Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2014:1116

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_3741
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectuering last onder bestuursdwang na vele waarschuwingen voor opruimen woning. Toegang vluchtwegen hulpdiensten. Ongedierte (muizen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/3741

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2014 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde drs. S.A.N. Geerling),

en

Het dagelijks bestuur van stadsdeel West, verweerder

(gemachtigde R. Offenberg).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2013 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiser gelast de woning aan de [adres] (de woning) op te ruimen en te reinigen, bij gebreke waarvan bestuursdwang zal worden toegepast.

Bij besluit van 11 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 15 mei 2013 (het primaire besluit II) is verweerder overgegaan tot invordering van de kosten van de bestuursdwang. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ingevolge artikel 5:31c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep eveneens betrekking op dit primaire besluit II.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Eiser is huurder van de woning. Eiser heeft de woning vooral in gebruik als opslagruimte ten behoeve van zijn handel in zestigerjaren vintagegoederen.

1.2. Naar aanleiding van een melding van de wijkagent heeft de inspecteur hygiënisch woningtoezicht (de inspecteur) van de GGD een onderzoek ingesteld naar de woning. De inspecteur heeft daarvan een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, gedateerd 11 maart 2013. In het proces-verbaal is weergegeven dat de inspecteur op 31 januari 2013 heeft geconstateerd dat de woning zeer vol stond met brandbare materialen zoals karton, plastic en een enorme hoeveelheid kleding, zodat de vluchtwegen niet of nauwelijks te bereiken waren. Eiser heeft tot 28 februari 2013 de gelegenheid gekregen om alvast de hal bij de voordeur leeg te maken en de keukenvloer weer vrij te maken. Nadat bij controle op 28 februari niets bleek opgeruimd, heeft eiser desgevraagd uitstel gekregen tot 10 maart 2013. Eiser heeft 11 maart 2013 telefonisch bevestigd dat er nog niets was opgeruimd.

1.3. Op 21 maart 2013 heeft verweerder het voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Verweerder heeft eiser tot 28 maart 2013 in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Eiser heeft op 2 april 2013 telefonisch zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Op 8 april 2013 heeft de gemachtigde van eiser een schriftelijke zienswijze ingediend.

1.4. Bij het primaire besluit heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd en daarbij eiser gelast de woning op te ruimen en te reinigen voor 15 april 2013. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiser als bewoner van de woning in strijd met artikel 7.22 van het Bouwbesluit handelt.

1.5. Nadat de inspecteur op 15 april 2013 had geconstateerd dat de woning niet was opgeruimd, heeft verweerder eiser tot 18 april 2013 uitstel gegeven om in ieder geval de vluchtwegen vrij te maken. Toen op 18 april 2013 was gebleken dat dat niet was gebeurd, heeft verweerder bestuursdwang toegepast, inhoudende dat medewerkers van de GGD de woning in opdracht van verweerder en op kosten van eiser hebben opgeruimd. Op de dag van de opruiming zijn voor en na de opruiming foto’s gemaakt van de woning. Deze foto’s zijn aan het dossier toegevoegd. Eiser heeft tegen het primaire besluit gemotiveerd bezwaar gemaakt.

1.6. Bij het primaire besluit II is verweerder overgegaan tot invordering van de kosten van de uitvoering van de bestuursdwang tot een bedrag van € 2.066,47 vermeerderd met de opslagkosten van € 5,82 per dag, berekend vanaf de verzenddatum van het besluit. Eiser heeft tegen het invorderingsbesluit gemotiveerd bezwaar gemaakt.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en in reactie op het bezwaarschrift het volgende overwogen. Aan het primaire besluit liggen de artikelen 1b, lid 3 van de Woningwet en 7.22 aanhef en onder b van het Bouwbesluit 2012 ten grondslag. Eiser is herhaalde malen in de gelegenheid gesteld de woning op te ruimen, zodat de begunstigingstermijn in de brief van 21 maart 2013 niet te kort is geweest. De woning werd oneigenlijk gebruikt en de situatie ter plaatse was gevaarlijk, aldus verweerder.

3.1.

Op grond van artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Deze bevoegdheid wordt op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

3.2.

Ingevolge artikel 26, tweede lid, van de Verordening op de stadsdelen heeft het college zijn bevoegdheden dienaangaande overgedragen aan het dagelijks bestuur van de stadsdelen, waaronder verweerder.

3.3.

Artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat onder last onder bestuursdwang wordt verstaan de herstelsanctie, inhoudende een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding en de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

3.4.

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid van de Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen last behoren te komen.

3.5.

Op grond van artikel 1b, derde lid, van de Woningwet is het verboden – voor zover hier van belang - om een bouwwerk te gebruiken of te laten gebruiken, anders dan in overeenstemming met de op die ingebruikneming of dat gebruik van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c.

3.6.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Woningwet bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur technische voorschriften worden gegeven omtrent het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk.

3.7.

Op grond van artikel 7.22, aanhef en onder b, c en d, van het Bouwbesluit 2012 is het verboden – voor zover hier van belang – om op of aan een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen of te hebben of handelingen te verrichten of na te laten, waardoor:

a. …….
b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk;
c. op voor de omgeving overlast wordt veroorzaakt door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk;
d. gevaar wordt veroorzaakt.

4.1.

Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat de wijkagent nooit in zijn woning had mogen kijken en daarom geen kennis had kunnen hebben van de situatie. Eiser heeft hierover een klacht ingediend, die naar zijn zeggen gegrond is verklaard.

4.2.

De rechtbank overweegt dat de reden waarom de wijkagent op de hoogte is geraakt van de situatie in de woning ter zitting niet duidelijk is geworden. De vraag is echter of dat van belang is. Indien een ambtenaar – zoals wijkagent of inspecteur – bij het uitoefenen van zijn functie een situatie aantreft die gevaar oplevert behoort hij in actie te komen. Dat kan mogelijk anders zijn indien aannemelijk is dat de informatie over de toestand van de woning zou zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar zou zijn. De informatie in het dossier geeft geen aanleiding voor een dergelijk oordeel. De omstandigheid dat een klacht tegen de wijkagent gegrond zou zijn verklaard is daarvoor onvoldoende.

5.1

Voor de rechtbank staat daarom ter beoordeling of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het opleggen van een last onder bestuursdwang op grond van een situatie als bedoeld in artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012.

5.2

Verweerder heeft aangevoerd dat de volgende optelsom van factoren reden was tot het opleggen van de last onder bestuursdwang. In de woning is een grote en diverse hoeveelheid brandbaar materiaal aangetroffen in de vorm van karton, plastic en textiel, waardoor het brandgevaar is toegenomen. De grote hoeveelheid materialen vormen ook een gevaar omdat de vluchtwegen worden belemmerd. Bovendien maakt het het reinigen van de woning onmogelijk en biedt het aan ongedierte plaats om te nestelen. De volgorde van de argumenten is daarbij niet van belang, aldus verweerder.

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser terecht aangemerkt als overtreder van het verbod in artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 vanwege de door verweerder bedoelde optelsom van factoren. De rechtbank acht hierbij van belang dat op de foto’s die op de dag van de opruiming zijn gemaakt de grote hoeveelheid opgeslagen spullen die vlucht/toegangswegen versperren duidelijk te zien zijn. Bij bijvoorbeeld brand in het appartementencomplex zou dat hulpdiensten ernstig hebben belemmerd om het complex ook vanuit de achterzijde te bereiken. Ook de grote hoeveelheden muizenkeutels zijn duidelijk te zien. Muizen zijn in Amsterdam weliswaar gewoon, maar als ze niet bestreden kunnen worden levert dat gevaar op voor een niet te controleren toename van de muizenpopulatie. Bestrijding was gelet op de toestand van de woning echter niet mogelijk.

5.4.

Verweerder heeft eiser op 31 januari 2013, 28 februari 2013 en 15 april 2013 in de gelegenheid gesteld om een einde te maken aan de situatie. Overigens is ter zitting gebleken dat eiser al voor 31 januari 2013 wist dat de situatie in zijn huis voor verweerder niet acceptabel was. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten tot het opleggen en vervolgens effectueren van de last onder bestuursdwang. De rechtbank zal het beroep tegen de last onder bestuursdwang dan ook ongegrond verklaren.

6.1.

Op grond van artikel 5.31c, eerste lid van de Awb heeft het beroep tegen de last onder bestuursdwang van rechtswege mede betrekking op de beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang.

6.2.

Eiser heeft tegen de onderbouwing van de kosten van de bestuursdwang in het invorderingsbesluit geen inhoudelijke bezwaren aangevoerd. De enkele scepsis over de hoogte van het gehanteerde uurloon is daarvoor onvoldoende. De rechtbank zal het invorderingsbesluit daarom in stand laten.

7.

De rechtbank verklaart het beroep tegen de last onder bestuursdwang en de beschikking tot invordering van de kosten van de bestuursdwang ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, rechter,

in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2014.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB