Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA3493

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
528373 / HA ZA 12-1265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde heeft in beginsel onrechtmatig gehandeld jegens eiser door zijn verplichtingen uit hoofde van een leningsovereenkomst gesloten met de BV waar eiser directeur van is niet na te komen. Gedaagde wordt toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij op het moment van het sluiten van de leningsovereenkomst lijdende was aan een persoonlijkheidsstoornis. Wanneer hij in dat bewijs slaagt dan staat de leningsovereenkomst bloot aan vernietiging, nu vaststaat dat de leningsovereenkomst nadelig voor gedaagde was. In dat geval kan eiser het niet nakomen van de verplichtingen uit de leningsovereenkomst niet als onrechtmatig aan gedaagde tegenwerpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/528373 / HA ZA 12-1265

Vonnis van 8 mei 2013

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. A. Arslan te Zwolle,

tegen

[B],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 oktober 2012,

- de akte overlegging producties, van [A], met producties,

- een herstelexploot van de dagvaarding van 9 november 2012, van [A],

- de conclusie van antwoord van [B],

- het tussenvonnis van 16 januari 2013 waarin een comparitie van partijen is bevolen,

- het proces-verbaal van comparitie van 25 maart 2013.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] is directeur en enig aandeelhouder van Forever Walking B.V. (hierna: Forever Walking).

2.2. Forever Walking heeft een overeenkomst van lening gesloten met de Rabobank ter hoogte van € 1.650.000,00. [A] staat in privé borg voor de terugbetaling van de lening en kosten aan de Rabobank tot een bedrag van € 1.650.000,00.

2.3. Op 10 maart 2010 heeft de Rabobank de lening schriftelijk opgezegd en Forever Walking gesommeerd tot terugbetaling bij gebreke waarvan de gestelde zekerheden zouden worden uitgewonnen.

2.4. Op 24 juni 2010 hebben Forever Walking en CBGB B.V. in oprichting (hierna: CBGB) een overeenkomst van achtergestelde geldlening (hierna: de leningsovereenkomst) gesloten. CBGB werd hierbij blijkens de leningsovereenkomst vertegenwoordigd door [B] in zijn hoedanigheid als bestuurder van CBGB. In de leningsovereenkomst wordt Forever Walking aangeduid als Schuldenaar en CBGB als Schuldeiser. De lenings¬over¬eenkomst is ondertekend door [B] in privé, in verband met het in oprichting zijn van CBGB. De leningsovereenkomst houdt, voor zover hier van belang, in:

“(…)

Artikel 1 Geldlening

Schuldeiser zal op 1-7-2010 een bedrag ad € 1.650.000, - (…) uit hoofde van geldlening aan Schuldenaar ter beschikking stellen. welk bedrag in het hierna volgende zal worden aangeduid als: ‘de geleende som’. (…)

Artikel 2 Rente

Partijen komen overeen dat Schuldenaar over de geleende som geen rente is verschuldigd aan Schuldeiser.

Artikel 3 Achterstelling

1. De rechten van Schuldeiser op terugbetaling van de hoofdsom van de geldlening zijn achtergesteld bij de rechten van alle schuldeisers op betaling van al hetgeen zij van Schuldenaar te vorderen hebben.

2. (…)

Artikel 4 Aflossing

1. De overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. (…)

2. (…)

(…)”

2.5. Eveneens op 24 juni 2010 hebben [A] en CBGB (vertegenwoordigd door [B] als bestuurder) een aandeelhoudersovereenkomst gesloten. Deze aandeelhou¬dersovereenkomst is gebaseerd op het voorstel van CBGB om 35% van de geplaatste aandelen van Forever Walking te kopen voor een bedrag van € 500.000,00.

2.6. Bij vonnis in kort geding van 23 december 2010 is [B] op vordering van Forever Walking bij verstek veroordeeld tot (samengevat) nakoming van de leningsovereenkomst, waaronder de verplichting tot betaling van een bedrag van € 1.650.000,00 aan Forever Walking.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad (kort gezegd):

I. (primair) voor recht te verklaren dat [B] aansprakelijk is voor de schade die [A] lijdt als gevolg van het onrechtmatig handelen door [B],

II. (subsidiair) [B] te veroordelen tot betaling van de schade ter hoogte van thans € 50.746,35 + PM vermeerderd met de wettelijke rente,

III. (meer subsidiair) een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren,

IV. (zowel voor I, II en III) [B] te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2. [A] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [B] is zijn betalings¬verplichting uit hoofde van de leningsovereenkomst met Forever Walking niet nagekomen. Als gevolg daarvan is Forever Walking niet in staat om aan haar betalingsverplichting jegens de Rabobank te voldoen en zal de Rabobank [A] als borg aanspreken om te betalen. Het niet nakomen van de betalingsverplichting door [B] aan Forever Walking is derhalve onrechtmatig jegens [A]. [B] is verplicht om de schade die [A] daar¬door lijdt te vergoeden.

3.3. [B] voert verweer. Volgens hem is hij lijdende aan een persoonlijkheids¬stoornis als gevolg waarvan hij niet in staat was om zijn wil te bepalen. De leningsover¬eenkomst is om die redenen vernietigbaar. Subsidiair is de leningsovereenkomst als gevolg van zijn persoonlijkheidsstoornis vernietigbaar op grond van dwaling dan wel misbruik van omstandigheden. Indien de leningsovereenkomst niet vernietigbaar is en [B] onrecht¬matig jegens [A] zou hebben gehandeld, dan kan het onrechtmatig handelen niet aan [B] worden toegerekend op grond van zijn persoonlijkheidsstoornis. Indien dat niet komt vast te staan dan doet [B] een beroep op eigen schuld aan de zijde van [A], dan wel op matiging van de schadevergoedingsplicht met 100%.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geschil of [B] onrechtmatig jegens [A] heeft gehandeld door zijn verplichtingen uit hoofde van de leningsovereenkomst met Forever Walking niet na te komen.

4.2. In het algemeen geldt dat de niet nakoming van een partij van een overeenkomst met een ander niet zonder meer meebrengt dat de wanpresterende partij jegens een derde uit onrechtmatige daad aansprakelijk is.

Indien de belangen van de derde echter zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen zulks meebrengen, zal de rechter de terzake dienende omstandigheden van het geval in zijn beoordeling dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en de omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling

4.3. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van [B] jegens [A] in beginsel in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Bij dit oordeel heeft de rechtbank het volgende betrokken. [A] heeft onbetwist gesteld dat de leningsovereenkomst was gesloten met het doel de borgstelling van [A] weg te nemen. De belangen van [A] waren dan ook zeer nauw betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst. Immers, wanneer [B] zijn verplichting tot betaling uit hoofde van de leningsovereenkomst niet na zou komen, zou [A] schade lijden. In dat geval kan Forever Walking de door de Rabobank opgeëiste lening immers niet terugbetalen en zal [A] worden aangesproken als borg. [B] wist wat het belang van [A] was en heeft hem doen geloven dat hij het bedrag van € 1.650.000,00 aan Forever Walking zou betalen. Nu achteraf is gebleken dat hij daartoe niet in staat was heeft hij in beginsel in strijd gehan¬deld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, doch slechts voor zover als en tot het bedrag waartoe [A] door de Rabobank als borg zou worden aangesproken,

Ten aanzien van de overige door [A] gevorderde schadeposten heeft te gelden dat die niet in een zodanig nauw verband staan met het handelen van [B] jegens [A], dat deze als schade als gevolg van diens onrechtmatig handelen kunnen worden aangemerkt.

4.4. Het vorenstaande geldt echter niet, naar het oordeel van de rechtbank, als de overeenkomst die niet is nagekomen, blootstaat aan vernietiging. De niet nakoming van een overeenkomst die aan een zodanig gebrek lijdt dat ze voor vernietiging in aanmerking komt kan immers niet worden aangemerkt als onrechtmatig handelen jegens een derde, ook al zijn de belangen van die derde nauw betrokken. Indien [B] jegens Forever Walking een beroep op de vernietigbaarheid van de overeenkomst toekomt, kan [A] aan de niet-nako¬ming van de overeenkomst geen aanspraak jegens [B] ontlenen.

De rechtbank zal mitsdien hebben te onderzoeken of [B] jegens Forever Walking een beroep op de vernietigbaarheid van de overeenkomst zou toekomen.

4.5. Uit artikel 3:34 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat wanneer iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets heeft verklaard, een met de verklaring overeenstemmende wil geacht wordt te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van de stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijs niet was te voorzien.

4.6. [B] heeft gesteld en te bewijzen aangeboden dat hij op het moment van het sluiten van de leningsovereenkomst lijdende was aan een persoonlijkheidsstoornis. [B] zal daarom tot het bewijs van deze stelling worden toegelaten.

4.7. Wanneer [B] slaagt in het bewijs van die stelling, dan geldt het volgende. Indien [B] aantoont dat zijn verklaring onder invloed van zijn stoornis werd gedaan, dan wordt zijn wil geacht te hebben ontbroken. Uit de tweede zin van lid 1 van voornoemd artikel volgt dat indien de rechtshandeling nadelig was voor de geestelijk gestoorde, de verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de rechtshandeling voor [B] nadelig was. Immers, [B] heeft zich verbonden om renteloos een lening van (voor een privé-persoon) zeer grote omvang ter beschikking te stellen, zonder dat een termijn voor terug¬betaling was bepaald en zonder dat daar navenante andere voordelen voor [B] tegenover stonden.

4.8. Voorgaande betekent dat, wanneer [B] slaagt in het bewijs, de leningsovereen-komst blootstaat aan vernietiging.

4.9. Het gevolg van vernietigbaarheid is dat [A] de niet nakoming door [B] van de overeenkomst met Forever Walking aan [B], niet als onrechtmatig handelen kan tegenwerpen.

4.10. Indien [B] niet slaagt in het bewijs van zijn stelling, dan is niet komen vast te staan dat de geestelijke vermogens van [B] ten tijde van het sluiten van de leningsover¬eenkomst, gestoord waren. Als gevolg daarvan stuiten alle verweren van [B] die met de door hem gestelde persoonlijkheidsstoornis verband houden, daarop af.

Zoals hiervoor overwogen moet het handelen van [B] dan als onrechtmnatig jegens [A] worden aangemerkt. Nu niets is gesteld waaruit zou kunnen volgen dat het onrechtmatig handelen [B] in dat geval niet zou kunnen worden toegerekend is [B] in beginsel dan gehouden de schade van [A] die het gevolg is van zijn onrechtmatig handelen te vergoeden.

4.11. [B], heeft subsidiair aangevoerd dat [A] een deel van de schade wegens eigen schuld zelf zou moeten dragen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [A] had moeten begrijpen dat [B] nooit in staat was een bedrag van ruim anderhalf miljoen euro in bruikleen te geven, gezien zijn financiële positie. [A] had, aldus [B] minst genomen meer onderzoek moeten doen. [A] heeft volstaan met een door zijn accountant gepleegd telefoontje naar de familie van [B], waarbij aan hem is meegedeeld dat [B] niet over voldoende middelen beschikte.

[A] heeft niet betwist dat hij geen ander onderzoek heeft gedaan. Hij heeft wel gesteld dat [B] bij gesprekken in augustus en oktober 2010 werd bijgestaan door een medewerker van een accoutantskantoor, maar [B] heeft er terecht op gewezen dat die gesprekken plaatsvonden nadat de overeenkomst al was getekend.

In die omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank inderdaad sprake van een omstandigheid die aan [A] kan worden toegerekend, als gevolg de waarvan schade voor een deel voor zijn eigen rekening dient te blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank moet de schade in gelijke delen worden toegerekend, zodat er aanleiding is de aansprakelijkheid van [B] te beperken tot 50%.

4.12. Daarnaast heeft [B] een beroep gedaan op matiging van zijn schadever¬goedingsplicht. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Uit artikel 6:109 BW volgt dat indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden, de rechter de wettelijke verplichting tot schadevergoeding kan matigen.

Nu [A] in dit stadium zijn primaire vordering heeft beperkt tot een verklaring voor recht en de omvang van een eventuele schade nog geenszins vaststaat kan de rechtbank ook nog niet beoordelen of een toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandig¬heden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

4.13. Voorgaande betekent (indien [B] niet slaagt in zijn bewijsopdracht) dat de primaire vordering toewijsbaar is, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder r.o. 4.11. is overwogen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [B] op te bewijzen dat hij ten tijde van het afsluiten van de geldleningsovereenkomst lijdende was aan een persoonlijkheidsstoornis, als gevolg waarvan hij niet in staat was om zijn wil te bepalen,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 22 mei 2013 voor uitlating door [B] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat [B], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat [B], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden juni tot en met augustus 2013 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. G.H. Marcus in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2013.?