Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA3404

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
EA VERZ 13-292
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heeft de COR van de gemeente Amsterdam instemmingsrecht ogv art 27 lid 1 sub c WOR ten aanzien van een harmonisatie-project rond toeslagen op bezwarende werkzaamheden? Uitzondering van artikel 27 lid 3 WOR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, team kanton

Zaaknummer: 1415130 EA VERZ 13-292

Beschikking van: 28 mei 2013

F.no.: 560/245

Beschikking van de kantonrechter

in de zaak van

DE CENTRALE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM,

woonplaats kiezend te [plaats],

verzoekster, tevens verweerster,

nader te noemen de COR,

gemachtigde: mr. E.A. van Win,

t e g e n

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster, tevens verzoekster,

nader te noemen de gemeente,

gemachtigde: mr. J. van Doesum.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De COR heeft op 26 februari 2013 een verzoek ex artikel 36 lid 2 Wet op de Ondernemingsraden ingediend.

De gemeente heeft een verweerschrift ingediend met daarin een zelfstandig verzoek.

De verzoeken zijn behandeld ter terechtzitting van 16 april 2013. Namens de COR zijn verschenen de heer [naam], voorzitter, mevrouw [naam], plv voorzitter, de heer [naam], plv lid en de heer [naam], deskundige, vergezeld door de gemachtigde. De gemeente is verschenen bij de heren [naam] en [naam], vergezeld door de gemachtigde.

Partijen hebben hun standpunten (deels) aan de hand van een pleitnota toegelicht. Na verder debat is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1.Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.In de Nieuwe Rechtspositieregeling van de Gemeente Amsterdam (hierna: NRGA) is in artikel 3.2 de methode rangordenen inconveniënten (hierna: MRI) opgenomen. De MRI geeft, kort gezegd, recht op een toeslag door de medewerker te ontvangen vanwege de omstandigheid dat de aan de functie verbonden werkzaamheden onder bezwarende omstandigheden worden verricht (verder de inconveniëntenvergoeding of toeslag).

1.2.In lid 1 van artikel 3.2 is onder meer het volgende bepaald:

1. Het rangordenen en waarderen van functies naar structurele inconveniënten vindt plaats aan de hand van de methode voor het rangordenen van inconveniënten als omschreven in:

a. de methode voor het rangordenen van inconveniënten V013 (26 augustus 2003);

b. de voorbeeldbundel 2003 (26 augustus 2003) en

c. de volgende waardering: (…)

In de toelichting bij het artikel is voorts onder meer vermeld:

(…) De toeslag wordt toegekend voor de tijd dat de inconveniënten ook feitelijk voorkomen. Bij gewijzigde omstandigheden wordt gekeken of de MRI-classificatie nog wel juist is. De inconveniënten worden om de drie jaar opnieuw gewaardeerd. (…)”

1.3.In mei 2010 heeft bij de gemeente een fusie plaatsgevonden, waarbij zeven stadsdelen zijn samengevoegd tot vier nieuwe, grotere stadsdelen; te weten Oost, West, Zuid en Nieuw-West.

1.4.Na de samenvoeging is gebleken dat medewerkers die hetzelfde werk deden verschillende inconveniëntenvergoedingen ontvingen op basis van de MRI.

1.5.Om de verschillen in hoogte in de vergoedingen op te heffen is begin januari 2011 bij de vier gefuseerde stadsdelen het project Harmonisatie MRI gestart. Op 3 oktober 2011 is door de vier stadsdeelsecretarissen van de stadsdelen Oost, West, Zuid en Nieuw-West, het “Werkboek MRI” vastgesteld.

1.6.Bij brief van 27 oktober 2011 heeft de COR, onder verwijzing naar artikel 27 lid 1 onder c WOR, zich bij de gemeentesecretaris beroepen op de nietigheid van het besluit van 3 oktober 2011 tot vaststelling van het “Werkboek MRI”. Volgens de COR betreft het besluit een wijziging van een belonings- en functiewaarderingssysteem en is het besluit daarom ten onrechte niet voor instemming aan hem voorgelegd.

1.7.Bij brief van 14 november 2011 heeft de gemeentesecretaris aan de COR bericht dat zij het onder 1.6 bedoelde standpunt niet onderschrijft en dat aan het beroep op nietigheid geen gevolg wordt gegeven.

1.8.Nadien heeft er tussen de COR en de gemeente correspondentie plaatsgevonden over bij de COR levende vragen over het Werkboek MRI en (de hoogte van) de vergoedingen. Daarnaast heeft de COR om informatie verzocht met betrekking tot (de wijze van) de vaststelling van de MRI toeslag.

1.9.Met ingang van 1 juli 2012 is uitvoering gegeven aan het “Werkboek MRI” en zijn aan de betrokken medewerkers de nieuwe MRI-waarderingen cq -toeslagen toegekend. Bij vaststelling van een lagere MRI-toeslag is de afbouw- en garantieregeling van de NRGA toegepast.

1.10.Bij brief van 11 juli 2012 heeft de COR (nogmaals) gevraagd om een onderzoeksrapport dan wel alle (andere) schriftelijke stukken die ten grondslag liggen aan het Werkboek MRI. De COR kondigt daarbij aan dat zij naar de bedrijfscommissie zal gaan als zij de niet binnen twee weken de stukken zal ontvangen.

1.11.Bij brief van 20 juli 2012, aangevuld bij brief van 14 augustus 2012, is namens de COR een verzoek ingediend bij de Bedrijfscommissie voor de Overheid. Het verzoek is behandeld door de Kamer Lagere Publiekrechtelijke Lichamen, verder de bedrijfscommissie.

1.12.Nadat de gemeente op 18 september 2012 een verweerschrift heeft ingediend, heeft op 2 oktober 2012 een hoorzitting bij de bedrijfscommissie plaats gevonden.

1.13.Na overleg tussen de gemeente en de COR en nadat de bedrijfscommissie nadere vragen aan partijen heeft gesteld, heeft op 15 januari 2013 een tweede hoor-zitting plaatsgevonden.

1.14.Op 29 januari 2013 heeft de bedrijfsadviescommissie advies uitgebracht. Het advies luidt als volgt:

“De kamer LPL adviseert dat de COR, behoudens de toezichthoudende rol die hem op grond van artikel 28 van de WOR toekomt, geen andere bevoegdheid heeft ten aanzien van (een wijziging van) artikel 3.2 NRGA. In aangelegenheden als de onderhavige is het wél aan de COR om de werknemersvertegenwoordiging uit het Georganiseerd Overleg te informeren, dat zijns inziens een arbeidsvoorwaarde niet goed wordt uitgevoerd door de bestuurder. Het blijft echter aan de werknemersvertegenwoordiging om daarover het overleg met de Bestuurder te voeren. Voorts adviseert de Kamer LPL dat de Bestuurder niet verplicht was om vooraf, overeenkomstig artikel 27, lid 1, sub c van de WOR, de instemming te verzoeken van de COR voor het nemen van het besluit van 3 oktober 2011 waarin het werkboek MRI is vastgesteld. Er is immers niet gebleken dat sprake is van een wijziging van artikel 3.2 NRGA, dan wel van een gewijzigde toepassing van artikel 3.2 NRGA.

De Kamer LPL adviseert de Bestuurder in het overleg met de (C)OR in een eerder stadium van het proces en de aan de orde zijnde achtergronden te schetsen opdat voor de (C)OR een beter inzicht ontstaat over de noodzakelijke informatie. (…) “

Verzoek

2.De COR verzoekt om:

2.1.te bepalen dat het voorgenomen besluit tot vaststelling van het Werkboek MRI en het als gevolg daarvan herwaarderen van de MRI-toelages op grond van artikel 27 lid 1 sub c WOR ter instemming aan de COR had moeten worden voorgelegd, nu sprake is van een wijziging, dan wel andere toepassing van de bestaande MRI-regeling zoals neergelegd in artikel 3.2 van de NRGA;

2.2.het besluit van de bestuurder van de gemeente Amsterdam inzake het vaststellen van het Werkboek MRI en in het verlengende daarvan de herwaardering van de MRI-toelages op grond van artikel 27 lid 5 WOR nietig te verklaren, nu de benodigde instemming van de COR ontbreekt, de COR en de vakbonden niet zijn geraadpleegd en de COR tijdig de nietigheid van dit besluit heeft ingeroepen;

2.3.de bestuurder van de gemeente Amsterdam op grond van artikel 27 lid 6 en 36 lid 7 WOR te verplichten zich te onthouden van handelingen die strekken tot uitvoering of toepassing van het nietige besluit en darbij te bepalen dat met terugwerkende kracht de reeds uitgevoerde uitvoeringshandelingen worden teruggedraaid en de gevolgen die de tenuitvoerlegging van het besluit heeft veroorzaakt ongedaan te maken;

2.4.de bestuurder van de gemeente Amsterdam te verplichten met de COR, en daar waar het gaat om de inkomensgevolgen voor medewerkers met de vakorganisaties, in overleg te treden over de door de gemeente Amsterdam beoogde wijziging van de MRI-systematiek, alvorens hieraan uitvoering te geven;

2.5.te bepalen dat de bestuurder gevolg dient te geven aan artikel 31 WOR en hij alsnog de benodigde informatie verstrekt aan de COR zoals omschreven in paragraaf 74 tot en met 78 van het verzoekschrift, zodat de COR zijn taak naar behoren kan verrichten;

2.6.de gemeente te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.De COR stelt ten aanzien van het verzoek onder 2.1 tot en met 2.4, kort weergegeven, dat het besluit waarmee het werkboek MRI is vastgesteld ter instemming aan de COR had moeten worden voorgelegd. Nu dat niet is gebeurd is het besluit nietig.

4.Ten aanzien van het verzoek om de gemeente te gelasten om informatie te verschaffen heeft de COR gesteld, kort weergegeven, dat de bestuurder veelvuldig is verzocht om nadere informatie te verstrekken om vast te kunnen stellen of in de praktijk ook daad-werkelijk sprake is van een gewijzigde toepassing van het MRI-systeem en of sprake is geweest van een zorgvuldig (voorgenomen) besluitvorming door de bestuurder. De bestuurder heeft stelselmatig geweigerd om nadere informatie te verstrekken. Tot op heden is onvoldoende informatie verstrekt over het proces dat aan de totstandkoming van het werkboek MRI en de daaraan gekoppelde wijziging van de MRI-toelage vooraf is gegaan. Daarnaast heeft de COR een aantal vragen opgeworpen die door de gemeente niet voldoende zijn beantwoord.

Verweer en verzoek van de gemeente

5.De gemeente heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de COR in zijn verzoek niet ontvankelijk moet worden verklaard.

6.Voor het geval de COR wel ontvankelijk is, heeft de gemeente aangevoerd, kort weerge-geven, dat er van instemmingsrecht geen sprake is omdat er geen nieuwe regeling tot stand is gebracht, maar is de bestaande MRI-systematiek opnieuw is toegepast. De feitelijke toepassing van de MRI-systematiek is evenmin gewijzigd.

7.De gemeente heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het (voorgenomen) besluit reeds geen instemming behoefde, omdat de uitzondering van artikel 27 lid 3 WOR hier aan de orde is.

8.Ten aanzien van het verzoek om informatie voert de gemeente aan dat zij – anders dan de bedrijfscommissie heeft geoordeeld – de informatie tijdig en volledig aan de COR heeft verstrekt.

9.De gemeente concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de COR en verzoekt de kantonrechter om:

te bepalen dat, anders dan de bedrijfscommissie heeft geoordeeld, de gemeente jegens de COR volledig recht heeft gedaan aan het in artikel 31 WOR neergelegde informatierecht en daarom de eerste volzin van de tweede alinea in onderdeel X. Advies van het advies als niet beschreven moet worden beschouwd.

10.Bij de beoordeling zullen de standpunten van partijen, voor zover van belang, (nader) aan de orde komen.

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de COR

11.De gemeente heeft allereerst bepleit dat de COR niet ontvankelijk is, omdat het onderhavige geschil niet “stadsdeeloverstijgend” is. De dagelijkse besturen van de stadsdelen ontlenen de personele beschikkingsbevoegdheid aan delegatie van Collegebevoegdheid. Het Werkboek MRI is ook vastgesteld door de vier betrokken stadsdeelsecretarissen. Als er al sprake zou zijn van instemmingsrecht, dan komt dit recht de vier ondernemingsraden van de betreffende stadsdelen toe en niet de COR, aldus de gemeente.

12.De COR heeft dit standpunt van de gemeente bestreden. Hij heeft aangevoerd dat deze vermeerdering van eis ter zitting tardief is en in strijd met een goede procesorde. Voorts voert de COR aan dat het project tot harmonisering MRI van de gemeente afkomstig is en niet van de vier afzonderlijke stadsdelen.

13.Overwogen wordt als volgt.

De gemeente heeft vanaf het moment dat de COR met betrekking tot het onderhavige geschil om informatie heeft verzocht, de COR als gesprekspartner beschouwd en geaccepteerd. Ook in de procedure bij de bedrijfscommissie heeft de gemeente niet naar voren gebracht dat de COR in de onderhavige kwestie niet het aangewezen gremium is voor de eventuele medezeggenschap, maar (mogelijk) de vier ondernemingsraden van de betreffende stadsdelen. Sterker nog, in het verweer dat bij de bedrijfscommissie is gevoerd heeft de gemeente gesteld dat de COR instemmingsrecht zou toekomen als de NRGA geen uitputtende regeling zou betreffen (pagina 8 verweer bij bedrijfscommissie). Tegen deze achtergrond wordt het betoog van de gemeente op dit punt niet gevolgd en wordt geoordeeld dat de COR ontvankelijk is in zijn verzoek.

Heeft de COR instemmingsrecht?

14.Het betoog van de COR komt er, kort gezegd, op neer dat de gemeente heeft besloten tot wijziging van artikel 3.2 NRGA, dan wel dat zij de toepassing van dat artikel heeft gewijzigd, door de MRI-toelagen van de medewerkers van de gemeente aan te passen. De gefuseerde stadsdelen bleken een verschillende en niet objectief vastgestelde waardering voor bezwarend werk te hanteren, waardoor de werknemers die dezelfde werkzaamheden uitvoerden verschillende MRI-toelagen kon worden toegekend. Artikel 3.2 NRGA bevat klaarblijkelijk geen inhoudelijke, uitputtende regeling en aan de bestuurder is daarbij beslissingsruimte gelaten. De bestaande ongelijkheid wilde de gemeente opheffen, aldus de COR.

15.Uit het feit dat de inkomensgevolgen van het besluit (het vaststellen van het Werkboek MRI) aanzienlijk zijn, volgt reeds dat er sprake is van een wijziging van het bestaande systeem, aldus de COR. De herberekende MRI-toelages zijn gekoppeld aan de generiek, meer algemene functies terwijl zij voorheen organiek, op individuele basis werden vastgesteld.

16.De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld, kort gezegd, dat er geen sprake is van een wijziging van het bestaande MRI-systeem. De bestaande MRI-systematiek is opnieuw toegepast vanwege de fusie van de stadsdelen. Het Werkboek MRI beschrijft uitsluitend procedures en verandert niets aan de MRI-regels zelf. Van nadere regels is geen sprake en evenmin van een andere feitelijke toepassing van de systematiek dan voor de fusie werd gehanteerd. Bovendien is de MRI bedoeld als een uitputtende regeling: er is geen ruimte aan de werkgever geboden voor het vaststellen van nadere regels.

17.Mocht het al zo zijn dat er sprake is van een wijziging van de inhoud van de MRI, dan geschiedt overleg daarover met de vakorganisaties. De MRI is tot stand gekomen in overleg met de vakorganisaties en zolang de MRI bestaat zijn vakorganisaties niet inhoudelijk betrokken geweest bij de totstandkoming en wijziging van MRI-waarderingen, aldus de gemeente.

18.Overwogen wordt als volgt.

Partijen zijn het erover eens dat de MRI een belonings- of functiewaarderingssysteem is als bedoeld in artikel 27 lid 1 onder C WOR. In artikel 27 lid 1 onder C WOR is bepaald dat de ondernemer de instemming van de ondernemingsraad behoeft voor het voor-genomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een belonings- of een functiewaarderingssysteem. Hierop geldt als uitzondering dat instemming niet is vereist indien de aangelegenheid reeds is geregeld in een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan.

De eerste vraag die dus moet worden beantwoord is of er sprake is van een wijziging van de MRI-regeling, als vastgesteld in artikel 3.2. NRGA.

19.Uit het enkele feit dat werknemers na de harmonisering een (substantieel) lagere MRI-toelage ontvangen volgt niet noodzakelijkerwijs dat sprake is van een wijziging in de regeling. Uit artikel 3.2 NRGA en de toelichting daarbij volgt dat de (functie en de daaruit voortvloeiende) MRI-toelage steeds na een periode van drie jaar moet worden geherwaardeerd. De gemeente heeft onweersproken aangevoerd dat dit niet consequent is geschied, waardoor het heeft kunnen gebeuren dat MRI-vergoedingen nog steeds werden uitbetaald, terwijl de omstandigheden waaronder de functie wordt uitgevoerd sinds een langere periode waren gewijzigd en/of minder bezwarend geworden door diverse Arbo-maatregelen, roosterinvoeringen of wijzigingen in de werkzaamheden, verbonden aan een bepaalde functie.

Ook heeft de gemeente onweersproken aangevoerd, dat waar de functie inhoud hetzelfde is gebleven en er ook geen sprake is van het doorvoeren van Arbo maatregelen die het werk lichter en schoner hebben gemaakt, de MRI-score (en dus toelage) toch lager kan zijn dan vóór de harmonisatie. Dit kan het geval zijn als de werkbelasting vermijdbaar is door het nakomen van de reeds afgesproken taakroulatie door de medewerker of het door de medewerker houden aan reeds gemaakte afspraken die het werk verlichten. Deze vermijdbare belasting wordt dan niet meer meegeteld bij de bepaling van de MRI-waarde. Dit zijn omstandigheden die zijn gelegen in de functie en de (individuele) uitoefening daarvan op grond van gemaakte afspraken en hebben geen betrekking op de wijze van waardering en houdt dus geen wijziging van de MRI-regeling in.

20.De gemeente heeft, onderbouwd met stukken, voorts toegelicht hoe de MRI waarderingen in het kader van de harmonisatie tot stand zijn gekomen. De functies met een MRI-vergoeding zijn in kaart gebracht, er is gekeken naar de bezwarende taken, waarna de beschrijving van de taken is voorgelegd aan de direct leidinggevenden binnen de vier stadsdelen. Onder leiding van een externe MRI-deskundige, [naam], is op het werk bekeken of de bezwarende taken ook werden uitgevoerd zoals beschreven. Voorts is al het binnen de gemeente beschikbare materiaal verzameld over de functie en de historie daarvan. Vervolgens zijn de taken gewaardeerd en hierna besproken met de diverse leidinggevenden, aldus de gemeente.

21.De COR heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op basis waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat voormelde toelichting van de gemeente onjuist is. Uit die toelichting en de in het geding gebrachte stukken volgt dat er geen sprake is van een wijziging van de bestaande MRI-regeling. Indien er bij stadsdelen sprake is geweest van een onjuiste toepassing van de regeling of bepaalde MRI-toelagen op oneigenlijke gronden zijn toegekend - hetgeen betekent dat de MRI-toelagen in het verleden niet conform de daartoe geldende regels zijn vastgesteld, maar na de harmonisering wel - is dit geen omstandigheid waarop artikel 27 lid 1 onder C WOR betrekking heeft. De regeling zelf is immers niet gewijzigd.

22.Daarnaast heeft de gemeente afdoende toegelicht dat maatwerk is geleverd omdat generieke functietyperingen in lokale situaties niet hetzelfde worden uitgevoerd. De MRI waardering heeft plaatsgevonden per stadsdeel, uitgaande van de bestaande MRI-systematiek. Van een wijziging van de systematiek is in dat geval evenmin sprake, waarbij wordt opgemerkt dat in deze procedure de vraag niet aan de orde is of de gemeente bij het vaststellen van de nieuwe MRI-toelage de belangen van de betreffende medewerker (bijvoorbeeld het hanteren van een afbouwregeling) afdoende heeft betrokken.

23.Dit alles betekent dat geoordeeld wordt dat geen sprake is van een wijziging van een functie- of beloningssysteem als bedoeld in artikel 27 lid 1 onder C WOR en dus is geen sprake van instemmingsrecht zijdens de COR.

24.Los van het voorgaande wordt nog overwogen als volgt.

Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat wel sprake zou zijn van een wijziging van het bestaande MRI-systeem, dan nog zou de COR geen instemmingsrecht toekomen. De regeling in artikel 3.2 NRGA is een regeling, vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan, waarbij arbeidsvoorwaarden zijn vastgesteld. De uitzondering van artikel 27 lid 3 WOR, welk artikel ook van toepassing is op door de overheid voor het eigen personeel vastgestelde arbeidsvoorwaarden (vgl. HR 29 september 2006, LJN: AY5701) doet hier opgeld. Instemmingsrecht zou in dat geval dus toekomen aan de vakorganisaties en niet aan de COR.

25.Mocht het zo zijn dat de vakorganisaties (om hen moverende redenen) geen inhoudelijk gebruik maken van hun rechten, dan komt niet zonder meer aan de COR terzake een medezeggenschapsrecht toe. Een dergelijke door de COR kennelijk bedoelde stilzwijgende delegatie vindt geen steun in het (medezeggenschaps)recht.

26.Bovendien is artikel 3.2 NRGA is – anders dan de COR meent – gelet op inhoud en strekking een uitputtende regeling. In de regeling is dwingend voorgeschreven hoe de MRI dient te worden vastgesteld en uit de regeling volgt niet dat de werkgever de ruimte krijgt om nadere regels te stellen. Indien dit artikel in het verleden op een onjuiste wijze zou zijn toegepast (zie rov 21), betekent niet dat die regeling daarom niet uitputtend is. De regeling zelf moet in de mogelijkheid voorzien dat de (bestuurder van de) gemeente nadere regels kan stellen. Dat is niet het geval. Ook hierom komt de COR geen medezeggenschap toe.

27.Al het voorgaande leidt ertoe dat de verzoeken onder 2.1 tot en met 2.4 van de COR moeten worden afgewezen.

Informatieverzoek van de COR ex artikel 31 WOR

28.De COR heeft voorts verzocht om informatie als bedoeld in artikel 31 WOR. Uitgangspunt is dat de COR recht heeft op informatie die hij redelijkerwijs nodig heeft voor de vervulling van zijn taak. Daartoe behoort onder meer de bevordering van de naleving van de voor de onderneming geldende voorschriften op het gebied van arbeidsvoorwaarden. In het onderhavige geval dient de COR derhalve de informatie te worden verstrekt die hem inzicht geeft in het project harmonisatie MRI en voornamelijk om te bezien hoe de MRI-waarderingen zijn tot stand gekomen, indachtig de negatieve effecten op de hoogte van de toelage voor verschillende medewerkers.

29.De gemeente heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende informatie verschaft aan de COR om zijn taak als bedoeld in artikel 28 WOR uit te kunnen oefenen. De COR is vanaf de aanvang van het project geïnformeerd. Ook zijn de verschillende ondernemingsraden van de stadsdelen van informatie voorzien. In een overlegvergadering van 12 december 2011 heeft de (bestuurder van de) gemeente een toelichting gegeven op het project. Daarin zijn onder meer de vragen aan de COR omtrent de methode rangordenen inconvenienten V013 aan de orde geweest. Voorts heeft de gemeente in verschillende brieven, bijvoorbeeld op 5 en 14 oktober 2011, 14 november 2011, 22 februari 2012 en 1 augustus 2012 het harmonisatieproces uiteengezet, toelichtingen gegeven en vragen van de COR beantwoord. Daarnaast is het door de Stuurgroep Harmonisatie MRI opgestelde rapport van 24 januari 2012, waarin de financiële effecten in kaart zijn gebracht, besproken met de COR op 13 februari 2012 en op 4 april 2012 is de rapportage naar de COR gestuurd. Ook is er op 6 november 2012 een bijeenkomst geweest waarin een presentatie is gegeven over de waardering van de MRI in door de COR aangeleverde voorbeelden van functies en daarbij behorende MRI-scores. Dit betroffen daadwerkelijke functies/werkzaamheden. Voor zover die voorbeelden onderworpen waren aan een beroepsprocedure bij de bestuursrechter heeft de gemeente die terecht niet behandeld. Na die presentatie heeft de heer Berk nog een toelichting gegeven op het waarderingsonderzoek dat is uitgevoerd. De gemeente heeft, ten slotte, medegedeeld dat er geen onderzoeksrapport is waarop het werkboek MRI is gebaseerd.

30.Gelet op het voorgaande is het onder 2.5 vermelde verzoek evenmin toewijsbaar.

Het verzoek van de gemeente ex artikel 282 lid 4 Rv

31.Het verzoek van de gemeente komt er in de kern op neer dat zij van oordeel is de COR niet alleen voldoende maar ook tijdig genoeg van informatie te hebben voorzien. De gemeente acht het oordeel van de bedrijfscommissie op dit punt niet terecht.

32.De gemeente heeft in dit verband allereerst (nogmaals) betoogd dat, nu het geen stadsdeeloverstijgende kwestie betreft en (ook daarom) de COR geen medezeggenschapsrecht toekomt, de COR ook geen recht op informatie toekomt en zo bezien de gemeente de COR na 5 oktober 2011 louter onverplicht heeft geïnformeerd. Daarnaast heeft de gemeente aangevoerd dat reeds op 14 oktober 2011 het Werkboek MRI aan de COR is gestuurd en daarin is uiteengezet hoe de waardering in zijn werk is gegaan.

De op 14 december 2012 verstrekte informatie was dan ook eigenlijk niet meer nodig, terwijl een deel van de informatie reeds vanaf 2009 op het internet te vinden was, aldus de gemeente.

33.De COR stelt zich hier - naast de eerdere argumenten dat hem medezeggenschap toekomt - op het standpunt dat de gemeente nimmer bereid is geweest enige nadere informatie te verstrekken. De COR heeft meer dan een jaar om extra informatie verzocht. De informatie van 14 december 2012 was, volgens de COR, wel degelijk nog nodig zoals de bedrijfscommissie terecht heeft opgemerkt.

34.In dit verband wordt allereerst overwogen dat de stellingen van de gemeente met betrekking tot de ontvankelijkheid van de COR reeds zijn beoordeeld. Daar waar de gemeente de COR als gesprekspartner heeft aanvaard, kan zij zich er nu niet erachter verschuilen dat eigenlijk geen enkele rol voor de COR was weggelegd, de COR zo bezien onverplicht informatie is verstrekt en dus de gemeente zich niet aan het informatierecht van artikel 31 WOR behoeft te houden. Daarnaast wordt overwogen dat de gemeente zich er evenmin achter kan verschuilen dat zekere informatie op het internet te vinden was en dus vrij toegankelijk was.

35.Vanaf het moment dat de COR in het kader van artikel 31 WOR om informatie verzoekt, dient de gemeente alle relevante cq beschikbare informatie aan de COR te verstrekken. Die informatie omvat overigens (zoals de bedrijfscommissie terecht overweegt) niet individuele dossiers; het gaat om de voorhanden zijnde algemene informatie en de systematiek, zoals expliciet aan de hand van casus inzichtelijk gemaakt op de bijeenkomst op 6 november 2012.

36.Met de bedrijfscommissie wordt voorts geoordeeld dat het beter ware geweest als de informatie van november en december 2012, in een eerder stadium - na het eerste verzoek - aan de COR was verstrekt. Tegen voormelde achtergrond zal de overweging van de bedrijfscommissie in stand worden gelaten.

37.Dit betekent dat het verzoek van de gemeente eveneens zal worden afgewezen.

Proceskosten

38.Gelet op de uitkomst van de procedure en het bepaalde in artikel 22a WOR zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De kantonrechter:

I.wijst de verzoeken van de COR en de gemeente af;

II.compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, bijgestaan door mr. M. Nieuwenhuijs, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2013.