Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:1403

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2014
Datum publicatie
21-03-2014
Zaaknummer
EA 14-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet, voorwaardelijke ontbinding afgewezen, trambestuurder, ongepaste grap, niet gewaarschuwd, omstandigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/115
Prg. 2014/126
RAR 2014/90
AR-Updates.nl 2014-0273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

AFDELING PRIVAATRECHT- TEAM KANTON

Kenmerk : EA 14-14

Datum : 3 maart 2014

364

Beschikking van de kantonrechter te Amsterdam op een verzoek van:

de besloten vennootschap GVB EXPLOITATIE B.V.

gevestigd te Amsterdam

verzoekster, nader te noemen GVB

gemachtigde: mr. S.K. Schreurs

t e g e n:

[verweerder]

wonende te [woonplaats]

verweerder, nader te noemen [verweerder]

gemachtigde: mr. L. van Dijk (AbvaKabo FNV).

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

GVB heeft op 8 januari 2014 een verzoek ingediend dat strekt tot ontbinding van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, onder het voorbehoud dat deze thans nog bestaat. [verweerder] heeft op 5 februari 2014 een verweerschrift ingediend. Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 10 februari 2014. GVB is verschenen bij [naam 1], [naam 2] en haar gemachtigde. [verweerder] is verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Voorafgaand aan de zitting hebben partijen nog stukken ingediend.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht aan de hand van een pleitnota en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt, die aan het dossier zijn toegevoegd. De zaak is daarna aangehouden in verband met schikkingsonderhandelingen. Bij fax van
14 februari 2014 hebben partijen verzocht beschikking te wijzen.

Beschikking is bepaald op heden.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

1.

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1.

[verweerder], thans [leeftijd] jaar oud, is sedert [datum] in dienst van GVB, laatstelijk als trambestuurder op lijn [nummer]. Het salaris bedraagt € 2.378,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en emolumenten.

1.2.

In december 2011 heeft [verweerder] een waarschuwing ontvangen, omdat hij voor de vierde keer te laat was verschenen op het werk.

1.3.

Op [datum] heeft [naam 3] zijn functie als algemeen directeur bij GVB neergelegd. Onder leiding van [naam 3] was eerder een veranderprogramma met de naam “GVB Next” ingezet.

1.4.

Op 3 december 2013 is een pluche speelgoedaapje beland in de wachtruimte van de conducteurs, die de aap als grap hebben ‘omgedoopt’ tot algemeen directeur van GVB. [verweerder] heeft een touwtje om zijn nek gedaan en één van de collega’s van [verweerder] heeft met pen op de buik van de aap het woord “next” geschreven.

1.5.

De aap heeft de dagen erna op verschillende plekken in de wachtruimte gehangen en gelegen. Op een gegeven moment heeft [naam 2], teammanager, de aap in een kast gelegd.

1.6.

Op 9 december 2013 heeft [verweerder] rond 17.30 uur, tijdens zijn pauze, de aap opgehangen voor één van de deuren van de kamer van de leidinggevenden.

1.7.

[naam 2] heeft de aap aangetroffen bij aanvang van haar avonddienst rond 18.30 uur. De aap hing met een touwtje om zijn nek aan een ventilatierooster in het plafond.

1.8.

Later die avond heeft [verweerder] tegen [naam 2] gezegd dat hij de aap had opgehangen. [verweerder] heeft verklaard dat het een grap was en dat het woord “next” zou verwijzen naar (het vertrek van) [naam 3].

1.9.

[naam 2] heeft weer later die avond een e-mail gestuurd aan haar leidinggevende en unitmanager, [naam 1], en een foto gemaakt van de aap aan het touwtje.

1.10.

Op 10 december 2013 heeft [naam 1] over het voorval een gesprek gevoerd met [verweerder]. [verweerder] heeft onder meer verklaard dat hij zich niet had afgevraagd wat het effect zou zijn van het ophangen van de aap voor de deur van de leidinggevenden. Tevens heeft [verweerder] herhaald dat hij een grap had willen uithalen en had willen refereren aan het recente vertrek van [naam 3].

1.11.

Bij brief van 11 december 2013 heeft GVB [verweerder] op staande voet ontslagen. In de brief is onder meer opgenomen:
Uw gedrag is grensoverschrijdend en gezagsondermijnend geweest en heeft een intimiderend en bedreigend effect gehad. Dat u dit naar eigen zeggen als een grap heeft bedoeld maakt dit niet anders. (..) [U] had (..) zich moeten realiseren dat dit een bedreigend en intimiderend effect had of kon hebben (..). Hoe dan ook heeft u gehandeld op een wijze die haaks staat op de Gedragscode van GVB.

1.12.

Bij brief van 19 december 2013 heeft [verweerder] het ontslag vernietigd.

1.13.

[verweerder] heeft GVB verzocht het ontslagbesluit te heroverwegen. De heroverwegingscommissie was van mening dat het gedrag van [verweerder] absoluut verwijtbaar was en reden om afscheid van
te nemen, maar heeft geadviseerd het ontslag op staande voet in te trekken. Reden daarvoor was dat niet eerder aan de medewerkers expliciet was duidelijk gemaakt dat de grappen met de aap niet werden getolereerd.

1.14.

De (ad interim) directeur van GVB heeft bij brief van 16 januari 2014 besloten het advies niet over te nemen en heeft het ontslag gehandhaafd. Uit deze brief blijkt de inhoud van het advies van de heroverwegingscommissie.

Verzoek en verweer

2.

GVB verzoekt (voorwaardelijk) om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen en stelt dat [verweerder] zich zodanig heeft gedragen dat dit een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 lid 1 BW heeft opgeleverd. Subsidiair vraagt GVB (voorwaardelijk) ontbinding wegens gewichtige redenen in de zin van een verandering in de omstandigheden van zodanige aard dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk behoort te eindigen.

3.

Daartoe stelt GVB – kort gezegd – dat [verweerder] door het ophangen van de aap aan een strop voor één van de deuren van het kantoor van de leidinggevenden, grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond en bewust het risico heeft genomen dat het als een bedreiging kon worden opgevat. [naam 2] voelde zich ook geïntimideerd en bedreigd. GVB dient ervoor te zorgen dat werknemers in een veilige omgeving kunnen werken. In 2013 is juist een proces ingang gezet om de negatieve sfeer, die heerste op de lijn [nummer], te verbeteren. Op iedereen is een beroep gedaan en juist van [verweerder] mocht iets extra’s worden verwacht, nu hij als kaderlid van de vakbond lid was van de zogenaamde bedrijfsledengroep. [verweerder] heeft geen zelfinzicht getoond en in het gesprek met [naam 1] het standpunt ingenomen dat hij een waarschuwing voor zijn gedrag onterecht zou vinden. Van GVB kan redelijkerwijs niet worden verlangd dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] voortzet. Naar het oordeel van GVB leveren de hierboven beschreven gedragingen, zowel op zichzelf beschouwd als in onderlinge samenhang bezien, een dringende reden op. Primair verzoekt GVB ontbinding op deze grond.

4.

Indien wordt geoordeeld dat geen sprake is van een dringende reden merkt GVB op dat zij geen enkel vertrouwen meer in [verweerder] en zijn functioneren heeft en dat de arbeidsverhouding door toedoen van [verweerder] onherstelbaar verstoord is geraakt. Zij moet erop kunnen vertrouwen dat hij de binnen GVB geldende regels serieus en ter harte neemt en zich een betrouwbaar werknemer toont. [verweerder] stoort zich evenwel klaarblijkelijk niet aan de interne regels van GVB, hij heeft zich een onbetrouwbaar werknemer getoond door onder meer vele malen te laat te komen en de procedurevoorschriften binnen GVB geregeld niet op te volgen. Hij schuwt het tot slot niet grappen te maken als gevolg waarvan zijn collega’s zich geïntimideerd en bedreigd voelen. Aldus is sprake van een verandering in de omstandigheden die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Subsidiair verzoekt GVB op deze grond ontbinding.

5.

[verweerder] betwist dat zich een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft voorgedaan en ook dat er overigens gewichtige redenen voor ontbinding zijn in de door GVB bedoelde zin en verzet zich tegen de door GVB gevraagde ontbinding. [verweerder] verzoekt, voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst toch zal ontbinden, hem een vergoeding van € 26.198,25 bruto ten laste van GVB toe te kennen.

6.

[verweerder] voert aan dat de door het GVB gestelde reden zowel objectief als subjectief gezien niet voldoende dringend is om het ontslag te rechtvaardigen. In de week voor het voorval waren al verschillende keren grappen uitgehaald met de aap, waaraan [naam 2] heeft meegedaan. GVB gaat hier geheel aan voorbij en beoordeelt het voorval op 9 december 2013 als een afzonderlijk incident. GVB gaat er verder aan voorbij dat [naam 2] [verweerder] goed kende, dat zij vriendschappelijk met elkaar omgingen en dat zij wist wat zij aan [verweerder] had. Het is derhalve onwaarschijnlijk dat [naam 2] erg geschokt en geïntimideerd is geweest door het voorval. [verweerder] betwist derhalve dat er sprake was van een objectief dringende redenen. In geen geval kan gesteld worden dat er een subjectief dringende reden aanwezig is geweest.

7.

[verweerder] acht voorts de door het GVB aangevoerde dringende reden gezien zijn goede staat van dienst en gezien zijn persoonlijke omstandigheden ([verweerder] is kostwinner en heeft drie opgroeiende kinderen) disproportioneel. [verweerder] wijst er verder op dat hij het standpunt van het GVB, dat er geen enkel vertrouwen meer is in zijn functioneren, niet goed kan volgen. Zijn functioneren staat niet ter discussie. De veronderstelling dat [verweerder] [naam 2] heeft willen intimideren en bedreigen heeft GVB niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is GVB een grote organisatie en er zijn voldoende mogelijkheden om [verweerder] elders te werk te stellen, op een andere lijn of traject. [verweerder] acht het verwijt dat hij zich niet zou storen aan interne regels onterecht. De actie met de aap was onhandig en ongelukkig en [verweerder] heeft daar erg veel spijt van. Echter, in tegenstelling tot de beweringen van het GVB, heeft [naam 2] er op de bewuste avond van 9 december 2013 geen blijk van gegeven zich geïntimideerd of bedreigd te voelen. Zij heeft [verweerder] zelfs koekjes meegegeven voor zijn kinderen, wat niet te rijmen valt als zij zich geïntimideerd of bedreigd zou hebben gevoeld. [verweerder] verzoekt het ontbindingsverzoek af te wijzen. Zowel bij zijn collega’s alsmede zijn leidinggevende is voldoende draagvlak om samen verder te kunnen gaan.

Beoordeling

8.

Ter zitting heeft GVB gesteld dat het in onderhavige zaak gaat om het handelen van [verweerder] op
9 december 2013. Met de overige door GVB beschreven feiten heeft zij volgens eigen zeggen het beeld willen wegnemen dat [verweerder] van zichzelf schetst, te weten dat hij een ideale werknemer is. Voor de beslissing of het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan worden toegewezen, is derhalve (slechts) van belang hetgeen op 9 december 2013 is voorgevallen.

9.

Vast staat dat [verweerder] de aap in de avond van 9 december 2013 aan het ventilatierooster heeft opgehangen voor een deur van de kamer waar de leidinggevenden normaliter zitten en dat [naam 2] degene is die de aap, toen zij door de deur naar buiten kwam, heeft aangetroffen. Vast staat ook dat de aap toen alleen nog aan het touwtje om zijn nek hing. Voorstelbaar is dat [naam 2] daarvan danig is geschrokken.

10.

Anderzijds staat vast dat de aap de week voor het incident in de wachtruimte voor de conducteurs rondslingerde en al eerder was opgehangen aan een telefoondraad. Onweersproken is gebleven dat er grappen met de aap werden uitgehaald en dat het woord ‘next’ al op de buik was geschreven door een andere collega. [naam 2] heeft vervolgens, toen zij er genoeg van had, de aap in een kast gelegd. Onbetwist is gebleven dat [naam 2] de medewerkers niet heeft gezegd dat zij genoeg had van de grappenmakerij en dat er consequenties zouden zijn op het moment dat er met de aap opnieuw grappen werden uitgehaald.

11.

Het is voldoende aannemelijk geworden dat [verweerder] niet de intentie had iemand te kwetsen of met het ophangen van de aap daadwerkelijk iemand heeft willen bedreigen. Uit zijn eerste verklaring op
10 december 2013 blijkt dat [verweerder] een grap heeft willen maken en bij deze verklaring is [verweerder] gebleven. In het licht van de gebeurtenissen in de voorafgaande week, waarin reeds grappen werden gemaakt over en met de aap, is zijn verklaring geloofwaardig. Voorts heeft [verweerder] een gedetailleerde omschrijving gegeven van de avond van 9 december 2013, waarbij [naam 2], die volgens [verweerder] danste en koekjes uitdeelde, niet de indruk heeft gewekt dat zij zich bedreigd voelde dan wel hevig geschrokken was. [naam 2] heeft geen dergelijke gedetailleerde omschrijving gegeven hoe de avond is verlopen, terwijl zij ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat het niet uitgesloten is dat zij koekjes heeft meegegeven aan [verweerder], maar dat zij zich dat niet kan herinneren.

12.

Uit het feit dat [naam 2] haar leidinggevende diezelfde avond een e-mail over het voorval heeft gestuurd en een foto van de situatie heeft gemaakt valt evenwel op te maken dat zij (tenminste) was aange-daan. Duidelijk is geworden dat [verweerder], hoewel grappig bedoeld, zeer onhandig heeft opgetreden door de aap op de bewuste plek te hangen. Hij had moeten en kunnen bedenken dat het ophangen van de aap aan het ventilatierooster, pal voor de deur van de kamer van de leidinggevenden, intimiderend en bedreigend kon zijn. Nu echter reeds een week lang grappen werden gemaakt over en met de aap, waarop collega’s noch [verweerder] zijn aangesproken, en voorts niet is gewaarschuwd dat het maken van een volgende grap gevolgen zou kunnen hebben voor het dienstverband, wordt geen dringende reden aanwezig geacht die zou moeten leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

13.

Op grond van het bovenstaande is evenmin komen vast te staan dat de goede verstandhouding, noodzakelijk voor een verdere samenwerking tussen partijen, blijvend is komen te ontbreken. Daarbij speelt mee dat [verweerder], zo heeft GVB niet weersproken, altijd goed met [naam 2] heeft samengewerkt en dat zij een amicale band hadden. [verweerder] heeft voorts toegegeven dat de grap onhandig was en dat hij thans inziet dat de grap niet gepast was. Hij heeft spijt betuigd en heeft zich bereid verklaard eventueel op een andere plaats binnen GVB werkzaamheden te verrichten, wanneer [naam 2] niet meer met hem wenst te werken.

14.

Nu er geen gewichtige reden is de arbeidsovereenkomst te ontbinden wordt het verzoek derhalve afgewezen.

15.

Aan beoordeling van de gegrondheid van het verzoek van [verweerder] om toekenning van een vergoeding komt de kantonrechter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet toe.

16.

De kantonrechter acht termen aanwezig om de proceskosten tussen partijen te compenseren.


BESLISSING

De kantonrechter:

Onder het voorbehoud dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog bestaat:

wijst het verzoek af;

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.

Aldus gegeven door mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2014 in aanwezigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter