vorm van onderbouwing voor het onafgebroken verblijf van vijf jaar en is in die zin ‘leidend’. Het verblijf kan ook worden onderbouwd door middel van andere stukken, mits die stukken voldoende concreet en objectief zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan het vereiste van vijf jaar rechtmatig en onafgebroken verblijf.

Vast staat dat hij vanaf 10 september 2013 staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en dus ten tijde van de uitspraak niet meer dan vijf jaren staat ingeschreven.

Tevens heeft de opgeëiste persoon zijn onafgebroken verblijf alsmede de rechtmatigheid daarvan onvoldoende concreet met andere stukken onderbouwd.

Aan de eerste voorwaarde van artikel 6, vijfde lid is aldus niet voldaan. Het verweer slaagt niet. Hetgeen de raadsman voor het overige heeft aangevoerd, behoeft, gelet op vorengaande conclusie, dan ook geen bespreking meer.

6 Slotsom

Overleveringsverzoek ten behoeve van vervolging (referentienummer: II K 289/08)

Nu ten aanzien van de feiten poging tot diefstal en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

Overleveringsverzoek ten behoeve van executie (referentienummer: II K 662/06)

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 285 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

8 Beslissing

Overleveringsverzoek ten behoeve van vervolging (referentienummer: II K 289/08)

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judge of the Provincial Court in Jelenia Góra ten behoeve van het in Polen tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de in het EAB onder poging tot diefstal en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht omschreven feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op het feit ter zake van belediging van ambtenaren, waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Overleveringsverzoek ten behoeve van executie (referentienummer: II K 662/06)

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judge of the Provincial Court in Jelenia Góra (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. W.H. van Benthem, voorzitter,

mrs. A.C. Enkelaar en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Hofstra, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 februari 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.