Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA3289

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
17-06-2013
Zaaknummer
13/670983-11 (zaak A) + 13/850641-12 (ttz gev) (zaak B) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag. Causaal verband. Bij de vraag of sprake is van causaal verband heeft de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2012 (LJN: BT6397) als uitgangspunt genomen. De Hoge Raad heeft bij voornoemd arrest, onder meer, het volgende over causaal verband overwogen. Voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte is ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt. Daarbij kan worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstonwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/670983-11 (zaak A) + 13/850641-12 (ttz gev) (zaak B) (Promis)

Datum uitspraak: 25 januari 2013

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1977],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) te [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 oktober 2012 en 11 januari 2013.

Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting van 25 oktober 2012 heeft de rechtbank op 8 november 2012 een interlocutoir vonnis gewezen. Voor een goede en juiste beoordeling van de zaak achtte de rechtbank het van belang de deskundige [persoon 1] nadere vragen te stellen omtrent de doodsoorzaak van het slachtoffer [persoon 2]. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend teneinde de deskundige te horen. Dit is gebeurd op de terechtzitting van 11 januari 2013.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op de terechtzitting van 25 oktober 2012 gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L. Kwaspen en van wat door de raadsvrouw van verdachte mr. D.M. Rupert, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Zaak A

1.

hij op of omstreeks 05 november 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [persoon 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), een stoel (met een harde klap) op die [persoon 2] laten neerkomen en/of een armleuning van voornoemde stoel op de hals van die [persoon 2] gedrukt (gehouden) en/of met (een) geschoeide voet(en) op een armleuning van voornoemde stoel gestampt en/of getrapt en/of (een) geschoeide voet(en) op de keel/hals van die [persoon 2] gedrukt (gehouden) en/of met (een) geschoeide voet(en) op de keel/hals van die [persoon 2] gestampt en/of getrapt, tengevolge waarvan voornoemde [persoon 2] is overleden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 05 november 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan [persoon 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een of meer bloeduitstorting(en) in vetweefsels en halsspieren en/of een overdwarse breuk van het tongbeen), heeft/hebben toegebracht, door opzettelijk een stoel (met een harde klap) op die [persoon 2] te laten neerkomen en/of een armleuning van voornoemde stoel op de hals van die [persoon 2] te drukken en/of gedrukt te houden en/of met geschoeide voet op een armleuning van voornoemde stoel te stampen en/of te trappen en/of (een) geschoeide voet(en) op de keel/hals van die [persoon 2] te drukken en/of gedrukt te houden en/of met (een) geschoeide voet(en) op de keel/hals van die [persoon 2] te stampen en/of te trappen, tengevolge waarvan voornoemde [persoon 2] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 05 november 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [persoon 3] eenmaal of meermalen (met zijn vuist(en)) heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [persoon 3] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 05 november 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [persoon 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [persoon 3] een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, voorgehouden en/of getoond en/of een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, op de keel/hals van die [persoon 3] gezet;

4.

hij op of omstreeks 05 november 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Samsung), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Zaak B

1.

hij op of omstreeks 27 oktober 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [persoon 4] op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [persoon 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 27 oktober 2011 te Amsterdam wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning gelegen [adres 1] en in gebruik bij [persoon 4], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte;

3.

hij op of omstreeks 27 oktober 2011 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk drie, althans een of meer ruitjes (van een toegangsdeur van een woning, gelegen [adres 1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [persoon 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door die ruitjes in te slaan en/of te tikken;

4.

hij op een of meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 07 april 2011 tot en met 11 juni 2011 te Amsterdam [persoon 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (per e-mail aan de vriendin van die [persoon 4]) opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "ik hoop dat hij goed met mijn kinderen omgaat zo niet dan maak ik hem af" en/of "ik heb schijt aan je nieuwe vriend als hij dapper gaat doen vermoord ik hem dus hou op met spelletjes te spelen met mij anders gaan er ongeluken gebeuren en deze keer meen ik het" en/of "ben veel beter in spelletjes en mijn spels kunnen dodelijk zijn zonder dat ik bij je ben" en/of "het is oorlog met [voornaam 1] en zeg tegen hem dat de dood op iedere hoek van de straat staat voor hem";

5.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 januari 2011 tot en met 16 januari 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk uit winstbejag (een) door misdrijf verkregen uit (voorzien van kenteken [nummer 1]) (merk Rover 416) (chassisnummer [nummer 2]) voorhanden heeft gehad of hefet overgedragen.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Bewijsoverwegingen (zaak A)

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt vrijgesproken van de hem in zaak A onder feit 1 primair ten laste gelegde moord, en tot bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag, alsmede de onder 2 en 3 ten laste gelegde mishandeling en bedreiging van [persoon 3] en de diefstal van de telefoon van voornoemde [persoon 3]. Zakelijk weergegeven heeft zij dit standpunt als volgt onderbouwd.

[persoon 3] (hierna: [persoon 3]) en [persoon 5] (hierna: [persoon 5]) wijzen verdachte aan als degene die het slachtoffer [persoon 2] (hierna: het slachtoffer) om het leven heeft gebracht. Dit wordt onder andere ondersteund door de getuigenverklaringen van [persoon 6] (hierna: [persoon 6]) en [persoon 7] (hierna: [persoon 7]) en door deskundigenonderzoek. Uit het dossier blijkt dat verdachte met geschoeide voet tegen de keel/hals van het slachtoffer heeft getrapt en dat hij bij het uitoefenen van geweld ook een stoel heeft gebruikt. Verdachte heeft hierdoor willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden en heeft aldus in ieder geval met voorwaardelijk opzet gehandeld. Niet kan worden bewezen dat verdachte de voorbedachte raad had om het slachtoffer om het leven te brengen nu niet uit het dossier blijkt dat de daad het gevolg is geweest van een enige tijd tevoren door verdachte genomen besluit. Het dossier wijst er eerder op dat verdachte in een plotselinge en hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld.

Dat de dood ook kan worden toegerekend aan verdachte blijkt uit het pathologisch onderzoek van de arts en patholoog [persoon 1] en haar toelichting op dit onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2013, waaruit blijkt dat het geweld dat verdachte heeft uitgeoefend de trigger is geweest waardoor het slachtoffer is komen te overlijden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. Zakelijk weergegeven heeft zij dit standpunt als volgt onderbouwd.

De verklaringen van [persoon 3] en [persoon 5] zijn als onbetrouwbaar aan te merken en moeten daarom worden uitgesloten van het bewijs. Voornoemde verklaringen zijn niet logisch, maar inconsistent en ook tegenstrijdig. De verklaring van verdachte is daarentegen authentiek en ook betrouwbaar. Zijn verklaring wordt ondersteund door verschillende getuigenverklaringen. Doordat er eenzijdig is gerechercheerd door de politie, is niet onomstotelijk komen vast te staan dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

Ook blijkt uit het rapport van de patholoog dat zowel extern geweld rondom de hals als de ziekelijke toestand van het hart elk zelfstandig, dan wel tezamen de doodsoorzaak kan hebben gevormd. Niet is vastgesteld welke oorzaak waarschijnlijker is geweest.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De betrouwbaarheid van de verklaringen

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door de verdediging in twijfel getrokken verklaringen, stelt de rechtbank het volgende voorop. De verklaringen van getuigen [persoon 3] en [persoon 5] zijn onafhankelijk van elkaar tot stand gekomen en komen anders dan de verdediging heeft betoogd op diverse essentiële punten met elkaar overeen.

Daarnaast vinden de verklaringen van [persoon 3] en [persoon 5] steun in divers objectief bewijs. Dat bewijs vindt de rechtbank ten eerste in de camerabeelden van een winkel, waaruit blijkt dat het slachtoffer en [persoon 3] en [persoon 5] kort na elkaar een winkel inlopen en vervolgens [persoon 3] en het slachtoffer samen richting de uitgang lopen. Dit stemt overeen met hoe [persoon 3] en [persoon 5] daarover, onafhankelijk van elkaar, tegenover de politie hebben verklaard.

Ten tweede vindt de rechtbank dat bewijs in de verklaringen van de getuigen [persoon 6] en [persoon 7]. Om half één hoorde [persoon 7] gebonk bij de ramen van het slachtoffer en hoorde zij een grote ruzie. [persoon 7] heeft verder verklaard dat zij een vrouw keihard hoorde bl?ren en roepen: “Auw dit doet pijn”. Ook [persoon 6] heeft rond datzelfde tijdstip een heftige woordenwisseling gehoord tussen een onbekende man en het slachtoffer. Hij heeft de onbekende man diverse bedreigingen horen uiten richting het slachtoffer. Ook deze getuigenverklaring sluiten aan op de door [persoon 3] en [persoon 5] gegeven beschrijving van de gebeurtenissen.

Ten derde staat in het rapport betreffende het forensisch onderzoek naar de huidverkleuringen op de borst en buik van het slachtoffer en de zwarte houten stoel dat het object als gevolg waarvan de verkleuringen moeten zijn ontstaan, harde, langwerpige, rechte stomp(kantige) delen moet bevatten, zoals bijvoorbeeld de onderzochte stoel. Dit past bij de verklaringen van [persoon 3] en [persoon 5] over de geweldshandelingen die verdachte op het slachtoffer zou hebben uitgeoefend. De verklaringen van [persoon 3] en [persoon 5] dat verdachte met geschoeide voet op de keel/hals van het slachtoffer heeft gestaan, vinden steun in de bevindingen van de arts/patholoog van het NFI die op 21 maart 2012 heeft geconstateerd dat het letsel aan de hals is ontstaan als gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch geweld op de hals, zoals in het algemeen met samendrukken, botsen of een combinatie van deze kan ontstaan.

Ten vierde is het mes waarover [persoon 3] heeft verklaard daadwerkelijk aangetroffen achter de televisie.

Ten slotte vindt de verklaring van [persoon 3] waar het ziet op de mishandeling door verdachte steun in de haar betreffende letselverklaring. Hierin staat dat [persoon 3] diverse blauwe plekken heeft op haar lichaam (armen en rug).

De verklaring van verdachte vindt daarentegen weerlegging in objectief bewijs. Zo heeft verdachte bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij tien tot twintig minuten in de woning is geweest. Dit strookt niet met de bevindingen van verbalisanten die gedurende ongeveer vijf kwartier de woning van het slachtoffer hebben geobserveerd en in die tijd niemand de woning hebben zien binnengaan.

Nu de verklaringen van [persoon 3] en [persoon 5] op wezenlijke onderdelen overeenkomen met de verklaringen van de getuigen [persoon 6] en [persoon 7] en daarnaast overeenkomen met wat op de camerabeelden te zien is en met de bevindingen uit het technisch onderzoek, acht de rechtbank voornoemde verklaringen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

De rechtbank acht op grond van de belastende verklaringen van [persoon 3] en [persoon 5], in combinatie met het genoemde objectieve bewijsmateriaal bewezen dat verdachte degene is geweest die de geweldshandelingen, te weten een stoel op het slachtoffer laten neerkomen en een geschoeide voet op de keel/hals van het slachtoffer te houden, heeft uitgevoerd.

Causaal verband

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er causaal verband bestaat tussen de door verdachte verrichte gedragingen en de dood van het slachtoffer.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 27 maart 2012 (LJN: BT6397), onder meer, het volgende over causaal verband overwogen. Voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan (een gedraging van) de verdachte is ten minste vereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt. Daarbij kan worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstonwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid.

In het op 21 maart 2012 door [persoon 1], arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakte pathologisch rapport betreffende het slachtoffer heeft de deskundige overwogen dat er twee aanwijsbare complexen van bevindingen zijn, namelijk verwikkelingen van doorgemaakt geweld op de hals en ziekelijke afwijkingen aan de kransslagaders en het hart (forse kransslagaderverkalking, een te zwaar hart en ontsteking in de harspier). Deze twee complexen van bevindingen zouden elk op zich dan wel in combinatie het overlijden kunnen verklaren.

Ter terechtzitting van 11 januari 2013 is [persoon 1] als deskundige gehoord en heeft zij haar rapport van 21 maart 2012 nader toegelicht. Zij heeft, onder meer, verklaard dat zij substantieel letsel heeft geconstateerd bij het slachtoffer en dat zij dat vanwege de ernst ervan niet los ziet van de ziekelijke lichamelijke afwijkingen van het slachtoffer. Het is waarschijnlijk dat het mechanische geweld op de hals, dat volgens de deskundige aanzienlijk moet zijn geweest, heeft uitgelokt dat het hart, dat reeds last had van ziekelijke afwijkingen, als gevolg van de verstoorde zuurstoftoevoer vanuit de hersenen het te zwaar kreeg. Het is daarom ook waarschijnlijk dat het slachtoffer als gevolg van dat geweld is overleden. Voorts heeft de deskundige verklaard dat het vanzelfsprekend is dat degene op wie dergelijk geweld wordt uitgeoefend, stress ervaart. In het geval van stress krijgen de bloedvaten spasmen, dit houdt in dat zij zich kunnen gaan samentrekken, hetgeen een negatief effect heeft op de doorbloeding van het hart en ook fatale gevolgen kan hebben.

De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat de geweldshandelingen van verdachte een onmisbare schakel hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedragingen van verdachte is veroorzaakt. De dood van het slachtoffer dient daarom in redelijkheid aan verdachte te worden toegerekend.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

Vrijspraak moord

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad vereist dat komt vast te staan dat de verdachte niet in een ogenblikkelijke gemoedsbeweging heeft gehandeld, maar tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen handelen en zich daarvan rekenschap te geven.

De rechtbank is van oordeel dat het procesdossier geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat verdachte het vooropgezette plan had om het slachtoffer van het leven te beroven, wat zou kunnen wijzen op kalm beraad en rustig overleg. De rechtbank acht daarom niet wettig bewezen de voorbedachte raad die onder 1 primair is ten laste gelegd. Verdachte zal van de moord worden vrijgesproken.

5. Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

Zaak A

Ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde

1. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011284745-12 van 5 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 8] en [persoon 9] (doorgenummerde pag. 22-27).

Dit proces-verbaal houdt in als bevindingen van voornoemde verbalisanten.

Op 5 november 2011 bevonden wij ons in uniform gekleed en met assistentiedienst belast als AD 22.01 op de openbare weg ter hoogte van de IJ-tunnel te Amsterdam. Aldaar kregen wij opdracht te gaan naar het adres [adres 2]. Wij begaven ons naar de opgegeven locatie alwaar wij omstreeks 01:10 uur arriveerden. Wij hebben de benedendeur van de centrale hal geopend en zijn via de trap naar de eerste verdieping gelopen. Wij zijn de galerij van de tweede etage opgelopen alwaar wij zicht hadden op perceel [adres 2]. Wij hebben in de deuropening van de deur vanuit de trappenhal naar de galerij de woning in observatie genomen. Op 5 november 2011 te 02:23 uur, een uur en dertien minuten na aankomst op de galerij zag ik, eerste verbalisant [persoon 8], dat er een tweetal manspersonen uit perceel [adres 2] kwamen lopen. Ik, eerste verbalisant, zag dat de eerste man (welke later bleek [verdachte] te zijn genaamd) uit de woning kwam en in onze richting liep. Direct nadat verdachte [verdachte] het perceel uit kwam lopen zag ik dat de tweede man (welke later [persoon 5] bleek te zijn genaamd) uit de woning kwam lopen. Wij hebben besloten de verdachten op de galerij aan te houden. Nadat de verdachten waren afgevoerd ben ik, eerste verbalisant, naar de voordeur van perceel [adres 2] gegaan. Ik heb aangebeld bij het betreffende perceel. Daar er op het aanbellen en aankloppen niet werd gereageerd heb ik de voordeur middels de sleutels welke ik uit de hand van verdachte [verdachte] had gepakt, geopend. Na ons roepen zag en hoorde ik dat de tussendeur van de woning werd geopend. Ik zag dat er een vrouwpersoon (naar later bleek [persoon 3] te zijn genaamd) door de deur kwam lopen. Nadat verdachte [persoon 3] was afgevoerd heb ik, eerste verbalisant, met collega [persoon 10] en collega [persoon 11] de woning betreden. Ik, eerste verbalisant, zag dat er in de woonkamer een manspersoon (hierna te noemen slachtoffer) met zijn rug op de grond lag. Ook zag ik, eerste verbalisant, dat er een aantal bloedspetters op de grond lagen.

Ik had het vermoeden dat het slachtoffer geen hartslag meer had.

2. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2011284745-41 van 6 november 2011, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 12] en [persoon 13] (doorgenummerde pag. 117-123).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 3], zakelijk weergegeven:

V: Kan je weer vertellen hoe het vrijdagavond [de rechtbank begrijpt vrijdagavond 5 november 2011] gegaan is?

A: Ik heb blauwe plekken. [voornaam 2] heeft dit gedaan. Hij heeft mij geslagen. Ik wil wel aangifte doen. Hij heeft mij met zijn vuisten geslagen en hij heeft mij een mes op mijn keel gezet. Ook door een klap van [voornaam 2] is mijn lip gaan bloeden.

V: Hoe is het gegaan met de stoel? Daar heb je over verteld.

A: Ja, een zwarte stoel. Hij is zwart leer, achter is hout en heeft twee kussens erop. Een beetje een luie stoel. Het is verder van hout, helemaal zwart.

V: Hoelang heeft [voornaam 2] in jouw beleving de stoel op de keel van [voornaam 3] gehad?

A: Ik weet niet hoelang. Hij heeft ook mijn telefoon afgepakt.

V: Een witte Samsung?

A: Ja, een witte Samsung. [voornaam 2] zei: “Laat mij je telefoon eens zien”. Toen liet ik het zien en [voornaam 2] zei dat hij dit niet meer terug gaf. Ik wil aangifte doen.

3. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 25 oktober 2012.

De verklaring van verdachte houdt in, zakelijk weergegeven:

Mijn roepnaam is [voornaam 2].

Ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde

4. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2011284745-28 van 5 november 2011, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 14] en [persoon 13] (doorgenummerde pag. 110-114).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 3], zakelijk weergegeven:

V: Wij willen weten wat er is gebeurd.

A: Hij heeft eerst mij in elkaar geslagen. Ik heb blauwe plekken van [verdachte].

V: Heb je nog messen gezien?

A: [verdachte] heeft nog een mes op mijn keel gezet.

V: Hoe begon de ruzie tussen [voornaam 3] en [verdachte]?

A: [voornaam 2] was hysterisch aan het doen. [voornaam 3] deed niets terug en viel op de grond.

V: Hoe kan [voornaam 3] dood zijn?

A: [verdachte] heeft met zijn schoen op zijn keel gestaan.

[voornaam 3] zat op zijn eigen bank. Deze staat in de huiskamer. [verdachte] duwde toen en [voornaam 3] viel toch op de grond. [verdachte] ging met zijn schoen op zijn keel staan. Hij heeft ook op de stoel boven op [voornaam 3] gezeten. Hij zei: “Ik maak hem dood”.

[voornaam 3] gaf toen de stoel een schop en toen heeft [verdachte] op de keel van [voornaam 3] met zijn schoen gestaan.

V: Heeft [verdachte] nog wat gezegd?

A: Ik maak hem dood, ik maak hem dood. Hij was hysterisch.

V: Hoelang was [verdachte] in de woning voordat er ruzie was?

A: Meteen al. Hij greep toen mij. Hij sleurde mij van de bank af en gaf mij een klap in mijn gezicht. [verdachte] heeft ook een mes op mijn keel gezet. Ik heb dit mes afgepakt en achter de tv gegooid. Het was een broodmes met een ronding, dus geen punt.

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2011284745-10 van 5 november 2011, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 15] (doorgenummerde pag. 30-39).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 6], zakelijk weergegeven:

Laten we beginnen over vanavond.

Om een uur of één, tussen één en half twee was er dus een heftige woordenwisseling tussen een onbekende man voor mij en mijn buurman [voornaam 3]. Ik hoorde [voornaam 3] op een gegeven moment roepen dat hij het huis moest verlaten, de onbekende persoon. Ik hoorde hem antwoorden met van: “Probeer mij er maar uit te krijgen”. Waarop [voornaam 3] volgens mij zelf weg wilde gaan. De ruzie werd heftiger. De onbekende persoon zei dat hij moest gaan zitten en zijn bek moest houden. Volgens mij luisterde [voornaam 3] niet waarop de onbekende persoon een paar heeft gezegd: “Nou blijf je zitten”. En dan weet ik het niet meer letterlijk maar iets van: “Ik steek je neer of ik vermoord je en dan vinden ze je morgen of zo dood”. En toen heb ik dus 112 gebeld.

De politie die ik aan de lijn had, toen ging de ruzie verder en werden er dingen gegooid. Toen hoorde ik de onbekende dader zeggen: “Ik heb al bloed aan mijn vinger door jou”. Toen zei hij dus verder dat hij hem neerstak en vinden ze je morgen of zo.

Over welke woning spreken wij waar deze ruzie plaatsvond?

[adres 2]

Hoe laat begon de ruzie tussen [voornaam 3] en deze man?

De ruzie van vanavond begon rond half een of half twee.

Hoeveel mensen waren er in het huis van [voornaam 3] vanavond?

Wat ik dacht de onbekende, [voornaam 3] en een vrouw.

Ook tegen die vrouw heeft de onbekende geschreeuwd. Daar riep hij tegen: “Kutwijf, nou blijf je zitten”.

Hoe lang ging de ruzie door nadat u de politie heeft gebeld?

De heftige ruzie? Pak hem beet een half uur. Daarna werd het wat rustiger.

Op welke moment hoorde u bepaalde personen niet meer praten, roepen of schreeuwen en wie?

Die vrouw hoorde ik al heel snel niet meer. Die heb ik een keer heel hard horen schreeuwen, die is misschien geslagen of zo. Ik hoorde hem schreeuwen: “Nou houd jij je bek dicht”. Toen hoorde je de vrouw schreeuwen en daarna was het stil.

6. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2011284745-13 van 5 november 2011, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 16] (doorgenummerde pag. 40-42).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 7], zakelijk weergegeven:

Ik wil vertellen over wat er afgelopen nacht is gebeurd. Mijn benedenbuurman welke direct onder mij woont is genaamd [voornaam 3]. Ik ben vrijdagavond om ongeveer 24:00 uur naar bed gegaan. Om half één hoorde ik gebonk bij de ramen van [voornaam 3]. Dat was aan de voorzijde bij de galerij. Ik hoorde daar toen een grote ruzie binnen. Ik hoorde een man, een vrouw en [voornaam 3]. Ik hoorde die man vloeken. Ik hoorde wel dreigementen. Ik hoorde dat de onbekende man tegen [voornaam 3] schreeuwde: “Ik maak je dood, ik ga je schoppen en slaan”. Ik hoorde dat [voornaam 3] tegen de man schreeuwen: “Hij gaat het huis uit”. En vervolgens hoorde ik een vrouw eerst zeggen: “Niet doen, mag niet”. Toen hoorde ik haar keihard bleren tegen de man en tegen [voornaam 3]. Ik hoorde dat een vrouw huilde. Ik hoorde dat zij riep: “Auw dit doet pijn”. Ik hoorde dat die man tegen [voornaam 3] zei: “Blijf zitten, blijf zitten”. Ik weet dat dit tegen [voornaam 3] gezegd is omdat de man [voornaam 3] zijn naam daarbij riep. Ook hoorde ik dat er met iets zwaars werd gegooid. Daarna hoorde ik [voornaam 3] roepen: “Auw”. Daarna was het langere tijd stil. Ik heb tegen mijn man gezegd dat hij 112 moest bellen en dat heeft hij ook gedaan.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

7. Een proces-verbaal van verhoor met nummer 2011284745-24 van 5 november 2011, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 12] en [persoon 17] (doorgenummerde pag. 85-93).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [persoon 5], zakelijk weergegeven:

A: Zal ik vertellen wat er is gebeurd. [verdachte] kwam langs en die heeft [voornaam 3] vermoord. Ik sliep in het kamertje ernaast en ik ging op een gegeven moment in de huiskamer kijken wat er aan de hand was en ik zag dat [verdachte] [voornaam 3] aan het vermoorden was.

V: Ben je in slaap gevallen?

A: Ja, ik werd wakker en ik werd wakker van herrie uit de huiskamer. Ik hoorde geschreeuw. Ik hoorde [verdachte] schreeuwen: “Ik ga je vermoorden”. Ik ben mijn bed uitgegaan en naar de huiskamer gegaan en toen zag ik dat [verdachte] [voornaam 3] aan het vermoorden was. Ik zag dat [verdachte] op de keel van [voornaam 3] aan het stampen was. [voornaam 3] lag.

V: Dus wij begrijpen dat [verdachte] met zijn voet op de keel van [voornaam 3] stond?

A: Ja, dat deed hij, hij gebruikte ook nog een stoel. (noot verbalisanten: de verdachte beeldt uit wat [verdachte] deed. De verdachte legt met behulp van mij verbalisant [persoon 17] uit wat er gebeurde ook wordt er gebruik gemaakt van een bureaustoel. De verdachte legt de stoel op de grond en wijst de armleuning aan. De verdachte verklaarde dat er een stoel op het lichaam van [voornaam 3] lag. De verdachte verklaarde dat [verdachte] zijn voet op de keel zette van [voornaam 3]).

V: Dus het hoofd van [voornaam 3] lag onder de stoel?

A: Ja

V: Wat heb je nog meer gezien?

A: [verdachte] zei: “Nou is ie dood”.

V: Wat is de achternaam van [verdachte]?

A: Dat is volgens mij [verdachte].

8. Een proces-verbaal van relaas met nummer 2011284745-1 van 5 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 18] (doorgenummerde pag. A. 1-10).

Dit proces-verbaal houdt in als relaas van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 5 november 2011 te 01:05 uur kreeg de district Hulpofficier van Justitie de opdracht te gaan naar perceel [adres 2] te [plaats]. De woning werd binnengegaan alwaar een man levenloos werd aangetroffen.

Het slachtoffer bleek later volledig te zijn genaamd:

Achternaam: [achternaam persoon 2]

Voornamen: [voornaam 3]

Adres: [adres 2]

Postcode plaats: [postcode] [plaats]

Het slachtoffer is op zaterdag [de rechtbank begrijpt: 5 november] 2011 te 02:38 uur overleden.

9. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011284745-88 van 6 december 2011, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 19] en [persoon 20].

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op verzoek van de Inspecteur werd door ons een reconstructie uitgevoerd met een houten stoel welke was veilig gesteld op de plaats delict in perceel [adres 2] te [plaats].

De stoel die door betrokkenen werd omschreven is op aanwijzing van de betrokkenen op 8 november 2011 alsnog in beslag genomen en voorzien van SIN [nummer 3].

Tijdens dit onderzoek/reconstructie werden 8 foto’s gemaakt, welke als bijlagen hierbij worden gevoegd en waarnaar zal worden verwezen.

Wij zagen dat de stoel een zwarte houten fauteuil betrof.

Resultaat van onderzoek en bevindingen

- Niet is uit te sluiten dat de twee diagonale lijnen op de borst/buik van het slachtoffer zijn ontstaan door twee afzonderlijke krachtinspanningen (geweld) met de onderzochte stoel;

- Het is niet uit te sluiten dat de onderste horizontale lijn op borst/buik van het slachtoffer tegelijkertijd is ontstaan tijdens het dichtdrukken van de keel met de stoel, zoals door betrokkenen (verdachten) is verklaard;

- Niet met zekerheid kan worden gesteld dat de lijnen op de borst/buik van het slachtoffer zijn veroorzaakt door de stoel, tegelijkertijd is dit ook niet uitgesloten;

- De door betrokkenen (verdachten) afgelegde verklaringen met betrekking tot het mogelijk gepleegde geweld met behulp van een stoel op het slachtoffer, is door ons niet uitgesloten.

10. Een geschrift, te weten een rapport betreffende een medisch forensisch onderzoek naar huidverkleuringen op borst en buik, opgemaakt door dr. [persoon 21], forensisch arts, werkzaam voor het Nederlands Forensisch Instituut, van 10 september 2012.

Dit rapport houdt onder meer als verklaring en bevindingen van voornoemde forensische arts in, zakelijk weergegeven:

Verdachte: [verdachte]

Slachtoffer: [persoon 2]

Overzicht te onderzoeken materiaal: PV bevindingen Forensische Opsporing (FO), inclusief foto’s van een stoel.

Inzake de huidverkleuringen vallen op sectiefoto’s en PD-foto’s twee min of meer rechte huidverkleuringen op aan het bovenlichaam van het slachtoffer. Namelijk: één huidverkleuring schuin op de borst en één vrijwel horizontaal op de buik. Voorts zijn er op sectiefoto’s nog een aantal andere nauwelijks zichtbare min of meer rechte huidverkleuringen aan borst en buik van het slachtoffer waar te nemen. Naar mijn oordeel vertonen voornoemde huidverkleuringen het aspect van drukletsel, bestaande uit vermoedelijk perimortaal opgelopen meerdere zeer kleine bloeduitstortingen in het niveau van de huid en/of lokale huidreactie als gevolg van geweldsinwerking(en) met een stomp(kantig) voorwerp aldaar.

Het object(voorwerp) moet harde, langwerpige, rechte stomp(kantige) delen bevatten, zoals bijvoorbeeld de onderzochte stoel.

11. Een geschrift, te weten een rapport betreffende een pathologisch onderzoek, opgemaakt door dr. [persoon 1], arts en patholoog, werkzaam voor het Nederlands Forensisch Instituut, van 21 maart 2012.

Dit rapport houdt onder meer als verklaring en bevindingen van voornoemde arts/patholoog in, zakelijk weergegeven:

Overledene: [persoon 2]

A: Uitwendig en inwendig:

Er waren aan het voorhoofd rechts, aan de rechter handrug, rechterpols, rechter onderarm, linkerhandrug/overgang linkerpols enkele scherprandige streepvormige snijletsels met onderhuidse bloeduitstortingen, zeer oppervlakkig in onderhuidse weefsels verlopend. Die aan de linkerhandrug/pols was iets dieper (circa 3 mm onderhuids verlopend), en toonde aan 1 uiteinde een puntig aspect en aan de andere uiteinde een streepvormige uitloper ter lengte van1 cm.

B. Inwendig

1. Er waren meerdere bloeduitstortingen in de halsspieren beiderzijds, hoog en laag, oppervlakkig en diep, met name rechts, en plaatselijk in diep gelegen vetweefsel in de hals. Er was bloeduitstorting in de weke delen rondom de rechter grote hoorn van het strottenhoofd (rechter cornu superius), zonder breuk van deze. Er was bloeduitstorting rondom het tongbeen ter hoogte van de corpus, iets rechts van het midden, met overdwarse onderbreking van deze. Bij later verricht radiologisch onderzoek bleek de onderbreking geen breuk maar een fysiologisch gewricht te zijn. Voorts heeft de radioloog een mogelijke breuk aan het bovenste hoorntje van het strottenhoofd links waargenomen.

3. Er waren uitgebreide bloeduitstortingen in de oppervlakkige en diepe nekspieren/hoog gelegen rugspieren beiderzijds.

6. Er waren tekenen van vochtophoping in de hersenen en in de longen.

Interpretatie van resultaten

Er werden bij sectie letsels inwendig aan de hals gezien (sub B1), namelijk bloeduitstortingen in vetweefsels en halsspieren, oppervlakkig en diep, op meerdere niveaus welke bij leven waren ontstaan als gevolg van inwerking van uitwendig mechanisch geweld op de hals, zoals in het algemeen door samendrukken (stranguleren, bijvoorbeeld verwurgen (manueel), ligeren, verhangen), botsen (zoals slaan(stompen) met of tegen de hals) of een combinatie van deze kan ontstaan. Ook de mogelijke breuk die door de radioloog aan het bovenste hoorntje van het strottenhoofd links is waargenomen, kan door deze geweldsinwerking zijn ontstaan.

De verhoogde thyreoglobuline concentratie past ook goed bij schade aan de schildklier door bijvoorbeeld doorgemaakt geweld op de hals. De bevindingen sub B6 kunnen goed worden verklaard als verwikkelingen van bovengenoemd geweld op de hals waardoor algehele zuurstoftekort in weefsels was ontstaan, met als gevolg weefselschade en daardoor vochtophoping. De letsels sub B3 waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld zoals door botsen (slaan, stompen, drukken) kan ontstaan en kunnen in dezelfde setting als de letsels sub B1 zijn ontstaan.

Voorts werden bij sectie forse kransslagaderverkalking evenals een te zwaar hart vastgesteld. Ook werd bij microscopisch onderzoek een geringe ontsteking in de hartspier vastgesteld, welke aanleiding kunnen geven tot fatale hartritmestoornissen.

Er zijn 2 aanwijsbare complexen van bevindingen, namelijk verwikkelingen van doorgemaakt geweld op de hals en ziekelijke afwijkingen aan de kransslagaders en het hart (forse kransslagaderverkalking, een te zwaar hart en ontsteking in de harspier). Deze 2 complexen van bevindingen zouden elk op zich dan wel in combinatie het overlijden kunnen verklaren.

12. De verklaring van de deskundige [persoon 1], zoals afgelegd ter terechtzitting van 11 januari 2013.

De verklaring van voornoemde deskundige houdt in, zakelijk weergegeven:

Het gaat in onderhavige zaak om een meneer met onderliggende afwijkingen aan zijn hart. Zijn hartspier is niet helemaal in orde, er is een ontsteking en er is slagaderverkalking die ervoor zorgt dat de bloedtoevoer niet in orde is. Vervolgens is er het doorgemaakte geweld op de hals waardoor bloedvaten zijn afgeknepen, waaronder ook de slagader die verantwoordelijk is voor de zuurstoftoevoer naar de hersenen. Door het afknijpen van onder andere de slagader krijg je te maken met het probleem dat sprake is van een verstoorde voorziening van zuurstof in de hersenen. De hersenen zijn de aansturing van organen. Vervolgens heb je dan het probleem dat het hart niet lekker in zijn vel zit en dat de hersenen, die nodig zijn om het hart aan te sturen, ook een beetje wegvallen als gevolg van zuurstoftekort. Sprake is aldus van een opeenstapeling van problemen die elkaar kunnen versterken.

De heer [persoon 2] is, voordat er geweld op hem is uitgeoefend, niet komen te overlijden als gevolg van zijn ziekelijke afwijkingen. Dat betekent dat in het geval hij aan die afwijkingen is overleden er iets is gebeurd waardoor hij daaraan uiteindelijk toch is overleden. Dat kan dan heel goed het drukkende geweld zijn geweest op zijn hals. Het geweld is in dat geval de zogenaamde trigger geweest die tot het overlijden heeft geleid.

Ik zie het uitgeoefende geweld niet los van zijn ziekelijke afwijkingen, omdat er op de heer [persoon 2] substantieel geweld is uitgeoefend.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

13. Een geschrift, te weten een geneeskundige letselverklaring van GGD Amsterdam opgemaakt door [persoon 22], betreffende het slachtoffer [persoon 3].

Deze brief houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Datum en tijdstip beschrijving

In de nacht van 4 op 5 november 2011 vond incident plaats.

Beschrijving op 7 november 2011, 12:00 uur.

Omschrijving incident volgens betrokkene

Vuistslagen tegen bovenarmen, rug en gelaat.

Op de rechterbovenarm een blauwe plek van ongeveer 10 bij 5 cm.

Op de rug rechtsboven een blauwe plek van ongeveer 3 bij 2 cm.

Op de linkerbovenarm boven de elleboog een blauwe plek van 7 bij 5 cm.

Alle drie de blauwe plekken betreffen bloeduitstortingen van meer dan één dag oud.

Het letsel past goed bij de toedracht.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

14. Een proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2011284745-39 van 5 november 2011 en opgemaakt en ondertekend op 6 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 23].

Deze kennisgeving van inbeslagneming houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Pleegplaats: het [straatnaam] ter hoogte van nummer [adres 2] te [plaats].

Pleegdatum: 5 november 2011

Ik heb de volgende voorwerpen in beslag genomen: bestek mes, achter tv woonkamer.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

15. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011284745-50 van 7 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 15] (doorgenummerde pag. 220-221).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als bevindingen van voornoemde verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Op 5 november 2011 werd in de rechter borstzak, buitenzijde van de zwarte jas van de navolgende verdachte, [verdachte], aangetroffen en in beslag genomen een telefoon van Samsung, kleur wit. Nader onderzoek op de telefoon en simkaart.

Op 7 november 2011 deed de verdachte [verdachte] afstand van de witte Samsung telefoon.

Gelet op de inbeslagname en afstand van de witte Samsung telefoon, de SMS berichten met de naam [voornaam 4], het uitbellen naar het nummer welke in gebruik is bij de dochter van [persoon 3] en het verhoor van [persoon 3] waarin zij verklaart dat haar telefoon is afgenomen door ‘[voornaam 2]’ is vast komen te staan dat deze telefoon eigendom is van [persoon 3].

Zaak B

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

16. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2011276891-1 van 28 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 24] (doorgenummerde pag. 1-4).

Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van aangever [persoon 4], zakelijk weergegeven:

Plaats delict: de [adres 1], [plaats].

[persoon 25] is mijn vriendin en is getuige geweest van het voorval waarvan ik aangifte wens te doen.

Op 27 oktober 2011 zat ik op de bank en hoorde ik gebonk. Ik liep naar de gang en zag en hoorde dat er een drietal ruiten van mijn voordeur uit werden gegooid. Enkele seconden hierna zag ik dat een man de trap op kwam lopen. Ik herkende deze man als zijnde [verdachte]. Ik zag dat [verdachte] bebloede handen had. Ik zag dat [verdachte] de trap op kwam lopen. Ik zag dat [verdachte] doorliep en mijn woning niet verliet. Ik zag dat [verdachte] zijn linkervuist balde. Ik zag dat [verdachte] zijn linkerhand naar achteren bracht en deze opzettelijk en met grote kracht naar voren bracht. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij met zijn linkervuist hard en opzettelijk sloeg op de rechterkant van mijn gezicht. Ik voelde meteen een erge pijn op de plek waar ik geraakt werd.

17. Een proces-verbaal van getuige met nummer 2011276891-13 van 28 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 26] (doorgenummerde pag. 26-27).

Dit proces-verbaal houdt in als verklaring van getuige [persoon 25], zakelijk weergegeven:

Op 27 oktober 2011 zat ik op de bank tv te kijken met mijn man [persoon 4]. Opeens hoorden wij een hard doordringend gebons op de voordeur. Mijn man ging naar beneden toe. Mijn man kwam naar boven toe en zei tegen mij dat het mijn ex was. Mijn ex is genaamd [verdachte]. Ik hoorde dat het gebons op de deur niet stopte hierdoor ging het glas kapot waardoor hij naar binnen kon. Mijn man ging naar boven toe omdat [verdachte] naar boven stormde. Toen ik de huistelefoon had gevonden zag ik dat [verdachte] mijn man op zijn hoofd sloeg.

Nu verdachte de onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:

Ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde

18. De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 25 oktober 2012;

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde

19. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2011276891-1 van 28 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 24] (doorgenummerde pag. 1-4);

20. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011276891-17 van 2 november 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [persoon 27] en [persoon 28] (doorgenummerde pag. 24-25);

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

21. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2011276891-15 van 29 oktober 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 29] (doorgenummerde pag. 6);

22. Een geschrift, te weten een e-mail bericht van Dennis van der Vaart ([emailadres A]) gericht aan [persoon 25] ([emailadres B]) van 7 april 2011 (doorgenummerde pag. 9);

23. Een geschrift, te weten een e-mail bericht van [emailadres C] aan [emailadres B] van 20 mei 2011 (doorgenummerde pag. 11);

24. Een geschrift, te weten een e-mail bericht van [emailadres C] aan [emailadres B] van 20 mei 2011 (doorgenummerde pag. 12);

25. Een geschrift, te weten een e-mail bericht van [emailadres C] aan [emailadres B] van 20 mei 2011 (doorgenummerde pag. 13);

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

26. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2011012665-1 van 16 januari 2011, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 30] (doorgenummerde pag. 01-05);

27. Een proces-verbaal van aanhouding met nummer 2011004257-2 van 19 januari 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [persoon 31] (doorgenummerde pag. 22-23).

6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 5. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A

ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

op 05 november 2011 te Amsterdam opzettelijk [persoon 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet een stoel op die [persoon 2] laten neerkomen en een geschoeide voet op de keel/hals van die [persoon 2] gedrukt gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [persoon 2] is overleden;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

op 05 november 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [persoon 3] heeft geslagen, waardoor voornoemde [persoon 3] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

op 05 november 2011 te Amsterdam [persoon 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk dreigend [persoon 3] een mes voorgehouden en een mes op de keel/hals van die [persoon 3] gezet;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

op 05 november 2011 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon, merk Samsung, toebehorende aan [persoon 3];

Zaak B

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

op 27 oktober 2011 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [persoon 4] op het hoofd heeft gestompt, waardoor voornoemde [persoon 4] pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

op 27 oktober 2011 te Amsterdam wederrechtelijk is binnengedrongen in een woning, gelegen [adres 1], en in gebruik bij [persoon 4];

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

op 27 oktober 2011 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk drie ruitjes van een toegangsdeur van een woning, gelegen [adres 1], toebehorende aan [persoon 4] heeft vernield door die ruitjes in te slaan;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

in de periode van 07 april 2011 tot en met 11 juni 2011 te Amsterdam [persoon 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte per e-mail aan de vriendin van die [persoon 4] opzettelijk dreigend de woorden toegevoegd: "ik hoop dat hij goed met mijn kinderen omgaat zo niet dan maak ik hem af" en "ik heb schijt aan je nieuwe vriend als hij dapper gaat doen vermoord ik hem dus hou op met spelletjes te spelen met mij anders gaan er ongeluken gebeuren en deze keer meen ik het" en "ben veel beter in spelletjes en mijn spels kunnen dodelijk zijn zonder dat ik bij je ben" en "het is oorlog met [voornaam 1] en zeg tegen hem dat de dood op iedere hoek van de straat staat voor hem";

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

omstreeks de periode van 15 januari 2011 tot en met 16 januari 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk uit winstbejag een door misdrijf verkregen auto, voorzien van kenteken [nummer 1], merk Rover 416, chassisnummer [nummer 2], voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9. Motivering van de straf en maatregel

9.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 1 primair (doodslag), 2, 3 en 4 en in zaak B onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 (tien) jaren.

Samengevat weergegeven onderbouwt de officier van justitie de hoogte van de strafeis als volgt. Het slachtoffer is op 5 november 2011 in zijn eigen woning om het leven gebracht door de man die hij als vriend beschouwde en die hij onderdak bood. Verdachte heeft door zijn handelen het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk dat op leven, ontnomen. Verdachte heeft hierdoor ook groot leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer.

Voorts verzoekt de officier van justitie de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

9.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen nu verdachte moet worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank eerst gekeken naar straffen die gewoonlijk voor een enkelvoudige doodslag worden opgelegd (gemiddeld zeven tot tien jaren en in zaken waarbij sprake is van recidiverend gedrag en extreme geweldshandelingen, zoals vuurwapengeweld of extreem gebruik van steekwapens, twaalf jaren).

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte wordt onder andere verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. Verdachte heeft zich naar de woning van het slachtoffer begeven en heeft zich agressief gedragen tegenover het slachtoffer zonder dat van enige aanleiding is gebleken. Verdachte heeft vervolgens het slachtoffer in zijn eigen huis, waar deze zich bij uitstek veilig mocht voelen, gedood door geweld uit te oefenen op zijn lichaam en hals. Verdachte heeft dit geweld uitgeoefend door een stoel op het slachtoffer te laten neerkomen en een geschoeide voet op de keel/hals van het slachtoffer gedrukt te houden. Door zijn handelen heeft verdachte het meest fundamentele recht van het slachtoffer ontnomen, namelijk dat op leven. Ook heeft hij de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht. Verdachte heeft ter terechtzitting geen enkel inzicht gegeven in het motief van zijn handelen, waardoor die vraag voor zowel de rechtbank als ook de nabestaanden onbeantwoord blijft.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan de bedreiging en mishandeling van [persoon 3]. Ook heeft hij haar mobiele telefoon gestolen. Daarnaast heeft verdachte zich op een ander moment schuldig gemaakt aan mishandeling, bedreiging, vernieling, huisvredebreuk en opzetheling. Verdachte heeft door dergelijk handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het eigendomsrecht van de slachtoffers. Ook brengen dergelijke feiten onnodige schade met zich mee voor de slachtoffers.

Van de voornoemde bewezen verklaarde feiten vormt de doodslag de kern van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt. De ernst hiervan overstijgt immers die van de andere feiten. De doodslag zal daarom in overwegende mate de hoogte van de straf bepalen. Voor wat is bewezen verklaard, zonder dat sprake is van recidive, past – in het licht van het vorenstaande – in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren.

Voor de rechtbank werkt strafverzwarend dat verdachte degene die hem onderdak verschafte, in een periode dat hij zelf niet over woonruimte beschikte, heeft gedood. Hier staat tegenover dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte een lichte strafvermindering rechtvaardigen nu verdachte ten tijde van het plegen van het delict als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Uit het pro justitia rapport d.d. 18 mei 2012 betreffende verdachte, opgesteld door mw. [persoon 30], klinisch psycholoog en dhr. [persoon 31], psychiater, komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een schizoaffectieve stoornis, die ook zijn gedragskeuze en gedragingen in lichte mate beïnvloedde tijdens het plegen van het ten laste gelegde.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 32] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade ingediend voor een bedrag van € 2.900,- (tweeduizend negenhonderd euro).

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [persoon 32], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 2.900,- (tweeduizend negenhonderd euro). De vordering kan dan ook worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 32] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 138, 285, 289, 300, 310, 350 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 primair, 2, 3 en 4 en het in zaak B onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

doodslag

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

mishandeling

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

diefstal

Zaak B

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

mishandeling

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

in de woning, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

opzetheling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van een zwarte stoel met goednummer 4172621.

Wijst de vordering van [persoon 32] toe tot € 2.900,- (tweeduizend negenhonderd euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 32] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 32] aan de Staat € 2.900 (tweeduizend negenhonderd euro) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 39 (negenendertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M. van der Nat, voorzitter,

mrs. M.E.B. Nyman en M.J.A. Duker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.R.S. Piekhaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 januari 2013.