Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA3399

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-06-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
13/666293-10
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:5188
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar met aftrek wegens uitbuiting van in totaal vier vrouwen, gewoontewitwassen en mishandeling. De rechtbank acht de bewezen verklaarde feiten zo ernstig dat zij een hogere straf heeft opgelegd dan de officier van justitie heeft geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/666293-10

Datum uitspraak: 17 juni 2013

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1971],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode] in [plaats],

thans preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats], Huis van Bewaring “[locatie]” in [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 oktober 2012, 17 oktober 2012, 8 januari 2013, 18 maart 2013, 8 april 2013, 13 mei 2013, 21 mei 2013, 27 mei 2013 en 3 juni 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.F. de Boer en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijzingen van de tenlastelegging op de terechtzittingen van 21 oktober 2012 en 13 mei 2013 het volgende ten laste gelegd:i

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 10 september

2011 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Huizen en/of Utrecht en/of Groningen

en/of Antwerpen, in elk geval in Nederland en/of België, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen,

een ander of anderen te weten [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of

één of meer andere vrouwen,

door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door

dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden

en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit

feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een

kwetsbare positie

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het

oogmerk van uitbuiting van die [persoon 1] en/of die [persoon 2] en/of één of meer

andere vrouwen,

(sub 1)

en/of

voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of één of meer andere vrouwen heeft

aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [persoon 1] en/of die [persoon 2]

en/of één of meer andere vrouwen in een ander land, te weten in Nederland en/of in België, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en/of

die [persoon 1] en/of die [persoon 2] en/of een of meer andere vrouwen (telkens) met één

van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te

stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden)

en/of

met één of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [persoon 1] en/of die [persoon 2] en/of een of meer andere vrouwen zich daardoor beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten:

prostitutiewerkzaamheden),

(sub 4)

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [persoon 1] en/of die [persoon 2] en/of één of meer andere vrouwen

(sub 6)

en/of

die [persoon 1] en/of die [persoon 2] en/of één of meer andere vrouwen met één of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [persoon 1] en/of die [persoon 2] en/of één of meer andere vrouwen met of voor een derde,

(sub 9)

bestaande die dwang en/of dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of die dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of die misleiding en/of dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of dat misbruik van een kwetsbare positie en/of dat werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en/of opnemen en/of dat dwingen en/of bewegen en/of dat handelingen ondernemen en/of dat voordeel trekken (telkens) hierin dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(ten aanzien van [persoon 1])

1. die [persoon 1] heeft gehuisvest (in [plaats] en/of [plaats]) en/of

2. één of meermalen een prostitutiekamer voor die [persoon 1] heeft geregeld en/of heeft/hebben betaald en/of

3. die [persoon 1] (meermalen) onder druk heeft gezet en/of er (zodoende) toe heeft aangezet en/of heeft gebracht om in de prostitutie te werken door haar een schuld bij hem, verdachte en/of zijn mededader(s) te laten opbouwen en/of

4. dagelijks alle dan wel een groot deel van de verdiensten uit verrichte prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 1] heeft afgepakt en/of afgenomen en/of door die [persoon 1] aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) heeft laten afstaan en/of

5. de minimale dagopbrengsten van die [persoon 1] heeft bepaald (minimaal 1000 euro doordeweeks en/of minimaal 1500 euro in het weekend) en/of

6. die [persoon 1] (meermalen) van haar werkplek naar huis heeft gebracht en/of het vervoer van en naar de werkplek heeft geregeld en/of

7. die [persoon 1] (telkens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden heeft gecontroleerd en/of (tijdens diens prostitutiewerkzaamheden) op die [persoon 1] heeft gepast en/of die [persoon 1] heeft opgedragen (terwijl die [persoon 1] prostitutiewerkzaamheden verrichtte) hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) te sms-en als zij klaar was met een klant en/of

8. die [persoon 1] één of meermalen heeft vastgebonden aan de polsen en/of (vervolgens) het hoofd van die [persoon 1] (langdurig) onder water heeft geduwd (omdat zij had aangegeven te willen stoppen met de prostitutiewerkzaamheden) en/of

9. die [persoon 1] met een mes en/of een pistool, althans een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft bedreigd en/of

10. die [persoon 1] (meermalen) heeft verkracht en/of

11. die [persoon 1] (meermalen) heeft gedwongen seks met zijn, verdachtes, en/of zijn mederdader(s), vrienden te hebben en/of

12. die [persoon 1] (meermalen) heeft mishandeld door hard in haar borsten en/of tepels en/of clitoris te knijpen en/of te bijten en/of haar tegen haar hoofd en/of lichaam te slaan en/of haar keel dicht te knijpen en/of haar hoofd tegen een wasbak te slaan en/of

13. gedreigd heeft die [persoon 1] te doden en/of te (laten) verkrachten en/of te mishandelen en/of

14. die [persoon 1] heeft voorzien van een telefoon en beltegoed en/of

15. die [persoon 1] haar auto heeft laten afstaan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

16. heeft geprobeerd die [persoon 1] een tatoeage te laten zetten met verdachtes naam en/of de namen van zijn medeverdachte(n) en/of

(ten aanzien van die [persoon 2])

1. die [persoon 2] één of meermalen heeft/hebben gehuisvest en/of

2. één of meermalen een prostitutiekamer voor die [persoon 2] heeft/hebben geregeld en/of heeft/hebben betaald en/of

3. die [persoon 2] (meermalen) onder druk heeft/hebben gezet en/of er (zodoende) toe heeft/hebben aangezet en/of heeft/hebben gebracht om in de prostitutie te (blijven) werken, (onder meer door haar een schuld bij hem, verdachte en/of zijn mededader(s) te laten opbouwen door haar cadeaus/goederen en geld te geven en/of een of meermalen haar prostitutiekamer en/of kleding voor haar te betalen) en/of

4. die [persoon 2] een of meermalen op het hoofd en/of de buik in elk geval tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of

5. die [persoon 2] heeft/hebben gedwongen al haar geld, althans een (groot) deel van haar verdiensten en/of haar goud en/of sieraden aan hem, verdachte, af te staan en/of

6. die [persoon 2] een of meer malen (met geweld) heeft/hebben verkracht en/of

7. die [persoon 2] een of meer malen een of meerdere pisto(o)l(en) , althans (een) op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp(en), op het hoofd heeft/hebben gezet en/of met voornoemd voorwerp op/tegen het hoofd heeft/hebben geslagen

8. de minimale dagopbrengsten van die [persoon 2] heeft/hebben bepaald (minimaal 1000 euro) en/of

9. de (Poolse) identiteitskaart van die [persoon 2] heeft vernietigd en/of

10. de dagopbrengsten van die [persoon 2] (minimaal 1000,- euro) heeft/hebben afgepakt en/of afgenomen en/of door die [persoon 2] aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben laten afstaan en/of

11. die [persoon 2] (meermalen) van haar werkplek naar huis heeft/hebben gebracht en/of het vervoer van en naar de werkplek heeft/hebben geregeld en/of

12. die [persoon 2] (telkens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden heeft/hebben gecontroleerd en/of (tijdens diens prostitutiewerkzaamheden) op die [persoon 2] heeft/hebben gepast en/of

13. die [persoon 2] heeft/hebben aangemoedigd harder te werken en/of te blijven werken in de prostitutie en/of

14. die [persoon 2] geld heeft/hebben gegeven om andere vrouwen te "kopen" om voor verdachte en/of zijn mededader(s) te werken en/of

15. die [persoon 2] een verklaring heeft laten tekenen, waarmee zij afstand deed van het gezag over haar zoon [persoon 3], (terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat zij de strekking van die verklaring niet begreep, omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was) en (vervolgens) die [persoon 2] gedwongen Nederland te verlaten en/of

16. (toen [persoon 2] als prostituee werkzaam was in Antwerpen) die [persoon 2] (meermalen) heeft gezegd dat zij haar zoon slechts mag zien, indien zij hem, verdachte, geld en/of cadeaus zou geven,

terwijl hij, verdachte, wist dat die [persoon 2] (aanvankelijk) gevoelens voor verdachte had en/of dat die [persoon 2] bang voor hem was en/of dat die [persoon 2] geen ouderlijk gezag over haar zoon (meer) had ;

2.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2000 tot 1 januari 2005 te Amsterdam en/of Groningen en/of Utrecht, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen,

een of meer anderen, te weten [persoon 2] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of één of meer andere vrouwen,

door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met (of voor) een derde tegen betaling

en/of

onder voornoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat voornoemde [persoon 2] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of één of meer andere vrouwen zich daardoor tot het verrichten van die seksuele handelingen beschikbaar stelde(n),

(sub 1)

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit die seksuele handelingen van die [persoon 2] en/of één of meer andere vrouwen met (of voor) een derde tegen betaling, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die [persoon 2] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of één of meer andere vrouwen zich onder voornoemde omstandigheden beschikbaar stelde(n) tot het verrichten van die handelingen,

(sub 4)

en/of

die [persoon 2] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of één of meer andere vrouwen, (telkens) door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misleiding heeft bewogen hem, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) uit de opbrengst van haar hun seksuele handelingen met (of voor) een derde te bevoordelen,

(sub 6)

immers heeft hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met één of meer van zijn mededader(s)

(ten aanzien van die [persoon 2])

1. een (affectieve) relatie met die [persoon 2] onderhouden en/of haar het gevoel gegeven dat hij een (exclusieve) relatie met haar onderhield en/of

2. die [persoon 2] één of meermalen gehuisvest en/of

3. één of meermalen een prostitutiekamer voor die [persoon 2] geregeld en/of heeft/hebben betaald en/of

4. die [persoon 2] (meermalen) onder druk gezet en/of er (zodoende) toe aangezet en/of ertoe gebracht om in de prostitutie te (blijven) werken door haar een schuld bij hem, verdachte en/of zijn mededader(s) te laten opbouwen door haar cadeaus/goederen en geld te geven en/of een of meermalen haar prostitutiekamer en/of kleding voor haar te betalen en/of

5. die [persoon 2] gedwongen en/of bewogen ook tijdens haar zwangerschap te blijven werken en ook gelijk na de bevalling weer te gaan werken en/of

6. die [persoon 2] een of meermalen op het hoofd en/of de buik in elk geval tegen het lichaam geslagen en/of gestompt en/of

7. die [persoon 2] gedwongen al haar geld, althans een groot deel van haar verdiensten, en/of haar goud en/of sieraden aan hem, verdachte, af te staan en/of

8. die [persoon 2] een of meer malen (met geweld) verkracht en/of

9. die [persoon 2] een of meer malen een of meerdere pisto(o)l(en) , althans (een) op een vuurwapen gelijkend(e) voorwerp(en), op het hoofd gezet en/of met voornoemd voorwerp op/tegen het hoofd geslagen en/of

10. de minimale dagopbrengsten van die [persoon 2] bepaald (minimaal 1000 euro) en/of

11. de (Poolse) identiteitskaart en/of het paspoort van die [persoon 2] vernietigd en/of

12. de dagopbrengsten van die [persoon 2] (minimaal 1000,- euro) afgepakt en/of afgenomen en/of door die [persoon 2] aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) laten afstaan en/of

13. die [persoon 2] (meermalen) van haar werkplek naar huis gebracht en/of

14. het vervoer van die [persoon 2] van en naar de werkplek geregeld en/of

15. die [persoon 2] (telkens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of (tijdens diens prostitutiewerkzaamheden) op die [persoon 2] gepast en/of

16. die [persoon 2] aangemoedigd harder te werken en/of te blijven werken in de prostitutie en/of

17. die [persoon 2] geld gegeven om andere vrouwen te "kopen" om voor verdachte en/of zijn mededader(s) te werken en/of

18. tegen die [persoon 2] (meermalen) gezegd dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) haar zal doden en/of zal laten doden als zij niet bij hem, verdachte, terug zou komen,

19. terwijl hij wist dat die [persoon 2] verliefd op hem, verdachte was, en die [persoon 2] een kind met hem had en/of hij wist dat die [persoon 2] (telkens) bij hem terug kwam;

en/of

(ten aanzien van die [persoon 4])

1. die [persoon 4] één of meermalen gehuisvest en/of

2. die [persoon 4] een telefoon gegeven en/of die [persoon 4] verplicht na iedere klant contact op te nemen met verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of

3. één of meermalen die [persoon 4] naar de tippelzone in Amsterdam gebracht en/of

4. die [persoon 4] gedwongen zich uit te kleden en/of (vervolgens) een of meer (naakt)foto's van die [persoon 4] gemaakt en/of

5. die [persoon 4] (meermalen) onder druk gezet en/of er (zodoende) toe aangezet en/of ertoe gebracht om in de prostitutie te werken door (onder meer) haar te dreigen (naakt)foto's van haar aan haar ouders te sturen en/of een of meermalen de ouders van die [persoon 4] in Roemenië opgebeld en/of (laten) opbellen en daarbij die ouders (dreigend) de mededeling gedaan en/of laten doen dat die [persoon 4] veel problemen heeft veroorzaakt in Nederland en dat die [persoon 4] moest terugkeren naar hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of

6. die [persoon 4] een of meermalen op het hoofd en/of de buik en/of de armen en/of de benen, in elk geval tegen het lichaam geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of

7. de pols(en) van die [persoon 4] een of meermalen (met kracht) omgedraaid, waardoor de schouder van die [persoon 4] uit de kom is geraakt en/of

8. die [persoon 4] gedwongen (een groot deel van) haar verdiensten af te staan en/of

9. die [persoon 4] een of meer malen (met geweld) verkracht en/of

10. de dagopbrengsten van die [persoon 4] afgepakt en/of afgenomen en/of door die [persoon 4] aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s) heeft/hebben laten afstaan en/of

11. die [persoon 4] (meermalen) van haar werkplek naar huis gebracht en/of het vervoer van en naar de werkplek geregeld en/of

12. die [persoon 4] (telkens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of (tijdens diens prostitutiewerkzaamheden) op die [persoon 4] gepast en/of

13. die [persoon 4] aangemoedigd harder te werken en/of te blijven werken in de prostitutie en/of

14. tegen die [persoon 4] gezegd dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) haar zullen doden en/of zullen laten doden als zij niet bij hem, verdachte, terug zou komen/zou blijven en/of

15. een pistool, althans een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp), tegen het hoofd van die [persoon 4] gehouden,

terwijl hij wist dat die [persoon 4] in Nederland niemand had om op terug te vallen en/of de Nederlandse en/of Engelse taal niet sprak en/of niet beschikte over een eigen woning en/of afhankelijk was van hem, verdachte ;

en/of

(ten aanzien van die [persoon 5])

1. door haar (vorige) pooier met een pistool, althans een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te dreigen, die [persoon 5] in zijn, verdachtes en/of zijn mededader(s) macht gebracht en/of die [persoon 5] bang gemaakt en/of

2. die [persoon 5] (met haar dochter) één of meermalen gehuisvest en/of

3. die [persoon 5] haar telefoon en/of legitimatie en/of bankpas(sen) afgepakt en/of

4. die [persoon 5] (meermalen) onder druk gezet en/of er (zodoende) toe aangezet en/of ertoe gebracht om in de prostitutie te werken en/of te blijven werken door (onder meer) haar te dreigen haar dochter af te pakken en/of

5. die [persoon 5] een simkaart gegeven, zodat zij voor hem, verdachte, bereikbaar bleef en/of

6. die [persoon 5] een of meermalen op het hoofd en/of de armen en/of de benen, in elk geval tegen het lichaam geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of een of meermalen (hard) aan de haren van die [persoon 5] getrokken en/of

7. die [persoon 5] gedwongen (een groot deel van) haar verdiensten af te staan en/of

8. de dagopbrengsten van die [persoon 5] afgepakt en/of afgenomen en/of door die [persoon 5] aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s)laten afstaan en/of

9. die [persoon 5] (meermalen) van haar werkplek naar huis gebracht en/of het vervoer van die [persoon 5] van en naar de werkplek geregeld en/of

10. die [persoon 5] (telkens) tijdens haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en/of (tijdens diens prostitutiewerkzaamheden) op die [persoon 5] gepast en/of

11. die [persoon 5] aangemoedigd harder te werken en/of te blijven werken in de prostitutie en/of

12. die [persoon 5] een of meermalen (met geweld) verkracht en/of die [persoon 5] een of meermalen gedwongen hem, verdachte te pijpen en/of

13. tegen die [persoon 5] gezegd dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) haar zullen doden en/of zullen laten doden als zij niet bij hem, verdachte, terug zou komen/zou blijven of als zij naar de politie zou gaan en/of

14. die [persoon 5] een of meermalen opgesloten in zijn, verdachtes woning,

terwijl hij, verdachte, wist dat die [persoon 5] lange tijd voor een pooier had gewerkt en/of die [persoon 5] en haar kind niet beschikten over een eigen woning en/of nergens terecht konden en/of dat die [persoon 5] afhankelijk van hem, verdachte, was

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 10 september 2011 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Huizen en/of Utrecht en/of Groningen en/of Antwerpen, althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, in elk geval alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in genoemde periode bij wijze van gewoonte, een of meer (contante) geldbedrag(en) en/of voorwerpen, te weten:

- (telkens) een groot deel van de verdiensten uit de door [persoon 2] en/of [persoon 1] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] en/of één of meer andere vrouwen verrichte prostitutiewerkzaamheden,

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij (telkens) wist dat die/dat voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit misdrijf/misdrijven;

4. primair

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2010 tot en met 9 september 2011 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Huizen en/of Utrecht, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [persoon 1] van het leven te beroven, met dat opzet, tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen de armen van die [persoon 1] (op haar rug) heeft vastgebonden en haar hoofd vervolgens (meermalen) onder water heeft geduwd zodat zij geen lucht meer kreeg;

4. subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2010 tot en met 9 september 2011 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Huizen en/of Utrecht, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [persoon 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen , met dat opzet tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededaders de armen van die [persoon 1] (op haar rug) heeft vastgebonden en haar hoofd vervolgens (meermalen) onder water heeft geduwd zodat zij geen lucht meer kreeg, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4. meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 01 november 2010 tot en met 9 september 2011 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Huizen en/of Utrecht, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend de armen van een persoon (te weten [persoon 1]) (op haar rug) heeft vastgebonden en vervolgens het hoofd van die [persoon 1] (meermalen) onder water heeft geduwd zodat die [persoon 1] geen lucht meer kreeg, waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op een op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2010 tot en met 9 september 2011 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Huizen en/of Utrecht, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld en/of een (andere) feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld en/of een (andere) feitelijkheid [persoon 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s)

1. zich (telkens) agressief tegenover die [persoon 1] gedragen en/of

2. die [persoon 1] (telkens) vastgebonden en/of vastgehouden en/of vast laten houden en/of

3. (telkens) een of meermalen zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de anus van die [persoon 1] geduwd en/of

4. (telkens) een of meermalen een gasfornuisaansteker en/of een pistool en/of een honkbalknuppel en/of een schroevendraaier in de vagina en/of de anus van die [persoon 1] geduwd en/of gestoken en/of

5. (telkens) die [persoon 1] gedwongen hem, verdachte en/of zijn mededader(s) een of meermalen te pijpen (tijdens het autorijden);

6.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2010 tot en met 9 september 2011 te Amsterdam en/of Hilversum en/of Huizen en/of Utrecht, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend

1. D. [persoon 1] met haar hoofd tegen een wasbak heeft geslagen en/of een of meermalen de keel en/of de hals van die [persoon 1] heeft dichtgeknepen en/of

2. die [persoon 1] (telkens) met de vuist(en) en/of de vlakke hand met kracht tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of

3. die [persoon 1] met kracht in haar borsten en/of tepels en/of clitoris heeft gebeten en/of geknepen en/of

4. die [persoon 1] met kracht aan haar haren heeft getrokken en/of

5. die [persoon 1] door de kamer heeft gesmeten, waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3. Voorvragen

3.1. Niet-ontvankelijkheidsverweer met betrekking tot [persoon 4]

Door de raadsman wordt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vervolging omdat deze zaak door het openbaar ministerie in oktober 2003 zou zijn geseponeerd.

De rechtbank overweegt hierover het volgende. In het dossier is een document aangetroffen waarin over deze zaak -kort gezegd- wordt vermeld: “Opleggen”. Het gaat hier naar het oordeel van de rechtbank om een interne notitie van de politie waaraan verdachte en de verdediging geen rechten kunnen ontlenen. Van een sepot is slechts sprake indien aan de verdachte daarvan schriftelijk mededeling is gedaan. Van zodanige mededeling is niet gebleken.

Maar zelfs als dit anders zou zijn, zou dit verdachte niet kunnen baten. De officier van justitie heeft het recht op een sepotbeslissing terug te komen als zich nieuwe feiten en omstandigheden aandienen. Door de officier van justitie wordt als nieuwe omstandigheid aangevoerd dat [persoon 2] in een verklaring repte van een Roemeense vrouw die voor [verdachte] werkte en wier linkerschouder was gebroken. In haar aangifte beschuldigt [persoon 4] [verdachte] ervan haar zodanig te hebben mishandeld dat haar linkerschouder uit de kom schoot.

De officier van justitie mocht menen dat [persoon 2] op deze [persoon 4] doelde waardoor zich een novum aandiende, hetgeen vervolging van [verdachte] alsnog rechtvaardigde. De rechtbank volgt de officier van justitie hierin. Het verweer wordt verworpen.

3.2. Niet-ontvankelijkheidsverweer met betrekking tot [persoon 5]

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vervolging omdat deze zaak zou zijn geseponeerd.

De rechtbank overweegt het volgende. In het dossier bevindt zich een formulier waarin wordt gerept van een sepot 02. De code 02 staat voor “geen bewijs”. De rechtbank overweegt net als in de zaak [persoon 4] in de eerste plaats dat van een schriftelijke sepotbeslissing aan [verdachte] niet blijkt. Ook hier is sprake van een interne notitie waaraan geen rechten kunnen worden ontleend.

De raadsman stelt zich voorts op het standpunt dat de officier van justitie niet kan betogen dat de sepotbeslissing geen betrekking had op mensenhandel. Volgens de raadsman staat bij de sepotbeslissing weliswaar vermeld dat het sepot betrekking heeft op vrijheidsberoving, mishandeling en diefstal, maar is deze informatie onjuist. In haar aangifte verklaart [persoon 5] namelijk dat [verdachte] haar pooier is, zo stelt de raadsman.

Deze interpretatie van de sepotbeslissing wordt door de officier van justitie betwist. Zij stelt dat het haar vrij stond [verdachte] voor vrouwenhandel te vervolgen. Overigens is er naar haar oordeel sprake van nieuwe feiten en omstandigheden waarbij wordt verwezen naar de belastende verklaring van [persoon 2] in 2010 over de uitbuiting van [persoon 5] door [verdachte].

De rechtbank volgt ook hier het standpunt van het openbaar ministerie. Als er al sprake was van een sepotbeslissing die mede mensenhandel betreft en die aan [verdachte] kenbaar was gemaakt, mocht de officier van justitie in de getuigenverklaring van [persoon 2] aanleiding vinden hierop terug te komen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

3.3. Overige voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ook ten aanzien van de overige feiten ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

4.1. Bruikbaarheid van de verklaring van [persoon 4]

Door de raadsman is gesteld dat de verklaring van [persoon 4] niet als bewijs mag worden gebezigd omdat het verhoor van [persoon 4] op 11 juli 2012 in het kader van het rechtshulpverzoek van Nederland aan Roemenië buiten zijn aanwezigheid geschiedde. Dit betoog van de raadsman is correct, maar kan hem niet baten. Op 22 januari 2013 is [persoon 4] via een videoconferentie alsnog gehoord en nu wel in aanwezigheid van de raadsman. De rechtbank zal de verklaring van [persoon 4] van 11 juli 2012 passeren. Haar verklaring van 22 januari 2013 is echter wel bruikbaar voor het bewijs. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.

4.2 Bruikbaarheid van de verklaring van [persoon 2]

De raadsman heeft verzocht de verklaringen van [persoon 2] uit te sluiten van bewijs omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld het verhoor van [persoon 2] bij de rechter-commissaris af te ronden. Het is juist dat dit verhoor niet is voltooid. Halverwege het verhoor bij de rechter-commissaris kon [persoon 2] het niet meer aan en moest haar verhoor worden afgebroken. [persoon 2] bleek nadien niet bereid terug te keren om het verhoor te voltooien.

Dit betekent echter niet dat de politieverklaringen van [persoon 2] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. In de verklaring die [persoon 2] wel bij de rechter-commissaris heeft afgelegd heeft zij op hoofdlijnen haar politieverklaringen bevestigd.

Het verweer wordt verworpen.

4.3 De betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 1]

Het onderwerp van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 1] heeft als een rode draad door dit proces gelopen. Een kritische benadering van de verklaringen van [persoon 1] ligt ook voor de hand, nu zij de kern vormen van de beschuldigingen aan het adres van verdachten en er kwantitatief weinig bewijsmiddelen uit andere bron voorhanden zijn.

De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van [persoon 1] dienen te worden uitgesloten van het bewijs omdat zij – kort gezegd – vaag, inconsistent en soms aantoonbaar in strijd met de waarheid zou hebben verklaard. Dit verweer wordt verworpen. [persoon 1] is als getuige meermalen intensief door de politie en later bij gelegenheid van de verhoren bij de rechter-commissaris uitgebreid door de rechter-commissaris, de officier van justitie en de raadslieden van alle verdachten in de zaak [X] gehoord. Tijdens deze kritische verhoren bleef [persoon 1] naar het oordeel van de rechtbank overwegend eenduidig verklaren. Gelet op de inhoud van haar verklaringen hebben in een korte periode meerdere incidenten, waarbij verdachte en/of medeverdachte(n) en of combinaties van medeverdachten betrokken waren, plaatsgevonden. Op de rechtbank komt [persoon 1] in grote lijnen duidelijk en consistent over. De rechtbank is van oordeel dat het gegeven dat [persoon 1] bij de politie niet in chronologische volgorde heeft verklaard en dat zij in haar verklaringen bij de rechter-commissaris aangeeft dat verbalisanten of de raadslieden bepaalde gebeurtenissen door elkaar halen en dan opnieuw haar verhaal doet, juist een authentiek beeld schetst van de gebeurtenissen die zij in haar verklaringen beschrijft. Daarnaast vinden er ná de aangifte door [persoon 1] (uit het dossier bekende) gebeurtenissen plaats rondom [persoon 1] die qua inhoud en impact in het verlengde van de aangifte liggen en waardoor de aangifte in geloofwaardigheid wordt ondersteund.

Noemenswaardige uitzonderingen op het betrouwbaar verklaren vormen wat de rechtbank betreft de volgende punten.

[persoon 1] heeft tegenstrijdig verklaard over de datum waarop zij met haar prostitutiewerkzaamheden is begonnen. Enerzijds heeft zij verklaard begin 2011 en in ieder geval niet vóór december 2010 als prostituee te zijn gaan werken, anderzijds zou zij volgens enkele getuigen hebben verklaard daarmee op haar 18de levensjaar te zijn begonnen. De politie heeft deze kwestie onderzocht. Daaruit leidt de rechtbank af dat [persoon 1] niet eerder dan in februari 2011 als prostituee is gaan werken hoewel niet kan worden uitgesloten dat zij voordien incidenteel dat werk heeft gedaan. Van structurele arbeid op dit terrein is niet gebleken.

Onverklaarbare tegenstrijdigheden signaleert de rechtbank in de verklaringen over de reis naar Hamburg eind juli 2011. Over het tijdstip en de plaats van vertrek verklaart [persoon 1] in strijd met de inhoud van het telecomonderzoek (historische- en peilgegevens van de mobiele telefoons van betrokkenen). Tot slot constateert de rechtbank dat [persoon 1] tegenstrijdig heeft verklaard over het al dan niet (gedwongen) hebben van seks met verdachte [persoon 6].

Dat in een strafzaak waarin een prostituee tegen verschillende personen aangifte doet van mensenhandel, in verschillende verklaringen, over verschillende personen, en verschillende gebeurtenissen, op enkele punten onduidelijkheid blijft bestaan of enkele ongerijmdheden ontstaan, acht de rechtbank onvermijdelijk. Ondanks deze kanttekeningen die op punten bij de verklaringen van [persoon 1] kunnen en moeten worden geplaatst, blijft, tegen de achtergrond van het totaal van haar verklaringen en in het licht van de overige onderzoeksbevindingen, het beeld van [persoon 1] als een betrouwbaar verklarende getuige in stand. De rechtbank neemt aan dat [persoon 1] haar redenen heeft om tegenstrijdigheden in haar verklaringen te laten ontstaan, doch het bestempelt haar nog niet direct en alleen om die reden tot (een voor de gehele strafzaak) onbetrouwbare getuige. Haar verklaringen zijn dan ook, uitgezonderd van de hiervoor omschreven punten, bruikbaar voor het bewijs.

4.4 Het bewijsminimum

Daarnaast heeft de verdediging gesteld dat zelfs betrouwbaar geachte verklaringen van [persoon 1] niet kunnen leiden tot een bewezenverklaring van enig tenlastegelegd feit, omdat in deze zaak niet aan het wettelijk bewijsminimum kan worden voldaan. Er zijn onvoldoende bewijsmiddelen uit andere bron aanwezig die de verklaringen van [persoon 1] ondersteunen, hetgeen dient te leiden tot vrijspraken, aldus de verdediging.

De rechtbank stelt onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 19 maart 2012 (LJN BV9608) het volgende voorop. Volgens het tweede lid van art. 342 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan – kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit zogenoemde bewijsminimum heeft betrekking op de verklaringen van getuigen afgelegd ter zitting, maar is eveneens van toepassing op getuigenverklaringen die zijn opgenomen in een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (vgl. HR 26 januari 2010, NJ 2010, 512 en HR 13 juli 2010, NJ 2010, 515, m.nt. Borgers).

Twee getuigenverklaringen uit dezelfde bron resulteren niet in twee onderscheiden bewijsgronden die door de ‘unus testis nullus testis’-regel minimaal worden verlangd ter onderbouwing van de bewezenverklaring als geheel. De strekking van art. 342, tweede lid, Sv noopt dus tot bijkomend bewijs uit een van die getuige onafhankelijke bron. Voorts gaat het niet slechts –kwantitatief – om het aantal bronnen van redengevende bewijsgronden, maar ook of een aangifte in voldoende mate – kwalitatief – wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal, dat wil zeggen: voldoende worden ondersteund door bewijsmateriaal uit andere bron. Anders gezegd, er dient een inhoudelijk verband te bestaan tussen de verklaring van de getuige en het overige gebezigde bewijsmateriaal. Indien een dergelijk verband ontbreekt, zal er ‘onvoldoende steun’ bestaan (vgl. HR 30 juni 2009, NJ 2009, 495 en 496 m.nt. Borgers).

Toegepast op onderhavige zaak, overweegt de rechtbank als volgt. De verklaringen van aangeefster [persoon 1] vormen de belangrijkste bron voor de beschuldigingen jegens verdachten. De vraag of aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan, dient voor iedere verdachte en voor ieder tenlastegelegd feit opnieuw te worden bekeken en beantwoord. De rechtbank zal haar bewijsoverwegingen dan ook opnemen bij de bespreking van de afzonderlijke feiten.

5. Vrijspraken

5.1 Ten aanzien van het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde. Zoals hierna nog zal worden gemotiveerd, zijn in deze zaak onvoldoende aanknopingspunten om te betogen dat de verweten handelingen onder dezelfde omstandigheden hadden kunnen leiden tot de dood of tot het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zal dan ook van deze twee varianten van het onder 4 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

5.2 Ten aanzien van het onder 5 en 6 tenlastegelegde

Anders dan de officier van justitie en met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het wettige bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv aan een bewezenverklaring in de weg staat ten aanzien van de onder 5 en 6 ten laste gelegde feiten.

De verklaringen van aangeefster dat zij door verdachte is verkracht (feit 5) en is mishandeld (feit 6), worden namelijk niet ondersteund door een tweede bewijsmiddel dat voldoende inhoudelijk verband houdt met de belastende verklaringen van aangeefster en afkomstig is uit een van aangeefster onafhankelijke bron.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de feiten 5 en 6 van de tenlastelegging.

6. Waardering van het bewijs

6.1. Ten aanzien van [persoon 2] (feiten 1 en 2)

De rechtbank acht op grond van de volgende wettige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan ten aanzien van [persoon 2]:

1. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 2] d.d. 24 april 2012 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, niet doorgenummerd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [persoon 2] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Ik heb [verdachte] in 2001 voor het eerst gezien. Ik noemde hem ook wel [naam 1]. Onze zoon [persoon 3] is in 2002 geboren. [naam 1] vroeg al snel of ik zijn vriendin wilde worden. Ik ben steeds in nightclubs blijven werken. Wij woonden samen in [plaats]. Ik heb ook gewerkt toen ik zwanger van [persoon 3] was. Ik werkte tot in de zesde maand van mijn zwangerschap. Ik ben steeds van [naam 1] weggevlucht. Hij sloeg mij ook. Ik ben blijven werken als prostituee.

In 2005 heb ik een tijdje in Alkmaar achter het raam gewerkt. Ik ben toen weer snel in contact gekomen met [naam 1]. [naam 1] zei dat we het nog een keer moesten proberen.

Ik ging weer achter het raam werken. Ik ben vervolgens weer naar Amsterdam gegaan om te werken. Vervolgens heeft hij mij in elkaar geslagen en verkracht. Hij heeft met zijn vuist op mijn kut geslagen. Hij heeft mijn geld weggenomen (ik had toen een paar duizend euro). Hij heeft mijn goud en mijn juwelen afgenomen en mijn papieren kapot gescheurd.

Hij heeft mij ook bedreigd. Hij zei: “Je mag nog drie dagen in Amsterdam blijven.” Als hij mij daarna nog zou zien zou een Marokkaan op mij afsturen die mij een prik met heroïne zou geven of gif zou toedienen.

[naam 1] had nooit geld, maar wel altijd geld nodig. Daarom moest ik ook werken. Ik werkte, omdat ik niet wilde dat hij andere vrouwen had. Ik dacht dat als ik genoeg geld verdiende, dat genoeg voor hem zou zijn en hij niet meer naar andere vrouwen zou gaan. Hij streefde ernaar om mij achter de ramen te laten werken omdat dat beter verdiende. [naam 1] zei dat je in Amsterdam meer kon verdienen. In Alkmaar werkte ik van 11.00 uur tot 0.00 uur. In Amsterdam werkte ik langer.

Ik was eigenlijk de hele tijd bang voor [naam 1].

De officier van justitie vraagt mij wat ik bedoel met: “hij had nooit geld, dus ik moest werken. Ik dacht dat het genoeg was”. Ik wilde niet dat hij seks met andere vrouwen had. Ik hield toen van hem. Ik heb hem vanaf het begin van onze relatie geld gegeven.

U, rechter-commissaris vraagt of ik de kostwinner was. Ja, hij had alleen bijstand en hij had behoefte om er goed uit te zien. Hij wilde graag naar het solarium, sieraden hebben, merkkleding en dat kost geld.

Ik ben altijd al bang voor [naam 1] geweest, vanaf het begin. Hij was heel snel boos. Hij vond altijd wel iets dat hem niet zinde. Hij sloeg mij dan altijd. Ik kreeg dan klappen in mijn gezicht of op mijn hoofd of tegen mijn buik, zelfs toen ik zwanger was. U houdt mij voor dat u meent gelezen te hebben dat [naam 1] boos was al ik te weinig verdiende. U vraagt mij of dat klopt. Ja, dat is juist.

Later, toen ik achter de ramen werkte, moest ik hem 5000 euro geven voor het café in Hilversum.

Na de geboorte van [persoon 3] heb ik gedurende 2 of 3 jaar, misschien wel wat langer, in clubs gewerkt. Ik ben op een gegeven moment in Alkmaar achter de ramen gaan werken. Ik was toen weg bij [naam 1]. Ik heb toen wel contact met hem opgenomen. Toen kreeg hij de grootste bedragen van mij. Hij wilde het weer proberen en ik dacht dat het deze keer anders zou zijn. U vraagt mij of ik dat geld uit eigen initiatief heb gegeven of hij mij daarom heeft gevraagd. Voor de bar heeft hij mij gevraagd. Dat vond ik niet leuk. Ik moest gelijk € 5000 betalen. Hij wilde ook een sieraad met briljanten. Dat heb ik toen voor hem gekocht.

In Amsterdam heb ik misschien twee maanden gewerkt. Dat was in 2005 of 2006. Ik verdiende in die periode zeker 1000 euro per dag. Ik ben in Amsterdam gaan werken omdat [naam 1] zei dat daar meer verdiend kon worden. Het was ook dichter bij ons huis in [plaats]. Toen ik in Alkmaar werkte, haalde [naam 1] mij op en bracht mij naar mijn werk.

Het geld dat ik verdiende verzamelde ik en dan gaf ik het geld van mijn werkzaamheden in het weekend aan hem.

In Amsterdam werkte ik een tijdje zeven dagen per week. Ik heb in die periode tussen de 1000 en 1500 euro per dag verdiend. Van dat geld zijn we naar Polen gegaan en [naam 1] heeft die ingrepen aan zijn gebit en die liposuctie laten doen. [naam 1] bracht mij en haalde mij van het werk.

Ik denk dat ik gewoon van hem gehouden moet hebben. Anders kan ik niet zoveel dingen voor hem gedaan hebben.

Ik ben in Amsterdam gestopt met mijn werkzaamheden omdat hij mij had verkracht en mij had gedreigd iets aan te doen.

[naam 1] heeft sieraden van mij beleend in Amsterdam.

[naam 1] heeft een vuurwapen tegen mijn hoofd gezet tijdens de verkrachting.

U vraagt mij wat de aanleiding voor de verkrachting was. In Polen had ik tegen hem gezegd dat ik niet meer met hem samen wilde zijn en dat ik hem geen geld meer wilde geven. [naam 1] bracht mij naar huis, pakte mijn geld en juwelen af, scheurde mijn papieren kapot en wilde mijn paspoort afpakken. Vervolgens heeft hij mij verkracht.

2. Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van verhoor van [persoon 2] van 20 september 2009, opgemaakt door de [persoon 7] en [persoon 8], beiden [functie] bij de politie Antwerpen (België), doorgenummerde pagina ZD 01 AH 01- 19.

Dit verhoor houdt onder meer in als verklaring van [persoon 2] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Ik ken [verdachte] sinds 9 jaar. Hij gebruikt de bijnaam [naam 1]. Ik heb hem negen jaar geleden de eerste keer gezien in Groningen waar ik werkte als vitrineprostituee. Na drie maanden heb ik met hem gevreeën en bleek ik zwanger. Ik moest mijn geld aan [verdachte] afgeven. [verdachte] eiste dat ik het kind wegdeed en omdat ik dat niet wou sloeg hij mij elke dag in de buik. Hij sloeg mij ook op mijn achterhoofd, zodat het geen sporen achterliet.

[verdachte] dwong mij om in de prostitutie te blijven werken.

Ik werkte tijdens mijn zwangerschap in de buurt van Groningen.

Op een dag, op het einde van mijn zevende maand zwangerschap, heeft [verdachte] mij afgetuigd. Ik ben met de trein naar Polen gegaan.

Uiteindelijk ben ik onder druk van [verdachte]s telefonische bedreigingen na twee weken teruggegaan naar hem.

Drie jaar geleden heeft [verdachte] mij anaal verkracht en met de vuist op mijn geslachtsdelen geslagen. Hij heeft mij een pistool tegen het hoofd gezet.

Ik had een gemiddelde van 1000 euro per dag. Soms verdiende ik 2000 of 3000 euro op een dag. Ik werkte vaak 24 uur achter elkaar.

Ik moest na mijn werk naar zijn woning in [plaats] ([adres]).

[verdachte] stal mijn telefoons wanneer hij dacht dat ik iemand in vertrouwen wou nemen. Ik mocht geen contact hebben met vrienden of andere personen. Toen ik vertelde dat ik naar mijn vader belde is [verdachte] in razernij op mij afgestormd en heeft mij geschopt en geslagen.

In 2006 heeft [verdachte] mijn Poolse identiteitskaart in stukken gescheurd.

Ik heb een verminderd gehoor aan mijn rechtergehoorgang door het feit dat [verdachte] mij veelvuldig op het oor sloeg.

3. Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van verhoor van [persoon 2] van

16 december 2009, opgemaakt door [persoon 7] ([functie] van de politie Antwerpen), handelend in opdracht van een internationaal rechtshulpverzoek, doorgenummerde pagina ZD 01 AH 41-48.

Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van [persoon 2] voornoemd, zakelijk weergegeven:

[naam 1] is mij in april 2001 in Groningen komen bezoeken. Ik heb tot mijn zesde maand (de rechtbank begrijpt: van haar zwangerschap) in clubs gewerkt.

[naam 1] was boos dat ik zwanger was en zei dat het kind wegmoest.

[naam 1] sloeg mij dan steeds zodat niemand de verwondingen kon zien. [naam 1] sloeg mij met de platte hand op mijn wangen en met de vuist boven op mijn hoofd. [naam 1] schopte mij op mijn scheenbeen.

In week 31 of 32 van mijn zwangerschap heeft [naam 1] mij zo hard geslagen op mijn oor dat ik nog steeds een lichte fluittoon hoor.

Over het slaan op mijn zwangere buik kan ik u vertellen dat [naam 1] mij met de volle vuist sloeg. Het is niet 1 of 2 keer gebeurd, maar elke keer als [naam 1] boos was.

Ik ben anderhalve maand na de bevalling weggelopen van [naam 1].

Ik denk dat het eind maart of begin april was.

Ik ben toen bij mijn moeder in Polen verbleven.

[persoon 9] en ik hebben in 2003 bij [naam 1] gewoond. Ik denk dat ik tot september 2002 in Polen ben gebleven. [naam 1] heeft mij in Polen opgebeld en was zo lief voor mij en wou een gezin met mij vormen. Uiteindelijk heb ik hem geloofd en ben ik teruggegaan naar [naam 1].

Ik moest van [naam 1] weer gaan werken als prostituee in clubs. Hoe meer geld ik aan [naam 1] gaf, hoe meer hij mij met rust liet. Ik was voortdurende bang om geslagen te worden en daarom werkte ik als prostituee.

In juli 2003 kwam [naam 1] drie dagen niet thuis. [naam 1] en [persoon 9] kwamen thuis en [naam 1] was dronken. Ik heb tegen [persoon 9] gezegd dat hij spullen moest verzamelen. Ik moest [naam 1] oraal bevredigen. [persoon 9], [persoon 3] (de rechtbank begrijpt: de zoon van [persoon 2]) en ik zijn vertrokken naar Polen.

Met mijn inkomsten uit de periode in Alkmaar heb ik een tandenoperatie en een buikoperatie betaald voor [naam 1]. [naam 1] vond Alkmaar te ver weg van huis en kon mij dan niet goed controleren. [naam 1] heeft gezegd dat ik een plaats dichter bij huis moest zoeken.

Na Alkmaar ben ik naar Amsterdam gegaan. Ik ben toen samen met [naam 1] naar die kamer in Amsterdam gegaan. Ik werkte daar in Amsterdam soms 24 uur achter elkaar, tot ik 2000 euro had verdiend. Ik hoopte dat als ik genoeg geld aan [naam 1] gaf, hij die andere vrouwen zou laten gaan en mij met rust zou laten.

[naam 1] bracht mij toen naar mijn werk en ging mij toen halen van mijn werkkamer.

In Amsterdam ben ik op een dag met [naam 1] en [persoon 3] gaan eten in een Arabisch eethuis. [naam 1] vroeg mij om geld en ik zei dat ik niets meer had. [naam 1] werd daar zeer boos over en fluisterde dat ik naar huis moest. [naam 1], [persoon 3] en ik zijn naar [plaats] gegaan.

Hij heeft mij Poolse identiteitskaart en andere officiële documenten gezien en kapot geknipt.

Toen begon het slaan. Hij pakte mij bij mijn haren. Hij zette de loop van een pistool tegen mijn hoofd. [naam 1] sloeg mij met het pistool op mijn hoofd. [naam 1] trok agressief mijn broek naar beneden. Eerst nam hij mij bij de haren en dwong mij om hem te pijpen, heel hard en heel diep. Hij schopte mij omver. Hij penetreerde mij zonder condoom of zonder glijmiddel anaal. Ik huilde en vroeg om te stoppen. [naam 1] draaide mij om. Hij begon op mijn vagina te slaan met zijn vuist. Hij neukte mij in mijn vagina. Hij zei dat hij met mij naar het bos zou gaan. Hij riep voortdurend dat ik hem al mijn geld moest geven. Hij riep dat ik mijn paspoort moest geven, zodat hij dat kapot kon knippen. Ik moest binnen drie dagen Nederland verlaten. Als ik niet zou vertrekken uit Nederland na die drie dagen zou hij een Marokkaan als klant naar mij sturen met de opdracht om heroïne met hiv in mijn arm te spuiten.

4. Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van verhoor van [persoon 2] van

19 december 2009, opgemaakt door [persoon 7] ([functie] van de politie Antwerpen), handelend in opdracht van een internationaal rechtshulpverzoek, doorgenummerde pagina ZD 01 AH 49-57.

Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van [persoon 2], zakelijk weergegeven:

De dag dat ik het document heb ondertekend (de rechtbank begrijpt: op 20 juni 2006) heb ik klappen in mijn gezicht gekregen van [naam 1].

Vanaf Koninginnedag 2006 ben ik met [naam 1] naar Polen gegaan. [naam 1] heeft toen zijn tandenoperatie en plastische chirurgie laten doen. Dit is betaald met het geld dat ik in Amsterdam heb verdiend. Vanaf de terugkomst tot de periode tot 20 juni 2006 heb ik dag en nacht gewerkt in Amsterdam. [naam 1] sloeg mij regelmatig omdat ik hem moest betalen en ik hem geen geld meer wou geven. Hij sloeg mij elke dag. De conflicten waren gericht op het feit dat ik niet meer aan hem wilde betalen.

De anale verkrachting is gebeurd tussen 26 en 30 juni 2006.

Vroeger was ik verliefd op [naam 1], hij is ook de vader van mijn zoon. Ik liet hem begaan omdat ik een gezin wilde voor [persoon 3].

De momenten dat ik verkracht ben, sloeg hij me ook en huilde ik. Ik vroeg hem om ermee te stoppen, maar hij luisterde niet. Ik moest [naam 1] altijd pijpen, maar ik haat pijpen. Ik zei hem ook dat ik dat niet wilde, maar hij moest altijd klaarkomen in mijn mond.

Ik heb van mijn inkomsten uit Alkmaar 5000 euro aan [naam 1] gegeven.

5. Een geschrift, zijnde een politiemutatie van 3 mei 2004 met registratienummer PL0300_04138862_BPS Drenthe, doorgenummerde pagina ZD 01 AH 166- 173.

Wij (de rechtbank begrijpt: verbalisanten) ontvingen en telefonisch bericht van de broer van de exploitant van [A]. Hij gaf aan dat in [A] een Poolse vrouw was die bedreigd was door een Turk.

Met (de rechtbank begrijpt: [persoon 2]) is een onderhoud gevoerd, waarbij zij het volgende verklaarde:

In mei 2001 werkte [persoon 2] in Groningen in de raamprostitutie. Daar heeft ze [verdachte] leren kennen. [persoon 2] raakte al snel zwanger en heeft gedurende haar zwangerschap nog geruime tijd doorgewerkt. Ze moest haar verdiensten voor een groot deel afdragen aan [verdachte]. Op enig moment heeft zij haar sieraden moeten afstaan aan [verdachte], die deze vervolgens bij een bank van lening in Amsterdam verpandde.

Ze is in juni 2003 weer begonnen met werken en is samen met haar zoontje en haar broer [persoon 9] bij [verdachte] in huis gaan wonen. In juli/augustus 2003 is zij met [persoon 9], met medeneming haar kind, vertrokken naar Polen.

Zij werd meerdere keren gebeld door [verdachte] die wilde dat zij terugkwam met hun zoontje.

Uiteindelijk is [persoon 2] teruggekomen naar Nederland. [persoon 2] kon weer naar Nederland reizen op een nieuw paspoort, het oude exemplaar was eerder door [verdachte] vernield.

Op 1 april 2004 was [persoon 2] weer in Nederland. [verdachte] en [persoon 2] hebben elkaar ontmoet op Koninginnedag in 2004. De ontmoeting in een restaurant liep uit de hand en [verdachte] zou haar hebben mishandeld. In de nacht van 3 op 4 mei 2004 kwam [verdachte] naar [A] en wilde dat [persoon 2] met hem meeging. Het personeel van de club wist dit te voorkomen. Door [verdachte] zijn de nodige bedreigingen geuit, onder andere dat hij [persoon 2] van het leven zou beroven.

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 september 2012 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank,

bevattende de verklaring van verdachte die door de rechtbank aangemerkt als kennelijk leugenachtig.

Deze verklaring houdt in, zakelijk weergegeven:

Ik wist niet dat [persoon 2] in de prostitutie werkte. [persoon 2] is een paar maanden na de geboorte van [persoon 3] uit ons leven verdwenen. Ik heb daarna geen contact meer met haar gehad.

7. Een geschrift, zijnde proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 10] van 9 april 2013, opgemaakt door [persoon 11] (arrondissementsofficier te Szczecin, Polen), in het kader van een internationaal rechtshulpverzoek, niet doorgenummerd.

Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van [persoon 10] voornoemd, zakelijk weergegeven:

V: Heeft u met eigen ogen gezien dat [persoon 2] werd geslagen?

A: Met eigen ogen heb ik gezien hoe [verdachte] mijn dochter duwde, dat wil zeggen hij duwde mijn dochter met de hand van zich af en greep haar met de hand bij haar hals. Ik heb bij [persoon 2] blauwe plekken op haar lichaam gezien.

8. Een geschrift, zijnde proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 10] van 11 juni 2010, opgemaakt door [persoon 11] (arrondissementsofficier te Szczecin, Polen), in het kader van een internationaal rechtshulpverzoek, doorgenummerde pagina ZD 01 GET 01-05.

Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van [persoon 10] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Er is een situatie geweest dat mijn dochter met haar zoon in Polen was en zij mij vroeg of ik met mijn zoon [persoon 9] naar de woning van de ouders van [verdachte] ging om haar spullen op te halen. Toen wij de spullen van [persoon 2] naar buiten brachten, viel ineens [verdachte] met drie mannen binnen. [verdachte] had toen een geweer bij zich. [verdachte] sloeg mijn zoon met het pistool op zijn achterhoofd en ze hebben ons naar een klein kamertje geduwd. Mijn man en [persoon 2] maakten zich zorgen over ons en hebben de Nederlandse politie gebeld. Na de visite van de politie liet [verdachte] mij en mijn zoon gaan.

9. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2009039945 van 8 april 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[persoon 12] en [persoon 13], doorgenummerde pagina ZD 01 AH 148-150.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren:

Wij, verbalisanten, hadden op 12 maart 2010 een gesprek met een persoon die aan ons opgaf te zijn [persoon 14]. Wij hoorden [persoon 14] vertellen dat hij [persoon 2] in een club had leren kennen, dat hij denkt dat dit rond 2001 was, dat [persoon 2] is bevallen van een zoon, dat de vader van haar man een Turkse man zou zijn, dat hij wel eens van [persoon 2] heeft gehoord dat deze man losse handjes zou hebben, dat hij wel eens blauwe plekken heeft gezien bij [persoon 2], dat dit onder andere op haar bovenarm was.

10. Een proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 15] (geboren op [1978]) van 3 februari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 16] en [persoon 17], doorgenummerde pagina ZD 01 GET 47 tot en met 50.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 15], zakelijk weergegeven:

Op 2 februari 2012 hoorden wij, verbalisanten de getuige [persoon 15]. Zij verklaarde;

- dat zij [persoon 2] kent van het werken in het red ligt district in Amsterdam;

- dat zij van [persoon 2] hoorde dat zij voor [naam 1] werkte;

- dat zij heeft gehoord dat [persoon 2] is geslagen door [naam 1];

- dat zij, getuige, rond mei, juni 2005 een paar maanden met [persoon 2] in Amsterdam heeft gewerkt;

- dat [persoon 2] heel veel werkte en dat dit niet normaal is;

- dat [persoon 2] in Amsterdam heel veel moest werken;

- dat [persoon 2] zei dat [naam 1] haar kwam halen en brengen;

- dat [persoon 2] soms 24 uur moest werken;

- dat [persoon 2] zei dat ze zoveel moest werken omdat ze anders te weinig verdiende;

- dat zij, getuige, wel eens eerder kwam op het werk en dat zij [persoon 2] al zag werken;

- dat zij [persoon 2] dan nog zag werken als zij weer wegging;

- dat zij wel een geprobeerd heeft om overdag te werken en dat [persoon 2] dan ook aan het werk was;

- dat zij [persoon 2] dan ook ’s avonds weer zag werken;

- dat [persoon 2] altijd werkte.

- dat [persoon 2] haar zei dat [naam 1] haar op haar hoofd sloeg;

- dat ze van [persoon 2] hoorde dat [naam 1] [persoon 2] heeft verkracht;

- dat [persoon 2] echt bang was voor [naam 1];

- dat [persoon 2] in juni 2006 is verkracht;

- dat zij dat weet omdat het na haar verjaardag was;

- dat zij [persoon 2] nog nooit zo bang heeft gezien.

11. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 15] d.d. 19 februari 2013 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, niet doorgenummerd.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [persoon 15] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Ik ken [persoon 2]. Rond 2006 werkten wij allebei op de Wallen in Amsterdam. [persoon 2] vertelde mij dat zij een vriend had en dat zij samen een zoontje hadden. Zij noemde haar vriend [naam 1]. [persoon 2] vertelde dat zij veel moest werken om geld te verdienen. In de tijd dat zij bij mij woonde vertelde zij dat [naam 1] haar sloeg. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb gezegd dat [persoon 2] in Amsterdam aan mij had verteld dat zij voor [naam 1] werkte. Ja, ze zei: “Ik werk en breng het geld naar hem”. U vraagt mij of mij bekend is dat [naam 1] [persoon 2] heeft verkracht. Ja, die verkrachting was de reden dat zij naar Antwerpen ging. Dat verhaal van de verkrachting heb ik van [persoon 2]. Zij huilde wel een paar dagen toen zij daarover vertelde. U houdt mij voor dat ik heb gezegd dat [persoon 2] mij vertelde dat zij zowel vaginaal als oraal seks met hem moest hebben. Dat klopt. U houdt mij ook voor dat ik bij de politie heb gezegd dat zij soms 24 uur per dag moest werken. Het klopt, [persoon 2] zei dat zij dat van hem moest doen. Dat was al in 2005 het geval.

Het is juist dat ik tegen de politie heb gezegd dat [persoon 2] echt bang was voor [naam 1]. Dat kon ik aan haar zien in de tijd dat zij bij mij woonde. Dat kun je gewoon aan mensen zien. Zij had echt rust als zij aan het werk was. Dan wist ze: “Ik verdien geld en

12. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 18] met nummer 2011043229 van 29 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 12] en [persoon 19], doorgenummerde pagina ZD 01 GET 51-58.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 18] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Op 23 maart 2012 hoorden wij, verbalisanten, [persoon 18]. Zij verklaarde ons het volgende:

- dat [persoon 2] en zij elkaar hebben leren kennen in 2000 in een club;

- dat [verdachte] [persoon 2] leerde kennen via haar;

- dat zij, getuige, een periode in Alkmaar heeft gewerkt en dat zij [persoon 2] daar trof. Dat zij denkt dat het in 2003 of 2004 was;

- dat zij ongeveer 3 maanden samen hebben gewerkt;

- dat [persoon 2] haar verteld had dat zij nog steeds met [naam 1] was en een kindje had;

- dat [persoon 2] niet echt met haar wilde praten en erg kort was;

- dat zij, getuige, dacht dat [persoon 2] bang was voor [naam 1] omdat zij, getuige, niet bij [persoon 2] op de kamer mocht komen en snel weer weg moest;

- dat [persoon 2] vaak erg bang was dat zij iets verkeerds zei.

13. Een proces-verbaal van bevindingen van 19 mei 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 12], doorgenummerde pagina ZD 01 AH 174-175.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van de mutatie van [persoon 2] in 2004, waarin zij aangeeft dat zij destijds sieraden in onderpand heeft gegeven bij [verdachte], heb ik, verbalisant, onderzoek gedaan bij de stadsbank van lening waartoe de administratie van [verdachte] is opgevraagd. Ik ontving van de stadsbank van lening en zag dat er 19 verpandingen in de administratie van [verdachte] waren terug te vinden. In de inhoud zag ik voornamelijk sieraden omschreven.

14. Een proces-verbaal van bevindingen van 10 mei 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 12], [persoon 20] en [persoon 21], doorgenummerde pagina ZD 01 AH 210-213.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van bovengenoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 15 april 2012 hoorden wij, verbalisanten, [persoon 2].

Met [persoon 2] werd het volgende besproken:

Foto’s die zijn aangetroffen op een fototoestel waar ook [persoon 2] op enkele afbeeldingen staat. Deze foto’s zijn aan [persoon 2] getoond.

Foto 5

De sieraden die zij draagt op de foto herkent [persoon 2] als zijnde de sierraden die later van haar zijn afgepakt op een moment dat zij door [verdachte] werd verkracht.

15. Een geschrift, zijnde een kopie van het paspoort van [persoon 2], doorgenummerde pagina DIV 01.

[persoon 2], [voornamen]

[1979], [plaats].

29 maart 2004 (de rechtbank begrijpt: (omstreeks) de datum waarop [persoon 2] een nieuw paspoort heeft aangevraagd).

29 maart 2014.

6.2. Nadere bewijsoverweging ten aanzien van [persoon 2]

Verdachte heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat [persoon 2] een paar maanden na de geboorte van hun zoon in 2002 uit zijn leven is verdwenen en dat hij niet geweten heeft dat [persoon 2] in de prostitutie werkte. Ter terechtzitting van 13 mei 2013 heeft verdachte verklaard wel te hebben geweten dat [persoon 2] in de prostitutie werkte. De rechter-commissaris heeft hem op dit punt verkeerd begrepen of zijn verklaring onjuist opgeschreven, aldus de verdediging.

Dit betoog vindt geen steun in de feiten. Voor de rechtbank staat vast dat hij ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard zoals hiervoor weergegeven.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde verklaring van verdachte zijn weerlegging vindt in de inhoud van de hiervoor weergegeven wettige bewijsmiddelen.

De rechtbank beschouwt de afgelegde verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris als kennelijk leugenachtig, kennelijk afgelegd met de bedoeling om de waarheid te bemantelen, te weten dat hij [persoon 2] heeft uitgebuit. De rechtbank acht deze kennelijke leugenachtige verklaring mede redengevend voor de bewezenverklaring.

Twee onderdelen van de tenlastelegging worden door de rechtbank niet bewezen geacht.

De rechtbank acht het aannemelijk dat verdachte onder valse voorwendselen [persoon 2] afstand heeft laten doen van het wettig gezag over hun beider kind [persoon 3]. De rechtbank acht echter niet bewezen dat deze actie in verband stond met het uitbuiten van [persoon 2]. Dit in verband met de datum van de akte en de periode die de rechtbank bewezen acht.

Ook acht de rechtbank niet bewezen dat [persoon 2] aan verdachte geld moest betalen om [persoon 3] te mogen zien. Aanvankelijk heeft [persoon 2] wel aldus verklaard, maar zij is hierop bij gelegenheid van haar verhoor bij de rechter-commissaris teruggekomen, in die zin dat zij bij de rechter-commissaris heeft verklaard begrepen te hebben dat verdachte geld of cadeaus op prijs stelde. Van het stellen van een voorwaarde, zoals in de tenlastelegging is bedoeld, kan daarom niet blijken. Maar zelfs als haar aanvankelijke verklaring zou worden gevolgd kunnen deze acties van verdachte niet in verband worden gebracht met de uitbuiting van [persoon 2].

Het staat namelijk vast dat [persoon 2] in de betrokken periode niet meer voor [verdachte] werkte.

De rechtbank is op grond van het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – van oordeel dat het dossier voldoende bewijs bevat voor een bewezenverklaring van de uitbuiting van [persoon 2] in de periode van 1 oktober 2000 tot 20 juni 2006.

De bewijsverweren van de raadsman worden verworpen.

6.3 Ten aanzien van [persoon 4] (feit 2)

De rechtbank acht op grond van de volgende wettige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde uitbuiting van [persoon 4]:

1. Een proces-verbaal van aangifte van 19 augustus 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 22], [functie] van politie Amsterdam-Amstelland en [persoon 23], [functie] van politie Amsterdam-Amstelland (ZD 02, AH/01-AH/06).

Dit proces-verbaal houdt in – zakelijk weergegeven en voor zover van belang - als verklaring van [persoon 4]:

In Utrecht ontmoette ik [verdachte] bij een Texaco-benzinestation. Hij nam me mee naar zijn huis in [plaats]. Ik ben daar 4 dagen geweest en daarna begon hij me te slaan. Hij nam me mee naar een slaapkamer en ik moest me uitkleden. Hij begon tegen me te schreeuwen. Ik was bang voor hem geworden. Uit angst heb ik mijn kleren uitgedaan. Ik moest op bed gaan zitten en hij heeft foto’s van mij genomen terwijl ik geen kleren aan had. Hij zei later dat als ik niet zou doen wat hij van me wilde, hij deze foto’s naar mijn ouders zou sturen. Daarna verkrachtte hij me. Omdat ik dat niet wilde en mij verzette, sloeg hij me meerdere malen tegen mijn hoofd en draaide mijn polsen om. Op een gegeven moment heeft hij mijn linkerarm op mijn rug gedraaid en dat deed heel veel pijn. Ik huilde en was bang voor hem. Hij heeft mij verkracht, waarbij hij geen condoom heeft gebruikt. Later die nacht heeft hij me naar het hospitaal in Hilversum gebracht. Mijn linkerschouder was uit de kom. Ik heb 3 weken met verband om mijn arm gelopen en daarna moest ik gaan werken als prostituee. In die 3 weken heeft hij ongeveer iedere dag seks met mij gehad. Ik kon mij niet verzetten en durfde het ook niet. Ik had geen geld, niets. Hij vertelde mij dat ik toch niet weg kon lopen, hij zou me zo weer vinden. En hij zou mijn ouders de foto’s sturen.

Hij bracht mij naar Amsterdam, naar de tippelzone. Hij vertelde me wat ik daar moest doen. Hoeveel geld ik moest vragen en dat soort dingen. Ik kreeg een telefoon en moest hem iedere keer bellen als ik een klant had. Als de zone gesloten was, stond hij met zijn auto te wachten en dan pakte hij mijn tas om het geld eruit te halen. Ik heb daar denk ik ongeveer een maand gewerkt.

Vraag: vervolgens kwam je bij ons terecht, wij hebben je ondergebracht in een opvangtehuis en ineens was je daar verdwenen. Wat is er gebeurd?

Antwoord: Ik heb toen ik in dat tehuis zat mijn ouders gebeld. Zij vertelden dat zij waren gebeld door een Roemeense man met een accent van Boekarest. Deze man had hun verteld dat ik heel veel problemen had veroorzaakt in Nederland en dat ik terug moest naar [verdachte]. Mijn moeder huilde aan de telefoon en ik begreep uit wat ze zei dat zij werden bedreigd. Als ik niet terug zou gaan naar [verdachte] zou er iets met mijn ouders gebeuren. Daarom heb ik weer contact opgenomen met [verdachte]. Hij heeft mij toen opgehaald in Amsterdam. Ik had mijn paspoort in het opvanghuis achtergelaten, met de naam en het adres van [verdachte]. Ook het telefoonnummer van een vriendin had ik op dat briefje gezet. Dit voor alle zekerheid, als mij iets heel ernstigs zou overkomen. Zodat men zou weten wie ik was en wie het had gedaan.

Gisteren ben ik weer door hem mishandeld. Ik heb bloeduitstortingen op armen en benen. Hier heeft hij me geslagen en geschopt. En ik heb steeds hoofdpijn. Hij heeft meerdere keren zo hard tegen mijn hoofd geslagen dat ik duizelig werd. Hij schreeuwde dat hij me weg zou brengen en me ging vermoorden. Ik moest met hem mee de auto in. Hij trok me mee aan mijn armen en mijn haren. Hij schopte me echt de auto in. Ik was ervan overtuigd dat hij me ging vermoorden. We stonden ergens stil, waar ik de politie zag staan en ik ben de auto uitgerend naar de politie. Ik doe aangifte tegen [verdachte], de man bij wie ik gisteren in de auto zat.

2. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 22 januari 2013 door middel van een videoverbinding met Roemenië, opgemaakt door [persoon 24], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in– zakelijk weergegeven en voor zover van belang - , als verklaring van [persoon 4]:

Ik heb in augustus 2002 aangifte gedaan tegen [verdachte]. Hij heeft me met twee vrouwen in een huis gezet en ik moest van hem werken. In 2002 ben ik uit de auto gesprongen, omdat ik een politieauto zag. Die man heeft me bij zijn moeder gebracht en als een slaaf behandeld.

Ik heb ongeveer vier a vijf maanden achter de ramen in Utrecht gewerkt. Later werden we naar een plek in Nederland zo’n 30 a 40 km verderop gebracht door hem. Met ‘hem’ bedoel ik dezelfde man die in de auto zat toen ik uit de auto sprong. Hij kocht voor ons alles wat we nodig hadden, maar ik had zelf geen beschikking over geld. Het geld dat ik verdiende, moest ik aan hem afgeven. Ik was bang, had geen geld en was de taal niet machtig. Dat heb ik tegen hem gezegd en hij heeft mij geslagen.

Tussen onze eerste ontmoeting bij het pompstation in Utrecht en de eerste keer dat ik van hem in de prostitutie moest werken, zat ongeveer een week á tien dagen. Ik verbleef toen bij hem thuis. Zijn ouders en nog twee andere vrouwen woonden op hetzelfde adres. De mishandelingen en verkrachtingen in de periode tussen mijn aankomt in Nederland en het begin van mijn periode als prostituee, vonden plaats op de eerste verdieping van het huis.

Nadat ik die man in 2002 bij het pompstation had ontmoet, heb ik ongeveer twee a drie maanden in de prostitutie gewerkt. Ik weet niet waar ik gewerkt heb. Ik weet nog wel dat het een soort organisatie was, aan een straat. Ik had seks in de auto van de klant.

Toen de man mijn hand omdraaide en bovenop me ging zitten op een bank, schoot mijn schouder uit de kom.

Toen ik hem bij het Texaco-station ontmoette, wist ik dat ik bij hem in de prostitutie ging werken. Ik wist echter niet dat er sprake zou zijn van dwang, hij mij zou slaan of dat ik mijn geld aan hem moest afstaan. De afspraak was dat ik op mijn eigen manier in de prostitutie zou werken en hem huur zou betalen. Dat hij mij zou slaan en mijn geld zou afpakken, was niet de afspraak.

Ik vond het niet leuk dat hij ’s ochtends kwam en dat hij ’s avonds wegging en mijn geld afpakte. Ik was er psychisch kapot van. Soms zei hij dat hij van me hield en dan sloeg hij me weer.

Hij heeft een pistool tegen mijn hoofd gehouden. Op de dag dat mijn schouder uit de kom ging, zette hij een pistool tegen mijn hoofd.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 augustus 2002, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 25], [functie] van politie Gooi en vechtstreek/Naarden, met als bijlagen foto’s (ZD 02, AH09-AH17).

Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van voornoemde verbalisant – zakelijk weergegeven -:

Wij hoorden een vrouw zeer hard gillen en wij zagen dat een vrouw uit een rode personenauto sprong. De auto reed op dat moment langzaam door de bocht. De vrouw kwam blootsvoets en al schreeuwend en gillend naar mij toe rennen. De vrouw sprak de Engelse taal. Ze greep mij om de hals vast en wilde niet meer loslaten. Een man kwam uit die auto en kwam eveneens naar ons toegelopen. De vrouw raakte hierdoor geheel in paniek en ging achter mij staan. Ze riep dat het een pooier was en dat hij haar in elkaar wilde slaan. De vrouw gaf op te zijn [persoon 4]. De man gaf op te zijn genaamd [verdachte], geboren [1971]. De vrouw vertelde deze man ongeveer 2 maanden geleden te hebben ontmoet in Utrecht. Kort hierna werd zij door de man gedwongen om in de prostitutie te werken en het geld aan hem af te geven. Zij vertelde dat zij regelmatig door die man mishandeld werd en dat hij haar verder onder druk zette door te zeggen dat haar familie in Roemenië alleen veilig zou zijn als zij deed wat hij wilde: anders zou haar familie ‘aangepakt’ worden. Ze had haar paspoort achtergelaten bij hulpverlenende instantie. Toen de man daar achter kwam, werd hij zeer kwaad en mishandelde haar (bult boven op haar hoofd en blauwe plekken bij linkeroog) (De rechtbank begrijpt dat de verbalisant hier het letsel constateert zoals te zien op de foto’s op AH/13-AH/17, die bij het proces-verbaal zijn gevoegd).

4. Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van verhoor 16 december 2009, opgemaakt door [persoon 7], [functie] bij het prostitutieteam van de Politie Antwerpen. (ZD, 02 AH/18-AH/25).

Dit proces-verbaal houdt in – zakelijk weergegeven en voor zover van belang - als verklaring van [persoon 2]:

Vanaf einde maart of begin april 2002 was ben ik bij mijn moeder in Polen verbleven. Ik heb mijn moeder gevraagd om bij [naam 1] thuis de spullen van mezelf en [persoon 3] te gaan ophalen. Op dat moment had [naam 1] andere vrouwen voor hem werken. [naam 1] had toen [persoon 26] uit Polen en [persoon 27] uit Litouwen. Ik weet dat [persoon 27] een gebroken linkerschouder heeft gehad doordat [naam 1] haar zo hard had geslagen en voor verzorging naar een hospitaal is geweest.

5. Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 24 april 2012, opgemaakt door

[persoon 28], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in – zakelijk weergegeven en voorzover van belang -, als verklaring van [persoon 2]:

U houdt mij voor dat ik verklaard over een mishandeling van een meisje dat bij haar schouder behoorlijk was verwond. Het ging om een meisje uit Roemenie dat op straat werkte in Utrecht.

6. Een geschrift, zijnde een letselverklaring van 6 februari 2013, opgemaakt door

[persoon 29], arts GGD (AH36), opgemaakt naar aanleiding van een geschrift, zijnde een verslag van de spoedeisende hulp van het Ziekenhuis Gooi Noord, opgemaakt door dr. [persoon 30] op 4 juli 2002 (ZD 02, AH/37).

Dit geschrift houdt in als letselverklaring betreffende [persoon 4] (de rechtbank begrijpt: [persoon 4]), geboren [1981] en wonende aan de [adres 1] te [plaats]:

Deze rapportage is opgesteld op basis van het formulier van het toenmalige ziekenhuis Gooi Noord. Het formulier vermeldt als bezoekdatum 4 juli 2002, tijdstip 00.20 uur. De eerste hulp arts constateerde dat de linker schouder uit de kom was. De linker schouder is weer teruggebracht in een goede positie.

6.4. Nadere bewijsoverweging ten aanzien van [persoon 4]

De raadsman heeft betoogd dat de aangifte van [persoon 4] onvoldoende wordt ondersteund door andere, uit onafhankelijke bron afkomstige, bewijsmiddelen. De rechtbank is met de

raadsman van oordeel dat er kwantitatief weinig ondersteuning is voor de aangifte van

[persoon 4]. Echter, de bevestiging van de verklaring van [persoon 4] dat haar schouder uit de

kom is geraakt, is een erg sterke ondersteuning van haar verklaring. Dit, in combinatie met

het proces-verbaal van bevindingen waarin wordt gerelateerd hoe [persoon 4] in doodsangst

blootvoets de auto van verdachte uitvlucht, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat er

voldoende wettige bewijsmiddelen zijn. Uit deze bewijsmiddelen heeft de rechtbank ook de

overtuiging bekomen dat [persoon 4] in de periode van 1 juni 2002 tot en met 18 augustus 2002 door verdachte is uitgebuit.

6.5 Ten aanzien van [persoon 5] (feit 2)

De rechtbank acht op grond van de volgende wettige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde uitbuiting van [persoon 5]:

1. Een proces-verbaal van verhoor van [persoon 5] van 19 november 2002, opgemaakt door [persoon 31], [functie] van politie Gooi en Vechtstreek, ZD-04, doorgenummerde pagina AH/01.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 5] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Ik woon met mijn dochtertje [persoon 32] op de [adres 2] te [plaats] bij mijn pooier [naam 1]. Zijn echte naam is [verdachte]. Ik ben werkzaam als prostituee en werk in Utrecht in de straatprostitutie. In dezelfde woning woont nog een andere vrouw, genaamd [persoon 33]. Zij is de vriendin van [verdachte].

Vannacht op 19 november 2002 omstreeks 02.00 uur lag ik op de bank in de woning. Op dat moment kwam [verdachte] thuis en liep direct op mij af. Hij begon mij direct met de vlakke hand in mijn gezicht te slaan en trok mij aan de haren en gooide mij op de grond. Ik voelde hevige pijn aan mijn gezicht en hoofd.

Hij begon te roepen:’Vuile hoer, ik wil je niet meer in huis.’ Hij zei dat hij boos was omdat ik hem geen geld had gegeven. Dit geld moest hij hebben omdat hij mijn pooier is. Ik gaf hem elke dag 200 á 300 euro.

Vervolgens gooide hij mijn tas leeg op tafel. Hij pakte mijn telefoonboekje en scheurde er telefoonnummers uit, en pakte 150 euro uit mijn portemonnee. Hij heeft ook mijn buskaart, telefoonkaart afgepakt en heeft de SIM-kaart van mijn GSM kapot gemaakt, waardoor mijn GSM niet meer is te gebruiken.

Daarna zei [verdachte] tegen mij: ‘Als je naar de politie gaat, maak ik je af. Ik heb vrienden die er voor kunnen zorgen dat ik snel van je af kan komen. Als je nog meer praat dan leef je niet meer.’ Ik voelde mij door deze woorden zo bedreigd dat ik niets meer kon zeggen. Ik dacht echt dat hij mij dood zou maken.

Op dat moment wilde ik direct met mijn dochtertje de woning verlaten. [verdachte] zei dat ik dat niet mocht. Ik mocht pas de volgende dag weg. Ik kon ook niet weg omdat de deur op slot zat.

Vandaag heb ik om ongeveer 11.00 uur de politie gebeld, met zijn telefoon. Ik moest zacht praten tegen de politie omdat ik bang was dat [verdachte] het zou horen . Even later kwam de politie om ons uit de woning te laten.

Ik ben samen met mijn dochtertje tegen mijn wil vastgehouden in de woning van [verdachte].

2. Een proces-verbaal van verhoor van [persoon 5] van 23 juni 2010, opgemaakt door [persoon 12], [functie] en [persoon 34], [functie], politie Gooi en Vechtstreek, ZD-04, doorgenummerde pagina Get/01.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 5] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Ik ben ongeveer in het jaar 2000 in de prostitutie terecht gekomen. [persoon 35] liet mij werken en als ik dat niet deed kreeg ik mijn kind niet meer te zien. Op een gegeven moment , ik wilde graag stoppen, kwam ik in contact met [naam 1]. Later begreep ik dat zijn naam [verdachte] [verdachte] was. [naam 1] vertelde dat hij mij wel kon beschermen. [naam 1] heeft [persoon 35] opgezocht met een wapen. Vanaf die dag was ik van [naam 1]. Hij bleek mijn nieuwe pooier. Ik kon bij [naam 1] wonen in [plaats]. Daar verbleef ook de vriendin van [naam 1], [naam 2].

[naam 1] bracht mij naar Utrecht om te werken en haalde mij. Ik mocht niet alleen gaan. [naam 1] dwong mij om te werken. Ik wilde niet maar hij dreigde mijn kind af te nemen. Ik moest alles inleveren bij hem, mijn bankpas, legitimatie, telefoon. Ik moest al mijn geld aan hem afgeven. Ik kreeg onderdak en eten en drinken. Het was veel geld dat ik aan hem gaf.

[persoon 33] is volgens mij [naam 2] waar ik u over vertel.

3. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 5] d.d. 14 mei 2012 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 5] voornoemd, zakelijk weergegeven:

De aangifte ging als volgt. Ik kwam midden in de nacht thuis. Ik was toen bij [naam 1], dat hij [verdachte] heet heb ik pas later van de politie gehoord. Hij ging te keer tegen mij. Hij zei dat ik te weinig geld had. Ik gaf mijn dochter toen nog borstvoeding in die tijd maar dat mocht niet van hem op dat moment. Mijn dochter moest toen vreselijk huilen. [naam 1] pakte toen alles af van mij: telefoon, paspoort, geld en bankpas. Hij sloot mij op in een kamer. Ik kon toch uit die kamer komen en op de vensterbank lag een GSM. Daarin ontbrak een SIM-kaart maar ik kon wel een noodoproep plaatsen. Ik heb toen heel zacht gezegd dat ik nergens heen kon en dat ik vast zat. Toen de politie aan de deur stond was [naam 1] heel boos. Ik ben toen met de politie meegegaan en mocht alleen mijn dochter meenemen. Toen stond ik dus eigenlijk buiten zonder een rode cent. U vraagt mij wat er met de SIM-kaart aan de hand was uit die telefoon. Die had [naam 1] stuk gemaakt. Ik weet niet meer of dat een telefoon was van hem of van mij.

Ik heb [naam 1] via een taxichauffeur leren kennen. Ik had problemen met een andere pooier genaamd [persoon 35]. Die taxichauffeur zei: ‘ik kan je helpen, ik ken iemand.’ Hij zei: ’bel me als [persoon 35] er is.’ Ik werkte toen in Utrecht als prostituee. Op een gegeven moment kwam [persoon 35] en toen heb ik ge-sms’t. Kort daarop kwamen ondermeer de taxichauffeur en [naam 1]. [naam 1] zette een pistool tegen het hoofd van [persoon 35]. Hij zei: ‘je kunt nu niets meer doen, ze is van mij, ik bescherm haar.’ Ik dacht echt dat [naam 1] mij ging helpen. Dat was echter niet zo. Ik zat weer vast en kon weer niks. [naam 1] had een andere taxichauffeur geregeld die mij van huis haalde en weer terug bracht als ik gewerkt had. Als ik werkte was altijd die taxichauffeur aanwezig. Ik kon nergens naar toe. Ik moest werken van [naam 1]. Thuis sloot hij mij op en pakte mijn mobiel en geld af. Als ik even naar buiten ging was ik ook altijd met iemand. [naam 1] had mijn kind in handen. Ik kon daarom moeilijk ergens anders naar toe gaan. Ik moest hem altijd al mijn verdiensten afstaan. U vraagt mij wat er gebeurde met het geld dat ik aan [naam 1] gaf. Dat weet ik niet. Ik moest het gewoon inleveren. Als ik geen geld gaf dan zocht hij het. Desnoods moest ik mij helemaal uitkleden. Ik denk dat ik [naam 1] in 2001 heb leren kennen. Na het incident met het pistool heb ik [persoon 35] nooit meer gezien of gesproken.

[naam 1] woonde in [plaats]. Ik heb daar ook verbleven. Het was een flatgebouw in de buurt van een benzinepomp. In het begin deed hij heel aardig tegen mij. Ik heb daar in ieder geval langer dan een half jaar verbleven. [naam 1] was niet altijd in de woning aanwezig. Ik had er geen sleutel van. [naam 2] wel. Zij was er steeds en liet mij nooit alleen. Zij paste op mijn kind als ik er niet was.

Ik wilde niet als prostituee werken. [naam 1] zei echter: ‘Je moet werken anders zie je je kind niet meer.’ [naam 1] sloeg mij heel hard. Ik moest werken. Toen ik hem pas kende zei [naam 1]: ‘ja, je hebt gelijk’, toen ik zei dat ik niet meer wilde werken. Na één of twee weken zei hij echter: ‘jij gaat werken.’

Ik herinner mij dat [naam 2] en ik een keer samen met [naam 1] seks moesten hebben. Ik moest [naam 1] toen pijpen en hij bleef mijn hoofd vast houden terwijl ik het niet wilde. Hij kwam toen klaar in mijn mond. Ik ben toen snel naar de badkamer gegaan om over te geven.

Ik ben aan de drugs geraakt door [persoon 35]. Toen ik pas bij [naam 1] was kreeg ik van hem mijn drugs zo maar. Later heb ik die moeten betalen en er voor moeten werken. Ik heb geen huur betaald aan [naam 1]; ik moest hem iedere dag al mijn geld geven.

Ik heb nooit klanten mee naar huis in [plaats] genomen.

Ik moest van [naam 1] werken omdat ik anders mijn dochter niet meer zou zien. Hij heeft mij ook geslagen. Hij sloeg mij als ik zijn regels overtrad. De regels die hij had waren dat ik geen vriendje mocht en dat ik als ik niet werkte thuis moest blijven. De chauffeur die mij dagelijks van en naar de [adres 3] bracht was een goede kennis van [naam 1]. Hij mocht niet al te veel contact met mij hebben. Hij bracht mij, wachtte dan de hele tijd en bracht mij weer terug. Eén keer zei hij tegen mij dat hij verliefd op mij was. [naam 1] vernam dat en vertelde hem dat dat niet mocht. Hij heeft toen iets met de chauffeur gedaan en daarna heb ik die nooit meer gezien. Ik heb gehoord dat de chauffeur in de bosjes is gebracht en daar van achteren is gepakt, anaal.

Zoals gezegd had [naam 1] gehoord dat de chauffeur mij leuk vond. Dat pikt [naam 1] niet. Ik moet mijn werk gewoon doen en klaar.

Ik werkte op de [adres 3] elke dag, steeds ‘s nachts. Alles wat ik verdiende moest ik aan [naam 1] geven. Hij haalde sigaretten, beltegoed en drugs voor mij. Ik denk niet dat ik [naam 1] ooit heb gezien op de [adres 3] als ik werkte. Ik denk wel dat ik telefonisch contact met hem heb gehad op die momenten.

4. Een proces-verbaal van verhoor van [verdachte] [verdachte] van 19 november 2002, opgemaakt door [persoon 36], [functie] van politie Gooi en Vechtstreek, ZD 04, doorgenummerde pagina AH/12.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [verdachte] voornoemd, zakelijk weergegeven:

[persoon 5] is een hoer in Utrecht. Sinds 3 maanden woont zij bij mij met haar dochtertje.

5. Een proces-verbaal van verhoor van [persoon 33] van 19 november 2002, opgemaakt door [persoon 37], [functie] van politie Gooi en Vechtstreek, ZD 04, doorgenummerde pagina AH/07.

Dit verhoor houdt onder meer in als verklaring van [persoon 33] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Toen [verdachte] en ik op 19 november 2002 omstreeks 02.00 uur bij de woning van [verdachte] kwamen zag ik dat [persoon 5] met haar kind er ook waren.

Op een gegeven moment vroeg [verdachte] de telefoon van [persoon 5]. Ik zag dat [persoon 5] hem de telefoon gaf. [verdachte] vroeg aan [persoon 5] waarom zei haar telefoon uit had staan, omdat zij zo niet bereikbaar zou zijn als hij haar nodig had. [persoon 5] zei dat zij haar telefoon meteen uitzette als zij thuis was.

Ik zag dat [verdachte] de telefoon van [persoon 5] open maakte en de simcard uit de telefoon haalde. Vervolgens zag ik dat [verdachte] de simcard dubbel kneep en tussen zijn vingers doormidden brak. [verdachte] zei tegen [persoon 5] dat zij in het vervolg haar telefoon helemaal uit kon laten staan.

6. Een geschrift, zijnde een proces-verbaal van verhoor van Monika [persoon 2] van 8 juli 2010, opgemaakt door [persoon 8] en [persoon 38], beiden [functie] bij de politie te Antwerpen, in bijzijn van Nederlandse politie-beambten, ZD 01, doorgenummerde pagina AH/80.

Dit verhoor houdt onder meer in als verklaring van [persoon 2] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Vraag: Bij de politie Gooi en Vechtstreek beschikken wij over meldingen van 2003 en 2004 waar jij en [verdachte] [verdachte] vermeld staan op het adres [adres 2] in [plaats]. Wat kan jij hier over vertellen?

Antwoord: In het begin woonde [naam 1] er. Er was [persoon 33], zij was een vriendin van [naam 1]. Ik heb er ook een keer een dikke Turkse vrouw gezien. Zij had een kindje. [verdachte] nam het kleine meisje eens vast bij de haren en sloeg haar met het hoofdje op de zetel omdat ze huilde. Haar moeder was toen aan het werk. Zij werkte voor [verdachte] in de prostitutie. Ik ken de naam van die dikke Turkse vrouw niet.

Vraag: Wij willen je graag wat foto’s tonen van vrouwen. Wat kan je over deze foto’s vertellen? Tonen foto 2.

Reactie [persoon 2]: Dit meisje is volgens mij die dikke Turkse vrouw met het kindje van twee jaar waarop ik spreek in mijn verklaring. Ik heb haar gezien in het huis in [plaats].

(De rechtbank constateert dat de aan [persoon 2] getoonde foto 2 dezelfde foto betreft als de foto op bladzijde ZD 01 Verd 29 welke is getoond aan [persoon 39], welke foto een afbeelding betreft van [persoon 5], aldus de verbalisanten op bladzijde ZD 01 Verd 14)

6.6. Nadere bewijsoverweging ten aanzien van [persoon 5]

De raadsman heeft betoogd dat de aangifte van [persoon 5] onvoldoende wordt ondersteund door andere, uit onafhankelijke bron afkomstige, bewijsmiddelen. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat er kwantitatief weinig ondersteuning is voor de aangifte van [persoon 5].

Echter, [persoon 33] bevestigt de verklaring van [persoon 5] wat het doorbreken van de simkaart betreft. Daarnaast is er de verklaring van [persoon 2], die verklaarde dat verdachte korte tijd heeft samengewoond met een Turks meisje met een dochter van een jaar of drie. Verdachte heeft tegen [persoon 2] gezegd dat de vrouw voor hem werkte en zij herkent [persoon 5] op een foto als de Turkse vrouw. De rechtbank is van oordeel dat deze twee verklaringen voldoende zijn om als extra bewijs te dienen. Derhalve acht de rechtbank de uitbuiting van [persoon 5] in de periode van 12 september 2002 tot en met 19 november 2002 door verdachte bewezen.

6.7 Ten aanzien van [persoon 1] (feiten 1, 3 en 4 meer subsidiair)

De rechtbank acht op grond van de volgende wettige bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1, 3 en 4 meer subsidiair ten laste gelegde feiten ten aanzien van [persoon 1]:

1. Een proces-verbaal van aangifte door [persoon 1] van 22 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[persoon 40] en [persoon 41], doorgenummerde pagina ZD 06 AH 56-70.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Pagina ZD 06 AH 56.

V: Wat gebeurde er nadat [naam 1] op jouw kamer was gekomen?

A: Hij ging weer weg en ik heb verder gewerkt. Ik werd in de ochtend opgehaald door hem, dat was de eerste keer dat hij me bracht. Hij vroeg aan mij waar ik wilde slapen en ik zei, thuis. Hij heeft mij ook thuis gebracht.

Pagina ZD 06 AH 57

Toen [naam 1] erbij kwam, zat ik veel in zijn huis.

Pagina ZD 06 AH 58

V: Hoe ben je de volgende ochtend, de dag dat [naam 1] in jouw kamer is gekomen, naar huis gegaan?

A: [naam 1] heeft me gebracht.

[naam 1] vertelde ook over de telefoon geen dingen zeggen zoals geld of wat dan ook. Ik moest het zo onschuldig mogelijk laten lijken. Hij zei heel duidelijk niks waardoor andere mensen zouden kunnen denken dat ik dit werk zou doen. Dus als je die sms’jes zou lezen, dat je niet zou snappen waar het over gaat.

Pagina ZD 06 AH 59

Ik wist bijvoorbeeld, van om de zoveel uur komen ze geld halen.

V: Wie kwam er om de zoveel tijd geld halen.

A: [naam 3] en [naam 4] (de rechtbank begrijpt: de gebroeders [familienaam 1]) was vóór [naam 1] standaard.

V: Hoeveel keer per nacht werd er geld bij jou opgehaald.

A: Meestal één keer, of twee keer. Rond 24.00 uur/ 1.00 uur ’s nachts en als het heel druk was nog een keer tussendoor. En sowieso bij het ophalen van het werk. Soms was het ook zo, dan kwamen ze één keer, en dan met het ophalen ’s ochtends, als ik in de auto stapte, moest ik het geld gelijk geven. Als [naam 1] mij ’s morgens kwam halen gaf ik het geld gelijk aan hem.

V: Hoeveel geld was het?

A: Sowieso een paar honderd euro. Tegen de duizend euro aan. Als ik wist dat het over die duizend heen ging, telde ik haast niet meer. Het was genoeg.

Pagina ZD 06 AH 63

V: Hoe ging het verder nadat [naam 1] erbij was gekomen?

A: Die avond werd ik door [naam 1] opgehaald. Ik heb daarna in zijn huis geslapen.

V: Waar woonde [naam 1]?

A: In [plaats].

Pagina ZD 06 AH 64

V: Wie haalde jou op en bracht jou naar het Zandpad?

A: Soms reed ik zelf in mijn blauwe Daewoo. Soms [naam 4], [naam 3], [naam 1] zelf. Dat wisselde.

V: Wat gebeurde er in het huis van [naam 1]?

A: Tijdens het afwassen kwam er een keer per ongeluk water op [naam 1]. Er was één regel, niet schreeuwen en huilen. Ik schreeuwde. Hij kneep toen héél hard in mijn borsten, héél, héél, héél hard.

Pagina ZD 06 AH 65

V: Wat voor relatie had je met [naam 1]?

A: Hij wou ook seks. Gelijk vanaf de eerste dag toen ik bij hem thuis was. Hij was heel gewelddadig. Hij was aan het slaan, knijpen. Als hij boos was pakte hij een schaar en deed die om mijn tepels en clitoris en zei ik ga ze afknippen als je nu één kik geeft. Hij heeft een lange gasfornuisaansteker in mijn vagina gestoken en zei toen, nee, ik weet wat leukers en heeft die aansteker in mijn anus gestoken.

[naam 1] zei: in Nederland wordt veel gebouwd, hier is genoeg beton, niemand vindt jou meer.

V: Wat heeft [naam 1] nog meer bij je gedaan?

A: Hij wist dat jullie vaak bij mij waren, op mijn kamer en toen waren [naam 4] en [naam 3] er ook. Ze zeiden je hebt een probleem. [naam 4] pakte mij bij mijn armen, bij mijn polsen van achteren vast, en ik moest op mijn knieën gaan zitten. Ik voelde dat hij mijn armen vastmaakte. Ze waren met z’n drieën, er werd water voor mij gezet en ze deden mij hele hoofd onder water. Toen ik dacht dat ik mijn adem niet meer kon inhouden, deden ze me weer naar boven. Ze begonnen te schreeuwen, je liegt, en je flest ons. Toen deden ze het nog een keer. En nog een keer. Ondertussen deed [naam 1] mijn truitje open en kneep weer keihard in mijn borsten. En ze zetten mij weer in het water. [naam 1] gaf de opdrachten. Elke keer als hij wat zei, gebeurde er wat.

V: Hoe vaak werd je door [naam 1] gebeld?

A: Elke dag sowieso.

Pagina ZD 06 AH 66

Ik heb [naam 1] gesmeekt of ik alsjeblieft mocht gaan liggen. Hij zei je moet je niet aanstellen. Ik was bezig met koken. Toen ben ik even gaan liggen en ben ik de macaroni vergeten. Hij was echt kwaad. Hij had net gedoucht en had een riem in zijn hand en daar sloeg hij mij mee.

V: Je hebt gezegd, toen [naam 1] kwam werd het erger. Wat werd erger.

A: Meer agressie. We zaten in mijn auto, die Daewoo en hij vroeg waar de tankdop zat. Ik tikte op het raam rechts. Hij gaf mij toen keihard een vuistslag op mijn been.

Je wist het van te voren nooit met hem.

V: Wat deed hij dan?

A: Slaan. Slaan, en het was maar net wat er op dat moment dan was. Hij sloeg veel, kneep veel. Hij sloeg en kneep mij overal, maar hij had een obsessie voor borsten, denk ik. Hij beet weleens, tijdens de seks. Daar beneden, bij mijn vagina. En op mijn tepels, gewoon heel hard. Een keertje beet hij zo hard, dat ik bloed kreeg.

Pagina ZD 06 AH 69

V: Je zei dat er meer verwachtingen waren qua geld, toen [naam 1] erbij kwam.

A: Ja duizend euro per dag.

V: Maar je moest voor [naam 1] erbij kwam toch ook duizend euro per dag draaien?

A: Ja, maar dat ging ook gewoon door. Hij maakte echt wel duidelijk, bijvoorbeeld zei hij, deze week moet je echt tien koppen gaan draaien. Dus tienduizend euro in een week.

V: Hoeveel weken heeft hij tegen jou gezegd dat je tien koppen moest verdienen?

A: Midden augustus begon hij daarmee. Ongeveer drie weken.

V: Heb je al die weken tien koppen verdiend.

A: Nee. Dat was de enige week dat ik het haalde.

p. AH 70

V: Heeft [naam 1] je niet geslagen toen je die tien koppen niet verdiende?

A: Jawel, hij sloeg me altijd wel. Tijdens de seks bijvoorbeeld. Standaard.

V: Wat was zijn reactie toen je die tien koppen niet had verdiend?

A: Heel boos. Hij was zo kwaad. Slaan, slaan, slaan.

2. Een proces-verbaal van bevindingen van 11 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 41], doorgenummerde pagina ZD 06 TR 14 e.v.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

Op 10 september 2010 ontving ik, verbalisant, een gsm-telefoon met het verzoek de contactgegevens zich nog bevindende in het geheugen van deze telefoon, dan wel in het geheugen van de in de telefoon aanwezige sim-kaart inzichtelijk te maken.

Uit het onderzoek bleek het eigen nummer te zijn: [nummer 1].

Een sms-bericht van 7 september 2011 van [persoon 1] aan [verdachte].

Nummer: [nummer 2]

Naam: [naam 5]

Bericht: Ben je nu boos vanwege dat k slecht heb gedraaid?

Type: verzenden.

Een sms-bericht van 7 september 2011 van [verdachte] aan [persoon 1].

Nummer: [nummer 2]

Naam: [naam 5]

Bericht: Stuur me geen rare sms-sen. Waar heb je het over.

Type: ingekomen.

Een sms-bericht van 31 augustus 2011 om 19.50 uur van [persoon 1] aan [verdachte].

Nummer: [nummer 2]

Naam: [naam 5]

Bericht: k ben klaar.

Type: verzenden.

Een sms-bericht van 7 september 2011 om 14.58 uur van [persoon 1] aan [verdachte].

Nummer: [nummer 2]

Naam: [naam 5]

Bericht: Hoelaat moet k klaarstaan.

Type: verzenden.

Een sms-bericht van 5 september 2011 om 3.53 uur van [persoon 1] aan [verdachte].

Nummer: [nummer 2]

Naam: [naam 5]

Bericht: Kan k trouwens vandaag ook overslaan?

Type: verzenden.

3. De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 13 mei 2013 heeft afgelegd, voor

zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

[persoon 1] heeft meerdere malen geslapen in mijn woning in [plaats].

x. Een geschrift, te weten een mutatierapport van de politie van 23 augustus 2011 opgesteld door verbalisant [persoon 43], doorgenummerde pagina ZD 06 DIV 06-07.

Dit geschrift houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Datum kennisname: 23 augustus 2013

Plaats voorval: Albert Schweitzerdreef in Utrecht.

Betrokken personen: [verdachte] en [persoon 1]

Toelichting incident: Op voornoemde datum kregen we melding van een ongeval. Daar aangekomen zien wij de bestuurder (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) naast de auto staan en bijrijdster verstijfd in de auto zitten (de rechtbank begrijpt: [persoon 1]).

4. Een proces-verbaal van relaas van 3 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 44] en [persoon 45], doorgenummerde pagina 1 tot en met 32.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 9 september 2011 omstreeks 20.46 uur werd door leden van een observatieteam gezien dat [verdachte] naar de woning reed van [persoon 1]. Vervolgens werd gezien dat het tweetal in de richting van Utrecht rijdt. Op voornoemde datum werd [verdachte] door leden van het arrestatieteam op de Einsteindreef aangehouden. De Einsteindreef te Utrecht ligt op de route naar het Zandpad te Utrecht.

5. Een proces-verbaal van aangifte door [persoon 1] van 1 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[persoon 41] en [persoon 40], doorgenummerde pagina ZD 06 AH 72-100.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Pagina ZD 06 AH 73

[naam 1] controleerde altijd mijn telefoon.

Soms had [naam 1] mijn telefoon mee. Vervolgens kreeg ik het terug en bleek er een nieuwe simkaart in te zitten.

Pagina ZD 06 AH 74

V: En wat zou er gebeuren als jij niet naar hem (de rechtbank begrijpt: naar verdachte) luisterde?

A: Dan dood, hij zou mij doodmaken, mijn tanden eruit slaan. Hij zei ook, Nederland is groot, overal wordt gebouwd, je kan zo in het beton verdwijnen, dat zei hij meestal.

V: Bij wie heb je allemaal geslapen in de periode dat jij werkte voor [naam 1]?

A: Bij mijn huis. Verder bij [naam 1] thuis.

Pagina ZD 06 AH 77

V: Kan je ons vertellen wat [verdachte] met je gedaan heeft met een wapen?

A: Hij heeft mij er echt veel pijn mee gedaan. Hij heeft het in mij gestopt, in mijn vagina.

Hij heeft het wapen heel diep in mijn mond gestopt.

V: Wat zei hij toen hij dat deed?

A: Ik mocht geen kik geven. Hij zei, alsjeblieft prinsesje, ga goed werken, dan hoeven we dit soort dingen niet te doen. Dit gebeurde op zijn kamer in [adres 1].

Pagina ZD 06 AH 78

Hij heeft het wapen ook van achteren gestopt. In mijn anus. Hij heeft het zo snel erin gestopt dat ik bloedde. Hij heeft het wapen twee keer in mijn anus gestopt.

V: Wat deed hij met dat pistool toen hij het in je anus had gestopt?

A: Hij bewoog het. Hij schold ook altijd, van je neukt mij in mijn kont, ik neuk jou harder in jouw kont. Want hij vindt, als ik hem fles, dan ziet hij dat als neuken in zijn kont. Dus dat deed hij. Ik kon eigenlijk niets anders dan smeken dat hij moest stoppen.

V: Je zei dat hij je in je kont neukte, omdat je hem flest. Wat zei hij verder nog?

A: Dit is mijn laatste kans, anders ben ik de volgende keer dood. Hopelijk is dit een wijze les voor jou, dat je gewoon serieus gaat werken.

Een keertje ging hij de trekker ook overhalen. Maar toen zat er geen kogel in. Hij zegt, volgende keer zit er wel eentje in. Het pistool was toen in mijn mond. Ik was zo bang. Er zijn geen woorden om dat te omschrijven.

Pagina ZD 06 AH 79

Op een dag haalde [verdachte] mij op met zijn auto. We gingen zijn huis binnen en toen pakte hij spullen uit zijn auto. Er zat ook een honkbalknuppel bij. Hij was weer heel boos. Hij sloeg mij eerst heel hard op mijn knieën. Het leek net alsof ik in brand stond. Ik schreeuwde.

V: Wat deed hij toen je schreeuwde?

A: Hij sloeg me, ik moest mijn mond houden.

Pagina ZD 06 AH 83

V: Wanneer is het gebeurd dat hij dat pistool in je anus heeft geduwd?

A: Dat was in de Ramadan. Begin. Het is nu ongeveer twee maandjes geleden.

V: Heeft [verdachte] het wapen een keer overgehaald?

A: Ja en toen hoorde ik een hele harde klik. Ik wel weleens kogels gezien bij [naam 1]. Hij zei, de volgende keer dan zouden de kogels erin zitten.

V: Wat dacht je toen je die kogels zag?

A: Ik was zo bang. Voor hem. Voor alles. Voor de dood, voor pijn.

Pagina ZD 06 AH 88

V: Wat voor taak had [naam 6] (de rechtbank begrijpt: [persoon 46])?

A: Loopjongetje was het.

V: Loopjongen van wie.

A: Van [naam 1]. Omdat hij bijvoorbeeld ook wel eens bij de deur kwam van ja, [naam 1] zegt dit of dat. Hij vertelde ook dingen alsof het leek dat het van [naam 1] kwam.

V: Vanaf wanneer is [naam 6] loopjongen geworden?

A: Sinds Duitsland.

Pagina ZD 06 AH 95

V: Hoeveel geld kreeg jij van het geld dat jij per dag verdiende?

A: Niets. Soms 20 euro.

V: Om wat te doen?

A: Dat kreeg ik meestal als ik bijvoorbeeld werd afgezet bij de Texaco. Dan kon ik even sigaretten halen. Of ze gaven me geld en dan ging ik make-up halen. Dan gaven zij mij bijvoorbeeld 100 euro en dan gaf ik bijvoorbeeld 70 euro uit. En dan ging het overige geld ook naar hen.

V: Hoe vaak gebeurde dat?

A: Een keer in de maand gemiddeld.

V: Hoe betaalde je de huur van je huis?

A: Dat deed [persoon 47] (de rechtbank begrijpt: [persoon 47]) vaak. Ik heb een huurachterstand.

6. Een proces-verbaal van verhoor van [persoon 1] van 31 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 41] en [persoon 40], doorgenummerde pagina ZD 06 AH 316 e.v.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de verklaring van [persoon 1] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Pagina ZD 06 AH 318

Het klopt dat ik heb verklaard dat ik 1000 euro per dag moest verdienen. Vanaf welk moment was dat? Het was binnen twee maanden, misschien binnen een maand. Ze werden steeds strenger, er moest meer en nog meer. Ik schat dat ik binnen zes weken 1000 euro per dag verdiende. Ik haalde het meestal wel, en vaak zelfs meer. Daarom vroegen ze op een gegeven moment heb je maar 1000. In het weekend moest ik rond de 1500 euro verdienen. Toen [naam 1] erbij kwam moest ik boven die 1500 euro 1000 euro extra erbij verdienen, dat haalde ik bijna nooit. Maar die 1500 euro haalde ik 9 van de 10 keer wel. Of ik een schatting kan maken van de gemiddelde dagopbrengst kan maken?

Maandag, dinsdag, woensdag 1000. Donderdag ging ik al richting de 1500 euro. Vrijdag, zaterdag richting de 2000 euro. Zondag minstens 1000 euro. Ik had uitschieters naar boven en beneden.

Pagina ZD 06 320

Ik heb een huurachterstand. Mijn huurachterstand is begonnen toen ik in de prostitutie ging werken.

7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011043229 van 6 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 48], doorgenummerde pagina ZD 06 AH 335.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van bovengenoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:

[persoon 1] heeft een huurachterstand van ongeveer 4000 euro.

8. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 1] d.d. 31 januari 2012 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [persoon 1] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Het ging vaak zo dat [verdachte] mij ophaalde bij het werk en dat wij naar huis gingen. En dat was [plaats] of de [adres 4].

Mijn telefoons werden zeer regelmatig bekeken. Ik heb heel veel telefoons gehad en heel veel simkaartjes.

Elke dag dat [naam 1] vastzit, moest ik vergoeden.

9. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 1] d.d. 29 november 2012 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [persoon 1] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Pagina 16

Ik had veel verschillende telefoons en telefoonnummers. [naam 1] wisselde het wel eens om.

Pagina 56

[persoon 1]: Toen ik terugkwam uit Duitsland moest er elke zaterdag 1000 euro extra betaald of verdiend worden.

Officier van justitie: En dat was omdat u gered zou zijn?

[persoon 1]: Ja, zo verwoordden zij dat. Wie zij zijn? [naam 1] met name. Kijk nou wat voor moeite ik heb gedaan om mij te helpen en dan helemaal uit Duitsland. Hij heeft veel dingen geregeld, iedereen ondervraagd.

Pagina 60

Het is niet waar dat [naam 4] en [naam 3] na de ontmoeting bij de snackbar in Hilversum (de rechtbank begrijpt: op of omstreeks 4 juli 2011) geen contact meer met mij hebben gehad. Zij zijn wel veel minder gekomen. Maar wat ik al zei: in die tijd kwam ook [naam 1] erbij.

Pagina 63

Officier van justitie: Hebt u wel eens geld aan [persoon 49] (de rechtbank begrijpt: [persoon 49]) afgestaan?

[persoon 1]: Als het werd gehaald, dan werd het aan [naam 1] gegeven.

Het geld werd bijvoorbeeld door [persoon 49] opgehaald. Voor zover ik weet gaf hij het dan aan [naam 1].

Officier van justitie: Hoe weet u dat dan?

[persoon 1]: Omdat zij dat zeiden.

Officier van justitie: Zei [persoon 49] dat dan, dat hij het aan [naam 1] gaf?

[persoon 1]: [naam 1] zei het zelf ook. Soms kwam [naam 1] het geld zelf halen.

[persoon 1]: Ja, ja, ja. Soms ook [naam 1] zelf. Ik zag [naam 3] en [naam 4] (de rechtbank begrijpt: [naam 3] en [naam 4]) meestal bij [naam 1] thuis of bij mij.

Pagina 61

Officier van justitie: De keer dat de politie striemen heeft gezien en u het ook [persoon 47] heeft verteld, was dat de laatste keer dat u met uw gezicht in het water bent geduwd?

[persoon 1]: Ja, dat was de laatste keer. Daar waren [naam 1], [naam 3] en [naam 4] bij betrokken. Het vond plaats in [naam 1] zijn huis.

10. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 1] d.d. 6 december 2012 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de getuige [persoon 1] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Pagina 21

[persoon 50]: Wat deed u met het geld?

[persoon 1]: Afgeven.

[persoon 50]: Aan wie?

[persoon 1]: Vooral de laatste periode was het voornamelijk aan [naam 1]. In zijn handen.

Pagina 22

[persoon 50]: Het gaat mij vooral om de periode na Duitsland. Gaf u het geld in de periode na Duitsland rechtstreeks aan [naam 1] of gaf u dat geld af aan [persoon 49], [persoon 46] of [persoon 51]?

[persoon 1]: 9 van de 10 keer altijd aan [naam 1]. Maar het kwam ook wel eens voor dat het werd opgehaald. En soms zei [naam 1] ook van, vooral na Duitsland, vooral met de zaterdag erbij, dat mensen het komen ophalen.

[persoon 50]: Waar gaf u het geld aan [naam 1]?

[persoon 1]: Als hij mij kwam halen, dan was het bijvoorbeeld al in de auto. Als hij mij niet kwam halen het eerstvolgende moment dat ik hem zag.

11. Een proces-verbaal van aangifte door [persoon 1] van 21 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren

[persoon 41] en [persoon 40], doorgenummerde pagina ZD 06 AH 34-54.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 1] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Op 11 september 2011 heeft [persoon 1] aangifte gedaan.

Pagina ZD AH 51

Er werd bij [B] in [plaats] afgesproken. Bij snackbar [C]. Op een gegeven moment sms’te [naam 4] mij van “kom naar buiten”. Toen kreeg ik weer een sms met “schiet op”. Dus ik naar buiten, de auto in. [naam 3] achter het stuur, [naam 4] ernaast. Ik zei van wat is er aan de hand en waar gaan we heen. [naam 3] zei hou je bek hoer, je weet niet met wie je te maken hebt. We gingen richting [B] en tegenover snackbar [C] zag ik een hele groep staan.

[naam 1] stond daar en de oom van [persoon 49] (de rechtbank begrijpt: [persoon 6]) De oudste broer van [persoon 49] was daar. En nog wat Turken.

De auto werd op de stoep bij [C] gezet en ik mocht niet uitstappen. [naam 3] en [naam 4] gingen naar buiten. Op een gegeven moment zag ik [naam 1] in de richting van mijn auto lopen met de oom van [persoon 49]. Toen kwam [naam 1] achterin naast mij zitten en toen maakte hij een praatje met mij. [naam 1] zei luister, hij mag niet meer bij jou komen, niemand van hun, maar we gaan wel op jou letten, want het is heel gevaarlijk en dat heb je nodig, maar er komt wel beschermgeld extra bij, dus er moet ons duizend euro extra beschermgeld op zaterdag betaald worden.

12. Een verklaring van [persoon 6] met nummer 2011043229 28 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 52] en [persoon 53], doorgenummerde pagina VERD 146 tot en met 166.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de op 16 februari 2012 afgelegde verklaring van [persoon 6] voornoemd, zakelijk weergegeven:

Donia [persoon 1] heeft [naam 1] aangegeven en [naam 3] en die andere naam weet ik niet

(de rechtbank begrijpt: verdachte, [naam 3] en [naam 4]). Die drie hebben het meisje helemaal gek gemaakt. Ik heb met [naam 1] vastgezeten voor ontvoering en die bedreigt mij nu. Hij zegt jij gaat mij 8000 a 10.000 euro betalen, anders gaat het je leven kosten.

Donia werkte voor drie pooiers. Ik wil alles vertellen maar ik ben bang van die persoon. Hij heeft mij bedreigd. Ik bedoel met die man [naam 1]. Alle drie hadden ze met het meisje te maken.

V: Wat deed [persoon 1] met haar verdiende geld?

A: Alles inleveren aan de pooiers.

V: Elke keer als je spreekt over de pooiers, mag ik er dan vanuit gaan dat je daar [naam 1], [naam 3] en die andere jongen mee bedoelt?

A: Ja.

Vorig jaar belde [naam 1] mij dat ik moest komen naar Hilversum (de rechtbank begrijpt: op of omstreeks 4 juli 2011). [naam 1] was vlak bij het Centraal Station. Daar moest ik wachten en hij ging zijn neven ophalen. Die neven hadden later [persoon 1] opgehaald. Die neven zijn [naam 3] en [naam 4].

[naam 1] is toen naar de auto gegaan en gaf het meisje (de rechtbank begrijpt: [persoon 1]) klappen met zijn vlakke hand in haar gezicht.

13. Een proces-verbaal van bevindingen van 14 december 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 44] en

[persoon 34], doorgenummerde pagina PD 05 32-33.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Op 13 december 2011 hield ik, verbalisant [persoon 44], aan als verdachte: [persoon 46].

Hij vertelde spontaal tijdens de rit naar het bureau:

- dat [naam 1] geld met sperma verdient;

- dat [naam 1] een gevaarlijk persoon is met een groot netwerk;

- dat hij niet meer voor [naam 1] werkt.

14. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 54] met nummer 2011043229, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 55] en [persoon 52], doorgenummerde pagina ZD 06 GET 17-21.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van bovengenoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Ik woon sinds 2003 op het adres [adres 5] in [plaats]. Op het adres [adres 1] woont een man genaamd [naam 1].

V: Zijn er verder nog bijzonderheden te vertellen?

A: Nee. Maar ik weet dat hij altijd geld op zak had. Toen met die schutting betaalde hij zo 400 of 500 euro contant bij de Gamma. Ik vroeg mij toen af hoe hij dat deed, terwijl hij net uit de gevangenis kwam. Hij kwam ook zo met een nieuwe accuboormachine aan.

15. Een proces-verbaal van bevindingen van analyse telecomgegevens van 14 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 44] en [persoon 56], doorgenummerde pagina

ZD 06 AH 440-502.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Contacten [verdachte] & [persoon 1]

Tussen telefoonnummer [nummer 2] ([verdachte] ) en telefoonnummers [nummer 3], [nummer 1], [nummer 4] ([persoon 1]) hebben diverse contactmomenten (circa 1242) plaatsgevonden in de volgende perioden:

Periode

[nummer 3] 8 juli 2011 tot en met 19 juli 2011

[nummer 1] 4 augustus 2011 tot en met 9 november 2011

[nummer 4] 18 augustus 2011 tot en met 21 augustus 2011

Afw. [nummer 1] en [nummer 5] vanaf 14 augustus 2011

Tussen de telefoon [nummer 6] ([verdachte]) en telefoonnummers [nummer 1] en [nummer 7] ([persoon 1]) hebben diverse contactmomenten plaatsgevonden (circa 184).

Periode

[nummer 6] 25 augustus 2011 tot en met 9 september 2011

[nummer 1] 2 september 2011 en 9 september 2011

16. Een proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 57] van 5 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 58] en [persoon 59], doorgenummerde pagina ZD 06 GET 04-04.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van bovengenoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergeven:

Het viel mij op dat [naam 7] (de rechtbank begrijpt: [persoon 1]) veel sms’te en dat er vaak mannen even tussendoor naar binnen kwamen.

17. Een proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 60] van 10 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 61] en [persoon 59], doorgenummerde pagina ZD 06 GET 07-08.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van bovengenoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Ik heb tijdens mij bezoeken eens gezien dat naam 7] (de rechtbank begrijpt: [persoon 1]) blauwe plekken had. Ik denk dat het begin augustus 2011 is geweest dat ik dat heb gezien. Zij had blauwe plekken op haar been. Het viel mij op, zeker de laatste tijd, dat ze veel met de telefoon bezig was.

18. Een proces-verbaal van bevindingen van 11 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 41] en [persoon 40], doorgenummerde pagina ZD 06 AH 04-05.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring bovengenoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

[persoon 47] (ex-man [persoon 1]) is gehoord. [persoon 47] verklaarde dat hij op 6 september 2011 bij [persoon 1] op het Zandpad was langs geweest. Hij verklaarde dat hij een rode ring om beide polsen van [persoon 1] zag, het was alsof [persoon 1] vastgebonden was geweest. [persoon 47] verklaarde dat hij een korst zag op een plekje op een van de polsen van [persoon 1]. [persoon 47] verklaarde verder dat hij een blauwe plek zag op de linkerborst van [persoon 1]. [persoon 47] verklaarde dat [persoon 1] heel zenuwachtig was en dat zij heel druk was met haar telefoon. [persoon 47] verklaarde dat hij [persoon 1] had bevraagd over haar polsen. Hij verklaarde dat hij zag dat het [persoon 1] moeite kostte om erover te praten. Hij verklaarde dat [persoon 1] had verteld dat zij op 3 september 2011 was vastgebonden en dat “zij” hadden geprobeerd haar te verdrinken. [persoon 47] verklaarde dat [persoon 1] tegen hem had gezegd dat het vastbinden en verdrinken te maken had met het werk dat zij deed.

19. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 september 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 41] en [persoon 40], doorgenummerde pagina ZD 06 AH 06-07.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Ik, verbalisant [persoon 41], pakte op 9 september 2011 een van de polsen van [persoon 1] vast en schoof het polsbandje opzij. Wij, verbalisanten [persoon 41] en [persoon 40], zagen een lichte rode striem op de onderzijde van die pols en wij zagen een donkere plek op deze pols. Wij vroegen [persoon 1] wat er was gebeurd. Wij zagen dat [persoon 1] zweeg en omlaag keek.

20. Een proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 62] met nummer 2011043229 van 24 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 63], doorgenummerde pagina PD 06 20A- 20D.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 62] voornoemd, zakelijk weergegeven:

- Dat hij via zijn broer [persoon 49] hoorde dat [persoon 51] een meisje had meegenomen naar België of naar Duitsland maar dat [naam 1] hier niets van af wist.

- Dat dit meisje van [naam 1] is.

- Dat [naam 1] hier toen achter is gekomen en dat het meisje na een korte tijd weer werkte op het Zandpad in Utrecht voor [naam 1].

- Dat aan hem een foto wordt getoond van een meisje (bijlage 1, foto van [persoon 1]) en dat hij dit meisje herkent als het meisje dat voor [naam 1] werkzaam is en dat eten heeft gehaald bij hem

21. Een verklaring van getuige [persoon 62] van 15 november 2012 bij de rechter-commissaris.

Het klopt dat [naam 1] een meisje als prostituee voor zich had werken. U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik door dat meisje ben gebeld. Dat klopt wel. Zij heet [persoon 1].

22. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 64] met nummer 2011043229, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 55] en [persoon 59], doorgenummerde pagina ZD 06 GET 44-47.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van bovengenoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Dat zij heeft gehoord van [persoon 1] dat [naam 1] haar pooier is.

23. Een proces-verbaal van aangifte door [persoon 1] van 27 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 40] en [persoon 41], doorgenummerde pagina ZD 06 AG 244-266.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als de op 5 oktober 2011 afgelegde verklaring van [persoon 1] voornoemd:

Ik hoorde van [persoon 65], [persoon 49] heeft gezegd waar [persoon 1] is. Op een gegeven moment kwam [persoon 49] en zijn broertje [persoon 46] mij en [persoon 65] halen. Na een hele lange weg kwamen we in Hilversum bij zo’n loods. Ik dacht ik ga gewoon wegrennen, maar de deur zat op het kinderslot. Op een gegeven moment kwam [naam 1].

24. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 1] van 31 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 41] en [persoon 40], doorgenummerde pagina ZD 06 AH 314 e.v.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

V: Je hebt verklaard dat je vanuit Duitsland bent gebracht naar een loods in Hilversum. Hoe zag die loods eruit?

A: Het was grijsachtig. Volgens mij was een tankstation Esso in de buurt een bushalte. Er was daar in die straat een autodealer. Het is een soort industrieterrein. Er is een asfaltweg, maar volgens maar staat de loods niet op de asfaltweg.

Ik ben in die loods geweest. Er stonden daar auto’s. In dat kantoor stonden stoelen en een tafel, een computer, een bureau. Ik herinner mij dat er een soort buis horizontaal bij de ingang kwam als die loods werd afgesloten. Volgens mij heeft [naam 1] ooit gezegd dat die loods vroeger van hem was.

25. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011043229 van 13 februari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 52] en [persoon 53], doorgenummerde pagina ZD 06 AH 322.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van bovengenoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

[persoon 1] heeft in haar verklaring van 31 januari 2012 verklaard over een loods in Hilversum waar zij na terugkomst uit Duitsland naar toe is gebracht.

Uit een door ons ingesteld onderzoek blijkt dat de loods is gevestigd op de [adres 6] in Hilversum. In voornoemd perceel is een garagebedrijf gevestigd. Uit een opgemaakt proces-verbaal in het onderzoek [X] blijkt dat [verdachte] in het verleden in voornoemd garagebedrijf als werknemer gewerkt heeft.

26. Een proces-verbaal van bevindingen van analyse telecomgegevens van 14 maart 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 44] en [persoon 56], doorgenummerde pagina

ZD 06 AH 440-502.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Uit de opgevraagde historische telecomgegevens blijkt onder meer dat er diverse onderlinge contactmomenten hebben plaatsgevonden in de periode van 20-07-2011 tot en met 25-07-2011 tussen de telefoonnummers [nummer 2] ([verdachte]) [nummer 8] ([persoon 49]), [persoon 9] ([persoon 46]) en [nummer 10] ([persoon 6]).

Uit de opgevraagde historische telecomgegevens is gebleken dat de mobiele telefoons die respectievelijk in gebruik zijn bij [verdachte], [persoon 49] en [persoon 46] op 23 juli 2011 tussen circa 20.53 uur en 23.00 uur allen zendmasten hebben aangestraald in dezelfde omgeving in Hilversum. Deze zendmasten staan in de nabije omgeving van de loods op de [adres 6] in Hilversum.

6.8 Nadere bewijsoverweging ten aanzien van [persoon 1]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een tweede bewijsmiddel voor de uitbuiting van [persoon 1] ontbreekt. De rechtbank is, met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen, van oordeel dat bovengenoemde andere bewijsmiddelen voldoende steunbewijs opleveren voor het strafbare feit van mensenhandel. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ten aanzien van [persoon 1] acht de rechtbank bewezen dat verdachte gedurende de periode van 4 juli 2011 tot en met 9 september 2011 zich heeft schuldig gemaakt aan uitbuiting.

6.9 Nadere motivering ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

De rechtbank acht op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte en/of zijn mededader(s) de polsen van [persoon 1] heeft/hebben vastgebonden en vervolgens haar hoofd meermalen onder water heeft/hebben geduwd.

De rechtbank is van oordeel dat deze gedragingen dienen te worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr en niet als een poging tot doodslag, of – zoals de officier van justitie heeft betoogd – als een poging tot zware mishandeling. Het is namelijk niet zo dat bovengenoemde gedragingen, zonder dat er informatie is over hoe lang het hoofd onder water werd geduwd, naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans opleveren op het intreden van de dood, noch op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 Sr.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 4 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde. Het onder 4 meer subsidiair tenlastegelegde wordt aldus bewezen geacht.

7. Bewezenverklaring

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit:

in de periode van 1 januari 2005 tot en met 10 september 2011 te Amsterdam en Hilversum en Huizen en Utrecht en Groningen

anderen, te weten [persoon 1] en [persoon 2]

door dwang en geweld en één of meer andere feitelijkheden en door dreiging met geweld en door misbruik van een kwetsbare positie

heeft geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [persoon 1] en die [persoon 2]

en

die [persoon 1] en die [persoon 2] telkens met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, te weten: prostitutiewerkzaamheden

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [persoon 1] en die [persoon 2]

en

die [persoon 1] en die [persoon 2] met één of meer van de voornoemde middelen en/of omstandigheden heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [persoon 1] en die [persoon 2]

bestaande die dwang en/of dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of die dreiging met geweld en/of dat misbruik van een kwetsbare positie en/of dat werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en/of dat dwingen en/of bewegen en/of dat voordeel trekken (telkens) hierin dat hij, verdachte

ten aanzien van [persoon 1]

1. die [persoon 1] heeft gehuisvest in [plaats] en

3. die [persoon 1] onder druk heeft gezet om in de prostitutie te werken door haar een schuld bij hem, verdachte te laten opbouwen en

4. dagelijks een groot deel van de verdiensten uit verrichtte prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 1] heeft afgepakt en door die [persoon 1] aan hem, verdachte heeft laten afstaan en

5. de minimale dagopbrengsten van die [persoon 1] heeft bepaald, minimaal 1000 euro doordeweeks en minimaal 1500 euro in het weekend, en

6. die [persoon 1] meermalen van haar werkplek naar huis heeft gebracht en/of het vervoer van en naar de werkplek heeft geregeld en

7. die [persoon 1] tijdens haar prostitutiewerkzaamheden heeft gecontroleerd en

9. die [persoon 1] heeft vastgebonden aan de polsen en vervolgens het hoofd van die [persoon 1] langdurig onder water heeft geduwd en

10. die [persoon 1] met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft bedreigd en

11. die [persoon 1] meermalen heeft verkracht en

13. die [persoon 1] meermalen heeft mishandeld door hard in haar borsten en tepels en clitoris te knijpen en te bijten en haar tegen haar hoofd en lichaam te slaan en

14. gedreigd heeft die [persoon 1] te doden en te mishandelen en

15. die [persoon 1] heeft voorzien van een telefoon en beltegoed

ten aanzien van die [persoon 2]

1. die [persoon 2] heeft gehuisvest en

3. die [persoon 2] onder druk heeft gezet en er zodoende toe heeft aangezet en/of heeft gebracht om in de prostitutie te blijven werken en

4. die [persoon 2] tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en

5. die [persoon 2] heeft gedwongen een groot deel van haar verdiensten en haar goud en sieraden aan hem, verdachte, af te staan en

6. die [persoon 2] met geweld heeft verkracht en

7. die [persoon 2] een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd heeftgezet en met voornoemd voorwerp op het hoofd heeft geslagen en

8. de minimale dagopbrengsten van die [persoon 2] heeft bepaald, minimaal 1000 euro en

9. de Poolse identiteitskaart van die [persoon 2] heeft vernietigd en

10. de dagopbrengsten van die [persoon 2] heeft afgepakt en/of afgenomen en/of door die [persoon 2] aan hem, verdachte heeft laten afstaan en

11. die [persoon 2] meermalen van haar werkplek naar huis heeft gebracht en

12. die [persoon 2] tijdens haar prostitutiewerkzaamheden heeft gecontroleerd en

13. die [persoon 2] heeft aangemoedigd harder te werken en te blijven werken in de prostitutie en

terwijl hij, verdachte, wist dat die [persoon 2] (aanvankelijk) gevoelens voor verdachte had en dat die [persoon 2] bang voor hem was.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit:

in de periode van 1 oktober 2000 tot 1 januari 2005 te Amsterdam en Groningen en Utrecht,

anderen, te weten [persoon 2] en [persoon 4] en [persoon 5]

door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen en/of door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit die seksuele handelingen van die [persoon 2] en [persoon 4] en [persoon 5] met (of voor) een derde tegen betaling, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die [persoon 2] en [persoon 4] en [persoon 5] zich onder voornoemde omstandigheden beschikbaar stelden tot het verrichten van die handelingen,

en

die [persoon 2] en [persoon 4] en [persoon 5] door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen hem, verdachte, uit de opbrengst van haar hun seksuele handelingen met een derde te bevoordelen,

immers heeft hij, verdachte,

ten aanzien van die [persoon 2]

1. een affectieve relatie met die [persoon 2] heeft onderhouden en haar het gevoel gegeven dat hij een relatie met haar onderhield en

2. die [persoon 2] heeft gehuisvest en

4. die [persoon 2] onder druk gezet en er zodoende toe aangezet en/of ertoe gebracht om in de prostitutie te blijven werken en

5. die [persoon 2] heeft gedwongen en/of bewogen ook tijdens haar zwangerschap te blijven werken en

6. die [persoon 2] op het hoofd en de buik heeft geslagen en/of gestompt en

7. die [persoon 2] heeft gedwongen een groot deel van haar verdiensten, en haar goud en sieraden aan hem, verdachte, af te staan en

8. die [persoon 2] heeft verkracht en

11. het paspoort van die [persoon 2] heeft vernietigd en

12. de dagopbrengsten van die [persoon 2] heeft afgepakt en/of afgenomen en/of door die [persoon 2] aan hem, verdachte heeft laten afstaan en

13. die [persoon 2] meermalen van haar werkplek naar huis gebracht en

15. die [persoon 2] tijdens haar prostitutiewerkzaamheden heeft gecontroleerd en/of (tijdens diens prostitutiewerkzaamheden) op die [persoon 2] gepast en/of

16. die [persoon 2] aangemoedigd harder te werken en te blijven werken in de prostitutie en

18. tegen die [persoon 2] heeft gezegd dat hij, verdachte haar zal doden

terwijl hij wist dat die [persoon 2] verliefd op hem, verdachte was, en die [persoon 2] een kind met hem had en hij wist dat die [persoon 2] telkens bij hem terug kwam;

en

ten aanzien van die [persoon 4]

4. die [persoon 4] heeft gedwongen zich uit te kleden en vervolgens naaktfoto's van die [persoon 4] heeft gemaakt en

5. die [persoon 4] onder druk gezet en er zodoende toe aangezet en/of ertoe gebracht om in de prostitutie te werken door onder meer haar te dreigen naaktfoto's van haar aan haar ouders te sturen en de ouders van die [persoon 4] in Roemenië laten opbellen en daarbij die ouders dreigend de mededeling laten doen dat die [persoon 4] veel problemen heeft veroorzaakt in Nederland en dat die [persoon 4] moest terugkeren naar hem, verdachte, en

6. die [persoon 4] op het hoofd en de armen en de benen, heeft geslagen en/of geschopt en

7. de polsen van die [persoon 4] heeft omgedraaid, waardoor de schouder van die [persoon 4] uit de kom is geraakt en

8. die [persoon 4] heeft gedwongen een groot deel van haar verdiensten af te staan en

9. die [persoon 4] een of meer malen heeft verkracht en

10. de dagopbrengsten van die [persoon 4] heeft afgepakt en/of door die [persoon 4] aan hem, verdachte heeft laten afstaan en

11. die [persoon 4] meermalen van haar werkplek naar huis heeft gebracht en

17. een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [persoon 4] heeft gehouden,

terwijl hij wist dat die [persoon 4] in Nederland niemand had om op terug te vallen en de Nederlandse taal niet sprak en niet beschikte over een eigen woning en afhankelijk was van hem, verdachte

en

ten aanzien van die [persoon 5]

1. door haar vorige pooier met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te dreigen, die [persoon 5] in zijn, verdachtes macht gebracht en die [persoon 5] bang gemaakt en

2. die [persoon 5] met haar dochter gehuisvest en

3. die [persoon 5] haar telefoon en legitimatie en bankpas afgepakt en

4. die [persoon 5] onder druk gezet en er toe aangezet om in de prostitutie te blijven werken door onder meer haar te dreigen haar dochter af te pakken en

5. die [persoon 5] een simkaart gegeven, zodat zij voor hem, verdachte, bereikbaar bleef en

6. die [persoon 5] op het hoofd geslagen en hard aan de haren van de [persoon 5] getrokken en

8. de dagopbrengsten van die [persoon 5] aan hem, verdachte laten afstaan en

9. die [persoon 5] meermalen van haar werkplek naar huis gebracht en het vervoer van die [persoon 5] van en naar de werkplek geregeld en

10. die [persoon 5] tijdens haar prostitutiewerkzaamheden gecontroleerd en

11. die [persoon 5] aangemoedigd te blijven werken in de prostitutie en

12. die [persoon 5] gedwongen hem, verdachte te pijpen en

14. die [persoon 5] een of meermalen opgesloten in zijn, verdachtes woning,

terwijl hij, verdachte, wist dat die [persoon 5] lange tijd voor een pooier had gewerkt en die [persoon 5] en haar kind niet beschikten over een eigen woning en dat die [persoon 5] afhankelijk van hem, verdachte, was.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit:

hij in de periode van 14 december 2001 tot en met 10 september 2011 te Amsterdam en Hilversum en Huizen en Utrecht en Groningen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, in genoemde periode bij wijze van gewoonte, contante geldbedragen, te weten:

- telkens een groot deel van de verdiensten uit de door [persoon 2] en [persoon 1] en

[persoon 4] en [persoon 5]

verworven en voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl hij telkens wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf;

Ten aanzien van het onder 4 meer subsidiair ten laste gelegde feit:

in de periode van 01 september 2011 tot en met 06 september 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk mishandelend de armen van een persoon, te weten [persoon 1] op haar rug heeft vastgebonden en vervolgens het hoofd van die [persoon 1] meermalen onder water heeft geduwd zodat die [persoon 1] geen lucht meer kreeg, waardoor voornoemde [persoon 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

8. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10. Motivering van de straf en maatregelen

10.1 De op te leggen straf

De officier van justitie acht de feiten 1, 2, 3, 4 subsidiair, 5 en 6 bewezen. Zij heeft gevorderd dat verdachte hiervoor wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar met aftrek van voorarrest.

De rechtbank komt tot de volgende strafoplegging.

Bij de strafoplegging staan de rechtbank in deze zaak Visdief drie doelen voor ogen.

In de eerste plaats vergelding. De slachtoffers moeten weten dat het leed dat hen is aangedaan op een passende wijze wordt vergolden. Maar ook partners en familieleden hebben hierop recht. Het tweede doel is speciale preventie. Zolang verdachte in de gevangenis zit, worden potentiële volgende slachtoffers gevrijwaard van uitbuitingshandelingen.

Het derde strafdoel is generale preventie. Met de op te leggen straffen wordt mede beoogd anderen er van te weerhouden om zich schuldig te maken aan dergelijke strafbare feiten.

De door de rechtbank bewezen geachte feiten zijn alle feiten die door het Wetboek van Strafrecht strafbaar zijn gesteld. De rechtbank neemt de mensenhandelfeiten bijzonder hoog op. Verdachte heeft diverse vrouwen genadeloos uitgebuit. Hij beschouwde hen als objecten waar hij mee konden doen wat hij wilde. Hij heeft hen mishandeld, verkracht en bedreigd wanneer hem dat uitkwam. Hij heeft alle of vrijwel alle inkomsten afgepakt. Hij bepaalde waar, wanneer en hoe lang de vrouwen moesten werken. En als ze niet langer bruikbaar waren, werden ze gedumpt. Of zoals in het geval [persoon 1] voor gewin van een andere pooier afgepakt die op zijn beurt de teruglevering bewerkstelligde. [persoon 2] en [persoon 1] zijn psychisch geknakt en [persoon 1] is er geen cent wijzer van geworden. Integendeel. Na afloop bleef ze zitten met een huurschuld van haar woning. En voor [persoon 1] was het na het doen van haar aangifte niet afgelopen. Ze werd ook nadien mishandeld en bedreigd en tot in Tunesië aan toe geïntimideerd. Dat het hen zo is vergaan komt niet omdat dit het lot van prostituees is maar omdat mannen als verdachte hen beschouwen als objecten waar ze alles mee kunnen doen. Voorts heeft hij de door hen verdiende bedragen witgewassen.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte – blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 16 april 2013 – in het verleden veelvuldig is veroordeeld voor strafbare feiten.

De vrijspraken voor de feiten 5 en 6 hebben geen invloed op de hoogte van de straf, in zoverre dat de mishandelingen en verkrachtingen van [persoon 1] elders wel bewezen zijn verklaard. Deze gedragingen heeft de rechtbank dus meegewogen bij de straftoemeting.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf geëist van 7 jaar. Dit vindt de rechtbank ontoereikend. [verdachte] heeft 4 vrouwen op een gruwelijke wijze uitgebuit en getekend voor het leven. Gelet op de totaal bewezenverklaarde periode en de mensonterende wijze waarop de uitbuiting heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar, met aftrek, op zijn plaats. Dit is ook in verhouding met de aan de anderen in de zaak [X] opgelegde straffen.

10.2 De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

10.2.1 [persoon 1]

De benadeelde partij [persoon 1] heeft, door tussenkomst van haar gemachtigde mr. A. Koopsen, een vordering tot vergoeding van geleden materiële schade van € 96.200,- ingediend. Daarnaast is als vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 15.000,- gevorderd. Deze bedragen zijn als voorschot gevorderd. De rechtbank verstaat dit aldus, dat de benadeelde partij zich ten aanzien van de schade voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken. De totale vordering bedraagt aldus € 111.200,-

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [persoon 1], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank heeft overwogen dat verdachte [persoon 1] in de periode van 4 juli 2011 tot 9 september 2011 heeft uitgebuit. Hij heeft (bijna) al haar verdiensten afgenomen. Die afgedragen verdiensten vordert [persoon 1] nu voor een deel terug. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de door [persoon 1] geleden materiële schade dient te vergoeden. Door zijn handelen heeft verdachte ook een bijdrage geleverd aan de bij [persoon 1] ontstane immateriële schade. Zoals in haar slachtofferverklaring is verwoord, heeft zij door alles wat haar is overkomen in de zaak [X], ernstige psychische problemen opgelopen.

Wat de materiële schade betreft, is verdachte verantwoordelijk voor de door [persoon 1] geleden schade in de periode van 4 juli 2011 tot 9 september 2011. Dit is een periode van (ruim) negen weken, waarin (minimaal) 6 dagen per week is gewerkt. Dit zijn 54 dagen. Hier gaan 4 dagen voor de periode in Hamburg van af, waardoor 50 dagen resteren. De rechtbank neemt op grond van de inhoud van het dossier en de aangehaalde jurisprudentie als uitgangspunt een (minimale) dagopbrengst van € 500,-. De rechtbank waardeert aldus het deel van de door [persoon 1] geleden materiële schade, waarvoor verdachte aansprakelijk is, op een bedrag van (50 x 500 =) € 25.000,- (vijfentwintig duizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van dit bedrag met de gebroeders [persoon 46 en persoon 49], nu zij (een deel van) de door [persoon 1] verdiende bedragen voor hem bij haar hebben geïncasseerd.

Wat de immateriële schade betreft, acht de rechtbank het gevorderde voorschotbedrag van € 15.000,- (vijftien duizend euro) toewijsbaar. Ten aanzien van dit bedrag geldt hoofdelijke aansprakelijkheid tezamen met [naam 3], [naam 4], [persoon 49] en [persoon 46], nu zij allen een bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van de schade.

De vordering zal aldus worden toegewezen tot een totaalbedrag van (25.000 + 15.000 =) € 40.000,- (veertig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 1], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 40.000,- (veertig duizend euro).

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering worden verklaard.

10.2.2 [persoon 2]

De benadeelde partij [persoon 2] heeft, door tussenkomst van haar gemachtigde mr. A. Koopsen, een vordering tot vergoeding van geleden materiële schade van € 450.000,- ingediend. Daarnaast is als vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 25.000,- gevorderd. Deze bedragen zijn als voorschot gevorderd. De rechtbank verstaat dit aldus, dat de benadeelde partij zich ten aanzien van de schade voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken. De totale vordering bedraagt aldus € 475.000,-

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [persoon 2], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 en 2 bewezen geachte feiten, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank heeft overwogen dat verdachte [persoon 2] in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 20 juni 2006 heeft uitgebuit. Hij heeft (bijna) al haar verdiensten afgenomen. Die afgedragen verdiensten vordert [persoon 2] nu voor een deel terug. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de door [persoon 2] geleden materiële schade dient te vergoeden. Door zijn handelen heeft verdachte ook immateriële schade bij het slachtoffer bewerkstelligd. Zoals blijkt uit de onderbouwing van haar vordering heeft zij door hetgeen verdachte haar heeft aangedaan ernstige psychische problemen gekregen, wat zelfs heeft geleid tot een opname in een gesloten psychiatrische inrichting.

Wat de materiële schade betreft, is verdachte verantwoordelijk voor de door [persoon 2] geleden schade in de periode van 1 oktober 2000 tot en met 20 juni 2006. In die periode heeft zij niet altijd voor verdachte gewerkt. De rechtbank gaat, zoals in haar requisitoir helder betoogd door de officier van justitie, uit van het volgende. In 2001 heeft [persoon 2] zes maanden gewerkt (van half mei tot half november). In het jaar 2002 heeft zij vermoedelijk in het geheel niet gewerkt. In juni 2003 is zij weer gaan werken, en in juli 2003 vlucht zij voor enkele weken naar Polen. Zij komt weer terug, en vanaf die periode werkt ze vooral voor verdachte. Aannemelijk is dat zij in totaal in elk geval 30 maanden voor verdachte heeft gewerkt. Dat zijn 130 weken. De raadsvrouw van de benadeelde partij is uitgegaan van 5 dagen per week, hetgeen de rechtbank op basis van het dossier redelijk voorkomt. De rechtbank neemt op grond van de inhoud van het dossier en de aangehaalde jurisprudentie als uitgangspunt een (minimale) dagopbrengst van € 500,-. De rechtbank waardeert aldus het deel van de door [persoon 2] geleden materiële schade, waarvoor verdachte aansprakelijk is, op een bedrag van (650 x 500 =) € 325.000,- (driehonderd en vijfentwintig duizend euro). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Wat de immateriële schade betreft, acht de rechtbank het gevorderde voorschotbedrag tot een bedrag van € 20.000,- (twintig duizend euro) toewijsbaar.

De vordering zal aldus worden toegewezen tot een totaalbedrag van (325.000 + 20.000 =) € 345.000,- (driehonderd en vijfenveertig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 2], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 en 2 bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 345.000,- (driehonderd en vijfenveertig duizend euro).

In het belang van [persoon 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering worden verklaard.

10.2.3 [persoon 5]

De benadeelde partij [persoon 5] heeft, door tussenkomst van haar gemachtigde mr. A. Koopsen, - na mondelinge wijziging van de vordering ter terechtzitting - een vordering tot vergoeding van geleden materiële schade van € 3.000,- ingediend. Daarnaast is als vergoeding van immateriële schade een bedrag van € 5.000,- gevorderd. Deze bedragen zijn als voorschot gevorderd. De rechtbank verstaat dit aldus, dat de benadeelde partij zich ten aanzien van de schade voor een deel van haar vordering heeft gevoegd in dit strafproces, onder voorbehoud van het recht om het andere deel bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken. De totale vordering bedraagt aldus thans € 8.000,-

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [persoon 5], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank heeft overwogen dat verdachte [persoon 5] in de periode van 12 september 2002 tot 19 november 2002 heeft uitgebuit. Hij heeft (bijna) al haar verdiensten afgenomen. Die afgedragen verdiensten vordert [persoon 5] nu voor een deel terug. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de door [persoon 5] geleden materiële schade dient te vergoeden. Door zijn handelen heeft verdachte ook immateriële schade bij het slachtoffer bewerkstelligd. Zoals blijkt uit de onderbouwing van haar vordering voelt zij zich ernstig aangetast in haar lichamelijke en geestelijke integriteit en vertrouwt zij niemand meer, hetgeen haar ernstig belemmert in haar sociale contacten.

Wat de materiële schade betreft, is verdachte verantwoordelijk voor de door [persoon 5] geleden schade in de periode van 12 september 2002 tot 19 november 2002. Dat zijn 68 dagen. De rechtbank neemt op grond van de verklaring van [persoon 5] en het ‘veilige’ uitgangspunt van mr. Koopsen als uitgangspunt een dagopbrengst van € 100,-. De rechtbank waardeert aldus het deel van de door [persoon 5] geleden materiële schade, waarvoor verdachte aansprakelijk is, op een bedrag van (68 x 100 =) € 6.800,-. Echter, nu de rechtbank niet meer kan toewijzen dan gevorderd, zal de vordering tot het gevraagde bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) worden toegewezen.

Wat de immateriële schade betreft, acht de rechtbank het gevorderde voorschotbedrag bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) toewijsbaar.

De vordering zal aldus volledig worden toegewezen voor een bedrag van (3.000 + 5.000 =) € 8.000,- (achtduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 5], naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 8.000,- (achtduizend euro).

In het belang van [persoon 5] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 250a, 273f, 300 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 4 primair, 4 subsidiair, 5 en 6 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit

Mensenhandel, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit:

Een ander door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of meer andere feitelijkheden bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, meermalen gepleegd

en

Opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet althans redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of meer andere feitelijkheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen, meermalen gepleegd

en

Een ander door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of meer andere feitelijkheden bewegen hem uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde te bevoordelen, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit:

Gewoontewitwassen

Ten aanzien van het onder 4 meer bewezen verklaarde feit:

Eenvoudige mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 (zegge: negen) jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1], domicilie kiezende ten kantore van haar raadsvrouw mr. A. Koopsen, Advocatenkantoor Oudegracht, Postbus 3092, 1801 GB Alkmaar, rekeningnummer 39.89.600 tnv St. Beheer Derdengelden, toe tot een bedrag van € 40.000,- (veertig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Dit bedrag bestaat voor een deel van € 25.000,- (vijfentwintig duizend euro) aan materiële schade en voor een bedrag van € 15.000,- (vijftien duizend euro) aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, een deel van het toegewezen bedrag aan materiële schade, groot € 18.000,- (achttien duizend euro) te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens [persoon 49] of [persoon 46] is betaald.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd het overige toegewezen bedrag aan materiële schade, groot € 7.000,-, te betalen.

Veroordeelt verdachte aan [persoon 1] voornoemd, het toegewezen bedrag aan immateriële schade van € 15.000,- (vijftien duizend euro) te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens [naam 4], [naam 3], [persoon 49] of [persoon 46] is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer D. [persoon 1], te betalen de som van € 40.000,- (veertig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 235 (tweehonderd vijfendertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 2], domicilie kiezende ten kantore van haar raadsvrouw mr. A. Koopsen, Advocatenkantoor Oudegracht, Postbus 3092, 1801 GB Alkmaar, rekeningnummer 39.89.600 tnv St. Beheer Derdengelden, toe tot een bedrag van € 345.000,- (driehonderd en vijfenveertig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Dit bedrag bestaat voor een deel van € 325.000,- (driehonderd en vijfentwintig duizend euro) aan materiële schade en voor een bedrag van € 20.000,- (twintig duizend euro) aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte voornoemd bedrag aan [persoon 2] voornoemd te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer M. [persoon 2], te betalen de som van € 345.000,- (driehonderd en vijfenveertig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 (driehonderd en vijfenzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [persoon 5]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 5], domicilie kiezende ten kantore van haar raadsvrouw mr. A. Koopsen, Advocatenkantoor Oudegracht, Postbus 3092, 1801 GB Alkmaar, rekeningnummer 39.89.600 tnv St. Beheer Derdengelden, toe tot een bedrag van € 8.000,- (achtduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Dit bedrag bestaat voor een deel van € 3.000,- (drieduizend euro) aan materiële schade en voor een bedrag van € 5.000,- (vijfduizend euro) aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte voornoemd bedrag aan [persoon 5] voornoemd te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 5], te betalen de som van € 8.000,- (achtduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. H.P.H.I. Cleerdin en C.E.M. Marsé, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2013.

i. De rechtbank heeft ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis de liggende gedachtestreepjes van de ten laste gelegde feiten genummerd.