Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:1477

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2014
Datum publicatie
01-04-2014
Zaaknummer
13.751170-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Overlevering aan Polen, artikel 6, leden 2 en 5 OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751170-13

RK nummer: 13/8173

Datum uitspraak: 14 februari 2014

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 december 2013 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 24 april 2008 en aangevuld op 18 mei 2012 door de President of the third Criminal Division of the Regional Court in Opole (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [1982],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [GBA adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 januari 2014. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Bosman.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

De rechtbank beschouwt, mede in het licht van de e-mail van 30 januari 2014, afkomstig van the Regional Court in Opole (Polen), het EAB van 18 mei 2012 als een aanvulling op het EAB van 24 april 2008.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een

1) final and binding judgement uitgevaardigd door the District Court in Nysa van 10 april 2003, met zaaknummer II K 1120/02;

2) final and binding judgment uitgevaardigd door the District Court in Nysa van 9 september 2003, met zaaknummer II K 1267/02.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar in zaaknummer II K 1267/02 en voor de duur van één jaar en zes maanden in zaaknummer II K 1120/02, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straffen resteert volgens het EAB nog één jaar en vijf maanden in zaaknummer II K 1120/02 en één jaar in zaaknummer II K 1267/02.

De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemde vonnissen.

De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.1

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Polen als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Ten aanzien van zaaknummer II K 1120/02:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd (artikel 311 Sr).

Ten aanzien van zaaknummer II K 1267/02:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

en

diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6, tweede lid juncto vijfde lid, OLW

Standpunt van de opgeëiste persoon

De raadsman heeft ter zitting, zakelijk weergegeven, betoogd dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eerste en derde voorwaarde van artikel 6, vijfde lid OLW en dat de tweede voorwaarde, te weten de voorwaarde van Nederlandse rechtsmacht, niet gesteld kan worden omdat deze voorwaarde in onderhavig geval niet evenredig is aan het nagestreefde legitieme doel, te weten het voorkomen van straffeloosheid.

De raadsman heeft daartoe nadere stukken overgelegd die het door hem ingenomen stelling onderbouwen. De raadsman meent dan ook dat tot weigering van de overlevering dient te worden geconcludeerd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de opgeëiste persoon, gezien de door hem overgelegde stukken, niet gedurende een aaneengesloten periode van 5 jaren onafgebroken en rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Zo blijkt dat de opgeëiste persoon pas sinds 26 september 2012 staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Oordeel van de rechtbank

Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank geldt voor EU-onderdanen dat zij niet aan de eerste formele voorwaarde, een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, behoeven te voldoen. In plaats daarvan moeten zij aantonen dat zij vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland hebben verbleven, gerekend vanaf het moment waarop de rechtbank uitspraak doet in hun overleveringszaak. Bij EU-burgers geldt derhalve dat getoetst moet worden of is voldaan aan de materiële voorwaarden om voor een verblijfsvergunning ‘duurzaam verblijf Unieburgers’- ook wel genoemd verblijfsvergunning onbepaalde tijd voor Unieburgers - in aanmerking te komen.

Inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie vormt de sterkste vorm van onderbouwing voor het onafgebroken verblijf van vijf jaar en is in die zin ‘leidend’. Het verblijf kan ook worden onderbouwd door middel van andere stukken, mits die stukken voldoende concreet en objectief zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan het vereiste van vijf jaar rechtmatig en onafgebroken verblijf.

Vast staat dat hij vanaf 26 september 2012 staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en dus ten tijde van de uitspraak niet meer dan vijf jaren staat ingeschreven.

Tevens heeft de opgeëiste persoon zijn onafgebroken verblijf alsmede de rechtmatigheid daarvan onvoldoende concreet met andere stukken onderbouwd.

Aan de eerste voorwaarde van artikel 6, vijfde lid is aldus niet voldaan. Het verweer slaagt niet. De vragen of de opgeëiste persoon gedurende zijn verblijf in Nederland over een ziektekostenverzekering en/of over voldoende middelen van bestaan heeft beschikt, dan wel of het hanteren van de rechtsmacht voorwaarde in het onderhavige geval evenredig is aan het nagestreefde legitieme doel, behoeven, gelet op vorengaande conclusie, geen bespreking meer.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de President of the third Criminal Division of the Regional Court in Opole (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. W.H. van Benthem, voorzitter,

mrs. A.C. Enkelaar en P. Rodenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Hofstra, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 14 februari 2014.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.