Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:1406

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-02-2014
Datum publicatie
21-03-2014
Zaaknummer
C/13/457207 / HA ZA 10-1344
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling VOF, Deskundigenbericht, aan wijze van totstandkoming en inhoud te stellen eisen, stelplicht.

Partijen zijn in de gelegenheid zijn gesteld kennis te nemen van de door de deskundige verrichte werkzaamheden en de inhoud van de stukken waarop de deskundige zijn onderzoek heeft gebaseerd. Verder zijn partijen in de gelegenheid gesteld op het conceptdeskundigenbericht te reageren en zij hebben dat ook gedaan. De deskundige heeft de door partijen gestelde vragen beantwoord en een en ander is in een definitief deskundigenbericht verwerkt. Daarmee voldoet de werkwijze van de deskundige aan de daaraan te stellen eisen.

Door gedaagde telkens opgeworpen vragen, geuite vermoedens en gestelde ongerijmdheden kunnen niet tot de slotsom leiden dat het deskundigenbericht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Gedaagde stelt niet dat en, zo ja, op welke specifieke onderdelen en waarom de bevindingen van de deskundige onjuist zouden zijn. Evenmin stelt, onderbouwd of kwantificeert hij in hoeverre dat vervolgens tot een andere vaststelling van de aan elk van de vennoten toekomende bedragen zou moeten leiden. De door gedaagde tegen de inhoud van het deskundigenbericht ingebrachte bezwaren worden bij gebreke van een voldoende concrete onderbouwing gepasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/457207 / HA ZA 10-1344

Vonnis van 26 februari 2014

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J. Weermeijer te Hoofddorp,

tegen

1. [erfgenaam 1],

wonende te[woonplaats], [land],

[erfgenaam 2],

wonende te [woonplaats], [land],

[erfgenaam 3],

wonende te [woonplaats],

[erfgenaam 4],

wonende te [woonplaats], [land],

[erfgenaam 5],

wonende te [woonplaats], [land],

in hun hoedanigheid van erfgenamen van

[erflater],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats], [land],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats], [land],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. L.J.L. Heukels te Haarlem.

Partijen worden hierna [eisers] en [gedaagden gezamenlijk] genoemd. Afzonderlijk worden zij [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3], de erven [erfgenamen gezamenlijk], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] genoemd. [erflater] wordt [erflater] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    De tussenvonnissen van 4 augustus 2004, 24 november 2004, 15 augustus 2007, 25 februari 2009, 12 januari 2011 en 1 juni 2011

  • -

    het deskundigenbericht van 1 november 2012

  • -

    de conclusie na deskundigenbericht, tevens wijziging van eis van [eisers]

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagden gezamenlijk]

  • -

    de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het verloop van de procedure tot nu toe.

In conventie en in reconventie

2.1.

In het tussenvonnis van 15 augustus 2007 is op vordering van partijen voor recht verklaard dat de vennootschap onder firma genaamd ´[V.O.F.]´ (hierna: de vof) per

31 december 2003 is ontbonden. Bij tussenvonnis van 25 februari 2009 zijn het [V.O.F.] (hierna: het hotel) en alle daartoe behorende goederen en zaken aan [gedaagden gezamenlijk] toegedeeld.

2.2.

Vervolgens is in het tussenvonnis van 12 januari 2011 geoordeeld dat tussen partijen de verdeling van de vof per 31 december 2003, zijnde de datum van ontbinding, moet worden vastgesteld. De rechtbank overwoog:

2.7.

Op grond van artikel 12 van de oprichtingsakte van de vof (hierna: de oprichtingsakte) is bij de ontbinding van de vennootschap iedere vennoot in het vermogen van de vennootschap gerechtigd voor het bedrag van zijn kapitaalrekening, vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de winst of in het verlies, gemaakt of geleden blijkens de balans en de winst- en verliesrekening, en worden bij overname van het vennootschapsaandeel en voortzetting van de zaken door de overige vennoten ter berekening van het aandeel van de niet-voortzettende vennoot ook de immateriële activa zoals goodwill, het recht op de handelsnaam en de waarde van huurrechten geactiveerd.

2.8.

Uit artikel 8 lid 2 van de oprichtingsakte blijkt dat de vennoten de winst als volgt delen, dan wel het verlies als volgt dragen: [eiser 1] 12,5%, [eiser 2] 12,5%, [eiser 3] 10,42%, [erflater] 25%, [gedaagde sub 2] 25% en [gedaagde sub 3] 14,58%.

2.9.

Partijen zijn overeengekomen dat de waarde van het hotelbedrijf en alle daartoe behorende goederen en zaken, waaronder in ieder geval de handelsnaam, het huurcontract en inventaris, alsmede de goodwill op 31 december 2003 EUR 2.300.000,- bedroeg (r.o. 2 onder l sub 1 van het tussenvonnis van 15 augustus 2007).

2.10.

Reeds vast is komen te staan dat partijen gezamenlijk DKN hebben benaderd met het verzoek de gehele boekhouding over de periode van 1997 tot augustus 2003 te controleren. [naam 1] (hierna: [naam 1]) en [naam 2] (hierna: [naam 2]), beide verbonden aan DKN, hebben van hun bevindingen een onderzoeksrapport van 14 juli 2006 opgesteld.

2.11.

Partijen zijn overeengekomen dat aan [naam 1] de opdracht zou worden gegeven de jaarrekening 2003 van de vof op te maken en dat het niet nodig is dat daarnaast een balans van scheiding en deling wordt opgemaakt (r.o. 2 onder l sub 2 van het tussenvonnis van 15 augustus 2007). [eisers] heeft bij nadere conclusie van antwoord, tevens wijziging van eis de (mede) door [naam 2] in opdracht van partijen opgestelde conceptjaarrekening 2003 van de vof overgelegd.

2.12.

Tussen partijen is thans nog in geschil of voor de vaststelling van hetgeen aan [eisers] toekomt, van de juistheid van het onderzoeksrapport van DKN, de jaarrekeningen over 1999 tot en met 2002 en de conceptjaarrekening 2003 kan worden uitgegaan.

2.3.

Bij tussenvonnis van 1 juni 2011 heeft de rechtbank de heer drs. E. Koning RA als deskundige benoemd en hem de volgende vragen voorgelegd

1. Wilt u de boekhouding van de vof over de periode van 1997 tot augustus 2003, met inachtneming van de bevindingen in het rapport van DKN en hetgeen daarover in de in deze zaak gewezen tussenvonnissen is overwogen, nader controleren?

2. Kunt u in uw onderzoek in ieder geval de volgende onduidelijkheden betrekken:

- heeft [eiser 1] voor de verbouwingen in 1997 en 1998 kapitaalstortingen gevraagd die de kosten van de verbouwingen overtreffen?

- verschillende kostenposten van de verbouwingen zijn niet te verifiëren doordat facturen en andere onderliggende stukken ontbreken;

- er bestaat onduidelijkheid omtrent de ontwikkelingen in de kas doordat primaire vastlegging van de kashandelingen ontbreekt;

- wat is er gebeurd met de EUR 41.360,- die zich in de kas had moeten bevinden?

3. Heeft DKN in haar rapport van 14 juli 2006 de arbeidsbeloning aan [eiser 1] en [eiser 3] terecht teruggedraaid?

4. Moeten de jaarrekeningen over 1999 tot en met 2002 op één of meerdere punten worden aangepast?

5. Geeft de ordner van de verbouwing in 2003 een betrouwbaar beeld?

6. Moet de door DKN opgestelde conceptjaarrekening over 2003, ook gelet op de aansluiting op de voorgaande jaren, worden aangepast en, zo ja, op welke punten?

7. Geeft uw onderzoek u - binnen het kader van uw deskundigheid - nog aanleiding tot het maken van andere opmerkingen die voor de beoordeling van het geschil van belang kunnen zijn?

2.4.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat:

2.7

Ten aanzien van het ontbreken van (originele) stukken is in r.o. 3.4 van het tussenvonnis van 12 januari 2011 reeds overwogen dat de rechtbank elk van partijen zal opdragen alle stukken over te leggen die hij uit welke hoofde dan ook onder zich heeft dan wel waartoe hij toegang heeft, en medewerking te verlenen aan de deskundige zodat deze de controle zo goed mogelijk kan uitvoeren. Indien en voor zover bepaalde stukken tijdens het onderzoek niet boven tafel komen en/of bepaalde posten niet meer kunnen worden vastgesteld, wordt de deskundige gevraagd naar bevind van zaken te handelen en daaromtrent te rapporteren. Indien en voor zover partijen nadat het deskundigenbericht is uitgebracht, daartegen bezwaren hebben, kunnen zij deze bezwaren uiteenzetten in de conclusie na deskundigenbericht, waarna de rechtbank deze in haar verdere beoordeling van het geschil zal betrekken. De rechtbank blijft hierbij, zodat andersluidende stellingen van partijen op dit punt terzijde zullen worden gesteld.

2.5.

In zijn rapport van 1 november 2012 heeft de deskundige de gestelde vragen beantwoord en op vraag 6 geantwoord dat alle relevante correcties uit het rapport van DKN zijn doorgevoerd in de laatste conceptjaarrekening over 2003 dd. 16 oktober 2009. De deskundige is van mening dat, ondanks alle daartegen aangevoerde bezwaren voor de vaststelling van de hoogte van de in het kader van de verdeling van de vof aan elk van de vennoten toekomende bedragen kan worden uitgegaan van de door DKN opgestelde conceptjaarrekening 2003.

2.6.

[eisers] kan zich met de inhoud van het deskundigenbericht verenigen. [gedaagden gezamenlijk] meent dat de inhoud van het deskundigenbericht en de werkwijze van de deskundige niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen.

3 De vorderingen

3.1.

[eisers] vordert in conventie, na wijzigingen van eis - kort samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

primair [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk te veroordelen tot betaling:

  • -

    aan [eiser 2] van € 487.500,00,

  • -

    aan [eiser 3] van € 314.122,00,

  • -

    aan [eiser 1] van € 42.500,00,

subsidiair tot betaling van een voorschot daarop,

alles telkens te vermeerderen met rente en kosten,

alsmede te bepalen dat [eisers] zich zullen kunnen verhalen op ten laste van

v.o.f. [V.O.F.] en [V.O.F.], [erflater], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gelegde beslagen onder
ABN Amro en ING.

3.2.

[gedaagden gezamenlijk] vorderde in reconventie na wijziging van eis bij akte van 17 januari 2007 - kort gezegd - nog om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het hotelbedrijf [V.O.F.] per 31 december 2003 toe te delen aan [gedaagden gezamenlijk] met veroordeling van [eisers] om daaraan de nodige medewerking te verlenen. Bij tussenvonnis van 25 februari 2009 is die vordering in reconventie geheel toegewezen. Bij nadere conclusie, tevens akte vermeerdering / wijziging eis in reconventie van 1 juli 2009 heeft [gedaagden gezamenlijk] geconcludeerd:

“tot vermeerdering van eis zoals in bovenstaande punten aangegeven en een veroordeling van [eisers], voor zover [eisers] niet in staat is hetgeen bovengenoemd wordt te bewijzen, tot vergoeding van de door [gedaagden gezamenlijk] conform deze bedragen geleden en te lijden schade, middels verrekening in de kapitaalsaldi zoals deze opgemaakt moet worden volgens de instructie bij eindvonnis.”

Genoemde conclusie bevat een groot aantal bezwaren tegen vaststellingen in de jaarstukken en de conclusie dat het telkens aan [eisers] is te bewijzen dat deze wel juist zouden zijn. Concrete van [eisers] te vorderen bedragen worden daarin niet genoemd. De rechtbank begrijpt deze gewijzigde eis aldus dat ook [gedaagden gezamenlijk] meent dat tussen partijen moet worden afgerekend overeenkomstig de door de rechtbank vast te stellen jaarrekening 2003.

4 De verdere beoordeling

4.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie hangen samen en zullen hierna tegelijkertijd worden behandeld.

Het deskundigenbericht

4.2.

Anders dan [gedaagden gezamenlijk] is de rechtbank met [eisers] van oordeel dat op basis van het rapport van de deskundige voor de vaststelling van de verdeling tussen partijen kan worden uitgaan van de conceptjaarrekening 2003. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.

[gedaagden gezamenlijk] heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat het deskundigenbericht niet kan worden gevolgd omdat de werkwijze van de deskundige niet zou voldoen aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank stelt vast dat tussen met name partij [gedaagden gezamenlijk] en de deskundige veelvuldig is gecorrespondeerd over de wijze waarop de deskundige zijn opdracht diende te vervullen, welke stukken hem daarvoor ter beschikking stonden en de vraag of en, zo ja, hoe deze al dan niet ook door partijen konden worden ingezien. De rechtbank stelt verder vast dat partijen uiteindelijk in de gelegenheid zijn gesteld kennis te nemen van de door de deskundige verrichte werkzaamheden en de inhoud van de stukken waarop de deskundige zijn onderzoek heeft gebaseerd. Verder zijn partijen in de gelegenheid gesteld op het conceptdeskundigenbericht te reageren en zij hebben dat ook gedaan. De deskundige heeft de door partijen gestelde vragen beantwoord en een en ander is in een definitief deskundigenbericht verwerkt. Daarmee voldoet de werkwijze van de deskundige aan de daaraan te stellen eisen.

4.4.

[gedaagden gezamenlijk] heeft bij conclusie na deskundigenbericht een groot aantal vragen en kanttekeningen geformuleerd die er in de kern op neer komen dat de door de rechtbank gestelde vragen door de deskundige (nog) niet, niet juist, onvoldoende gemotiveerd of op een onvoldoende grondslag zouden zijn beantwoord. Kernpunt is daarbij met name dat de originele administratie van de vof over de jaren tot en met 2003 niet meer volledig voorhanden zou zijn, zodat niet duidelijk is op basis van welke gegevens de deskundige tot zijn conclusies komt, dan wel dat [gedaagden gezamenlijk] meent dat de door de deskundige op basis van de wel beschikbare stukken gedane vaststellingen en getrokken conclusies berusten op onvolledige en/of onjuiste gegevens en dus onvoldoende zijn onderbouwd.

4.5.

Ten aanzien van de door de deskundige gebruikte bescheiden stelt de rechtbank vast dat in het deskundigenbericht is vermeld dat de deskundige niet beschikt over de administratie van [V.O.F.] over de periode 1998 tot en met 2003 welke er in oorsprong wel was. Vervolgens heeft de deskundige opgesomd welke stukken hij bij het opstellen van zijn bericht heeft gebruikt. Daaronder bevinden zich de door DKN bewaarde kopie stukken die zij in het kader van de vaststelling van de jaarstukken over 2003 heeft gebruikt. [gedaagden gezamenlijk] is in de gelegenheid geweest die stukken in te zien.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat elk van partijen zich op het standpunt heeft gesteld dat zij geen verdere administratieve bescheiden meer heeft. Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld is de rechtbank niet gebleken dat dit onjuist zou zijn of dat een van partijen ten onrechte bescheiden aan de deskundige zou hebben onthouden. De rechtbank kan niet vaststellen wat er is gebeurd met de originele administratie. Bij deze stand van zaken heeft de deskundige terecht en in overeenstemming met hetgeen in r.o. 2.7. van het tussenvonnis van 1 juni 2011 is overwogen, op basis van de hem wel ter beschikking staande stukken gerapporteerd.

Ook inhoudelijk kunnen de door [gedaagden gezamenlijk] telkens opgeworpen vragen, geuite vermoedens en gestelde ongerijmdheden niet tot de slotsom leiden dat het deskundigenbericht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. [gedaagden gezamenlijk] stelt immers niet, althans niet voldoende concreet, dat en, zo ja, op welke specifieke onderdelen en waarom de bevindingen van de deskundige onjuist zouden zijn. Evenmin stelt, onderbouwd of kwantificeert hij in hoeverre zulks vervolgens tot een andere vaststelling van de hoogte van de bij de verdeling van de vof aan elk van de vennoten toekomende bedragen zou moeten leiden. De door [gedaagden gezamenlijk] tegen de inhoud van het deskundigenbericht ingebrachte bezwaren worden aldus bij gebreke van een voldoende concrete onderbouwing gepasseerd. Om gelijke redenen acht de rechtbank geen termen aanwezig een nieuw deskundigenbericht te gelasten of aan de deskundige nadere vragen te stellen, zoals door [gedaagden gezamenlijk] verzocht.


4.6. De slotsom is dat de rechtbank bij de verdere beoordeling in conventie en in reconventie uitgaat van de juistheid van de bevindingen van de deskundige, zodat voor de vaststelling van de hoogte van de in het kader van de verdeling van de vof aan elk van de vennoten toekomende bedragen zal worden uitgegaan van de door DKN opgestelde conceptjaarrekening 2003.

De vorderingen

4.7.

De in conventie gevorderde bedragen zijn gebaseerd op de conceptjaarrekening 2003 en in overeenstemming met het aan elk van partijen toekomend aandeel in het vermogen van de vof en zullen - inclusief de onweersproken gevorderde rente van 5% per jaar - worden toegewezen. De vordering te bepalen dat [eisers] zich zullen kunnen verhalen op de ten laste van [V.O.F.], [V.O.F.], [erflater], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gelegde beslagen is als onbetwist eveneens toewijsbaar.

4.8.

Nu in conventie zal worden beslist dat tussen partijen moet worden afgerekend overeenkomstig de door de rechtbank als juist vastgestelde conceptjaarrekening 2003, heeft [gedaagden gezamenlijk] geen zelfstandig belang meer bij toewijzing van zijn thans nog resterende vordering in reconventie, zodat deze zal worden afgewezen.

4.9.

Aangezien beide partijen zowel in conventie als in reconventie op enig onderdeel in het ongelijk zijn gesteld zal de rechtbank de proceskosten in conventie en in reconventie compenseren in die zin dat elk van partijen de eigen kosten zal moeten dragen.

4.10.

het in conventie en in reconventie meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk om aan [eiser 2] te betalen een bedrag van € 487.500,00 (vierhonderd zevenentachtig duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met een rente van 5% per jaar vanaf 1 juli 2004 over een bedrag van € 243.750,00 en vanaf 1 juli 2005 over een bedrag van € 243.750,00, telkens tot aan de dag der voldoening,

5.2.

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk om aan [eiser 3] te betalen een bedrag van € 314.122,00 (driehonderd veertien duizend eenhonderd tweeëntwintig euro), te vermeerderen met een rente van 5% per jaar vanaf 1 juli 2004 over een bedrag van € 157.061,00 en vanaf 1 juli 2005 over een bedrag van € 157.061,00, telkens tot aan de dag der voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 42.500,00 (tweeënveertig duizend vijfhonderd euro), te vermeerderen met een rente van 5% per jaar vanaf 1 juli 2004 over een bedrag van € 21.250,00 en vanaf 1 juli 2005 over een bedrag van € 21.250,00, telkens tot aan de dag der voldoening,

5.4.

bepaalt dat, indien [gedaagden gezamenlijk] na betekening van dit vonnis gedurende 14 dagen in gebreke blijft met de voldoening van voornoemde veroordelingen, [eisers] zich kunnen verhalen op de gelden die onder ABN Amro en ING zijn beslagen ten laste van

v.o.f. [V.O.F.], [V.O.F.], [erflater], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3],

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

bepaalt dat elk van partijen de eigen proceskosten dient te dragen,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.8.

bepaalt dat elk van partijen de eigen proceskosten dient te dragen,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2014.1

1 type: coll: