Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:141

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-01-2014
Datum publicatie
17-01-2014
Zaaknummer
C/13/556268 / KG ZA 13-1542
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vordering tot verlenging gedoogverklaring coffeeshop the Grasshopper afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/556268 / KG ZA 13-1542 HB/SvE

Vonnis in kort geding van 16 januari 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOMANED I B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOMANED II B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseressen bij dagvaarding van 20 december 2013,

advocaat mr. S. Levelt te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

gedaagde,

advocaten mr. E.A. Minderhoud en mr. H.P. Wiersema te Amsterdam.

Eiseressen zullen hierna H I en H II worden genoemd en gedaagde zal worden aangeduid als de gemeente Amsterdam.

1 De procedure

Ter terechtzitting van 2 januari 2014, welke zitting ter plekke heeft plaatsgevonden, hebben H I en H II gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De gemeente Amsterdam heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting hebben partijen mondeling overeenstemming bereikt over de bebording. De advocaat van H I en H II heeft de griffier na de zitting telefonisch medegedeeld dat de borden daadwerkelijk geplaatst zijn en dat dit deel van de vordering geen bespreking meer behoeft in het vonnis. Ter terechtzitting waren, voor zover van belang, aanwezig:

aan de zijde van H I en H II: [persoon 1] (hierna: [persoon 4]) met

mr. Levelt;

aan de zijde van de gemeente Amsterdam: [persoon 2] (manager omgeving, hierna:[persoon 2]), [persoon 3](beleidsmedewerkster coffeeshops) en [persoon 4] (Coalitieproject 1012) met mrs. Minderhoud en Wiersema.

2 De feiten

Inleiding

2.1.

H I en H II, beide volle dochters van Villanueva Holding B.V., exploiteren een horeca-inrichting in het pand aan de Oudebrugsteeg 16 te Amsterdam (hierna: het pand). De zeggenschap over H I en H II alsmede over het pand berust sinds 1992 bij [persoon 4].

2.2.

In het souterrain van het pand is een coffeeshop gevestigd onder de naam “the Grasshopper” die wordt gedreven door H I. Op de beletage bevond zich een café (Horeca III-inrichting), welke thans wordt verbouwd tot een restaurant (Horeca IV-inrichting). Bij deze inrichting hoort een terras op de steiger in het Damrak. Deze inrichting wordt geëxploiteerd door H II. Op de eerste verdieping bevindt zich een lounge bar (Horeca IV-inrichting) en op de tweede verdieping het steakhouse Evita (Horeca IV-inrichting).

Het project ‘De Rode Loper’

2.3.

In april 2003 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel centrum van de gemeente Amsterdam het initiatief genomen om een masterplan te maken voor de inrichting van de openbare ruimte boven de Noord/Zuidlijn: “de Rode Loper”. Het tracé loopt vanaf het Centraal Station via het Damrak, het Rokin, de Vijzelgracht, de Ferdinand Bolstraat en uiteindelijk via de Scheldestraat naar de Zuidas. Het doel van het project is van de openbare ruimte boven de Noord/Zuidlijn een mooi gebied te maken met meer ruimte voor voetgangers en met een goede bereikbaarheid en verkeersveiligheid.

2.4.

Op 29 oktober 2009 heeft de deelraad van stadsdeel centrum de Nota Uitgangspunten Rode Loper vastgesteld, gevolgd door de gemeenteraad op 18 november 2009. Op 1 februari 2011 hebben het stadsdeel en de centrale stad het ontwerp voor de Rode Loper vrijgegeven voor inspraak. In 2011 zijn in dat kader drie bijeenkomsten georganiseerd. De reacties zijn opgenomen in de Reactienota Ontwerp Rode Loper. Op 24 januari 2012 respectievelijk 31 januari 2012 hebben het dagelijks bestuur en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam het ontwerp Rode Loper voor het Centrum en de Reactienota Ontwerp Rode Loper vastgesteld. Op 21 februari 2012 respectievelijk 14 maart 2012 hebben de stadsdeelraad en de gemeenteraad het Ontwerp Rode Loper voor het centrum vastgesteld.

2.5.

In 2011 is aangekondigd dat de werkzaamheden aan de Rode Loper op het Damrak begin 2013 zouden aanvangen. De gemeente Amsterdam heeft informatieavonden gehouden over de werkzaamheden en de planning en heeft belanghebbenden vanaf begin 2013 specifiek geïnformeerd over de planning en werkzaamheden aan het Damrak.

2.6.

Op 10 juli 2013 heeft er een informatieavond plaatsgevonden waarin de definitieve BLVC-plannen (Bereikbaarheid, Leefbaarheid, Veiligheid, Communicatie) voor de werkzaamheden van de Prins Hendrikkade tot aan de Dam inclusief de Oudebrugsteeg door de gemeente Amsterdam zijn toegelicht. In het BLVC-plan vernieuwen kademuur Damrak, gedateerd 6 juni 2013, staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“De fasering van de kademuur op het Damrak is in twee ongeveer gelijke delen verdeeld. In fase 1 wordt het gedeelte kademuur vanaf de Oudebrugsteeg tot halverwege het Damrak vernieuwd. (…) Zowel in fase 1, als in fase 2 wordt gebruik gemaakt van tijdelijke steigers. (…) Ook voetgangers uit of in de richting van de Beurs van Berlage/Bijenkorf kunnen gebruik maken van de tijdelijke steigers. (…) De werkzaamheden aan fase 1 van de kademuur duren ongeveer 6 maanden, tot medio februari 2014. (…)”

In het BLVC-plan, gedateerd 21 juni 2013, staat, voor zover van belang, het volgende:

“Het vernieuwen van de kademuur wordt in twee fasen uitgevoerd. (…) Om ervoor te zorgen dat de rederijen in bedrijf kunnen blijven tijdens de werkzaamheden is er gekozen voor het aanleggen van tijdelijke steigers. (…) Ook de bezoekers van het Damrak en/of de rederijen gaan gebruik maken van deze tijdelijke steigers. (…) Ook mensen uit of in de richting van de Beurs van Berlage/Bijenkorf kunnen gebruik maken van de tijdelijke steigers. (…) Na het verwijderen van de tijdelijke steigers van fase 1 worden deze omgezet naar de tijdelijke steigers in fase 2. De verwachting is dat deze werkzaamheden in februari 2014 uitgevoerd gaan worden. (…)”

2.7.

Bij brief van 14 oktober 2013 heeft de advocaat van H I en H II de gemeente Amsterdam onder meer het volgende medegedeeld:

“Cliënten hebben een aanzienlijke teruggang geconstateerd in bezoekersaantallen, die rechtstreeks is te relateren aan de start van de werkzaamheden aan het Damrak en de wijze waarop deze worden uitgevoerd. De zichtbaarheid, bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van de horeca-inrichtingen van cliënten zijn aanzienlijk afgenomen. Er is hoegenaamd geen bezoekersstroom meer vanaf het Damrak. De steigers in het Damrak zijn uitsluitend toegankelijk voor voetgangers. Bovendien lijken deze steigers voor voetgangers uitsluitend te zijn bestemd voor de rederijen. (…) Er is geen enkele aanduiding dat via deze steigers ook het pand van cliënten bereikbaar is. (…) Het gevolg hiervan is een aanzienlijke daling in bezoekersaantallen en een fors omzetverlies. Cliënten verzoeken u met klem (…) deze neerwaartse spiraal te keren door op het Damrak en de steiger met een aantal goed leesbare borden aan te duiden dat de horeca-inrichtingen van cliënten, De Oude Brugsteeg en Warmoesstraat bereikbaar zijn via de steiger. (…)”

2.8.

De gemeente Amsterdam heeft bij brief van 15 november 2013 gereageerd op de brief van H I en H II van 14 oktober 2013. In de brief staat, voor zover van belang, het volgende:

“Op vrijdag 18 oktober bent u per e-mail op de hoogte gesteld van de plaatsing van twee borden ter hoogte van de hoek Damrak/Oudebrugsteeg. (…) Op dinsdag 22 oktober is de heer Soffner [collega van mr. Levelt, vzr.] geïnformeerd over de plaatsing van een verwijzingsbord op de hoek Damrak/Prins Hendrikkade. (…) Op vrijdag 25 oktober 2013 is de heer Soffner geïnformeerd over de plaatsing van het onderbord met daarop de openingstijden van de steiger. De openingstijden van de steiger zijn gerelateerd aan de werkende uren van de rederijen. Hoewel er sprake is van een openbaar toegankelijke steiger is er, vanuit het oogpunt van veiligheid en het beperken van mogelijk vandalisme, voor gekozen om de steiger na sluitingstijd van de rederijen (in de wintermaanden rond 17.00 uur/ 18.00 uur) af te sluiten. (…) In gevallen waarin ondernemers menen aantoonbaar onevenredig last te hebben gehad van rechtmatig handelen door de overheid, kunnen zij een aanvraag indienen in het kader van de door de gemeenteraad vastgestelde regeling nadeelcompensatie. (…)”

2.9.

Bij brief van 27 november 2013 hebben H I en H II de gemeente Amsterdam onder meer medegedeeld dat de bereikbaarheid van het pand ernstig beperkt wordt als gevolg van het afsluiten van de steiger na 17.00 uur ’s middags. H I en H II verzoeken de gemeente Amsterdam om de loopsteiger over het Natte Damrak permanent, danwel gedurende de openingstijden van de horeca-inrichtingen open te houden. De gemeente Amsterdam heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek van H I en H II.

Het Coalitieproject 1012

2.10.

De gemeente Amsterdam heeft zich tot doel gesteld in het postcodegebied 1012 de aantrekkingskracht voor criminele activiteiten te verminderen en de economische structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te versterken. De gemeenteraad en de stadsdeelraad van het stadsdeel centrum hebben daartoe op 25 juni 2009 respectievelijk 2 juli 2009 de ‘Strategienota Coalitieproject 1012 Hart van Amsterdam’ vastgesteld.

2.11.

De vijf centrale beleidsdoelen van het Coalitieproject 1012 zijn (i) het ontmantelen van de criminele infrastructuur, (ii) het verminderen van de omvang en concentratie van criminogene, economisch laagwaardige en/of overlastgevende functies, (iii) het stoppen en keren van de verloedering, (iv) het herstellen van de functiebalans, en (v) het realiseren van een kwalitatief hoogwaardig en divers entreegebied voor Amsterdam. Een van de pijlers om die doelen te verwezenlijken is de straatgerichte aanpak.

2.12.

In het gebied zijn straten geselecteerd die een belangrijke rol spelen in de transformatie. In deze straten is sprake van een oververtegenwoordiging van criminogene en laagwaardige voorzieningen en is tegelijkertijd sprake van veel potentie voor verbetering. Binnen de straatgerichte aanpak heeft de vermindering van coffeeshops hoge prioriteit.

2.13.

Bij brief van 10 juli 2009, met als onderwerp Strategienota Coalitieproject 1012, heeft de gemeente Amsterdam H I, voor zover hier van belang, het volgende medegedeeld:

“Een van de onderdelen van de Strategienota Coalitieproject 1012 betreft het vrij maken van daartoe aangewezen straten van coffeeshops. De straten zijn aangewezen op basis van ruimtelijke criteria. (…) Uw coffeeshop ligt in (een gedeelte van een) aangewezen straat, die vrij dient te worden gemaakt van coffeeshops. Een en ander betekent voor de exploitatie van uw coffeeshop dat u, na afloop van uw vigerende exploitatievergunning, nog eenmaal in aanmerking komt voor een laatste verlenging van uw exploitatievergunning met gedoogverklaring voor het exploiteren van een coffeeshop. (…) De peildatum voor de verlenging ligt op 1 september 2009. Voor de door u geëxploiteerde coffeeshop betekent dit dat indien u aan alle geldende voorwaarden voor verlenging voldoet, de exploitatie van een coffeeshop op huidig perceeladres wordt gedoogd tot 1 december 2012. (…)”

2.14.

Bij besluit van 25 juni 2010 heeft de gemeente Amsterdam aan H I een exploitatievergunning alsmede een gedoogverklaring verleend, geldig tot 1 december 2012.

2.15.

De gemeente Amsterdam is in overleg getreden met de coffeeshopexploitanten om te bekijken op welke wijze zij kan bijdragen aan een doorstart naar een andere vorm van exploitatie (transformatie). De exploitatievergunning wordt in beginsel niet ingetrokken, alleen de gedoogverklaring, zodat een horeca-inrichting nog wel kan worden geëxploiteerd op dezelfde locatie.

2.16.

Bij brief van 1 augustus 2012 heeft de gemeente Amsterdam onder meer het volgende bericht:

“Ik ga er echter van uit dat de betreffende exploitanten, nadat hun gedoogverklaring is komen te vervallen, de verkoop van softdrugs zullen staken. (…) Indien de verkoop toch wordt voortgezet, zal ik mij beraden over te nemen stappen (…)”

2.17.

Vanaf medio 2012 hebben tussen partijen gesprekken plaatsgevonden met betrekking tot de vrijwillige transformatie van de coffeeshop tot Horeca IV-inrichting. Bij brief van 22 oktober 2012 heeft de gemeente Amsterdam H I onder meer het volgende medegedeeld:

“Per 1 december 2012 vervalt de gedoogverklaring van uw coffeeshop (…) Op dit moment is nog onduidelijk hoe een nieuwe regering invulling wil geven aan de plannen van het huidige demissionaire kabinet Rutte met betrekking tot het afstandscriterium en het besloten club en ingezetenencriterium. (…) Aangezien uw gedoogverklaring binnen afzienbare tijd vervalt en ik niet de verwachting heb dat er op dat moment reeds duidelijkheid vanuit een nieuwe regering is gegeven, deel ik u het volgende mee. Vanaf 1 december 2012 wordt de verkoop van softdrugs in uw zaak (…) gedoogd totdat u van mij nader bericht ontvangt. (…)”

2.18.

Bij brief van 6 februari 2013 heeft de gemeente Amsterdam H I medegedeeld dat het H I wordt toegestaan de coffeeshop “the Grasshopper” te exploiteren tot 1 juli 2013.

2.19.

Op 29 mei 2013 hebben enkele coffeeshopexploitanten en/of rechthebbenden op de bedrijfsruimtes waarin coffeeshops worden geëxploiteerd, waaronder H I, de gemeente Amsterdam in een bodemprocedure gedagvaard voor deze rechtbank. Zij hebben onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat de gemeente Amsterdam jegens hen onrechtmatig handelt door de vaststelling en de invoering van de straatgerichte aanpak, alsmede de gemeente Amsterdam te verbieden de straatgerichte aanpak uit te voeren.

2.20.

Op 12 juni 2013 heeft H I een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning ten behoeve van de herinrichting van het souterrain en de beletage tot restaurant.

2.21.

De gemeente Amsterdam heeft H I en H II bij brief van 1 juli 2013 medegedeeld dat zij akkoord is met uitstel van het vervallen van de gedoogverklaring voor de feitelijke duur van de omgevingsvergunningverleningsprocedure, waarbij 1 juli als start wordt genomen, doch minimaal voor 12 weken, plus 6 weken na datum verzending van de beslissing op aanvraag.

2.22.

Partijen hebben op 4 juli 2013 een overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Considerans

a. Partijen hebben overleg gehad over het transformatieplan van Homaned voor het pand (…), het verzoek om verlenging van de duur van de gedoogverklaring, en de wens van de gemeente Amsterdam horeca III bestemming in het pand (…) te doen vervallen.

b. Homaned heeft in dat kader een ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag ingediend (…) Deze aanvraag is door Homaned gepreciseerd naar restaurant behorend tot categorie IV (restaurant, lunchroom, etc) voor de bouwlagen souterrain en de begane grond.

c. De gemeente (burgemeester) heeft (in de brief van 1 juli 2013) daarom uitstel van het vervallen van de gedoogverklaring verleend, alleen voor de feitelijke duur van de omgevingsvergunningverleningsprocedure, waarvan 1 juli als start is genomen, doch minimaal voor 12 weken, plus 6 weken na datum verzending van de beslissing op aanvraag. (…)

14. Homened behoudt zijn rechten voor wat betreft de rechten/aanspraken betreft het aanvechten van de rechtmatigheid van de straatgerichte aanpak en de eventueel daaruit voortvloeiende verkrijging van vergoeding van schade. (…)”

Bij brief van 5 juli 2013 heeft de gemeente Amsterdam aan H I bevestigd dat de gedoogstatus is verlengd tot 4 november 2013 en aan H I een exploitatievergunning verleend, geldig tot 4 november 2013.

2.23.

Op 20 augustus 2013 is aan H I een omgevingsvergunning verleend.

2.24.

Bij brief van 30 september 2013 heeft de advocaat van H I en H II de gemeente Amsterdam onder meer het volgende medegedeeld:

“De transformatie waar cliënte voor staat is zeer ingrijpend. Per 4 november 2013 zal Homaned I haar activiteiten moeten staken. Bedacht moet worden dat de bedrijfsbeëindiging van Homaned I aanzienlijke (financiële) gevolgen voor Homaned II zal hebben. Homaned II is in grote mate afhankelijk van Homaned I. (…) Direct voelbaar per 4 november 2013 zal voor Homaned II de afname van klanten zijn door het ontbreken van doorstroom uit de coffeeshop. (…) Daarnaast heeft de renovatie van het Damrak (…) grote gevolgen voor zichtbaarheid, bereikbaarheid en aantrekkelijkheid van Homaned II (…) Er is hoegenaamd geen bezoekersstroom meer vanaf het Damrak. De steigers in het Damrak zijn uitsluitend toegankelijk voor voetgangers. (…) De geschetste omstandigheden dwingen cliënte tot terughoudendheid bij de uitvoering van haar plannen. (…) De realiteit van de huidige onzekere (markt)omstandigheden (…) maakt dat cliënte ervoor kiest investeringen te temporiseren. (…) Cliënte zal daarom vooralsnog niet investeren in de aanleg van een keuken in het souterrain. Het souterrain zal voor opslag in gebruik worden genomen en niet toegankelijk zijn voor publiek. (…) Voortvloeiend uit het voorgaande verzoekt cliënte u toch nogmaals ter voorkoming van aanzienlijke en onomkeerbare schade af te zien van het niet verlengen van de gedoogverklaring althans in te stemmen met nader uitstel tot tenminste oplevering van de werkzaamheden aan het Damrak (…)”

2.25.

Op 31 oktober 2013 is de gedoogstatus opnieuw verlengd tot 4 januari 2014, onder de voorwaarde dat uiterlijk december 2013 de beletage is omgebouwd tot restaurant. Bij brief van 6 november 2013 is ook de exploitatievergunning verlengd tot 4 januari 2014.

2.26.

Bij brief van 2 december 2013 heeft de advocaat van H I en H II, onder verwijzing naar de brief van 30 september 2013, de gemeente Amsterdam wederom verzocht af te zien van het niet verlengen van de gedoogverklaring, althans in te stemmen met nader uitstel tot tenminste de oplevering van de werkzaamheden aan het Damrak. Bij e-mail van 11 december 2013 heeft de advocaat van H I en H II het verzoek toegelicht.

2.27.

Bij brief van 19 december 2013 heeft de gemeente Amsterdam het verzoek afgewezen. In de brief staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Op 11 december 2013 heeft u opnieuw een verzoek tot uitstel ingediend vanwege een sterke daling van de omzet van het restaurant Evita en de verwachting dat de omzet na sluiting van de coffeeshop per 4 januari 2014 verder zal dalen. Vanuit de transformatie van de coffeeshop beschouwd, zijn dit geen argumenten die uitstel van het vervallen van de gedoogverklaring rechtvaardigen. De gedoogverklaring (…) vervalt derhalve op 4 januari 2014.”

3 Het geschil

3.1.

H I en H II vorderen – samengevat – de gemeente Amsterdam te veroordelen vijf extra verwijzingsborden te plaatsen, de bereikbaarheid van het pand te waarborgen door de tijdelijke loopsteiger over het Natte Damrak permanent, danwel gedurende de openingstijden van de inrichtingen zonder beperkingen open te houden voor publiek en schriftelijk aan H I te bevestigen dat uitstel van verval van de gedoogverklaring is verleend tot en met de oplevering van de werkzaamheden ter uitvoering van het project Rode Loper Uitvoering Damrak inclusief kademuur, althans tot en met de oplevering van de werkzaamheden ter uitvoering van fase 1 van de Vernieuwing kademuur Damrak, danwel H I te behandelen als ware het gevorderde uitstel verleend.

3.2.

H I en H II hebben, samengevat, het volgende aan hun vorderingen ten grondslag gelegd. Ten gevolge van de cumulatie van twee van door de gemeente Amsterdam ingezette ontwikkelingen dreigen H I en H II onevenredig te worden benadeeld en aanzienlijke schade te lijden. Enerzijds vinden werkzaamheden plaats aan de kademuur van het Damrak in het kader van het project de Rode Loper, ten gevolge waarvan de zichtbaarheid, bereikbaarheid en aantrekkingskracht van het pand en de daarin gevestigde horeca-inrichtingen aanzienlijk is afgenomen, en anderzijds is in de straatgerichte aanpak van het Coalitieproject postcodegebied 1012 voorzien in het verval van de gedoogverklaring van “the Grasshopper” per 4 januari 2014. De opeenstapeling van deze ontwikkelingen zal na 4 januari 2014 tot een zodanig drastische teruggang in bezoekersaantallen met een daarmee gepaard gaande aanzienlijke omzetderving tot gevolg leiden, dat hiermee onrechtmatig jegens H I en H II wordt gehandeld.

3.3.

De gemeente Amsterdam voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

De gemeente Amsterdam heeft allereerst als verweer gevoerd dat de vordering van H I en H II strekkende tot het uitstellen van het vervallen van de gedoogverklaring jegens H II niet toewijsbaar is vanwege het ontbreken van relativiteit, nu de gedoogverklaring aan H I is verstrekt ten behoeve van de door haar geëxploiteerde coffeeshop. Als al sprake zou zijn van een rechtsnorm die de gemeente Amsterdam ertoe verplicht het vervallen van de gedoogverklaring langer uit te stellen, strekt deze norm tot bescherming van de belangen van H I en niet van H II, aldus de gemeente Amsterdam.

4.2.

Dit verweer wordt verworpen. Voldoende aannemelijk is dat H I en H II in termen van klandizie en daarmee van omzet zodanig met elkaar zijn verweven dat het al dan niet uitstellen van het vervallen van de gedoogverklaring invloed heeft op de door H II gedreven horeca-inrichtingen, zodat voldaan is aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek.

4.3.

De gemeente Amsterdam heeft voorts als verweer gevoerd dat H I en H II onvoldoende spoedeisend belang hebben bij hun vordering strekkende tot het uitstellen van het vervallen van de gedoogverklaring, nu er volgens de gemeente Amsterdam waarschijnlijk nog wel enige tijd resteert voordat het tot een concrete handhavingsmaatregel komt.

4.4.

Dit verweer wordt eveneens verworpen. De gemeente Amsterdam heeft het verzoek van H I om het vervallen van de gedoogverklaring uit te stellen bij brief van 19 december 2013 (zie 2.27) afgewezen en medegedeeld dat de gedoogverklaring op 4 januari 2014 vervalt. Dit betekent dat H I vanaf 4 januari 2014 de verkoop van softdrugs dient te staken en dat, als zij dat niet doet, zij rekening moet houden met een handhavingsbesluit. Hiermee is het spoedeisend belang bij de vordering gegeven. Dat het volgens de gemeente Amsterdam waarschijnlijk enige tijd kan duren voordat het tot een concrete handhavingsmaatregel komt doet hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan af. Overigens heeft de gemeente Amsterdam ter zitting bevestigd dat de status quo zal worden gehandhaafd tot aan de datum van dit vonnis.

4.5.

De gemeente Amsterdam heeft verder als verweer gevoerd dat na het vervallen van de gedoogverklaring een volwaardige bestuursrechtelijke rechtsgang open zal staan en dat H I en H II zich derhalve dienen te wenden tot de bestuursrechter.

4.6.

Ook dit verweer wordt verworpen. Volgens vaste jurisprudentie van de bestuursrechter is de schriftelijke weigering te gedogen – waaronder naar het oordeel van de voorzieningenrechter tevens valt de weigering om het vervallen van de gedoogverklaring uit te stellen – geen appellabel besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De weg van een bestuursrechtelijke bezwaar- en beroepsprocedure staat slechts open tegen een eventueel daarop volgend handhavingsbesluit. Niet is in geschil dat er op dit moment geen handhavingsbesluit is genomen en de bestuursrechtelijke weg derhalve op dit moment niet open staat voor H I en H II.

De tijdelijke loopsteiger

4.7.

H I en H II hebben gevorderd de tijdelijke loopsteiger over het Natte Damrak – welke steiger er ligt gedurende de werkzaamheden ter uitvoering van fase 1 van de Vernieuwing kademuur Damrak – permanent, danwel tenminste gedurende de openingstijden van de horeca-inrichtingen van H I en H II zonder beperkingen open te houden voor het publiek, waardoor de bereikbaarheid van het pand wordt gewaarborgd.

4.8.

De gemeente Amsterdam heeft aangevoerd dat de openingstijden van de tijdelijke steiger zijn gerelateerd aan de werkende uren van de rederijen. Vanuit het oogpunt van veiligheid en het beperken van mogelijk vandalisme is ervoor gekozen om de steiger na sluitingstijd van de rederijen af te sluiten. Indien de tijdelijke steiger permanent, althans langer, open zal moeten blijven brengt dit hoge kosten met zich mee omdat in dat geval aanvullende veiligheidsmaatregelen getroffen moeten worden. Voorts neemt de overgrote meerderheid van de voetgangers vanaf het station en de Prins Hendrikkade de route via de westzijde van het Damrak en bezoekers voor de Oudebrugsteeg steken vanaf het Damrak over bij het zebrapad ter hoogte van de Oudebrugsteeg. Dit zebrapad is onbelemmerd en de bereikbaarheid van het pand is gelijk gebleven aan de situatie van voor de werkzaamheden aan de kademuur, aldus de gemeente Amsterdam.

4.9.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Voldoende aannemelijk is dat de meerderheid van de voetgangers vanaf het station en de Prins Hendrikkade de route via de westzijde van het Damrak neemt en bezoekers voor het oostelijk deel van de Oudebrugsteeg oversteken bij het zebrapad ter hoogte van de Oudebrugsteeg. Dit was ook waarneembaar tijdens de zitting op 2 januari 2014. Onvoldoende aannemelijk is dan ook dat de tijdelijke steiger veelvuldig wordt gebruikt door bezoekers van het pand.[persoon 2] heeft voorts ter zitting verklaard dat de werkzaamheden ter uitvoering van fase 1 van de Vernieuwing kademuur Damrak nog maar duren tot en met februari 2014. Voorts heeft de gemeente Amsterdam voldoende aannemelijk gemaakt dat het langer openhouden van de tijdelijke steiger aanzienlijke kosten met zich brengt. In het licht van voornoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de gemeente Amsterdam niet onrechtmatig jegens H I en H II handelt door de openingstijden van de tijdelijke steiger niet te verruimen. De vordering van H I en H II zal derhalve worden afgewezen.

4.10.

De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat de gemeente Amsterdam ter zitting heeft toegelicht dat, voor zover H I en H II stellen dat sprake is van onevenredig nadeel dat uitstijgt boven het normale ondernemingsrisico, zij terzake een aanvraag kunnen indienen in het kader van de Algemene Verordening Nadeelcompensatie Amsterdam.

Uitstel vervallen gedoogverklaring

4.11.

H I en H II hebben voorts gevorderd de gemeente Amsterdam te veroordelen schriftelijk aan H I te bevestigen dat uitstel van verval van de gedoogverklaring is verleend tot en met de oplevering van de werkzaamheden ter uitvoering van het project Rode Loper Uitvoering Damrak inclusief kademuur, althans tot en met de oplevering van de werkzaamheden ter uitvoering van fase 1 van de Vernieuwing kademuur Damrak, danwel H I te behandelen als ware het gevorderde uitstel verleend.

4.12.

De gemeente Amsterdam heeft aangevoerd dat het niet langer gedogen van de coffeeshop rechtmatig is. De gemeente Amsterdam heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar alle belangen en heeft haar beleidskeuzes zorgvuldig gemotiveerd in de beleidsstukken. De aan H I geboden ruime overgangstermijn en de uitgestoken hand voor en medewerking aan de transformatie van de coffeeshop geven blijk van aandacht voor individuele belangen. Het gevoerde beleid is derhalve uit een oogpunt van belangenweging evenredig. H I en H II hebben bovendien ruimschoots de tijd gehad zich voor te bereiden op de intrekking van de gedoogverklaring en de werkzaamheden aan het Damrak. Dat de datum waarop de gedoogverklaring vervalt arbitrair zou zijn, miskent dat door de gemeente Amsterdam met betrekking tot de overgangstermijn een peildatum is gekozen (zie 2.13) om ten aanzien van alle coffeeshophouders die door de maatregel getroffen worden, recht te doen aan het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus – steeds – de gemeente Amsterdam.

4.13.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat de rechtmatigheid van de vaststelling van het Coalitieproject 1012, respectievelijk de uitvoering daarvan als zodanig, thans niet aan de orde is. HI en H II stellen dat zij door de door de gemeente Amsterdam veroorzaakte cumulatie van schadeveroorzakende omstandigheden onevenredig worden benadeeld, hetgeen jegens hen onrechtmatig is. De gemeente Amsterdam heeft H I echter reeds bij brief van 10 juli 2009 (zie 2.13) medegedeeld dat haar coffeeshop valt onder het Coalitieproject 1012 en dat de exploitatie van de coffeeshop zal worden gedoogd tot 1 december 2012. Ook heeft de gemeente Amsterdam reeds in 2011 aangekondigd dat de werkzaamheden aan het Damrak in het kader van het project de Rode Loper begin 2013 zouden aanvangen. H I en H II hebben dan ook ruimschoots de tijd gehad zich voor te bereiden op de gevolgen van de intrekking van de gedoogverklaring en de werkzaamheden aan het Damrak. Door eerst medio 2013 over te gaan tot de daadwerkelijke start van de transformatie van de coffeeshop (zie 2.15), onder andere door het toen pas aanvragen van een omgevingsvergunning, hebben H I en H II het er in niet onbelangrijke mate zelf op laten aankomen, dat door het nalaten van tijdig te nemen maatregelen gericht op het wegvallen van inkomsten (direct danwel indirect) van de coffeeshop, dit in de tijd ging samenvallen met de gestelde gevolgen voor de bedrijfsvoering van de werkzaamheden aan het Damrak. De brief van de gemeente Amsterdam van 22 oktober 2012 (zie 2.17), gevolgd door de brief van 6 februari 2013 (zie 2.18) maakt dit niet anders. Het effect van een en ander – de door H I en H II gestelde omzetdaling – dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook voor rekening en risico van H I en H II te komen.

De stelling van H I en H II dat 4 januari 2014 geen harde datum zou zijn omdat de gemeente Amsterdam de einddatum van de gedoogverklaring meerdere keren heeft verlengd volgt de voorzieningenrechter evenmin. De gemeente Amsterdam heeft ter zitting verklaard, hetgeen overigens ook volgt uit de overeenkomst van 4 juli 2013 (zie 2.22) en de brief van 31 oktober 2013 (zie 2.25), dat het vervallen van de gedoogverklaring enkel is uitgesteld met het oog op de transformatie van de coffeeshop. Men wilde kennelijk in redelijkheid zoveel mogelijk tegemoet komen aan de belangen van H I en H II. Zo staat in de considerans op de overeenkomst van 4 juli 2013 onder punt c letterlijk “De gemeente (burgemeester) heeft (in de brief van 1 juli 2013) daarom uitstel van het vervallen van de gedoogverklaring verleend, alleen voor de feitelijke duur van de omgevingsvergunningverleningsprocedure[onderstreping door de vzr.]. Dat de gemeente Amsterdam daarmee in het kader van het door haar terzake ingezette beleid geen redelijk belang meer zou hebben bij de datum waarop de gedoogverklaring vervalt, zoals H I en H II hebben gesteld, volgt de voorzieningenrechter dan ook niet.

4.14.

De conclusie van het voorgaande is dat de gemeente Amsterdam niet onrechtmatig jegens H I en H II handelt door in welke vorm dan ook het vervallen van de gedoogverklaring niet langer meer uit te stellen. Dit betekent dat ook deze vordering zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.15.

H I en H II zullen als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente Amsterdam worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.424,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt H I en H II in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente Amsterdam tot op heden begroot op € 1.424,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.N. Brouwer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. S. van Excel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2014.1

1 type: coll: