Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA3727

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
511849 / HA ZA 12-266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot vernietiging arbitraal vonnis; conflict artsen in maatschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/511849 / HA ZA 12-266

Vonnis van 1 mei 2013

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. drs. N.U.N. Kien te Rotterdam,

tegen

1. [B],

wonende te --,

2. [C],

wonende te --,

3. [D],

wonende te --,

gedaagden,

advocaat mr. H. Uhlenbroek te Amsterdam.

Eiseres zal hierna [A] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [B], [C] en [D] en gezamenlijk [B] c.s. worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 februari 2012 met producties,

- de brief van de rechtbank aan partijen inhoudende dat het door [A] verschuldigde griffierecht niet binnen de daarvoor uit hoofde van artikel 127a Rv geldende termijn van vier weken is voldaan en waarin partijen de gelegenheid is geboden hun standpunt over deze kwestie kenbaar te maken,

- de nadere akte uitlaten artikel 127a Rv van [A],

- de akte uitlating artikel 127a Rv van [B] c.s.,

- de rolbeslising van 2 mei 2012, inhoudende dat [A] geen ontslag van instantie wordt verleend,

- de fax van mr. Uhlenbroek van 3 mei 2012,

- de brief van de rechtbank aan partijen van 4 mei 2012 waarin de rolbeslissing van

2 mei 2012 is toegelicht,

- de conclusie van antwoord met producties,

- het tussenvonnis van 12 december 2012 waarin een comparitie van partijen is gelast,

- het proces-verbaal van comparitie van 28 februari 2013 met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] is sinds 1 juli 1991 als cardioloog werkzaam geweest in het [Ziekenhuis te X] (hierna: het ziekenhuis). Met ingang van diezelfde datum heeft [A] deel uitgemaakt van de achtereenvolgende maatschappen waarbij naast andere medisch specialisten ook de cardiologen van het ziekenhuis waren aangesloten.

2.2. Op 18 juni 1995 hebben de cardiologen [B], [C] en [A] tezamen met specialisten voor inwendige geneeskunde en longziekten een maatschapsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst staat – voor zover thans van belang – het volgende.

“(…)

EINDE MAATSCHAP

Artikel 8

De maatschap neemt een einde:

(…)

3. door opzegging door één of meerdere der partijen met een termijn van drie maanden, indien één der andere partijen ten minste één jaar achtereen tengevolge van ziekte of ongeval verhinderd is geweest de praktijk uit te oefenen (…).

(…)

GESCHILLEN

Artikel 16

Alle geschillen welke tussen ondergetekenden mochten opkomen, zowel juridische als feitelijke, met betrekking tot de uitleg of de uitvoering van deze overeenkomst, zullen met uitsluiting van de gewone rechter (…) worden beslist door drie scheidslieden, (…).

De onderhavige akte geldt als akte van compromis. De scheidslieden zullen uitspraak doen als goede lieden naar billijkheid (…). Zij zijn bevoegd uitspraak te doen in de vorm van bindend advies. (…)”

2.3. Sinds 1 januari 2006 hebben de cardiologen [A], [B] en [C] zich afgesplitst van de bestaande maatschap ten einde een afzonderlijke maatschap van cardiologen te vormen, waarbij zij afspraken dat de bepalingen van de op 18 juni 1995 gesloten maatschapsovereenkomst (hierna: de maatschapsovereenkomst) van toepassing zullen blijven totdat een nieuwe maatschapsovereenkomst tot stand zou zijn gekomen.

2.4. [A] is medio 2008 arbeidsongeschikt geworden als gevolg van een burnout en overspannenheid. Aanvankelijk hebben zijn broer en zijn echtgenote zijn zakelijke belangen waargenomen. In januari 2009 is mr. Kien door [A] aangewezen als zijn zaakwaarnemer met het oog op – onder meer – de totstandkoming van het nieuwe maatschapscontract en de toetreding van een nieuwe, vierde cardioloog ([D]) tot de maatschap.

2.5. Op 3 augustus 2009 heeft psychiater [E] een medische verklaring gestuurd aan mr. Kien, waarin – voor zover thans van belang – het volgende staat:

“(…)

Medische verklaring t.a.v. mogelijke werkhervatting:

- Ik acht het mogelijk dat de heer [A] per 1 september a.s. weer enkele werkzaamheden gaat verrichten te beginnen met een dagdeel in de week en dat geleidelijk aan uit te breiden. Gedacht wordt om te beginnen met nog geen patiënten contact maar bijv. echo’s beoordelen en bijwerking van zijn administratie.

- Wat betreft de aard en lengte van het reintegratietraject denk ik aan Een periode van een half jaar, waarbij de stappen in overleg met zijn personalcoach, mij zelf en uiteraard met zijn werk worden bepaald. Over 2 maanden zal de haalbaarheid van de reintegratie beter kunnen worden ingeschat (…).”

2.6. Een memo van mr. Kien aan [B] c.s., gedateerd 18 juni 2009, luidt – voor zover thans van belang – als volgt:

“(…)

1. Hersteltraject

[A] gaat langzaam vooruit, maar maakt daarbij nog geen reuzensprongen. Zoals het er nu naar uitziet denkt zijn behandelaar dat hij per 1 september as. in staat zal zijn het weer langzaam te gaan proberen. Daarbij wordt aan een re-integratietraject van 4-6 maanden gedacht. (…)

2. Zaakwaarneming

Om het hersteltraject van [A] zo goed mogelijk te laten verlopen heeft [A] mij nadrukkelijk verzocht u te vragen alle communicatie en correspondentie voorlopig nog even via mij te laten verlopen. Ik heb er alle begrip voor dat u het liefst weer rechtstreeks met [A] communiceert, maar vraag u [A]’s wens nog voor deze laatste periode te honoreren. (…)”

2.7. Op 3 augustus 2009 heeft mr. Kien een brief gestuurd aan [B] c.s. waarin – voor zover thans van belang – het volgende staat:

“(…)

Ten aanzien van de vraag over de formele datum van ingang van het ziekteverlof van de heer [A] kan ik u mededelen dat dit 1 september 2008 was. (…)

Terzake het re-integratietraject van de heer [A] kan ik u het volgende mededelen. Per

15 september a.s. kan de heer [A] 1 dagdeel per week (4 uur) weer werkzaamheden verrichten. (…)”

2.8. Op 27 augustus 2009 hebben [B] c.s. een aangetekende brief gestuurd aan [A], waarin – voor zover thans van belang – het volgende staat.

“(…)

Vanaf eind december heb jij mr. Kien als zaakwaarnemer aangesteld om, zoals zij zelf aangaf, jouw (juridische) belangen te behartigen op een aantal specifieke onderwerpen (…). Uit dien hoofde heeft mr. Kien ook toegang gekregen tot de maatschapsvergaderingen. Al snel is ons echter gebleken dat met haar gemaakte afspraken en door haar gedane toezegging niet werden nagekomen. Ofschoon mr. Kien steeds voor de vergaderingen is uitgenodigd, vond zij het niet altijd nodig te verschijnen en namens jou mee te beslissen. Tijdens vergaderingen waarbij zij wel aanwezig was, bleven haar antwoorden op gestelde vragen vaag. Zo werd ontwijkend geantwoord op onze herhaalde verzoeken om duidelijkheid over de prognose, de datum eerste ziektemelding e.d. (…) Intussen werkten wij al sinds 1 januari 2009 samen zonder te voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van de toelatingsovereenkomst en zonder dat aan [D] [[D], rb] enige vorm van zekerheid kon worden geboden. Een volstrekt onwenselijke situatie, niet alleen in onze ogen maar blijkbaar ook in die van de Raad van Bestuur (…).

Ook het door jou onaangekondigd en ongemotiveerd opschorten van betaling van de door jou ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, het frustreren van het waarnemingstraject en het bekritiseren van andere besluitvorming, achten wij in de gegeven omstandigheden niet langer aanvaardbaar. Die opstelling heeft geleid tot forse vertragingen van voor de vakgroep belangrijke besluitvorming en tot grote frustratie bij ons.

In haar brief van 3 augustus deelt mr. Kien mee dat jij per 15 september a.s. voor één dagdeel per week weer werkzaamheden kan verrichten. Wij zouden moeten aangeven welke tijdstippen het meest geschikt zijn voor dit re-integratietraject. Met een dergelijke gang van zaken, waarbij het initiatief geheel bij ons wordt neergelegd terwijl wij geen enkel inzicht hebben in jouw arbeids(on)geschiktheid en terwijl jij het ons verboden hebt om met jou over het werk te praten, kunnen wij niet instemmen. (…)

Het voorgaande heeft ertoe geleid dat wij ([C] [[C], rb] en [B] [[B], rb]) het vertrouwen hebben verloren in deze vorm van samenwerking met jou. Wij zijn niet langer bereid deze ongewijzigd voort te zetten. Op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 3 van onze maatschapsovereenkomst, zeggen wij met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden hierbij de sinds 1 januari 2006 na dissociatie voortgezette maatschapsovereenkomst op. Dat betekent dat onze maatschap eindigt op 27 november 2009.

Tevens delen wij je mede dat wij ([D], [B] en [C]) met ingang van heden een schriftelijke samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten teneinde de toelating van [D] tot het ziekenhuis niet in gevaar te brengen en de samenwerking die sinds 1 januari 2009 bestaat met de nodige waarborgen te omkleden. Wij zijn voorts voornemens per 28 november 2009 een maatschapsovereenkomst te sluiten. Wij zijn allen te allen tijde bereid om samen met jou te bezien of het weer mogelijk is een vorm van samenwerking met jou tot stand te brengen. Niets staat zo herintreding van jou in de weg, maar patiënt- en zorggerelateerde zaken zullen natuurlijk wel moeten worden doorgesproken en met elkaar worden afgesproken.

(…)”

2.9. Op 23 oktober 2009 heeft psychiater [E] een medische verklaring afgegeven, waarin – voor zover thans van belang – het volgende staat:

“(…)

Medische verklaring voor de Raad van Bestuur van het -- ziekenhuis t.a.v. mogelijke werkhervatting van de heer [A]

Ik heb eerder een verklaring geschreven op 3 augustus 2009 (…).

In augustus jl. was de heer [A] weer in staat voorzichtig zijn werkzaamheden te hervatten in de vorm van niet direct patiënt gebonden activiteiten en administratief werk in een harmonieuze omgeving. Het lijkt mij raadzaam om de heer [A] eerst te gaan belasten met arbeid die nog geen consequenties voor de diagnostiek of behandeling van de patiënt hebben. (…)”

2.10. Op 4 februari 2010 heeft de Raad van Bestuur van het ziekenhuis per brief aan [A] bericht dat zij, met instemming van de maatschap, de toelatingsovereenkomst tegen

5 augustus 2010 opzegt. [A] heeft naar aanleiding van die opzegging een procedure aanhangig gemaakt tegen het ziekenhuis bij het Scheidsgerecht Gezondheidszorg (hierna: het Scheidsgerecht).

2.11. Op 15 april 2010 hebben [B] c.s. aan [A] een brief gestuurd, waarin – voor zover thans van belang – het volgende staat:

“(…)

Bij brief van 27 augustus 2009 hebben wij onze samenwerking (…) opgezegd (…) met ingang van 27 november 2009.

Je hebt desgevraagd aan het ziekenhuis noch aan ons openheid willen verschaffen over de eerste dag van arbeidsongeschiktheid. Wij kunnen dat gebrek aan openheid niet goed verklaren. Het is ook op zijn minst opmerkelijk te noemen dat uiteindelijk als datum is genoemd 10 september 2008, (…), en naderhand volgens jouw adviseur (…) alsnog een andere, eerdere datum als eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt genoemd, te weten 1 september 2008.

(…)

Slechts indien en voor zover de datum van de eerste dag van arbeidsongeschiktheid aantoonbaar blijkt te liggen op 1 september 2008, zeggen wij hierbij opnieuw op, op grond van artikel 8 lid 3 met inachtneming van de toepasselijke opzegtermijn. Een en ander betekent dat, indien en voor zover de eerdere opzegging niet rechtsgeldig zou hebben plaatsgevonden doordat je eerste dag van arbeidsongeschiktheid op 1 september 2008 zou worden vastgesteld, deze alsnog rechtsgeldig is geëindigd en wel met ingang van 14 juli 2010. (…)”

2.12. Op 25 augustus 2010 heeft het Scheidsgerecht in de procedure tussen [A] en het ziekenhuis een arbitraal vonnis gewezen dat – voor zover thans van belang – als volgt luidt:

“(…)

4. Beoordeling van het geschil

(…)

4.5 De formulering van de tekst van artikel 24 lid 1, aanhef onder c, van de toelatingsovereenkomst legt op de medisch specialist de last om het redelijkerwijs te verwachten herstel aannemelijk te maken. (…) Naar het oordeel van het Scheidsgerecht heeft eiser [[A], rb] niet aannemelijk gemaakt dat redelijkerwijs te verwachten is geweest dat hij vóór 1 juli 2010 zijn werkzaamheden volledig of grotendeels zou hebben kunnen hervatten. Hier komt nog bij dat na het tijdstip waarop zijn collega-maten aan hem de maatschap hebben opgezegd, geen uitzicht heeft bestaan op een voor de Stichting [ het ziekenhuis, rb] redelijkerwijs acceptabel samenwerkingsverband van eiser met een of meer andere cardiologen in het ziekenhuis.

4.6 Uit het onder 4.5 vermelde volgt dat de Stichting de toelatingsovereenkomst op toereikende gronden, en rechtmatig, heeft opgezegd. Dit betekent dat er in beginsel geen grond is voor toekenning van een schadevergoeding aan eiser (…). De redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat hierop een uitzondering wordt gemaakt (…).

(…)

4.10 (…) De Stichting is in algemene zin verantwoordelijk voor een goed niveau van zorg binnen haar ziekenhuis en dient op deze grond zich naar redelijkheid in te spannen om de uitval van een specialist zo kort mogelijk te laten duren en de voorwaarden voor herstel optimaal te doen zijn. Ook tegenover een zieke specialist is zij verplicht om voorwaarden te scheppen om de kans op een succesvolle terugkeer te vergroten. (…)

4.11 Het Scheidsgerecht komt tot het oordeel dat de Stichting niet in voldoende mate aan haar onder 4.10 beschreven verplichting tegenover eiser heeft voldaan. (…) De Stichting (…) heeft (…) niet aannemelijk gemaakt dat zij goede redenen had om niet positief te reageren op de (vooralsnog weliswaar zeer beperkte) re-integratiemogelijkheden die eisers behandelende psychiater blijkens diens verklaringen van 3 augustus en van 23 oktober 2009 heeft beschreven. Het Scheidsgerecht acht het bepaald aannemelijk dat de (…) wijze van bejegening door de Stichting het genezingsproces van eiser, zoals onder meer beschreven in de brieven van (…) de bedoelde psychiater, nadelig heeft beïnvloed. In zoverre heeft de Stichting zich niet als een goede contractspartner gedragen.

(…)

4.17 Dit alles leidt tot een vergoeding, naar redelijkheid en billijkheid, ten bedrage van € 200.000,- als bedrag ineens. (…)”

2.13. [A] heeft naar aanleiding van de opzegging door [B] c.s. een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt. Op 21 november 2011 hebben arbiters mr. A.L. Asscher, dr. J.J. Bucx en drs. E. Koel een arbitraal tussenvonnis gewezen, waarin – voor zover thans van belang – het volgende is overwogen en beslist.

“(…)

3. Vaststaande feiten

(…)

3.31 Bij aangetekende brief van 27 augustus 2009 hebben [B], [C] en [D] op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 3 van de maatschapsovereenkomst de maatschap aan [A] met een toelichting opgezegd tegen 27 november 2009.

(…)

4. Korte weergave van het standpunt van [A]

4.1 [A] beroept zich op de nietigheid, c.q. vernietigbaarheid van de opzegging van 27 augustus 2009, omdat hij toen nog geen jaar aaneengesloten

arbeidsongeschikt was.

4.2 [A] beroept zich op de nietigheid, c.q. vernietigbaarheid van de opzegging van 15 april 2010, omdat die opzegging gedaan was “slechts indien en voor zover de datum van de eerste dag van arbeidsongeschiktheid aantoonbaar blijkt te liggen op 1 september 2010.” In deze procedure stelt [A] dat hij eerst vanaf

10 september 2008 onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

4.3 Daarnaast voert [A] aan dat de grondslag van de opzeggingen niet de arbeidsongeschiktheid van [A] is, maar het verlies van vertrouwen, alsmede dat de maatschapsovereenkomst niet de mogelijkheid kent om een maat uit te stoten, wanneer er verlies aan vertrouwen is. Ook de redenen die de maten voor ‘het verlies van het vertrouwen’ in [A] aangeven zijn niet aanwezig. (…)

5. Korte samenvatting van het standpunt van [B], [D] en [C] in conventie

(…)

5.3 Het verlies aan vertrouwen als maat is niet de grond voor de opzegging, maar een omstandigheid die [B], [D] en [C] hebben meegewogen bij hun afweging, of zij van de opzeggingsbevoegdheid gebruik zouden maken. Het verlies van vertrouwen in [A] als maat is gebaseerd op het gebrek aan voortgang met betrekking tot cruciale onderwerpen (…). Er is geen sprake van opzeggingen in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

(…)

7. Korte samenvatting van het standpunt van [A] in reconventie

(…)

7.4 [A] betwist de gehele, c.q. gedeeltelijke verschuldigdheid van waarnemingsvergoedingen over de periode 1 januari 2009 tot 1 juli 2009, omdat [B], [D] en [C] onvoldoende zouden hebben waargenomen.

(…)

8.4 Voor het overige zullen arbiters op de stellingen van partijen ingaan in deze uitspraak of een eventuele vervolguitspraak, voor zover zij dat van belang achten.

9. De beoordeling in conventie

(…)

9.2 De datum van het einde van de maatschap

(…)

Tussen partijen staat vast, dat [A] in juli en augustus 2008 een aantal met name vermelde dagen gewerkt heeft, en een aantal dagen vakantie genoten heeft. Arbiters oordelen om die reden, dat [A] op die grond op 27 augustus 2009 niet een jaar achtereen ten gevolge van ziekte of ongeval verhinderd was de praktijk uit te oefenen als bedoeld in artikel 8 lid 3 van de maatschapsovereenkomst.

Voor de bepaling van de termijn van het jaar waarna [B] en [C], en de per

1 januari toegetreden [D] de maatschap mochten opzeggen is doorslaggevend de termijn van een jaar vanaf de datum, dat [A] achtereen – dat wil zeggen zonder onderbreking – arbeidsongeschikt is geweest. Naar het oordeel van arbiters is, dat een jaar na 1 september 2008 (…).

9.3 De vernietigbaarheid van de opzegging van 27 augustus 2009

Arbiters vernietigen de opzegging d.d. 27 augustus 2009 (….), omdat [B], [D] en [C] niet hebben aangetoond dat de termijn van een jaar achtereen, als bedoeld in artikel 8 lid 3 van de maatschapsovereenkomst op die datum verstreken was. Arbiters, oordelend als goede mannen naar billijkheid, maken gebruik van de mogelijkheid om die opzegging te converteren overeenkomstig artikel 42 boek 3 BW. Wanneer de opzegging van 27 augustus 2009 wegens haar ongeldigheid niet kan leiden tot de beoogde beëindiging per 27 november 2009, omdat [A] nog geen jaar achtereen arbeidsongeschikt was, brengt de redelijkheid en billijkheid met zich mee dat zij wordt omgezet in een geldige opzegging strekkende tot een beëindiging van de maatschap tegen de vroegst mogelijk datum, waartegen zulks in verband met de eisen van het maatschapscontract toelaatbaar is, daar aannemelijk is, dat bij ontstentenis van eerstgenoemde mogelijkheid van laatstgenoemde mogelijkheid tot het staken van de contractband tussen partijen gebruik zou zijn gemaakt. Arbiters gaan er daarbij van uit, dat de eerste ziektedag, waarna [A] een jaar achtereen arbeidsongeschikt is geweest, 1 september 2008 is geweest, en dat van die mogelijkheid op zodanige wijze gebruik zou zijn gemaakt dat beëindigd zou zijn per 31 december 2009, (…). Arbiters verwerpen hiermee de stellingname van [A] dat [B], [D] en [C] in het geheel niet mochten opzeggen, omdat zijn raadsvrouw op 18 juni 2009 had aangekondigd, dat hij wilde reïntegreren. Arbiters overwegen, dat artikel 8 lid 3 van het maatschapscontract tussen [B], [C] en [A] de mogelijkheid van opzegging na een jaar inhoudt, ook als er binnen redelijk afzienbare periode sprake is van enig herstel.

(…)

Arbiters achten niet aannemelijk gemaakt en verwerpen de stelling dat [B], [D] en [C] van 1 januari 2009 tot 1 juli 2009 niet goed hebben waargenomen. Voorts overwegen arbiters hierbij dat [B], [D] en [C] de aankondiging van mr. Kien bij memo van 18 juni 2009, dat de behandelaar denkt dat [A] 1 september 2009 het weer langzaam kan proberen, gecombineerd met de mededeling dat alle communicatie en correspondentie nog even via haar moet verlopen, niet als een serieuze hersteld-melding hebben behoeven te beschouwen. Een maat, die laat weten geen contact te kunnen hebben met zijn medematen, kan zijn beroep niet uitoefenen. [A], die volgens de verklaring van de behandelend specialist in augustus 2009 kon hervatten, heeft zelf in augustus 2009 geen rechtstreeks contact met zijn medematen gezocht. Integendeel heeft mr. Kien zijn medematen bij brief van 3 augustus 2009 voor een aantal zaken namens hem aansprakelijk gesteld, hetgeen zijn medematen mede heeft bewogen tot het uitoefenen van de bevoegdheid om hem – zij het enkele dagen te vroeg – op te zeggen.

9.4 Zijn [B], [D] en [C] toerekenbaar tekort gekomen jegens [A], of hebben zij zich onrechtmatig jegens hem gedragen?

Gelet op het bovenstaande oordelen arbiters, dat [B], [D] en [C] met de opzegging van 27 augustus 2009 slechts enkele dagen te vroeg hebben opgezegd. Dat hebben arbiters hersteld door de voormelde conversie. Door deze opzegging zijn [B], [D] en [C] – na dit herstel door arbiters van de voortijdigheid van de opzegging – niet jegens [A] toerekenbaar tekortgekomen, noch hebben zij onrechtmatig gehandeld. Zij hebben zich bereid verklaard tot een samenwerkingsovereenkomst na het eind van de maatschap. Het feit dat

[A], die samenwerking alleen in maatschapsverband wilde aangaan, laten arbiters voor zijn rekening en risico. (…). Het opschorten van de bevoorschotting van de winstuitkeringen in augustus 2008 achten arbiters evenmin een toerekenbare tekortkoming van [B], [D] en [C], omdat

[A] reeds eerder de betaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gedeeltelijk had opgeschort. Ook de overige verwijten, die [A] aan [B], [D] en [C] maakt, wijzen arbiters van de hand. (…)

Arbiters wijzen evenzeer van de hand het verwijt van [A] dat [B], [D] en [C] niet bereid zouden zijn geweest tot overleg over de re-integratie. Uit het overzicht van de feiten blijkt het tegendeel. (…)

9.5 De voormelde overwegingen hebben tot gevolg dat arbiters alle vorderingen van [A], strekkend tot schadevergoeding door [B], [D] en [C], afwijzen.

10. De vorderingen in reconventie

(…)

10.4 Arbiters oordelen (…) dat [A] niet heeft aangetoond of aannemelijk heeft gemaakt, dat niet goed is waargenomen.

11. De kosten

(…)

Honorarium mr. A.L. Asscher

348 uur à EUR 250,00 = EUR 23.370,00 (…)

Honorarium drs. J.J. Bucx

20,5 uur (…)

Honorarium drs. E. Koel RA

20 uur (…)

(…)”

3. Het geschil

3.1. [A] vordert dat de rechtbank het tussen hem en [B] c.s. op 21 november 2011 gewezen arbitrale (tussen)vonnis vernietigt, met veroordeling van [B] c.s. in de kosten van deze procedure.

3.2. [A] legt aan zijn vordering kort gezegd ten grondslag dat de arbiters bij het opstellen van het arbitrale vonnis op verschillende punten hun opdracht hebben geschonden, evenals hun motiveringsplicht. Bovendien is het arbitrale vonnis in strijd met de redelijkheid en billijkheid, aldus [A].

3.3. [B] c.s. voeren verweer, kort gezegd strekkend tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [A] in de volledig door [B] c.s. gemaakte proceskosten.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de maatschapsovereenkomst niet voorziet in de mogelijkheid van arbitraal hoger beroep. De vordering tot vernietiging, zoals die door [A] aan de rechtbank is voorgelegd, opent weliswaar een procedure waarin het arbitrale vonnis ter discussie gesteld kan worden, maar is geen hogere voorziening. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de burgerlijke rechter zich terughoudend op te stellen bij zijn onderzoek of er grond voor vernietiging van een arbitraal vonnis bestaat, niet alleen omdat een vernietigingsgrond niet mag worden gebruikt als verkapt hoger beroep, maar ook vanwege het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging. Op grond van artikel 1065 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan vernietiging van een arbitraal vonnis slechts plaatsvinden op een of meer van de navolgende gronden: (i) een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt; (ii) het scheidsgerecht is in strijd met de daarvoor geldende regelen samengesteld; (iii) het scheidsgerecht heeft zich niet aan de opdracht gehouden; (iv) het vonnis is niet overeenkomstig het in artikel 1057 Rv bepaalde ondertekend of niet met redenen omkleed; (v) het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, strijdt met de openbare orde of de goede zeden.

4.2. [A] grondt zijn vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis op a) schending van de opdracht (waartoe hij – onder meer – stelt dat de arbiters niet hebben gehandeld als goede mannen naar billijkheid), b) het ontbreken van een motivering en c) strijdigheid van het arbitrale vonnis met de redelijkheid en billijkheid.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat – anders dan [A] stelt – strijdigheid van het arbitrale vonnis met de redelijkheid en billijkheid geen in de wet genoemde vernietigingsgrond is. Datzelfde geldt voor het niet handelen als goede mannen oordelend naar billijkheid. Nu de genoemde opsomming van vernietigingsgronden limitatief is, kan de rechtbank de stellingen van [A] voor zover die zien op vernietiging van het arbitrale vonnis op deze gronden niet in haar oordeel betrekken. [A] heeft echter ook een aantal andere argumenten aangevoerd waarom de arbiters zich naar zijn opvatting niet aan hun opdracht hebben gehouden, respectievelijk hun vonnis niet hebben gemotiveerd. De rechtbank zal deze argumenten hierna afzonderlijk beoordelen.

Opzegging op ondeugdelijke grond

4.4. [A] stelt dat de arbiters geen oordeel hebben gegeven over zijn stelling dat [B] c.s. de maatschapsovereenkomst hebben opgezegd op de grond dat zij het vertrouwen in [A] hadden verloren, terwijl de maatschapsovereenkomst niet in een dergelijke opzeggingsgrond voorzag. [A] is van mening dat [B] c.s. door desondanks op die grond op te zeggen, wanprestatie hebben gepleegd. Deze essentiële stelling is door arbiters volledig onbesproken gelaten, hetgeen moet worden gezien als het niet aan de opdracht houden door de arbiters, aldus [A].

4.5. [B] c.s. verweren zich tegen deze stelling. Zij stellen dat zij de maatschapsovereenkomst hebben opgezegd vanwege de arbeidsongeschiktheid van [A]. De maatschapsovereenkomst bood hen in artikel 8 lid 3 die mogelijkheid. Dat [B] c.s. hun beslissing in de opzeggingsbrief van 27 augustus 2009 (zie hiervoor rechtsoverweging 2.7) hebben willen uitleggen, was slechts ingegeven in het feit dat zij het een zeer moeilijke beslissing vonden en zij daarom de behoefte voelden een nadere toelichting te geven. Dat neemt niet weg dat de arbeidsongeschiktheid van [A] de reden was van de opzegging en dat hebben de arbiters ook zo gezien. De arbiters hebben voornoemde stelling van [A] dan ook wel degelijk in hun beoordeling betrokken, zij het impliciet, aldus nog steeds [B] c.s.

4.6. De rechtbank overweegt als volgt. In het arbitrale vonnis hebben de arbiters bij de vaststaande feiten in 3.31 onder meer opgenomen dat de maatschapsovereenkomst bij aangetekende brief “met een toelichting” is opgezegd. Vervolgens is onder 4.3 van het arbitrale vonnis het standpunt van [A] weergegeven, onder meer inhoudende dat de grondslag van de opzeggingen [van 27 augustus 2009 en 15 april 2010, rb] niet de arbeidsongeschiktheid van [A] is, maar het verlies van vertrouwen en dat de maatschapsovereenkomst niet de mogelijkheid kent om een maat uit te stoten wanneer er verlies van vertrouwen is. Onder 5.3 van het arbitrale vonnis is het standpunt van [B] c.s. onder meer als volgt samengevat dat het verlies aan vertrouwen niet de grond voor de opzegging is geweest, maar een omstandigheid die [B] c.s. hebben meegewogen bij hun afweging of ze van hun opzeggingsbevoegdheid gebruik zouden maken.

4.7. Uit de weergave van de standpunten van beide partijen in het arbitrale vonnis blijkt dat de arbiters dit verschil van inzicht tussen partijen met betrekking tot de gebruikte opzeggingsgrond hebben onderkend. Uit het feit dat bij de vaststaande feiten in het arbitrale vonnis staat opgenomen dat [B] c.s. een opzeggingsbrief “met een toelichting” hebben gestuurd, volgt dat de arbiters die brief als zodanig hebben opgevat, namelijk als een toelichting van [B] c.s. op de moeilijke beslissing om gebruik te maken van de contractuele opzeggingsgrond om de maatschapsovereenkomst vanwege de periode van arbeidsongeschiktheid te beëindigen. De arbiters hebben het standpunt van [A] dus niet alleen onderkend, maar hebben dat standpunt ook als feitelijk onjuist beoordeeld en verworpen. Hoewel het de inzichtelijkheid, opbouw en motivering van de beslissing van de arbiters ten goede zou zijn gekomen wanneer de arbiters bij de beoordeling expliciet zouden hebben overwogen waarom zij dit voor [A] duidelijk zo belangrijke standpunt niet volgden, brengt het achterwege laten daarvan niet met zich dat de arbiters buiten hun opdracht zijn getreden. Eventuele onjuiste beoordeling van het betreffende standpunt van [A] door de arbiters kan geen onderdeel uitmaken van de beoordeling van de rechtbank in het kader van onderhavige vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis. De onderhavige procedure is immers, zoals hiervoor reeds overwogen, geen hogere voorziening waarbij integraal hernieuwde beoordeling van het standpunt van [A] kan plaatsvinden.

4.8. Voor zover [A] zich op het standpunt stelt dat het arbitrale vonnis op dit punt niet met redenen is omkleed en hij zich op die grond op vernietiging van het arbitrale vonnis beroept, dan volgt de rechtbank hem daarin evenmin. Door de standpunten van beide partijen ten aanzien van de opzeggingsgrond weer te geven en vervolgens aan te sluiten bij de door één der partijen aangevoerde opzeggingsgrond (en die vervolgens op juistheid te beoordelen), kan niet worden gezegd dat de arbiters hun vonnis niet met redenen hebben omkleed. In aanmerking nemend dat aan de rechtbank niet de bevoegdheid toekomt om het arbitrale vonnis op deze grond naar zijn inhoud te toetsen, kan de juistheid van de keuze van de arbiters niet ter beoordeling aan de rechtbank worden voorgelegd. Vernietiging op deze grond is slechts mogelijk wanneer een motivering ontbreekt, waarmee moet worden gelijk gesteld het geval dat weliswaar een motivering is gegeven, maar dat daarin enige steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt. De rechtbank is van oordeel dat [A] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat daarvan sprake is.

4.9. Het voorgaande leidt ertoe dat de stelling van [A] dat de arbiters geen oordeel hebben gegeven over zijn stelling dat [B] c.s. de maatschapsovereenkomst hebben opgezegd op de grond dat zij het vertrouwen in [A] hadden verloren, terwijl de maatschapsovereenkomst niet in een dergelijke opzeggingsgrond voorzag, niet tot vernietiging van het arbitrale vonnis kan leiden.

Conversie

4.10. Verder heeft [A] aangevoerd dat de arbiters ten onrechte conversie hebben toegepast bij de beoordeling van de opzegging van de maatschapsovereenkomst. De arbiters hebben daarmee de norm van ‘goede mannen naar billijkheid’ volgens [A] te ruim opgevat. Dat geldt temeer, aldus [A], omdat uit het laatste zinsdeel van artikel 3:42 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is af te leiden dat conversie niet mag worden toegepast indien dit onredelijk zou zijn jegens een belanghebbende die niet tot de rechtshandeling als partij heeft meegewerkt. [A] is aan te merken als een in die bepaling bedoelde belanghebbende en de conversie is onredelijk jegens [A] omdat de maatschap als gevolg van de conversie feitelijk tot in januari 2010 heeft geduurd en [B] c.s. gedurende die periode desalniettemin hebben geweigerd [A] in maatschapsverband te laten re-integreren. Dit alles leidt ertoe dat de arbiters zich door conversie toe te passen niet aan hun opdracht hebben gehouden, hetgeen voor de rechtbank aanleiding moet zijn het arbitrale vonnis te vernietigen, aldus nog steeds [A].

4.11. [B] c.s. verweren zich tegen deze stelling van [A]. Volgens [B] c.s. waren de arbiters bevoegd om conversie toe te passen, aangezien de burgerlijke rechter daartoe eveneens ambtshalve bevoegd is. De arbiters zijn dan ook binnen hun opdracht gebleven. Zelfs indien de arbiters door het toepassen van conversie in dit geval niet binnen hun opdracht zouden zijn gebleven, dan is in elk geval geen sprake van een zodanige schending van de opdracht dat daarop een (gedeeltelijke) vernietiging van het arbitrale vonnis moet volgen. Het stond de arbiters gelet op de hun opgedragen toetsingsmaatstaf immers vrij om in dit geval als goede mannen naar billijkheid tot de onderhavige conversie te besluiten. [B] c.s. betwisten dat de toegepaste conversie onredelijk is geweest, nu zij zich – anders dan [A] stelt – wel degelijk hebben ingespannen voor de re-integratie van [A]. [B] c.s. wijzen daartoe onder meer op de passage in de opzeggingsbrief van 27 augustus 2009 waarin zij schrijven “Wij zijn te allen tijde bereid om samen met jou te bezien of het weer mogelijk is een vorm van samenwerking met jou tot stand te brengen”. De arbiters hebben met juistheid (impliciet) als uitgangspunt overwogen dat de verplichting van [B] c.s. om behulpzaam te zijn bij de re-integratie van [A] zolang de maatschap bestond, niet meebracht dat zij dienden terug te komen van hun besluit tot beëindiging van de maatschap, aldus nog steeds [B] c.s.

4.12. De rechtbank stelt voorop dat het kader waarbinnen de arbiters op grond van de maatschapsovereenkomst hun uitspraak dienden vorm te geven, als goede mannen naar billijkheid, op zichzelf geen beletsel is om conversie toe te passen. Voor zover [A] aan de orde heeft willen stellen dat de arbiters de verkeerde maatstaf hebben aangelegd, volgt de rechtbank hem daarin niet. Voor het overige geldt, zoals hiervoor reeds is overwogen, dat de rechtbank niet bevoegd is om het arbitrale vonnis inhoudelijk te toetsen. De vraag of de arbiters het laatste zinsdeel van artikel 3:42 BW in aanmerking nemend wel of niet tot conversie mochten overgaan en of hun beslissing op dat punt voor juist kan worden gehouden, kan dan ook in het kader van de onderhavige procedure niet door de rechtbank worden beantwoord.

4.13. Voor zover [A] betoogt dat de arbiters het arbitrale vonnis niet met redenen hebben omkleed door voorbij te gaan aan de stelling van [A] dat [B] c.s. zich niet aan hun verplichting hebben gehouden om mee te werken aan de re-integratie van [A] in de periode tot aan 1 januari 2010, volgt de rechtbank [A] daarin niet. De rechtbank wijst op overweging 9.3 van het arbitrale vonnis, waarin onder meer het volgende staat.

“Voorts overwegen arbiters hierbij dat [B], [D] en [C] de aankondiging van

mr. Kien bij memo van 18 juni 2009, dat de behandelaar denkt dat [A]

1 september 2009 het weer langzaam kan proberen, gecombineerd met de mededeling dat alle communicatie en correspondentie nog even via haar moet verlopen, niet als een serieuze hersteld-melding hebben behoeven te beschouwen. Een maat, die laat weten geen contact te kunnen hebben met zijn medematen, kan zijn beroep niet uitoefenen. [A], die volgens de verklaring van de behandelend specialist in augustus 2009 kon hervatten, heeft zelf in augustus 2009 geen rechtstreeks contact met zijn medematen gezocht. Integendeel heeft mr. Kien zijn medematen bij brief van 3 augustus 2009 voor een aantal zaken namens hem aansprakelijk gesteld, hetgeen zijn medematen mede heeft bewogen tot het uitoefenen van de bevoegdheid om hem – zij het enkele dagen te vroeg – op te zeggen.”

4.14. Naar het oordeel van de rechtbank is hierin voldoende motivering te lezen van de arbiters voor de beslissing om voornoemde stelling van [A] af te wijzen. Dat in de arbitrageprocedure tussen [A] en het ziekenhuis een ander gewicht is toegekend aan de medische verklaringen van de psychiater van [A] en op dit punt ook inhoudelijk anders is beslist, zoals [A] stelt, maakt dit niet anders. De rechtbank benadrukt dat ook hier geldt dat zij niet bevoegd is om een inhoudelijke toetsing van de beslissing van de arbiters uit te voeren. Dit heeft tot gevolg dat evenmin op de hiervoor besproken grond aanleiding bestaat om het arbitrale vonnis te vernietigen.

Afgewezen waarnemingsvordering

4.15. [A] stelt voorts dat de arbiters ten onrechte niet hebben gemotiveerd waarom (of zelfs dat) zij de vordering van [A] met betrekking tot het toerekenbaar tekortschieten in de waarneming door [B] c.s. hebben afgewezen.

4.16. [B] c.s. verweren zich met de stelling dat de arbiters de door [A] aangevoerde bezwaren weliswaar kort, maar desondanks voldoende gemotiveerd hebben afgewezen.

4.17. De rechtbank volgt [A] niet in zijn voornoemde stelling. Uit de samenvatting van het standpunt van [A] in reconventie in het arbitrale vonnis (onder 7.4) blijkt dat de arbiters zijn standpunt hebben onderkend. Vervolgens hebben de arbiters zowel bij de beoordeling in conventie onder 9.3 als bij de beoordeling in reconventie onder 10.4 overwogen dat [A] niet heeft aangetoond of aannemelijk heeft gemaakt dat [B] c.s. de praktijk niet goed hebben waargenomen. De arbiters hebben daarmee voldoende gemotiveerd waarom de stelling van [A] dat toerekenbaar is tekortgeschoten in de verplichting tot waarneming van zijn praktijk, is verworpen. Voor zover [A] zich op het standpunt stelt dat de arbiters hadden moeten motiveren waarom [A] zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt, volgt de rechtbank hem daarin niet. Ook hier geldt dat de rechtbank geen inhoudelijke toets mag uitvoeren over het oordeel van de arbiters. Aldus is ook hier geen sprake van een geldige vernietigingsgrond.

Nieuw aangevoerde vernietigingsgronden

4.18. [A] heeft ter gelegenheid van de comparitie nog een tweetal nieuwe vernietigingsgronden aangevoerd.

4.19. [B] c.s. hebben voorop gesteld dat zij daartegen bezwaar aantekenen, omdat deze nieuwe gronden te laat zijn opgeworpen. [B] c.s. hebben vervolgens tegen beide gronden inhoudelijk verweer gevoerd.

4.20. Voor zover er al van uit kan worden gegaan dat deze nieuwe vernietigingsgronden, gelet op het tijdstip waarop zij zijn aangevoerd, in procedureel opzicht toelaatbaar zijn, kunnen ook deze niet tot vernietiging leiden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aantal scheidslieden

4.21. [A] stelt dat uit de urenstaten van de arbiters moet worden afgeleid dat het geschil niet is beslist door drie scheidslieden, zoals de opdracht inhield. Uit de urenstaten is immers te zien dat mr. Asscher achttien maal zoveel tijd heeft besteed aan de zaak dan zijn medearbiters. Dit heeft tot gevolg dat de arbiters hun opdracht om gezamenlijk een vonnis te wijzen hebben geschonden, aldus [A].

4.22. Nog afgezien van het feit dat het vermelde aantal uren voor mr. Asscher niet overeen komt met de daarvoor berekende kosten vermenigvuldigd met het uurtarief (348 x €250,00 is niet € 23.370,00), waardoor het aantal door mr. Asscher aan de zaak bestede uren aanzienlijk minder lijkt te verschillen van de door de andere twee arbiters aan de zaak bestede tijd, is de rechtbank van oordeel dat [A] onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te komen dat het vonnis slechts door één arbiter zou zijn gewezen. De enkele stelling dat één der arbiters meer uren aan behandeling en beslissing van de arbitrage heeft besteed dan de anderen is, mede gezien de met juistheid aangevoerde stelling van [B] c.s. dat het veelal één arbiter is die het vonnis concipieert waarmee veel tijd is gemoeid, in elk geval geen aanleiding.

Vooringenomenheid arbiters?

4.23. Tot slot heeft [A] nog aangevoerd dat sprake is van vooringenomenheid bij de arbiters. [A] noemt daartoe een aantal omstandigheden. Allereerst zou de voorzitter van het arbitragecollege ter gelegenheid van de mondelinge behandeling mr. Kien woorden in de mond hebben gelegd teneinde de door de arbiters in het vonnis toegepaste conversie te faciliteren. Verder zou uit het arbitrale vonnis van vooringenomenheid blijken doordat over de ingangsdatum van arbeidsongeschiktheid stellingen van [A] niet in aanmerking zijn genomen. Volgens [A] hebben de arbiters hierdoor hun opdracht geschonden, dan wel in strijd gehandeld met de openbare orde en de goede zeden.

4.24. De rechtbank volgt [A] niet in zijn stelling dat de door hem genoemde omstandigheden zien op een schending van de opdracht van de arbiters. De stellingen van [A] zien veeleer op een schending van de openbare orde en de goede zeden, omdat de arbiters niet onpartijdig en onafhankelijk zijn geweest. Voor vernietiging op deze grond is alleen plaats wanneer feiten en omstandigheden aan het licht zijn gekomen op grond waarvan moet worden aangenomen dat hetzij een arbiter bij het geven van de arbitrale beslissing in feite niet onpartijdig dan wel niet onafhankelijk was, hetzij omtrent diens toenmalige onpartijdigheid of onafhankelijkheid in zo ernstige mate twijfel mogelijk is dat het onaanvaardbaar zou zijn van de partij die in de arbitrage in het ongelijk is gesteld, te vergen dat hij zich bij die uitspraak neerlegt. Hetgeen [A] ten aanzien van de vermeende partijdigheid van de arbiters naar voren heeft gebracht, is naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de hiervoor weergegeven maatstaf onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van een zodanige vooringenomenheid van de arbiters dat zij niet onpartijdig zijn. [A] heeft zijn standpunt aangaande de ingangsdatum van de arbeidsongeschiktheid tijdens de verschillende procedures een aantal keren gewijzigd, zodat het maken van een keuze voor 1 september 2009 als ingangsdatum niet zonder nadere toelichting kan worden aangemerkt als vooringenomenheid van de zijde van de arbiters. Anders dan inhoudelijk andere inzichten heeft [A] niets gesteld om te kunnen concluderen dat sprake is van partijdigheid van (een van) de arbiters en dus evenmin van strijd met de goede zeden en de openbare orde. Ook hier is derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een valide vernietigingsgrond.

4.25. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.26. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [B] c.s. Anders dan [B] c.s. betogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke, forfaitaire liquidatietarief. Het door [B] c.s. aangevoerde kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen aan de zijde van [A]. De proceskosten aan de zijde van [B] c.s. zullen dan ook conform het liquidatietarief worden begroot op:

griffierecht: EUR 267,00

salaris advocaat: EUR 904,00 (2 punten x tarief 452,00)

Totaal EUR 1.171,00

4.27. De derde rechter die tijdens de comparitie deel uit maakte van de meervoudige kamer is niet langer werkzaam bij de Afdeling Privaatrecht en is daarom niet in staat geweest dit vonnis mede te wijzen. Het vonnis is daarom door een andere jongste rechter mede gewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het gevorderde af;

5.2. veroordeelt [A] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [B] c.s. tot op heden begroot op EUR 1.171,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, mr. K. Mans en mr. L.R. Wisse en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2013.?

De voorzitter is buiten staat het vonnis te ondertekenen. Het vonnis is daarom ondertekend door de oudste rechter.