Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:1445

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
13/665029-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen/verhullen/oplichting/phishing

straf 20 maanden wegens witwassen.

Verdachten gebruikten rekeningen van katvangers om gelden afkomstig van oplichting/phishing op te storten. Vervolgens werden met die gelden goudbaren aangekocht.

De rechtbank acht de aankoop van goudbaren een daad van verhulling, zodat het enkele voorhanden hebben van de goudbaren, opbrengst uit eigen misdrijf, ook als witwassen kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/665029-13 (Promis)

Datum uitspraak: 6 februari 2014

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1988],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[GBA-adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 20 januari 2014 en 23 januari 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.E. Craenen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. W.R. Jonk naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december 2011 tot en met 8 februari 2012, te Zaandam en/of Purmerend en/of Rotterdam en/of Heerhugowaard en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) heeft witgewassen, immers heeft hij (van) een of meer voorwerp(en), te weten

- drie, althans een of meer goudba(a)r(en) (umicore 1000 gram) en/of

- vijf, althans een of meer 1 troy ounce gouden Krugerrand(s) en/of

- drie, althans een of meer goudba(a)r(en) (umicore 100 gram) en/of

- een goudbaar (pamp suisse 10 troy ounce) en/of

een of meer geldbedrag(en) (in totaal 191.000 euro):

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voorwerp(en) was of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had en/of

- verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 januari 2013 tot en met 30 januari 2013, te Rotterdam en/of Luchthaven [naam] en/of Haarlemmermeer en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of te Solingen, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen) heeft witgewassen,

immers heeft hij (van) een of meer voorwerp(en), te weten

- vijf, althans een of meer goudba(a)r(en) (500 gram) en/of

- 30, althans een of meer 1 troy ounce gouden Krugerrand(s) (munt) en/of

- tien, althans een of meer 1 troy ounce gouden American Eagle(s) en/of

- 20, althans een of meer 1 troy ounce gouden Maple Leaf(s) 2013 en/of

- een goudbaar (500 gram Degussa) en/of

- drie, althans een of meer goudba(a)r(en) (100 gram Umicore) en/of

een of meer geldbedrag(en) (in totaal 209.647 euro):

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voorwerp(en) was of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had en/of

- verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans van voornoemd(e) voorwerp(en), gebruik gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.

hij op of omstreeks 30 januari 2013, te Rotterdam en/of Luchthaven [naam] en/of Haarlemmermeer en/of Amsterdam, althans in Nederland en/of te Solingen, althans in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft witgewassen, immers heeft hij een of meer voorwerp(en), te weten

- drie, althans een of meer goudba(a)r(en) (100 gram) en/of

- vier, althans een of meer goudba(a)r(en) (500 gram) en/of

- vijf, althans een of meer American Eagle munt(en) (1 troy ounce) en/of

- vijftien, althans een of meer Krugerrand munt(en) (1 troy ounce) en/of

- tien, althans een of meer Maple Leaf munt(en) (1 troy ounce)

verworven en/of voorhanden gehad, althans van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 januari 2013 tot en met 29 januari 2013 te Amsterdam en/of [plaats] en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer geldbedrag(en) (totaal 329.219 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 1] en/of [persoon 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van een door oplichting verkregen

(betaal)pas en/of een pincode;

5.

hij op of omstreeks 18 januari 2013 te Amsterdam en/of [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een

samenweefsel van verdichtsels, (een medewerker van) de ABN Amro Bank heeft bewogen tot de afgifte van een (betaal)pas (op naam van [persoon 1] en/of [persoon 2]), in elk geval van enig goed en/of (die medewerker van) de ABN Amro Bank heeft bewogen tot de afgifte van een pincode, in elk geval van enige gegevens en/of (die medewerker van) de ABN Amro Bank heeft bewogen tot het opmaken en/of het accorderen en/of het intern doorgeleiden van een aanvraag(formulier) voor voornoemde (betaal)pas en/of pincode, althans bewogen tot enige

dienstverlening, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als de heer [persoon 2] en/of (vervolgens) een (betaal)pas en/of pincode aan gevraagd op naam van die [persoon 1] en/of [persoon 2], waardoor bovengenoemde (medewerker van) de ABN Amro Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of dienstverlening;

Subsidiair:

[medeverdachte 3] op of omstreeks 18 januari 2013 te Amsterdam en/of [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een medewerker van) de ABN Amro Bank heeft bewogen tot de afgifte van een (betaal)pas (op naam van [persoon 1] en/of [persoon 2]

[persoon 2]), in elk geval van enig goed en/of (die medewerker van) de ABN Amro Bank heeft bewogen tot de afgifte van een pincode, in elk geval van enige gegevens en/of (die medewerker van) de ABN Amro Bank heeft bewogen tot het opmaken en/of het accorderen en/of het intern doorgeleiden van een aanvraag(formulier) voor voornoemde (betaal)pas en/of pincode, althans bewogen tot enige dienstverlening, hebbende [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als de heer [persoon 2] en/of (vervolgens) een (betaal)pas en/of pincode aan gevraagd op naam van die [persoon 1]

en/of [persoon 2], waardoor bovengenoemde (medewerker van) de ABN Amro Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of dienstverlening, welk feit hij, verdachte in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 18 januari 2013 te Amsterdam en/of [plaats] en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door het verschaffen van 1.000 euro, althans van enige giften (geld) en/of de belofte hier 10.000 euro, althans enig

geldbedrag, voor te zullen betalen en/of het verstrekken van een vervalst rijbewijs en/of het verschaffen van (bank)gegevens van die [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of het uitkiezen van bovenomschreven bank(filiaal) en/of door [medeverdachte 3] naar die bank te brengen en/of begeleiden.

3 Voorvragen

De ontvankelijkheid van de officier van justitie / geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft ter zitting betoogd dat het openbaar ministerie deels niet-ontvankelijk moet worden verklaard, althans dat de dagvaarding partieel nietig is. De raadsman legt daaraan ten grondslag dat de officier van justitie ter zitting heeft toegelicht dat de hoeveelheid goud waarop feit 3 betrekking heeft, in de visie van de officier van justitie deel uitmaakt van de partij waarop feit 2 ziet. Daardoor wordt verdachte in strijd met artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) tweemaal voor hetzelfde feit vervolgd, althans is de dagvaarding onbegrijpelijk en daardoor (partieel) nietig, aldus de raadsman.

De rechtbank begrijpt de tenlastelegging aldus, dat hetgeen onder 2 is tenlastegelegd (kort gezegd: witwassen van goud en/of geld in de periode van 25 tot en met 30 januari 2013) mede alle onder 3. tenlastegelegde gedragingen omvat (witwassen van goud op 30 januari 2013).

Anders dan de raadsman betoogt, leidt deze situatie niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, aangezien artikel 68 Sr slechts de vervolging verhindert van eenzelfde feit waarover door de rechter reeds onherroepelijk is beslist.

Evenmin rechtvaardigt deze wijze van tenlasteleggen de conclusie dat de dagvaarding partieel nietig is. De redactie van de tenlastelegging laat zich mogelijk verklaren doordat de officier van justitie ten tijde van het opstellen van de tenlastelegging niet zeker ervan was of het goud dat bij verdachte in Duitsland is aangetroffen (feit 3) afkomstig is van de goudaankoop enkele dagen eerder (feit 2). Hoe het ook zij, het moet verdachte echter steeds voldoende duidelijk zijn geweest welk verwijt hem wordt gemaakt en waartegen hij zich dient te verdedigen. Het verweer wordt dus verworpen. Ook voor het overige voldoet de dagvaarding aan de eisen die de wet daar aan stelt.

In de omstandigheid dat de verweten gedragingen van feit 3 geheel worden omvat door feit 2 ziet de rechtbank wel aanleiding om in geval van bewezenverklaring enkelvoudig te kwalificeren, in die zin dat hetgeen onder 2 en 3 is tenlastegelegd slechts één strafbaar feit kan opleveren.

Ook overigens is de dagvaarding is geldig, is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en is de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde heeft de officier van justitie gewezen op de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waaruit blijkt dat verdachte van het begin tot het eind bij de witwastransacties is betrokken. Met betrekking tot de wetenschap van de criminele herkomst geldt dat verdachte hierover geen verklaring heeft willen afleggen, terwijl de afschermconstructie die onder zijn regie tot stand is gekomen schreeuwt om een verklaring. Nu verdachte ervoor kiest te zwijgen, kan dit naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad meewegen voor het bewijs.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde heeft de officier van justitie voor bewijs voor de betrokkenheid van verdachte in de eerste plaats op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] gewezen. Daarnaast volgt bewijs uit de partij goud die twee dagen na de transacties onder verdachte wordt aangetroffen (feit 3) en die past als onderdeel van de goudbestellingen die medeverdachte [medeverdachte 3] heeft opgehaald. Omdat het goud van feit 3 is verkregen door het eigen misdrijf van de verdachte (het witwassen van feit 2) moet bij gebreke van verhullingshandelingen ontslag van alle rechtsvervolging volgen voor feit 3.

Ook ten aanzien van het onder 4. en 5. ten laste gelegde heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3]. Bovendien zijn in de woning van verdachte interne bankdocumenten inzake [persoon 1] en [persoon 2] aangetroffen. Het geld dat is gestolen is direct aangewend voor de aankoop van goud, zoals onder 2. is ten laste gelegd.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat de door hem betwiste verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, nu - samengevat - de verdediging geen adequate mogelijkheid heeft gehad deze getuigen te ondervragen en antwoorden te krijgen op vragen. De getuigen hebben zich op hun verschoningsrecht beroepen. De verklaringen die ze bij de politie hebben afgelegd vormen het enige, dan wel doorslaggevende, bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten.

Er zijn geen compenserende maatregelen mogelijk voor het niet kunnen toetsen van hun verklaringen. Verder kunnen de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niet voor het bewijs worden gebruikt nu zij zozeer met elkaar in strijd zijn dat zij als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde:

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het bewijs van verdachtes betrokkenheid bij dit feit steunt op de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Deze verklaringen kunnen echter voor het bewijs worden gebruikt. Anders dan de raadsman heeft betoogd, heeft [medeverdachte 2] als getuige, zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting, de vragen van de raadsman, ook over de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde feit, in overwegende mate beantwoord. In zoverre heeft de verdediging dan ook een adequate mogelijkheid gehad om die getuige te ondervragen. [medeverdachte 1] heeft zich (hoofdzakelijk) op zijn verschoningsrecht beroepen, zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting. Nog daargelaten dat verdachte zich van meet af aan op zijn zwijgrecht heeft beroepen en eerst bij pleidooi bij monde van zijn raadsman slechts in algemene zin betrokkenheid bij het tenlastegelegde heeft betwist zodat onduidelijk blijft op welke specifieke punten de getuigenverklaringen door de verdachte worden bestreden, vinden de verklaringen van [medeverdachte 1] omtrent de betrokkenheid van verdachte bij dit feit voldoende steun in de verklaring van [medeverdachte 2] zodat ook deze voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

De rechtbank ziet weliswaar op punten verschillen tussen de verklaringen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], maar deze verschillen hebben overwegend betrekking op hun eigen, dan wel elkaars betrokkenheid en niet of nauwelijks op de betrokkenheid van verdachte, zodat er in zoverre geen reden is deze verklaringen als onbetrouwbaar van het bewijs uit te sluiten.

Ten aanzien van het onder 2. tot en met 5. ten laste gelegde:

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad om de verklaring van [medeverdachte 3] zoals hij die ten overstaan van de politie heeft afgelegd, op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door hem als getuige te ondervragen. [medeverdachte 3] heeft zich immers zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting op zijn verschoningsrecht beroepen. Echter, volgens bestendige rechtspraak1 is van een ongeoorloofd gebruik van deze verklaring voor het bewijs geen sprake indien deze verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen, waarbij geldt dat het steunbewijs betrekking moet hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die verdachte betwist. De rechtbank wijst wederom op de omstandigheid dat verdachte eerst bij pleidooi, bij monde van zijn raadsman in algemene zin betrokkenheid bij het tenlastegelegde heeft betwist, zodat ook hier niet kenbaar is welke specifieke onderdelen van de verklaring worden betwist. De verklaring van [medeverdachte 3] omtrent de betrokkenheid van verdachte vindt steun in twee andere bewijsmiddelen.

Ten eerste is een intern bankmemo met betrekking tot de aangevers [persoon 2] en [persoon 1] aangetroffen bij de doorzoeking van de woning [adres], zijnde de woning van de vriendin van verdachte waar verdachte (onweersproken) verbleef.

Ten tweede is bij verdachte bij zijn aanhouding op 30 januari 2013 goud aangetroffen in een hoeveelheid en samenstelling (goudbaren en munten American Eagle, Krugerrands en Maple Leaf) die zodanig passen in de goudleveringen van [bedrijf D] en [bedrijf E] twee dagen eerder, dat de rechtbank het ervoor houdt dat het bij verdachte aangetroffen goud afkomstig is van de leveringen waarover [medeverdachte 3] heeft verklaard.

Gelet op het voorgaande kan de verklaring van [medeverdachte 3], anders dan de raadsman heeft betoogd, dus voor het bewijs worden gebruikt, zonder dat dit strijdig is met artikel 6 EVRM.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht, op grond van de wettige bewijsmiddelen die in de bijlage zijn opgenomen en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

in de periode van 23 december 2011 tot en met 8 februari 2012, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, heeft witgewassen, immers heeft hij voorwerpen, te weten

- drie goudbaren, umicore 1000 gram, en

- vijf 1 troy ounce gouden Krugerrand en

- drie goudbaren, umicore 100 gram, en

- een goudbaar, pamp suisse 10 troy ounce,

verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten, dat voornoemde voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf

en

van geldbedragen, in totaal 191.897 euro, de herkomst verhuld en deze geldbedragen omgezet, terwijl hij en zijn mededaders wisten, dat voornoemde geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf;

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

in de periode van 25 januari 2013 tot en met 30 januari 2013, in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft witgewassen,

immers heeft hij voorwerpen, te weten

- vijf goudbaren, 500 gram, en

- 30 1 troy ounce gouden Krugerrand munt, en

- tien 1 troy ounce gouden American Eagle en

- 20 1 troy ounce gouden Maple Leaf 2012 en

- een goudbaar, 500 gram Degussa, en

- drie goudbaren, 100 gram Umicore,

verworven en voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten, dat voornoemde voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf

en

van geldbedragen, in totaal 209.647 euro,

de herkomst verhuld en deze geldbedragen omgezet, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten, dat voornoemde geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf;

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

op 30 januari 2013, in Nederland en in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft witgewassen, immers heeft hij voorwerpen, te weten

- drie goudbaren, 100 gram, en

- vier goudbaren, 500 gram, en

- vijf American Eagle munten, 1 troy ounce, en

- vijftien Krugerrand munten, 1 troy ounce, en

- tien Maple Leaf munten, 1 troy ounce,

voorhanden gehad, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten, dat voornoemde voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf;

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

in de periode van 18 januari 2013 tot en met 29 januari 2013 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen, totaal 329.218 euro, toebehorende aan [persoon 1] en [persoon 2], waarbij verdachte en zijn mededader(s) het weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door middel van een door oplichting verkregen betaalpas en pincode;

Ten aanzien van het onder 5. primair ten laste gelegde

op 18 januari 2013 te [plaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam, een medewerker van de ABN Amro Bank heeft bewogen tot de afgifte van een betaalpas, op naam van [persoon 2], en die medewerker van de ABN Amro Bank heeft bewogen tot de afgifte van een pincode, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk zich voorgedaan als de heer [persoon 2] en vervolgens een betaalpas en pincode aangevraagd op naam van die [persoon 2], waardoor bovengenoemde medewerker van de ABN Amro Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

Witwassen

De raadsman heeft aangevoerd dat steeds het goud moet worden beschouwd als de opbrengst van het desbetreffende misdrijf. Er is geen bewijs voorhanden dat verdachte met dit goud enige handeling heeft verricht om de criminele herkomst ervan te verhullen. Dat betekent, gelet op de eisen die de Hoge Raad stelt, dat deze feiten niet kunnen worden gekwalificeerd als witwassen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1. tenlastegelegde geen opbrengst uit eigen misdrijf betreft. Voor feit 2 is dat wel het geval, maar zijn de goudaankopen te beschouwen als verhullend. Voor feit 3 staat de omstandigheid dat verdachte tevens de pleger is van het feit waardoor het goud is verkregen (namelijk door witwassen) in de weg aan kwalificatie. Verdachte dient ten aanzien van dat feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de officier van justitie.

De rechtbank stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde. Indien het gaat om voorwerpen waarvan aannemelijk is dat die afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf moet sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd.

Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.2

In dit geval is de gang van zaken de volgende geweest. Verdachte en zijn mededaders hebben de beschikking gekregen over rekeningen waarop geldbedragen waren overgemaakt die afkomstig waren van oplichting (feit 1) en diefstal met een valse sleutel (feit 2 en 3). Door middel van internetbankieren hebben verdachte en zijn mededaders met dat geld vervolgens goud aangekocht.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat in dit geval de geldbedragen als de initiële opbrengsten van de gronddelicten moeten worden aangemerkt. Dat verdachte niet die - girale - geldbedragen, maar de gouden munten en baren fysiek in handen heeft gekregen doet daaraan niet af. Verdachte en zijn mededaders hebben het geld immers kunnen aanwenden voor de transacties waarbij dat goud verkregen werd. De daaraan voorafgaande gronddelicten waren toen reeds voltooid.

Verdachte heeft de delictsomschrijving van artikel 420bis onder a en b Sr vervuld ten aanzien van zowel de geldbedragen als het goud. Anders dan door de officier van justitie bepleit moet het goud daarbij naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als middellijke opbrengst van de daaraan voorafgegane gronddelicten.

Van het onder 1. bewezen verklaarde is niet aannemelijk geworden - en is ook niet door de verdachte gesteld - dat het gronddelict door verdachte zelf is (mede-)gepleegd. De hiervoor besproken aanvullende voorwaarde voor kwalificatie als witwassen geldt daarom niet.

Ten aanzien van het onder 2. en 3. bewezen verklaarde geldt dat de opbrengsten zijn verkregen door een misdrijf dat door verdachte zelf is gepleegd, te weten de onder 4. bewezen verklaarde diefstal met een valse sleutel. Dat staat in dit geval niet aan kwalificatie in de weg. Gouden baren en munten zijn naar hun aard zeer geschikt om grote geldbedragen relatief waardevast in te converteren, om vervolgens gemakkelijk wereldwijd op nagenoeg niet traceerbare wijze verder te vervoeren en verhandelen. Dat maakt dat de omzetting van de geldbedragen in goud moet worden beschouwd als een handeling die erop is gericht de criminele herkomst van de opbrengst van het gronddelict te verhullen. Het goud is het aldus verhulde criminele vermogen. Ten aanzien daarvan hoeft daarom niet opnieuw een verhullende handeling te zijn verricht om tot kwalificatie te kunnen komen. Ook het onder 2. en 3. bewezen verklaarde kan aldus worden gekwalificeerd als witwassen, met dien verstande dat de rechtbank komt tot een enkelvoudige kwalificatie, om redenen zoals hiervoor onder 3 besproken .

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet dan ook strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1., 2., 4. en 5. primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van

20 maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem onder 3. bewezen geachte feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren en het inbeslaggenomen goud verbeurd te verklaren.

8.2

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van alle feiten vrijspraak bepleit.

In geval van strafoplegging is subsidiair verzocht verdachte niet opnieuw zijn vrijheid te ontnemen, maar hem in dat geval naast de reeds ondergane voorlopige hechtenis slechts een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een werkstraf op te leggen.

Ten aanzien van het beslag heeft de raadsman bepleit het goud niet verbeurd te verklaren. Tenslotte heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, subsidiair af te zien van het opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich, samen met zijn mededaders, schuldig gemaakt aan oplichting, gekwalificeerde diefstal en witwassen. Eén van zijn mededaders heeft zich voorgedaan als het latere slachtoffer, waardoor een bankmedewerker is bewogen tot de afgifte van een betaalpas en pincode op naam van die ander. Hiermee hebben verdachte en zijn mededader(s) een zeer groot geldbedrag weggenomen van (spaar)rekeningen van die nietsvermoedende rekeninghouders. Met zowel dit geld als met andere zeer grote geldbedragen die uit misdrijf afkomstig waren, is goud gekocht. Door deze praktijken heeft verdachte voor tonnen aan schade aangericht en is de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig geschaad. Verdachte heeft door zijn handelen laten blijken daar geen enkel belang aan te hechten , maar heeft kennelijk slechts gehandeld uit eigen financieel gewin en zich geen moment bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor anderen. In het bijzonder rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij anderen heeft gebruikt als katvanger voor de misdrijven om zelf buiten schot te blijven terwijl hij meer dan die katvangers heeft geprofiteerd van de misdrijven.

Ter zitting heeft verdachte ervoor gekozen te zwijgen en ook in zoverre geen blijk gegeven van enig inzicht in het strafwaardige van zijn handelen.

Hierbij past in beginsel een aanzienlijke vrijheidsbenemende straf. Het moet voor verdachte en voor een ieder die overweegt zich met dergelijke fraude in te laten, duidelijk zijn dat dit soort handelen, waardoor anderen op grove wijze financieel worden benadeeld, onacceptabel is.

Uit het dossier heeft de rechtbank van verdachte het beeld gekregen dat hij een spilfunctie vervult in kennelijk een groep van personen die feiten pleegt zoals de onderhavige. Uitgaande van het schadebedrag wordt in soortgelijke gevallen doorgaans, zo blijkt onder meer uit de oriëntatiepunten vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden opgelegd.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 december 2013, hoewel wat langer geleden, reeds eerder is veroordeeld ter zake van vermogensfeiten, waaronder verduistering. Die veroordelingen hebben hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te plegen. In tegendeel, de omvang en professionaliteit van de door verdachte begane vermogensdelicten blijkt juist sterk toegenomen.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de inhoud van het over verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 30 september 2013, waarin wordt geadviseerd bij een bewezenverklaring aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, alsmede op de ter terechtzitting naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank, alles afwegende, na te noemen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie geëist, passend en geboden.

Verbeurdverklaring beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

  • -

    4 baren goud à 500 gram per stuk

  • -

    3 baren goud à 100 gram per stuk

  • -

    30 gouden munten: 15 Krugerrand; 10 Maple Leaf; 5 Eagle

De voorwerpen behoren aan verdachte toe. Nu met betrekking tot die voorwerpen het onder 2 en 3 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Nu niet is gebleken dat het bewezen geachte feit ABN AMRO Bank N.V. rechtstreeks de schade heeft toegebracht zoals gevorderd en zoals artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering eist, is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk. Zij kan haar vordering alsnog bij de civiele rechter aanhangig maken.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 311, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten onder 1., 2., 3., 4. en 5. primair laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. bewezen verklaarde

Medeplegen van witwassen.

Ten aanzien van het onder 2. en 3. bewezen verklaarde

Medeplegen van witwassen.

Ten aanzien van het onder 4. bewezen verklaarde

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Ten aanzien van het onder 5. primair bewezen verklaarde

Medeplegen van oplichting.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

  • -

    4 baren goud à 500 gram per stuk

  • -

    3 baren goud à 100 gram per stuk

  • -

    30 gouden munten: 15 Krugerrand; 10 Maple Leaf; 5 Eagle

Verklaart ABN AMRO Bank N.V. niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. P. Sloot en E. Diepraam, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. Noomen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2014.

BIJLAGE

De bewijsmiddelen

Ten aanzien van het onder 1., 2., 3., 4. en 5. primair bewezen verklaarde

1. Een proces-verbaal van bevindingen van 8 januari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 3] (doorgenummerde pag. 496 tot en met 501).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

In de politieadministratie HKS is onder nummer [nummer] een foto van [verdachte], geboren [1988] te [plaats] bekend.

Ten aanzien van het onder 1. bewezen verklaarde

2. Een proces-verbaal met nummer PL133L 2012032679-1 van 4 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar

[persoon 4] (doorgenummerde pag. 1 tot en met 3).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 5], zakelijk weergegeven:

Hierbij wil ik aangifte doen namens het bedrijf [bedrijf A], waar ik directeur van ben.

Op 3 februari 2011 kwam ik erachter dat er met rekeningen die namens [bedrijf A] zijn verstuurd is gefraudeerd. Wij hadden enige tijd geleden meerdere rekeningen verzonden die nog niet waren betaald. Onze accountmanager belde gisteren met het Franse bedrijf [bedrijf B]. [bedrijf B] vertelde ons dat zij de rekening die aan hun was gestuurd reeds hadden voldaan. Echter wij hebben dit bedrag nooit ontvangen. [bedrijf B] vertelde dat zij het bedrag hadden overgemaakt naar ons nieuwe bankrekeningnummer. Dit verbaasde mij, want wij hebben helemaal geen nieuw bankrekeningnummer. [bedrijf B] heeft ons vervolgens een brief gemaild waarvan zij zeiden dat die door ons was verstuurd. Uit deze brief blijkt dat alle betalingen naar het bedrijf [bedrijf A] naar een nieuw bankrekeningnummer moeten worden overgemaakt. Op deze brief staat het bedrijfslogo van [bedrijf A]. Tevens wordt op deze brief ons bankrekeningnummer vermeld wat volgens de briefschrijver moet worden vervangen door een nieuw bankrekeningnummer.

Deze brief is helemaal niet door ons verzonden, en wij hebben dan ook helemaal geen

nieuw bankrekeningnummer. Deze brief is naar meerdere klanten van ons verzonden, te weten [klant 1], [klant 2], [klant 3] en [klant 4].

Het rekeningnummer wat in de brief staat en waar het een en ander naartoe is

gestort is: [rekeningnummer] Dit is een rekeningnummer van de ABN-AMRO Bank.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

3. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 1 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 6] (doorgenummerde pag. 40 en 41).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit de aangifte van benadeelde [bedrijf A] blijkt dat geld van zijn debiteuren naar een ander

rekeningnummer was overgemaakt. Dat rekeningnummer betrof rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [bedrijf A1].

Vanaf 23 december 2011 tot en met 6 februari 2012 werden op deze rekening bedragen bijgeschreven van onder andere [klant 4], [klant 1], [klant 2] en [klant 3], in totaal € 1.428.938,58.

Van de rekening werd op 30 december 2011 een bedrag van € 105.000,- afgeschreven naar rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [medeverdachte 2], onder de vermelding ‘investering edelmetalen’.

Van de rekening werd op 6 januari 2012 een bedrag van € 90.000,- afgeschreven naar rekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [medeverdachte 2], onder de vermelding ‘investering edelmetalen’.

4. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 1 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 6] (doorgenummerde pag. 42 en 43).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit de uitgeleverde gegevens van de ABN-AMRO bank blijkt dat de rekeninghouder van

rekeningnummer [rekeningnummer] is genaamd: mevrouw [medeverdachte 2], geboortedatum [1986].

Uit de afschriften van rekeningnummer [rekeningnummer] over de periode 01-01-2011 tot en met 06-02-2012 blijkt dat de rekening tot 30-12-2011 werd gebruikt voor het ontvangen van geringe inkomsten en het betalen van kleine bedragen.

Opvallend is dat op 30-12-2011 in totaal € 105.000,00 en op 06-01-2012 in totaal € 90.000,00 door [bedrijf A1] wordt bijgeboekt.

Verder blijkt uit de afschrijvingen dat via bankrekening [rekeningnummer] voor een totaalbedrag van € 191.897,00 is betaald aan een bedrijf geheten [bedrijf C]. Afschrijvingen naar voornoemd bedrijf hebben plaatsgevonden op 30 december 2011 (tweemaal), 2 januari 2012 en 6 januari 2012 (driemaal). Er is daarbij ook sprake geweest van telefonische spoedoverboekingen.

[bedrijf C] is de webshop van [bedrijf C1], gevestigd te [plaats].

5. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 26 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 7] en [persoon 6] (doorgenummerde pag. 130 en 131).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 12 april 2012 zijn wij, verbalisanten, naar het bedrijf [bedrijf C1] toegegaan en hebben daar gesproken met twee medewerkers van [bedrijf C], welke gaven op te zijn genaamd: [medewerker 1] en [medewerker 2].

Op de vraag van verbalisant [persoon 6] of zij hebben onderhandeld met een klant genaamd [medeverdachte 2] die gebruik maakt van bankrekeningnummer [rekeningnummer] verklaarde [medewerker 1]:

“Ik heb zelf de onderhandelingen met mevrouw [medeverdachte 2] gedaan. Er werd betaald vanaf een rekeningnummer en de naam van de rekeninghouder kwam overeen met de mevrouw die het goud kwam afhalen. Na de eerste transactie volgden er nog meer transacties.”

Op de vraag van verbalisant [persoon 7] hoe het contact met mevrouw [medeverdachte 2] tot stand was gekomen zei [medewerker 1] dat verdachte [medeverdachte 2] telefonisch contact had gezocht met [bedrijf C].

[medewerker 1] vertelde dat het emailcontact verliep via het adres ‘[e-mail adres]’.

Het is volgens [medewerker 1] gebruikelijk dat klanten contact zoeken met de webshop van [bedrijf C] middels e-mail en vervolgens telefonisch de onderhandelingen plegen.

Op de vraag van verbalisant [persoon 6] hoe de onderhandelingen met mevrouw [medeverdachte 2] waren gegaan verklaarde [medewerker 1]: “Het was mij wel opgevallen dat mevrouw [medeverdachte 2] tijdens de telefonische onderhandelingen veelvuldig ruggespraak had met een persoon. Ze kon nooit zelf beslissingen nemen maar moest steeds terugbellen.”

Op de vraag hoe de levering van het goud tot stand was gekomen vertelde [medewerker 1]:

“[medeverdachte 2] kwam het goud elke keer in persoon bij [bedrijf C] in [plaats] afhalen. Ik heb samen met [medewerker 2] uit het raam gekeken om te zien in wat voor auto mevrouw [medeverdachte 2] reed. Wij zagen beiden dat mevrouw [medeverdachte 2] met het goud in een grijze Volkswagen Polo . [medeverdachte 2] kwam nooit alleen, de bestuurder kwam niet naar binnen maar bleef in de auto zitten.”

[medewerker 1] overhandigde een lijst met facturen van [bedrijf C] betreffende goudtransacties met mevrouw [medeverdachte 2] over de periode 30-12-2011 tot en met 6-1-2012. In totaal heeft [medeverdachte 2] voor een bedrag van € 191.897,= aan goud bij [bedrijf C] gekocht.

6. Een vijftal geschriften, zijnde vijf facturen van [bedrijf C] ten name van [medeverdachte 2] (doorgenummerde pag. 132 tot en met 136).

Deze geschriften houden onder meer in, zakelijk weergegeven:

Factuurnummer: 100000099, datum: 6 januari 2012, product: Umicore 1000 gram goudbaar, aantal: 1.

Factuur: 100000100, artikel: 1 troy ounce gouden Krugerrand, aantal: 5.

Factuurnummer 100000088, datum: 2 januari 2012, product: Umicore 100 gram goudbaar, aantal: 3 en product: Pamp Suisse 10 troy ouce goudbaar, aantal: 1.

Factuurnummer 100000085, datum: 30 december 2011, product: Umicore 1000 gram goudbaar, aantal: 1.

Factuurnummer: 100000082, datum: 30 december 2011, product: Umicore 1000 gram goudbaar, aantal: 1.

7. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 21 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 8] en [persoon 6] (doorgenummerde pag. 243 tot en met 255).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven:

Ik was verliefd op een jongen. Dat was [medeverdachte 1]. We hebben ongeveer drie maanden een relatie gehad.

Ik heb [medeverdachte 1] ongeveer 4 jaar terug leren kennen. Daarna heb ik hem een hele tijd niet meer gesproken. Hij heeft me daarna weer benaderd via Hyves of Facebook. Vorig jaar zomer kregen we weer contact. Vanaf november ongeveer kregen we een relatie.

Ik bankier bij de ABN-Amro. Mijn rekeningnummer is [rekeningnummer].

Ik maak gebruik van internetbankieren.

Ik heb [medeverdachte 1] mijn bankpas van de ABN en ook mijn pincode gegeven.

U vraagt mij met wie ik goud ben gaan afhalen bij [bedrijf C] in [plaats]. Dat is [medeverdachte 1] geweest. [medeverdachte 1] zei dat ik het moest ophalen. Hij heeft me gebracht. Ik heb in opdracht van [medeverdachte 1] het goud opgehaald.

U vraagt mij hoe vaak ik heb gebeld met het goudbedrijf, of dat meer dan één keer is geweest.

Ja, het is meer geweest. Ik weet alleen nog dat ik moest vragen of de bestelling klaar

was. U vraagt mij wat ik heb verdiend met de goudaankopen. Hij heeft eens gezegd dat hij geld op mijn rekening heeft achtergelaten. Het was ongeveer 1600 euro.

Ik ben 2 keer goud gaan kopen. Bij hetzelfde bedrijf.

Er was wel een keer een volwassen jongen mee. Hij was tenger. [medeverdachte 1] noemde die jongen [verdachte].

8. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 24 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[persoon 6] en [persoon 3] (doorgenummerde pag. 474 tot en met 480).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven:

Ik zal u vertellen over de goudaankoop.

Ongeveer een week voor de 1e goudaankoop belde [medeverdachte 1] mij op. Dit was rond de kerst

van 2011. Hij zei tegen mij dat hij mij eerdaags nodig had. Hij vertelde mij dat wij goud

moesten ophalen. Ik dacht dat het een grapje was. Een dag van te voren belde hij mij op dat

hij mij nodig had. Eind december 2011 kwam [medeverdachte 1] mij ophalen. [medeverdachte 1] reed in een grijze auto, vermoedelijk een Volkswagen. Er zat ook nog een jongen in die auto. Ik had die jongen nog nooit eerder gezien. [medeverdachte 1] noemde die jongen [verdachte].

Toen hij mij kwam ophalen vertelde [medeverdachte 1] mij dat hij goud ging ophalen. [medeverdachte 1] had

ook een laptop bij zich. Wij zijn toen naar de McDonalds gereden in [plaats]. Ik moest daar van [medeverdachte 1] bellen met het goudbedrijf. Van [verdachte] kreeg ik het nummer. [medeverdachte 1] vertelde mij wat ik moest zeggen. Ik moest van [verdachte] vragen naar ene [medewerker 1]. Ik moest vragen aan [medewerker 1] wat ze op voorraad hadden. [medewerker 1] vertelde dat er een aantal kilo’s goud op voorraad lagen. Ik moest toen vragen of ik het kon bestellen. [medeverdachte 1] en [verdachte] zaten bij mij in de auto. Zij konden meeluisteren. Ik kreeg steeds instructies van hen.

Wij moesten vervolgens online bestellen. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben toen via internet

het goud besteld. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben beiden gebruik gemaakt van de laptop.

Nadat het goud was besteld, via internet, moest ik meteen bellen en vragen of ik het meteen

kon ophalen.

Tijdens het bestellen van het goud moest ik ook mijn privé bankpas aan [medeverdachte 1] geven. Hij

wist mijn pincode al. [medeverdachte 1] had een ‘identifier’ bij zich. Ik begreep wel dat er iets met geld

moest gebeuren. Vervolgens zijn wij naar het goudbedrijf in [plaats] gereden. Ik ben naar binnen gegaan. [medeverdachte 1] en [verdachte] bleven in de auto wachten.

In het bedrijf moest ik mij legitimeren. Er werd een kopie van mijn legitimatiebewijs

gemaakt. Vervolgens kreeg ik het goud mee. Ik heb dit toen gegeven aan [medeverdachte 1].

[medeverdachte 1] is toen een klein stukje gaan rijden en heeft vervolgens geparkeerd. Ik moest opnieuw bellen met het goudbedrijf. Ik moest vragen of ik nog meer goud kon ophalen. Dat kon. Er is toen weer via internet goud besteld. Vervolgens zijn wij weer naar het goudbedrijf gereden. Ik weet niet hoeveel tijd tussen zat. Voor mijn gevoel 1,5 tot 2 uur. Vervolgens heb ik weer goud opgehaald. Dat heb ik weer aan [medeverdachte 1] gegeven. [verdachte] zat toen ook weer achterin.

Vervolgens zijn wij naar Amsterdam-West gereden. Het goud zat in een papieren zak. Wij hadden dus twee papieren zakken. In Amsterdam-West heb ik gezien dat [verdachte] met de twee papieren zakken is uitgestapt. Toen [verdachte] terug kwam zag ik dat hij een stapeltje bankbiljetten bij zich had. Ik heb gezien dat [verdachte] een stapeltje bankbiljetten aan [medeverdachte 1] gaf. [verdachte] gaf namelijk deze bankbiljetten aan [medeverdachte 1] toen hij terug kwam. Het waren allemaal bankbiljetten van € 20,-. Ik kreeg vervolgens van [medeverdachte 1] een bedrag van tussen de € 1200,- en € 1500,-.

De volgende week moest ik weer goud ophalen voor [medeverdachte 1] en [verdachte]. [medeverdachte 1] is

mij toen weer komen ophalen met de grijze auto. [verdachte] zat weer in de auto.

Vervolgens heb ik weer goud besteld. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben toen het geld

overgeboekt via de computer. Ik heb toen het goud opgehaald.

Vervolgens is in de middag weer goud gekocht. Ik heb toen naar binnen gegaan. Ik heb

toen binnen de bestelling gedaan via internet. Ik heb toen vanaf de computer binnen het bedrijf het geld overgemaakt naar het goudbedrijf. Ik heb dit geld overgemaakt vanaf mijn eigen bankrekening. Dit was van mijn eigen privé ABN-AMRO rekening. Ik zag toen ook dat er veel geld op mijn rekening was gestort.

De overboeking was gelukt en ik kreeg het goud mee. Dat goud heb ik ook weer aan

[medeverdachte 1] gegeven.

Voor mijn gevoel ben ik toen gaan pinnen. Ik heb toen geld opgenomen vanaf mijn eigen rekening. Het was een bedrag van € 500,- en dat heb ik aan [medeverdachte 1] gegeven. Als u zegt dat het pinnen van die € 500,- eerder is gebeurd dan zal dat wel kloppen.

9. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 16 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[persoon 7] en [persoon 3] (doorgenummerde pag. 483 tot en met 487).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven:

U toont mij een politiefoto voorzien van het nummer [nummer]. Dat is [verdachte].

10. De verklaring die de getuige [medeverdachte 2] ter terechtzitting heeft afgelegd, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

De raadsman vraagt mij met wie ik ruggespraak voerde als ik telefonisch contact had met [bedrijf C]. Dat was in de auto met [medeverdachte 1] en [verdachte], die beiden hier ter zitting als verdachte aanwezig zijn. Ik had ruggespraak met beiden. Ik kan mij niet herinneren waar de auto op die momenten was. Het was wel op dezelfde dag als het bezoek aan het goudbedrijf.

Ik werd opgehaald door [medeverdachte 1]. [verdachte] zat dan al in de auto. Vervolgens reden we naar [plaats].

De raadsman vraagt mij of elke keer wanneer er naar [plaats] werd gereden [medeverdachte 1] en [verdachte] al in de auto zaten. Dat is juist. Ik nam plaats op de passagiersstoel. [medeverdachte 1] reed.

11. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 18 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[persoon 6] en [persoon 7] (doorgenummerde pag. 432 tot en met 440).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [medeverdachte 1], zakelijk weergegeven:

Ik ken [medeverdachte 2]. Een paar jaar terug heb ik haar leren kennen. Ik ben haar later opnieuw tegen gekomen. [medeverdachte 2] had geld nodig. Ik heb haar voorgesteld aan iemand. Zij moest dan goud halen. Hij had een investeerder, dat geld zou dan op haar rekening moeten komen en met dat geld op deze rekening moest goud worden

gehaald en dan zou [medeverdachte 2] daar wat voor krijgen. Ik ging twee keer mee naar een goudbedrijf.Hij vroeg mij of ik iemand kende wiens rekening gebruikt kon worden voor deze goudhandel. Ongeveer een maand later kwam ik [medeverdachte 2] weer tegen. Zij had geld nodig en zodoende heb ik haar met hem in contact gebracht.

Nadat we het goud hadden opgehaald bracht hij het goud naar een pand in [stadsdeel] te Amsterdam. De man waarover ik het heb noemde zich [verdachte].

12. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 19 september 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[persoon 7] en [persoon 3] (doorgenummerde pag. 441 tot en met 445).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [medeverdachte 1], zakelijk weergegeven:

[verdachte] verblijft op de [straat]. [verdachte] ging ook mee bij de goud aankopen. Ik ging met [medeverdachte 2] en [verdachte] naar [plaats]. [medeverdachte 2] ging naar binnen en kwam naar buiten met het goud. Vervolgens gaf [medeverdachte 2] het goud aan [verdachte]. Daarna zijn wij naar een adres in [stadsdeel] in Amsterdam gereden. Daar kreeg [medeverdachte 2] betaald voor haar bijdrage aan het goud ophalen.

13. Een geschrift, zijnde een fotokopie van een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 2 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 7] en [persoon 6], doorgenummerde pag. 759 tot en met 763).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [medeverdachte 1], zakelijk weergegeven:

Noot verbalisanten: Wij tonen verdachte een foto [De rechtbank begrijpt: met nummer PL [nummer]] van een man. Wij hoorden dat de verdachte zei: Ja, deze man ken ik, dit is de man die ik ken als [verdachte].

14. Een geschrift, te weten een bijlage bij een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 17 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 9] en [persoon 7] (doorgenummerde pag. 739 tot en met 746, bijlagen pag. 747 tot en met 753)

Dit geschrift houdt onder meer in:

Afgebeeld op foto 6: [verdachte], geboren op [1988] te [plaats].

Fotonummer politiefoto: [nummer]

Ten aanzien van het onder 2., 3., 4. en 5. primair bewezen verklaarde

15. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 13 februari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar

[persoon 7] (doorgenummerde pag. 591).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Bij de doorzoeking op 28 januari 2013 van het verblijfsadres van [verdachte] is een interne bankmemo van de ABN-AMRO Bank inbeslaggenomen. Hierop staan van een tweetal particuliere klanten van de ABN-AMRO interne cliëntgegevens. Het betreft de klanten de heer [persoon 2] en mevrouw [persoon 1].

Mevrouw [persoon 1] heeft op 29 januari 2013 aangifte gedaan van oplichting en diefstal van geld van bankrekeningen die op haar naam staan.

16. Een geschrift, zijnde een proces-verbaal met nummer PL133E 2013023649-1 van 29 januari 2013, opgemaakt door [persoon 10] (doorgenummerde pag. 595 en 596).

Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1], zakelijk weergegeven:

Hierbij doe ik aangifte namens mijzelf en de benadeelde [persoon 2] ter zake diefstal van geld van de rekeningen, die op naam van mij en de benadeelde staan. Wij kunnen dus

beiden over de rekeningen beschikken. Het zijn allen rekeningnummers van de ABN ABRO Bank.

Ik zag dat er tussen de periode van 28 januari 2013 en 29 januari 2013 bedragen zijn overgeschreven tussen de rekeningen intern, waarvan ik en de benadeelde geen opdracht hebben gegeven. Vervolgens zijn er bedragen overgeschreven van de rekeningen naar rekeningen van derden, waarvoor ik en de benadeelde ook geen opdracht voor hadden gegeven.

Daarnaast heeft de ABN AMRO Bank mij ingelicht over het feit dat er telefonisch een nieuwe pas en een nieuwe pincode waren besteld. Deze pas en pincode werden separaat naar mijn adres gestuurd. Ik heb deze pas en pincode echter nooit ontvangen. Daarnaast hebben ik en de benadeelde nooit een nieuwe pas of pincode aangevraagd. Kennelijk heeft iemand met deze pas en pincode de bedragen overgeschreven, waarvoor ik en de benadeelde geen toestemming hebben gegeven.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

17. Een proces-verbaal met nummer PL133C 2012032679-48 van 28 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 7] (doorgenummerde pag. 701 tot en met 703).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 11], zakelijk weergegeven:

Ik ben namens de benadeelde ABN-AMRO Bank N.V. gerechtigd tot het doen van aangifte.

Voor klant [persoon 1] is op rekeningnunmer [rekeningnummer] een pas met nummer [nummer] aangevraagd. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen wie daartoe een verzoek heeft gedaan aan ABN AMRO. De aanvraag voor pas en pinbrief is gedaan door een medewerker van het ABN AMRO te [plaats].

Op rekening [rekeningnummer] ten name van [persoon 2] zijn de volgende frauduleuze

transacties gedetecteerd:

Datum Bedrag Rekening Begunstigde

29-01-2013 39.847,- [rekeningnummer] [bedrijf E] [De rechtbank begrijpt blijkens p. 603: € 39.857,-]

28-01-2013 71.964,- [rekeningnummer] [bedrijf E]

28-01-2013 177.540,- [rekeningnummer] [bedrijf D]

Op rekening [rekeningnummer] ten name van [persoon 1] zijn de volgende frauduleuze

transacties gedetecteerd:

Datum Bedrag Rekening Begunstigde

29-01-2013 39.847,- [rekeningnummer] [bedrijf E] [De rechtbank begrijpt blijkens p. 603: € 39.857,-]

Indien ABN AMRO had geweten dat ze niet met de echte cliënten van doen hadden dan had ABN AMRO geen aanvraag van nieuwe betaalpas op rekening [rekeningnummer] in behandeling genomen.

Er is aan niemand het recht verleend of toestemming gegeven tot het plegen van strafbare feiten.

18. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 26 maart 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 7] (doorgenummerde pag. 707 en 708).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Om te achterhalen wie er met de bankrekeningen van aangevers [persoon 2] en [persoon 1] frauduleuze overboekingen heeft gepleegd zijn bij de ABN AMRO Bank gegevens opgevraagd waaronder de camerabeveiligingsbeelden van het kantoor [plaats].

Op de bewakingsbeelden van het ABN AMRO Bank kantoor te [plaats] is te zien dat de datum is afgesteld op 18 januari 2013. Op de beelden staat het bezoek van de verdachte die zich voor doet als [persoon 2] bij de aanvraag van een nieuwe bankpas.

19. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 12 februari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[persoon 6] en [persoon 7] (doorgenummerde pag. 618 tot en met 623).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Uit de aangifte gedaan door [persoon 1] en [persoon 2] blijkt dat er vanaf rekeningnummer [rekeningnummer] op 28 januari 2013 een betaling van 177.540 euro is gedaan aan de begunstigde [bedrijf D].

Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat [bedrijf D] is gevestigd te [plaats]. De enig aandeelhouder is genaamd: [persoon 12].

Ik, verbalisant [persoon 6], heb telefonisch contact opgenomen met de heer [persoon 12] om gegevens op te vragen en eventuele beelden veilig te laten stellen.

[persoon 12] verklaarde geresumeerd dat:

- Hij inderdaad goud had geleverd aan een klant die zich [persoon 2] noemde.

- De klant gewoon heeft betaald en het goud heeft opgehaald.

Uit de uitgeleverde facturen blijkt dat op 25 januari 2013 de volgende producten zijn besteld. Uit de afleverbon blijkt dat deze goederen op 28 januari 2013 zijn opgehaald: 500 gram goudbaar, 5 stuks, 1 troy ounce gouden Krugerrand munt, 30 stuks, 1 troy ounce gouden American Eagle, 10 stuks, 1 troy ounce gouden Maple leaf 2012, 20 stuks, totaal

€ 177.540,00.

20. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 19 februari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[persoon 6] en [persoon 7] (doorgenummerde pag. 635 tot en met 637).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Uit de aangifte gedaan door [persoon 1] en [persoon 2] blijkt dat er vanaf rekeningnummer [rekeningnummer] op 28 en 29 januari 2013 een betaling is gedaan naar het begunstigde goudbedrijf [bedrijf E].

[bedrijf E] is een bedrijf dat zich bezig houdt met het inkopen en verkopen van goud en is gevestigd te [plaats].

Politieambtenaar [persoon 6] heeft telefonisch contact opgenomen met de heer [persoon 13] van [bedrijf E] om gegevens op te vragen en eventuele beelden veilig te laten stellen.

De heer [persoon 13] verklaarde geresumeerd dat:

- Hij inderdaad goud had geleverd aan een klant die zich [persoon 2] noemde.

- [persoon 2] op vrijdag 25 januari 2013 voor de eerste keer in [plaats] bij [bedrijf E] op kantoor is geweest om zijn goudbestelling door te geven, 1800 gram goud.

- Op 28 januari 2013 stond het factuurtotaal van € 71 .964,= bijgeschreven en is [persoon 2] op kantoor geweest om zijn bestelling af te halen. Omdat [bedrijf E] niet alles op voorraad had is er slechts een gedeelte (800 gram goud) geleverd aan [persoon 2]. Het restant 1000 gram goud zou op dinsdag 29 januari worden afgehaald. Tevens gaf [persoon 2] aan nog een bestelling te willen doen van 1000 gram goud.

- Op dinsdag 29 januari 2013 heeft [bedrijf E] geconstateerd dat er 2 nieuwe betalingen van [persoon 2] (2 maal € 39.857,=) op de bankrekening van het bedrijf waren bijgeschreven. Een betaling was afkomstig van een ander rekeningnummer. Hier is telefonisch contact met [persoon 2] over geweest. [persoon 2] gaf aan dat dit per abuis verkeerd was gegaan. [persoon 2] is op dinsdag 29 januari 2012 bij [bedrijf E] gekomen om de 2 kilo goud af te halen. Omdat het goudtransport nog niet gearriveerd was op het moment dat [persoon 2] bij [bedrijf E] was, is [persoon 2] vertrokken.

- De 800 gram goud is uitgeleverd in de vorm van 1 x 500 gram goudbaar (Degussa) 3 x 100 gram goudbaar (Umicore).

Op de factuur is met de hand door een medewerker van [bedrijf E] geschreven dat 800 gram goud is afgehaald op 28 januari 2013 door de heer [persoon 2] met een waarde van € 32.107,00.

21. Een geschrift, zijnde een feiten relaas van de Duitse politie d.d. 30 januari 2013, ondertekend door [persoon 14].

Dit geschrift houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Op woensdag 30 januari 2013 controleerden de politieambtenaren [persoon 15] en

[persoon 14] de Nederlandse personenauto Seat, Ibiza, kleur: zwart, kenteken [kenteken] in

de AS Solingen langs de A3 in rijrichting Keulen.

Bestuurder van de personenauto was [persoon 16], de bijrijder was genaamd [verdachte], geboren op [1988] in [plaats], woonachtig [GBA-adres].

Beide personen verklaarden op weg vanuit Amsterdam naar Wiesbaden te zijn. Met een doorzoeking van de personenauto zijn beide personen akkoord gegaan.

Hierbij werd achter de bijrijdersstoel een plastic zakje gevonden. Hierin

bevonden zich kleren. Onder de kleren werden twee kartonnen doosjes gevonden, die vrij zwaar waren. De niet afgesloten dozen zijn geopend, waarbij de volgende voorwerpen zijn gevonden:

  • -

    4 goudbaren à 500 g

  • -

    3 goudbaren à 100 g

  • -

    15 munten ‘Krugerrand’ à 1 oz

  • -

    10 munten ‘Maple Leaf’ à 1 oz

  • -

    5 munten ‘American Eagle’ à 1 oz

[verdachte] gaf aan goud bij zich te hebben, echter zonder de betreffende documenten. Zij gaven een Duits mobiele telefoonnummer van de vermeende afnemer in Wiesbaden aan.

Bij contactopname met de houder van dit telefoonnummer bleek dat er daadwerkelijk een

ontmoeting was afgesproken.

Ten aanzien van het onder 2., 4. en 5. primair bewezen verklaarde

22. Een proces-verbaal met nummer 2012032679 van 17 april 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[persoon 9] en [persoon 7] (doorgenummerde pag. 739 tot en met 746, bijlagen pag. 747 tot en met 753).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [medeverdachte 3], zakelijk weergegeven:

U toont mij een afdruk van de camerabeveiligingsbeelden van ABN AMRO kantoor te [plaats] van 18 januari 2013. Daarop is te zien dat een man om 13:00 uur bij de bank binnenkomt en met een bankmedewerker in gesprek gaat. U vraagt mij of ik dat ben. Ja, dat klopt.

U vraagt mij hoe ik aan de gegevens van de klanten [persoon 2] en [persoon 1] kwam. Ik ben in de zomer van vorig jaar in contact gekomen met een Surinaamse jongen. Hij vroeg of mijn foto op een vals identiteitsbewijs kon tegen betaling, met als doel het aanvragen van een nieuwe bankpas. Ik zat in financiële moeilijkheden. Dus toen ben ik er op ingegaan. Ik heb hem toen een pasfoto gegeven en hij heeft een vervalst rijbewijs laten opmaken. Waarschijnlijk van goede kwaliteit, want hij kwam door de test bij de goudzaken.

De Surinaamse jongen heet [verdachte].

Hij zou mij 500 euro geven voor de bankpas. Een paar dagen later kwam hij met het goud verhaal en ik zou daar 10.000 euro voor krijgen. Daar heb ik uiteindelijk 1000 euro voor gekregen en daarna is hij met de noorderzon vertrokken.

Hij heeft ooit verteld dat hij bij zijn vriendin woonde in de buurt van de [straat] in [plaats].

U vraagt mij wat ik bij de ABN AMRO te [plaats] heb gedaan? Een van de neefjes van [verdachte] heeft een bank uitgezocht waarbij ze niet zo moeilijk doen. Ik ben samen met [verdachte] er heen gegaan, hij bleef in de auto en ik ben naar binnen gegaan. Ik heb mij voorgesteld als de heer [persoon 2] en verteld dat ik een extra bankpas wilde. Dat was zo gebeurd en toen liep ik weer naar buiten.

U vraagt mij hoe wij het hebben gedaan met het ontvangen van de extra bankpas en de pincode. Het is naar het adres van de hoofdrekening gestuurd weet ik nog. [verdachte] vertelde dat hij iemand had die het postadres van de hoofdrekeninghouder 24 uur per dag in de gaten hield.

Ik heb in opdracht van [verdachte] gehandeld.

U laat mij een geluidsfragment horen van een man die zich voordoet als [persoon 2] die op 25 januari 2013 spreekt met de heer [persoon 12] van [bedrijf D]. U denkt dat ik dat ben en vraagt mij of dat klopt. Ja, dat klopt. Die ochtend heeft [verdachte] mij het voorstel gedaan om goud daar af te halen en goudonderhandelingen te doen en dat ik daar 10.000 euro voor zou krijgen. Als u zegt dat dat op 25 januari 2013 is geweest dan zal dat zo zijn geweest.

Ik heb op 28 januari 2013 het goud opgehaald.

U toont mij een afdruk van de camerabeveiligingsbeelden van het goudbedrijf [bedrijf D] te [plaats]. U houdt mij voor dat te zien is dat ik daar op maandagochtend 28 januari 2013 was. Ja, dat was ik.

U vraagt mij wat ik op maandagmiddag 28 januari 2013 heb opgehaald bij [bedrijf D] te [plaats]. Het bedrag weet ik niet meer, maar ik was onder de indruk van de hoeveelheid van het goud. Voor zover ik het mij kan herinneren waren het Krugerrand munten, Maple Leaf en goudbaren. Het exacte bedrag weet ik niet meer. Het was ruim over een ton. Ik neem aan dat u de factuur van het bedrijf heeft, dus het bedrag wat u noemt, 177.540 euro zal dan kloppen.

U vraagt mij of het 5 goudbaren van 500gram, 30 Kruger munten, 10 American Eagle munten en 20 Maple Leafmunten waren. Dat zou goed kunnen.

Ik heb in opdracht van [verdachte] dit goud afgehaald bij [bedrijf D]. Ik ben met een van zijn neven er heen gereden.

U houdt mij voor dat ik op vrijdag 25 januari 2013 bij [bedrijf E] ben geweest voor een goudonderhandeling voor de aankoop van 1800 gram goud ter waarde van 71.964,= euro.

U vraagt mij of ik de man ben op het door u getoonde beeld van de camerabeveiligingsbeelden van het goudbedrijf [bedrijf E] te [plaats] op 28 januari 2013. Ja, dat ben ik.

U vraagt mij voor welk bedrag ik aan goud heb afgehaald. Het exacte bedrag weet ik niet meer. Het was minder dan afgesproken, omdat ze niet genoeg op voorraad hadden.

Het waren alleen goudbaren. Het kan inderdaad kloppen dat het 1 grote van 500 gram was en drie kleine goudbaren van 100 gram. Dat zou goed kunnen.

U houdt mij voor dat uit informatie van [bedrijf E] bleek dat ik 800 gram goud hebt opgehaald op maandag 28 januari 2013, ter waarde van 32.107 euro. Dat zou goed kunnen.

In beide gevallen heb ik het goud vervolgens aan de neef gegeven.

Ik heb 1000 euro verdiend met bovenstaande. ‘s Avonds kwam [verdachte] langs om 1000 euro te brengen en hij was nog bezig de rest van het goud te verkopen. Ik had nog 9000 euro van hem tegoed. Hij zou de donderdag daarop weer langs komen om de rest van het geld te brengen. Vervolgens is hij niet op komen dagen.

Noot verbalisanten: Wij tonen verdachte een aantal foto’s die bij het proces-verbaal van verhoor als bijlage gevoegd worden. Wij hoorden dat de verdachte zei bij foto 6:

Ja, dat is [verdachte], de man die ik ken als [verdachte], op wiens initiatief ik het allemaal heb gedaan.

Afgebeeld op foto 6: [verdachte], geboren op [1988] te [plaats].

Fotonummer politiefoto: [nummer]

1 EHRM 10 juli 2012 nr. 29353/06 (Vidgen tegen Nederland) en HR 29 januari 2013 ECLI:NL:HR:2013:BX5539.

2 HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001.