Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:1464

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2014
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
13/696238-11 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een bouwbedrijf wegens overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet. Noodlottig bouwongeval. Bij bouwwerkzaamheden zakte een werknemer door een op een dak gelegen lichtkoepel en viel meters naar beneden op een betonnen vloer. Hij overleed enkele dagen later in het ziekenhuis. De zorgplicht van verdachte als werkgever voor het welzijn en de veiligheid van zijn werknemers hield mede in dat de werkgever zijn werknemers moest beschermen tegen eigen fouten of onvoorzichtigheden. Het bedrijf was daarom verplicht maatregelen tegen het valgevaar te nemen, bijvoorbeeld door tijdelijke leuningen bij of vangnetten onder de niet-mandragende lichtkoepels aan te brengen. Het bedrijf heeft dit nagelaten terwijl het redelijkerwijs moest weten dat het valgevaar reëel was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/137

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/696238-11 (Promis)

Datum uitspraak: 19 februari 2014

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdacht Bouwbedrijf], (hierna: [verdacht Bouwbedrijf])

gevestigd op het [adres 1].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Voorhuis en van wat de vertegenwoordiger en de raadsvrouw van verdachte, mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

1.1

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

zij op of omstreeks 15 juni 2011 te Amsterdam, althans in Nederland, als werkgever (als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet), al dan niet opzettelijk handelingen heeft nagelaten in strijd met voornoemde wet en/of de daarop berustende bepalingen, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten dat daardoor levensgevaar en/of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemer(s) ontstond en/of te verwachten was, immers heeft zij toen en aldaar door [slachtoffer] en/of een of meer andere werknemer(s) arbeid (het verplaatsen van stalen vloerplaten) op het dak (van een pand gelegen aan het [adres 2]), waarbij valgevaar bestond (het dak bevond zich circa 6,5 meter, in elk geval meer dan 2,5 meter boven een onderliggende vloer en/of bevatte een of meer koepelsparing(en)), laten verrichten, terwijl zij, al dan niet opzettelijk, in strijd met

- artikel 3.16 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet op dat dak geen veilige steiger en/of stelling en/of bordes en/of werkvloer had aangebracht en/of het valgevaar was tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken en/of leuningen en/of andere dergelijke voorzieningen op dat dak en/of bij die koepelsparing(en), en/of

- artikel 3.16 lid 5 van de Arbeidsomstandighedenwet (onder die koepelsparing(en)) geen voldoende sterke en/of voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en/of wijze aangebracht en/of werden door die werknemer(s) geen doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt en/of andere technische middelen toegepast die ten minste een zelfde mate van beveiliging geven;

Artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet

Artikel 3.16 lid 1 en 5 Arbeidsomstandighedenbesluit

Artikel 1, 2 en 6 Wet op de Economische Delicten

2 Voorvragen

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

2.1

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

2.1.1

Het oordeel van de rechtbank

De raadsvrouw van verdachte heeft als verweer gevoerd dat de schuldvariant van het ten laste gelegde, de overtreding, is verjaard, nu reeds meer dan twee jaren zijn verstreken. Dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van dit deel van het verwijt, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt het verweer. De verjaringstermijn ter zake van alle overtredingen is ingevolge – de op 1 januari 2008 in werking getreden wijziging van – artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht, anders dan waar de raadsvrouw in haar verweer van uitgaat, gesteld op een periode van 3 jaren. Nu de officier van justitie binnen die termijn de verdachte heeft gedagvaard, is van verjaring geen sprake. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Uit het bewijsmiddelen, zoals weergegeven in bijlage I bij dit vonnis en uit wat ter terechtzitting is besproken, leidt de rechtbank het volgende af.

Dodelijk ongeval

3.1.1

Op 15 juni 2011 vond een ongeval plaats tijdens bouwwerkzaamheden op een bouwplaats op en in het [gebouw A] aan het [adres 2] te Amsterdam. Het slachtoffer, [slachtoffer], zakte door een op een dak gelegen lichtkoepel en viel meters naar beneden op een ondergelegen betonnen vloer. Hij liep daarbij ernstige verwondingen op, waaraan hij enkele dagen later in het ziekenhuis overleed.

Situatie ter plaatse

3.1.2

Het bouwwerk werd uitgevoerd door [verdacht Bouwbedrijf], dat ter plaatse werkzaamheden liet verrichten door eigen en ingeleend personeel, onder wie [slachtoffer]. [verdacht Bouwbedrijf] gold daarmee als werkgever van dat personeel als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbo-wet).

3.1.3

In het door gevels ingesloten dak waarop het ongeval plaatsvond, bevonden zich zestien lichtkoepels van plexiglas. De geschatte hoogte tussen het dak met daarin de koepels en de onderliggende betonnen vloer was ongeveer 6 à 7 meter. Het plexiglas van de koepels was, kennelijk als gevolg van weersinvloeden, broos geworden.

3.1.4

Op de lichtkoepels waren door de fabrikant stickers met pictogrammen aangebracht die aanduidden dat de koepels niet mandragend waren. Deze waarschuwing was duidelijk leesbaar, ook al waren door blootstelling aan de weersinvloeden de stickers verweerd en ten dele nog slechts gedeeltelijk aanwezig.

3.1.5

De eerdergenoemde lichtkoepels waren, op één koepel na, op geen enkele wijze tegen valgevaar beveiligd, ook de hierna te noemen koepel niet.

3.1.6

De val van [slachtoffer] vond plaats toen hij bij het verplaatsen van stalen vloerplaten, terwijl hij achterwaarts liep, op het plexiglas van een lichtkoepel stapte en daar doorheen zakte.

Risico-inventarisatie

3.1.7

In het dossier is als bijlage twee bij het door de Arbeidsinspectie opgestelde proces-verbaal naar aanleiding van het ongeval een “Veiligheid en Gezondheidsplan uitvoeringsfase” voor het onderhavige bouwproject gevoegd. Dit plan is afkomstig van [verdacht Bouwbedrijf]. In hoofdstuk 6, getiteld “Project Risico Inventarisatie en Evaluatie”, staan verschillende risico’s vermeld voor de gezondheid of veiligheid van het personeel bij de uitvoering van de werkzaamheden met daarbij de daartegen te nemen maatregelen, maar niet is aangekruist welke van die risico’s voorzienbaar werden geacht en welke van de genoemde maatregelen zouden moeten worden genomen om verwezenlijking van die risico’s te voorkomen.

3.1.8

In paragraaf 6.7.2 van dit plan, die ziet op het werken op platte daken, is onder meer het risico van het vallen in daksparingen die niet zijn beveiligd opgenomen. Als eventuele beveiligingsmaatregelen worden daarbij genoemd:

  • -

    tijdelijke afdekking;

  • -

    vangnetten onder de sparing;

  • -

    tijdelijke leuningen rondom.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het ten laste gelegde feit bewezen wordt verklaard. Ter voorkoming van het op de bouwplaats bestaande levensgevaarlijke valgevaar, waar de werkgever van op de hoogte was, heeft de werkgever geen voorzieningen getroffen, waartoe hij wel verplicht was.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevaar dat een werknemer door een lichtkoepel zou vallen niet reëel was en daarmee niet voorzienbaar, omdat niet voorzienbaar was dat een medewerker met het volle gewicht op een lichtkoepel zou gaan staan, nu die lichtkoepel dat gewicht niet kon dragen. De kans dat een medewerker zou struikelen was vanzelfsprekend wel aanwezig, maar het risico dat een werknemer daarbij door een koepel heen zou vallen was niet reëel. Het valgevaar ter plaatse was daarmee niet reëel, om welke reden de Arbo-coördinator van [verdacht Bouwbedrijf] deze lichtkoepels niet heeft opgenomen in de risico-inventarisatie. Het is onjuist om de lichtkoepels aan te merken als “daksparingen”, zoals genoemd in paragraaf 6.7.2 van het Veiligheids- en Gezondheidsplan uitvoeringsfase.

Voorwaardelijk opzet impliceert voorzienbaarheid. Bij gebrek aan een voorzienbaar valgevaar was geen sprake van voorwaardelijk opzet, zodat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbo-besluit) luidde ten tijde van het ten laste gelegde, voor zover hier relevant, als volgt.

1. Bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat is zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of is het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen.

2. Er is in elk geval sprake van valgevaar bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden, openingen in vloeren, of als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen.

4. Indien de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet of slechts ten dele kunnen worden aangebracht of indien het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of worden doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt dan wel worden andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van de in het eerste lid bedoelde arbeid geven. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming de voorrang boven maatregelen gericht op individuele bescherming.

3.4.1

Valgevaar

Op het dak waren verschillende lichtkoepels aanwezig die niet-mandragend waren. Op het dak, waar de lichtkoepels zich bevonden, moesten werknemers werkzaamheden verrichten. Daardoor bestond het risico dat een werknemer door een van de lichtkoepels zou vallen. Doordat de hoogte tussen het dak en de onderliggende vloer tussen de 6 en 7 meter was, leverde dat valgevaar tevens levensgevaar op.

De verdediging heeft het voorgaande niet betwist, maar zij heeft betoogd dat dit valgevaar niet reëel en voorzienbaar was, omdat tevens voor de werknemers – vanwege dit gevaar – evident moest zijn dat zij niet op de lichtkoepels moesten gaan staan. Verdachte heeft ter zitting verder verklaard dat het risico dat iemand door een lichtkoepel zou vallen niet is onderkend.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De veiligheid op een arbeidsplaats moet zijn gewaarborgd, ongeacht het handelen en de eigen verantwoordelijkheid van werknemers. Werknemers moeten zich daar immers veilig kunnen bewegen om hun werkzaamheden te kunnen verrichten zonder daarbij hun aandacht op de werkomgeving in plaats van op hun werkzaamheden te moeten vestigen. Het is de plicht van de werkgever om hen van op de bouwplaats aanwezige risico’s, zoals in dit geval het valgevaar, te vrijwaren. Die zorgplicht houdt mede in dat de werkgever zijn werknemers moet beschermen tegen eigen fouten of onvoorzichtigheden.

Op het dak was het valgevaar temeer reëel omdat de ruimte tussen de verschillende koepels en daarmee de bewegingsruimte voor de werknemers beperkt was, zoals blijkt uit de foto’s op de eerste pagina van bijlage een van het genoemde proces-verbaal. Daar komt nog bij dat één van de werkzaamheden die ter plaatse moesten worden verricht, het dragen van lange zware stalen vloerplaten over het dak was. Zulk werk is fysiek veeleisend, hetgeen de werknemers belemmert in hun bewegingen en beperkt in hun aandacht voor de omgeving waardoor de kans op ongelukken wordt vergroot.

3.4.2

Wetenschap bij verdachte

Verdachte moet naar het oordeel van de rechtbank de aanwezigheid van dit gevaar redelijkerwijs hebben onderkend omdat dit gevaar in dit geval evident aanwezig was. Zoals uit het voorgaande blijkt, was de bewegingsruimte op het dak beperkt en was tenminste één van de koepels voorzien van een sticker met de waarschuwing dat daarop niet mocht worden gelopen. Een enkele blik voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden, moet dan ook voldoende zijn geweest om het gevaar te signaleren. Daarbij komt nog dat in het meergenoemde Veiligheid en Gezondheidsplan het gevaar op vallen in de door de koepels afgesloten daksparingen was vermeld en de tegen dat gevaar te nemen maatregelen stonden genoemd. In het plan hadden dan ook het gevaar en de daartegen te nemen maatregelen kunnen en moeten zijn aangekruist. De rechtbank acht aannemelijk dat met de term daksparing zoals gebezigd in het plan tevens werd gedoeld op een daksparing die wordt afgedekt door een niet mandragende lichtkoepel omdat uit veiligheidsoogpunt de aanwezigheid van een dergelijke afdekking geen verschil maakt.

Ook als dat anders zou zijn, baat dat de werkgever niet omdat blijkens de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] die met [slachtoffer] de stalen vloerplaten hebben verplaatst, de uitvoerder van [verdacht Bouwbedrijf] zo niet voorafgaande aan dan in elk geval tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het gevaar van vallen door de koepels daadwerkelijk heeft onderkend.

3.4.3

Conclusie rechtbank

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verdachte bewust en daarmee opzettelijk heeft nagelaten om - kort gezegd - voor de lichtkoepels op het dak de ingevolge artikel 3.16 van het Arbo-besluit voorgeschreven voorzorgsmaatregelen te nemen, terwijl zij redelijkerwijs moest weten dat daardoor levensgevaar ontstond en ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers te verwachten was. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde in de opzettelijke variant bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de als bijlage II aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 15 juni 2011 te Amsterdam als werkgever als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet opzettelijk handelingen heeft nagelaten in strijd met voornoemde wet en de daarop berustende bepalingen, terwijl zij redelijkerwijs moest weten dat daardoor levensgevaar ontstond en ernstige schade aan de gezondheid van werknemers te verwachten was, immers heeft zij toen en aldaar door [slachtoffer] en andere werknemers arbeid (onder meer het verplaatsen van stalen vloerplaten) op het dak van een pand gelegen aan het [adres 2], waarbij valgevaar bestond - het dak bevond zich circa 6,5 meter boven een onderliggende vloer en bevatte koepelsparingen –, laten verrichten, terwijl zij in strijd met

- artikel 3.16 lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit op dat dak geen veilige steiger of stelling of bordes of werkvloer had aangebracht of het valgevaar was tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken of leuningen of andere dergelijke voorzieningen op dat dak en bij die koepelsparingen, of

- artikel 3.16 lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit onder die koepelsparingen geen voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze had aangebracht of andere technische middelen had toegepast die ten minste een zelfde mate van beveiliging geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 54.000,-.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van een eventuele strafmaat heeft de raadsvrouw van verdachte verzocht rekening te houden met het volgende. [verdacht Bouwbedrijf] is een familiebedrijf van middelgrote omvang en heeft altijd haar uiterste best gedaan om door middel van scholing en deskundigheid het veiligheidsaspect blijvend onder de aandacht van medewerkers te krijgen en te houden. Het dodelijk ongeval heeft grote impact gehad binnen het bedrijf en heeft ertoe geleid dat in de bedrijfsvoering de veiligheid van een ieder nog meer de aandacht heeft gekregen. Vele veiligheidsmaatregelen zijn getroffen, zoals onder maar kan blijken uit de door de verdediging overgelegde stukken. Ook geldt dat de nabestaanden volledig schadeloos zijn gesteld. Ten slotte is de redelijke termijn van vervolging overschreden.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de strafoplegging wordt het volgende in aanmerking genomen.

Op 15 juni 2011 heeft zich een tragisch en noodlottig bouwongeluk voorgedaan bij de verbouwingswerkzaamheden aan het [gebouw A] gelegen aan het [adres 2] te Amsterdam. Een werknemer van verdachte viel door een niet-mandragende lichtkoepel ruim 6 meter naar beneden op een ondergelegen betonnen vloer. Deze werknemer liep ernstig letsel op en overleed enkele dagen later in het ziekenhuis aan de gevolgen van de val.

Zoals mede blijkt uit het overgelegde e-mailbericht van de weduwe van het slachtoffer, heeft dit tragische ongeval voor haar en hun beider dochter blijvend verdriet tot gevolg gehad. De rechtbank beseft terdege dat geen enkele bestraffing recht kan doen aan dit onomkeerbare leed. Niettemin zal zij deze tragische gevolgen bij de strafoplegging betrekken.

Verdachte droeg als werkgever de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het welzijn van haar werknemers op het werk. Uit dien hoofde was zij verplicht om maatregelen tegen op de arbeidslocatie aanwezige gevaren te nemen. Dat heeft verdachte nagelaten. Daardoor kon het noodlottige ongeval gebeuren. Het voorgaande rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan, temeer omdat de rechtbank de indruk heeft gekregen dat verdachte nog steeds niet inziet dat zij een bijzondere zorgplicht heeft tegenover haar personeel om hen voor ongevallen te behoeden ook al zouden die ongevallen mede het gevolg kunnen zijn van een mindere mate van oplettendheid van haar personeel. Die indruk is gewekt doordat de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hijzelf niet op de lichtkoepel zou zijn gaan staan en dat zijn bedrijf met de kennis van nu maatregelen had behoren te nemen.

Ten nadele van verdachte weegt de rechtbank voorts mee dat verdachte blijkens het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie in een periode van 5 jaar voor het ongeval reeds eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld en een transactie is aangegaan. Daaruit heeft verdachte kennelijk voordat zij aan het werk aan het [gebouw A] begon, onvoldoende lering getrokken.

De rechtbank ziet daarin nu wel enige verandering. Uit de door de raadsvrouw overgelegde stukken lijkt binnen het bedrijf van verdachte een sterker bewustzijn te zijn ontstaan om bedrijfsongevallen te voorkomen. Ook weegt de rechtbank mee dat verdachte haar financiële verantwoordelijkheid tegenover de nabestaanden heeft genomen, zij het – vooralsnog – niet zonder voorbehoud zoals de raadsvrouw heeft betoogd.

De rechtbank slaat bij het bepalen van de hoogte van de straf acht op de straffen die eerder in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Anders dan de officier van justitie neemt zij de beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwet niet tot uitgangspunt, waardoor de rechtbank afwijkt van hetgeen door de officier van justitie is geëist.

Redelijke termijn

Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad neemt de rechtbank als aanvangsmoment van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag voor de rechten van de mens de eerste daad van vervolging, zijnde in dit geval de dag van dagvaarding die op 16 januari 2014 is betekend. Nu er sedertdien nog geen 2 jaren zijn verstreken, is het in voormelde verdragsbepaling neergelegde recht van verdachte op behandeling van haar strafzaak binnen een redelijke termijn niet geschonden.

Al het voorgaande in ogenschouw nemend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke geldboete van na te noemen hoogte passend en geboden.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 1 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon, opzettelijk gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdacht Bouwbedrijf], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 30.000,-- (dertigduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en W.A.J.P. van den Reek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2014.

Bijlage I - de bewijsmiddelen

1 Proces-verbaal arbeidsomstandigheden d.d. 28 oktober 2011.

Dit proces-verbaal houdt onder meer als verklaring van de verbalisant het volgende in, zakelijk weergegeven:

Op de bouwlocatie aan het [adres 2] te Amsterdam werden, ten tijde van het ongeval op 15 juni 2011, werkzaamheden verricht, namelijk het versjouwen van bouwmaterialen ten behoeve van een verbouwing. Daarmee is de locatie een bouwplaats als bedoeld in artikel 1.1 tweede lid onder a van het Arbo-besluit en een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 derde lid onder g van de Arbo-wet. Het bouwwerk werd uitgevoerd door [verdacht Bouwbedrijf].

De genoemde werkzaamheden werden verricht door zogenaamd ingeleend personeel. Daarmee waren [verdacht Bouwbedrijf] en dit ingeleende personeel werkgever respectievelijk werknemer in de zin van artikel 1 eerste lid onder a, 2e en van artikel 1 eerste lid onder b van de Arbo-wet.

Op de genoemde locatie zag ik een pand dat in verbouwing was. De [persoon 3], die verklaarde bedrijfsleider van [verdacht Bouwbedrijf] te zijn, toonde mij de plaats van het ongeval. Vanuit een ruimte in het pand kreeg ik zicht op een dak, dat geheel was ingesloten door gevels en alleen via de bovenkant in verbinding stond met de buitenlucht. Dit dak was grotendeels ingericht als arbeidsplaats. Ik zag namelijk een steiger, ladders en de nodige bouwmaterialen op het dak staan en/of liggen. In het dak bevonden zich een zestiental zogenaamde lichtkoepels. Een van die koepels was feitelijk geen koepel maar de sparing van een koepel die door een afdekking was afgedekt. Naar mijn oordeel was deze afdekking nog afkomstig van de gebruiksfase. De overige koepels waren, op één na, nog intact. Bij die ene koepel was nagenoeg al het plexiglas uit de koepel gebroken. De [persoon 3] zei dat de werknemer die op het dak aan het werk was bij deze koepel door het plexiglas was gezakt. Het is naar mijn oordeel in de bouwnijverheid algemeen bekend dat lichtkoepelafdekkingen niet mandragend zijn waardoor deze afdekking niet als doelmatige beveiliging tegen valgevaar kan worden aangemerkt.

Het is mij bekend dat op lichtkoepels als deze door de fabrikant meestal met stickers en/of pictogrammen werd aangegeven dat de koepels niet mandragend zijn. Ik zag dat bij deze koepels dat het geval was, dan wel dat als gevolg van blootstelling aan weersinvloeden, de resten daarvan aanwezig waren. Door mij is vastgesteld dat het materiaal van de koepels, kennelijk als gevolg van de weersinvloeden, broos was geworden. Ik kon het materiaal zeer gemakkelijk breken. In relatie tot de Arbo-wet zag ik dat op het dak valgevaar aanwezig was. Ik zag namelijk dat de (de rechtbank begrijpt gelet op de inhoud van bewijsmiddel 2: op drie lichtkoepels na) de overige koepels niet tegen valgevaar waren afgezet en/of niet door het aanbrengen van versterkingen mandragend waren gemaakt. Ik heb ook geen enkel spoor of aanwijzing aangetroffen waaruit viel op te maken dat met persoonlijke valbeveiliging was gewerkt.

Naar mijn inschatting hadden de koepelsparingen een afmeting van ongeveer 1,20 meter bij 1,20 meter. De geschatte valhoogte tot de onderliggende betonnen vloer was ongeveer 6 à 7 meter. Op de betonvloer onder de koepel lagen restanten afkomstig van medische hulpverlening. De [persoon 3] zei dat het slachtoffer op die plaats terecht was gekomen en als gevolg van de val ernstig gewond was geraakt en naar een ziekenhuis was afgevoerd.

Op 20 juni 2011 werd ik gebeld door [persoon 4], Arbo-coördinator van [verdacht Bouwbedrijf], die mij meedeelde dat het slachtoffer die ochtend aan zijn verwondingen was overleden. De persoonsgegevens van het slachtoffer waren: [slachtoffer], geboren op [1976] te [geboorteplaats] (Turkije).

Van [persoon 4] ontving ik desgevraagd een afschrift van het op het werk van toepassing zijnde veiligheids- en gezondheidsplan.

2 Bijlage 1, een geschrift, zijnde foto’s van de locatie van het ongeval.

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Bij foto 3: net als bij de koepel waar het slachtoffer doorheen is gezakt ontbreekt bij de overige lichtkoepels op het dak, op 3 lichtkoepels na, overal een beveiliging tegen vallen.

3 Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 5 februari 2011.

De rechtbank neemt op de foto’s op de eerste pagina van bijlage 1 waar dat de afstand tussen de verschillende lichtkoepels op het dak ongeveer gelijk is aan de breedte van de lichtkoepels zelf, die de inspecteur schat op 1,20 meter.

4 Bijlage 3, proces-verbaal van verhoor [persoon 1] d.d. 15 juni 2011.

Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

Ik werk voor een uitzendbureau, dat mij uitleende aan [uitzendbureau A], dat op zijn beurt mij uitleende aan [verdacht Bouwbedrijf]. Voor dat bedrijf ben ik hier op deze bouwplaats opruimer. De werkopdrachten hier krijg ik van [persoon 5], de uitvoerder van [verdacht Bouwbedrijf]. Ik moest hier vanmiddag stalen platen naar binnen sjouwen. De eerste vier heb ik samen met [persoon 6] gesjouwd. Daarna ben ik de platen met [slachtoffer] gaan sjouwen, waarbij ik vooruit en hij achteruit liep. Bij de derde plaat ging het mis. Ik zag dat hij door een lichtkoepel van het dak viel. Ik had gezien dat [slachtoffer] zijn voet op een lichtkoepel plaatste waarbij het plexiglas brak. Er waren rond lichtkoepels geen beveiligingen aangebracht. Er was ons wel verteld dat het gevaarlijk was omdat het daar op het dak door de regen nat was en omdat het plexiglas niet sterk was. Er was ons verteld om op te letten.

5 Bijlage 4, proces-verbaal van verhoor [persoon 2], d.d. 15 juni 2011

Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

Op deze bouwplaats werk ik voor [verdacht Bouwbedrijf]. Ik was hier vanmiddag op het dak bezig met het omzetten van een steiger, samen met [persoon 6]. Ik samen met hem wat stalen vloerplaten naar binnen getild. Vervolgens zijn de opruimers daarmee verder gegaan. Ik zag dat de voorste opruimers achteruitliep. Ik had daarbij [persoon 6] twee keer horen zeggen om niet op de koepels te lopen. Bij de derde vloerplaat zag ik dat de voorste opruimer achteruit lopend op een koepel stapte, waarbij de koepel scheurde en hij er doorheen zakte. Ik heb gezien dat 3 van de tien koepels waren afgedekt met een plaat hout. Er was geen beveiliging rond de koepels aangebracht en er was mij geen instructie gegeven om de koepels te beveiligen. Er was wel verteld goed op te letten. Ik heb de uitvoerder [persoon 5] wel eens horen zeggen dat er eigenlijk een beveiliging bij de koepels moest komen.

6 Bijlage 5, verhoor [persoon 7], d.d. 30 aug 11

Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

Ik werk bij [uitzendbureau A] in deeltijd als adviseur voor de directie. Ten tijde van het ongeval was de heer [slachtoffer] door [uitzendbureau A] aan [verdacht Bouwbedrijf] als uitzendkracht ter beschikking gesteld. Sinds de 23e mei 2011 werkte [slachtoffer] voor [verdacht Bouwbedrijf] op de bouwplaats aan het [adres 2]. De werkzaamheden die [slachtoffer] ter plaatse uitvoerde vonden plaats onder gezag van [verdacht Bouwbedrijf].

7 Verslag van arts [persoon 8] d.d. 20 juni 2011:

Dit verslag houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Ik heb het lijk van [slachtoffer], overleden op 20 juni 2011, persoonlijk geschouwd. [slachtoffer] is gevallen van een hoogte, waarna in het VU MC bij hem uitgebreid letsel is geconstateerd. Op 16 juni 2011 is hij geopereerd. Op 20 juni 2011 is hij overleden aan de gevolgen van de val.

8 Bijlage 13, verhoor [persoon 9], d.d. 10 okt 2011:

Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in, zakelijk weergegeven:

[uitzendbureau A] was de feitelijk werkgever van het slachtoffer. [uitzendbureau A] was door [verdacht Bouwbedrijf] ingehuurd. De werkzaamheden werden op regiebasis uitgevoerd.

De uitgevoerde werkzaamheden behoorden tot de reguliere taak van het slachtoffer.

Het veiligheids- en gezondheidsplan voor de bouwplaats was door [persoon 4], Arbo-coördinator opgesteld. Op de bouwplaats was uitvoerder [persoon 5] aangesteld als toezichthouder.